Posts tonen met het label crisis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label crisis. Alle posts tonen

zondag 14 juni 2026

There's something in the water!





















Afgelopen vrijdagavond, rond half negen, werden de inwoners van Dordrecht, Zwijndrecht en Hendrik-Ido-Ambacht verrast met een mailtje van Evides, het lokale waterleidingbedrijf. De E-coli bacterie was aangetroffen in het drinkwater en Evides adviseerde voor de eerstkomende 72 uur het water voor consumptie 3 minuten te koken.
Ongeveer twee uur volgde een NL-Alert van dezelfde strekking, via de telefoon. Toch goed dat de vanouds vertrouwde luchtalarm-sirenes voorlopig niet door het NL-alert worden vervangen, dacht ik.
Nu had mijn vrouw, die altijd wat gevoeliger is voor de mogelijkheid van allerlei calamiteiten, al paar 2-liter pakken bronwater klaar staan; nog niet zo lang geleden aangeschaft toen de burgers van Nederland werd aangeraden een noodpakket in huis te nemen. Bovendien kookte ze meteen het nodige water en vulde daarmee een verzameling doppers en thermosflessen die uit alle hoeken en gaten werden verzameld.
In de loop van de volgende dag bleken we daar als dagvoorraad ruim voldoende aan te hebben. Extra bronwater werd dus niet aangeschaft en de pakken die we wel hadden bleven voorlopig dicht.
Gisterenavond (zaterdag) kwam er om kwart voor acht een nieuw mailtje met de boodschap dat het eerdere kookadvies was opgeheven. Nadere onderzoeken hadden uitgewezen dat er van besmet leidingwater geen sprake was. Een vals alarm dus waarschijnlijk. NL-Alert was dit keer wat meer bij de tijd; enkele minuten na de mail gaf dat dezelfde melding.

Vanmorgen keek ik even bij AD-De Dordtenaar, waar ik, voornamelijk om ook enigszins op de hoogte blijven van het lokale nieuws, een digitaal abonnementje heb lopen.
Vanzelfsprekend was ook het afgegeven en weer snel ingetrokken kookadvies nieuws waaraan de krant niet voorbij kon gaan. 
‘Valse’ melding van poepbacterie in drinkwater, hoe kon dat gebeuren? luidde één de koppen. Want gewoontegetrouw moet er een schuldige worden gevonden voor het leed dat de burger is aangedaan.
Het voornaamste leed deden burgers echter zichzelf aan.
Onder de kop Massale run op waterflessen na besmet drinkwater in Drechtsteden: ‘Mensen denken alleen aan zichzelf’ berichtte AD-De Dordtenaar over de taferelen die zich bij de Dordtse supermarkten hadden afgespeeld. Het hamsteren had tamelijk hysterische vormen aangenomen; sommige klanten namen in één keer bijna100 liter bronwater mee. Bij de Jumbo in Sterrenburg liep het hamsteren vrijdagavond zó uit de hand dat de politie eraan te pas moest komen.
Aangezien de meeste supermarkten op vrijdag om 21.00 u. sluiten en het nieuws om ongeveer 20.30 u. bekend werd, zijn hele volksstammen dus in het laatste halfuurtje dat de supermarkten open waren direct in actie gekomen, om toch maar vooral niks tekort te komen. Of zouden er andere motieven aan de orde zijn geweest, zoals speculeren op een langdurig tekort en zwarthandel? Of was het een combinatie van het één en het ander?

Ik vraag me af hoe snel de vlam in de pan gaat, als zich in de nabije toekomst een ècht serieus probleem voordoet. Het lijkt er wel eens op dat er in meer dan één opzicht sprake is van something in the water.
Het menselijk tekort was hier en daar weer eens vrij onontkoombaar aanwezig.








vrijdag 15 mei 2026

Komen er Tribunalen?

cartoon: Paresh Nath

















Mogelijk zet ik de lezer met de titel van dit epistel op het verkeerde been. 
Ooit was er een lid van Forum voor Democratie, Pepijn van Houwelingen, tevens Tweede Kamer-lid, die een ander kamerlid; Sjoerd Sjoerdsma van D'66, waarschuwde met de tekst "er komen tribunalen". D'66 is óók een partij die democratie in de partijnaam heeft verwerkt, want daar staat de 'D' van D'66 voor.
Dat zet de a-politieke lezer ook al lelijk op het verkeerde been, want of FvD en D'66 dezelfde definitie van democratie hanteren moet ernstig worden betwijfeld.

Het gaat mij in dit verband echter om de democratie in een ander land, te weten de Verenigde Staten van Amerika. Daar is op dit moment een regering aan de macht die ook zo zijn eigen opvatting heeft over wat democratie nu eigenlijk inhoudt.
We kunnen rustig stellen dat de manier waarop Donald Trump en consorten met de veegwagen door de Amerikaanse instituties razen en van alles doen en niet doen, vaak zonder de daarvoor benodigde toestemming van het Congres en/of het Huis van Afgevaardigden te vragen, niet ècht democratisch is. Zonder overdrijven kan worden gezegd dat de regering-Trump autocratische en zelfs fascistische kenmerken vertoont.
De volle omvang van de schade die dat de VS nu en op langere termijn berokkend is nog niet duidelijk, maar zelfs Trump's politieke achterban in de vorm van de MAGA-beweging binnen de Republikeinse Partij begint in te zien dat er sprake is van schade. 
Veroordeelde gevangen, zoals de aanstichters van de Capitoolbestorming,  zonder meer gratie verlenen en vrijlaten werd, hoewel illegaal, nog luidkeels verwelkomd. Ook het schaamteloos combineren van het presidentschap met allerlei commerciële activiteiten, die Trump en zijn gevolg geld in het laadje brachten, veroorzaakte nauwelijks ophef. 
Maar het op straat doodschieten doodschieten van twee onschuldige burgers, zonder dat daar veroordelingen op volgden, en vooral het starten van een oorlog, waarvan Trump beloofde dat hij dat nooit meer zou doen, heeft zelfs de hardliners onder Republikeinen aan het denken gezet.
De betere leefomstandigheden die Trump zijn kiezers heeft beloofd blijven uit. De Amerikanen beginnen zich te realiseren dat ze er sinds zijn aantreden eigenlijk alleen maar op achteruit zijn gegaan. 

De actualiteit van de laatste weken laat zien dat de oorlog tegen Iran een degelijk strategisch plan ontbeert. De strijd duurt al veel langer dan Trump, zijn vice-president Vance en de Minister van Oorlog (inderdaad: van Oorlog) Hegseth verwachtten, iets dat zelfs ik ze vooraf had kunnen vertellen. Al sinds de Tweede Wereldoorlog is duidelijk dat het onmogelijk is een oorlog te winnen met alleen luchtaanvallen. Tijdens die laatste oorlog dacht 'Bomber' Harris, het hoofd van het Britse Bomber Command, dat Duitsland op de knieën kon worden gedwongen door de Duitse steden één voor één volledig plat te gooien. Dat platgooien op zich lukte wel, maar de Duitsers keerden Hitler niet de rug toe, zoals Harris verwachtte. 
In Vietnam probeerden de Amerikanen het opnieuw. Drie-en-een-half jaar lang, van maart 1965 tot november 1968 bombardeerden de Amerikanen Noord-Vietnam, zonder dat dit veel resultaat had in hun voordeel; uiteindelijk werden zij de indirecte verliezers van die oorlog; Vietnam werd geheel communistisch.
Maar mede op advies van een Minister van Oorlog, die weliswaar enige militaire ervaring heeft, maar toch vooral carrière maakte als tv-presentator, probeert Trump het nu toch weer in Iran.

Eigenlijk lijkt het erop dat de Trump administration steeds verder wegzakt in een moeras van door diezelfde regering veroorzaakte problemen. Het wordt steeds duidelijker dat men handelt op basis van een falend gevoel van intuïtie en misplaatste overmoed. Er is geen doordachte strategie, en een plan B is er ook niet. 
De Amerikaanse publieke opinie ziet dit ook.
Dit, opgeteld, bij de in aantocht zijnde mid-term verkiezingen in de VS, zou wel eens kunnen inhouden dat de macht van de regering Trump over ruim een half jaar grotendeels gebroken zou kunnen zijn.
Tenminste, als we ervan mogen uitgaan dat die verkiezingen eerlijk verlopen en Trump er niet in slaagt om met onrechtmatige ingrepen de verkiezingsuitslag hoe dan ook in zijn voordeel te laten uitpakken. Voor zover we hem nu kennen gaat Trump dat ongetwijfeld proberen. Het opnieuw indelen van kiesdistricten (gerrymandering), waar de Republikeinen nu druk mee zijn, is in dat opzicht een slecht voorteken.

Maar stel dat Trump en zijn regering deze mid-terms verliezen; wat gaat er dan gebeuren? 
Ongetwijfeld is de president dan grotendeel vleugellam en zou er zelfs een begin kunnen worden gemaakt met het herstel van de normale rechtsorde, of in ieder geval het temporiseren van de verdere aantasting daarvan. 
De vraag is ook of de regering Trump nog in staat is om het beleid dusdanig bij te stellen dat de Amerikaanse kiezers bij de eerstvolgende presidentsverkiezingen, over twee-en-een-half jaar, opnieuw in meerderheid op een Republikeinse kandidaat zullen stemmen en dat een opportunist uit het eigen kamp Trump zal afvallen en zich als een redelijk alternatief zal presenteren. Vice-president J.D. Vance acht ik wel tot zo'n actie in staat. De Democratische Partij heeft zo'n alternatief nog niet, en staart nog steeds nog steeds als een konijn in de koplampen van Trumps destructieve machinerie.

Er zit, op het moment dat de Democratische Partij in de volksvertegenwoordiging en de Senaat de meerderheid heeft, ook nog steeds een Hooggerechtshof waarvan zes van de negen rechters zijn benoemd door Republikeinse presidenten, waaronder drie die door Trump zijn benoemd.
Desondanks zullen de Democraten proberen een impeachment procedure op gang te brengen. De daden van Trump tot nu toe geven daar alle aanleiding toe. 
Het lijkt me echter ook dat er tenminste sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid, Een groot deel van Trumps ministers heeft zonder blikken of blozen meegewerkt aan het uitvoeren van Trumps programma, zonder zich af te vragen of alles legaal was en in overstemming met de wetten en regels van het Amerikaanse staatsbestel.
Met andere woorden: gaat er na Trumps aftreden op alle fronten rechtgedaan worden en zullen de verantwoordelijken voor het gevoerde onrechtmatige beleid en de nagelaten rechtspleging (de ICE-agenten die in Minneapolis twee burgers doodschoten zijn niet berecht) worden gestraft?

Misschien zijn de eerste scheuren in de machtsbasis van Trump inmiddels zichtbaar, maar het Amerika van voor zijn presidentschappen is nog lang niet terug. De VS gaan nog jaren van interne strijd en chaos tegemoet, ben ik bang. De mensen die door een nieuwe (democratische) regering worden aangeklaagd, zullen zich tot het uiterste verzetten tegen veroordeling. 
Toch lijkt het van belang dat de abberatie die de oorspronkelijke Amerikaanse rechtsstaat heeft geteisterd wordt erkend èn bestraft. Eén en ander 'laten gaan' als er een nieuwe democratische regering is geïnstalleerd, zou een buitengewoon slecht signaal zijn in de richting van anti-democraten wereldwijd.

En wat daarbij komt: worden de oude relaties tussen de VS en Europa hersteld, of is er blijvend iets veranderd in de onderlinge verhouding? 
Wij, in Europa, hebben voorlopig vooral de taak goed voor ons eigen continent te zorgen.

maandag 23 december 2024

Mijn Nieuwjaarswens voor Nederland en de wereld

 

bron: someecards.com









Lezers die de titel van dit stukje vinden getuigen van misplaatste hoogmoed kan ik geruststellen; u mag die titel rustig beschouwen als een met ironie doordrenkte bon mot.

De inspiratie voor dit epistel borrelde op na het zien, gisteren, van het televisieprogramma Buitenhof. Dat zat deze keer, vond ik, vol met boeiende onderwerpen. 
Zo was er onder meer iemand die een Gedichtenapotheek had gepubliceerd. Als u wilt weten wat dat precies inhoudt, moet u maar maar even 'terugkijken' op uw interactieve televisie. Waarvan ik dan maar even aanneem dat u die heeft.

De echte inspiratie echter, kwam van Beatrice de Graaf, die onlangs de jaarlijkse Huizinga-lezing van de Universiteit Leiden voor haar rekening nam. 
In Buitenhof gaf ze, tijdens een interview door Pieter Jan Hagens, een soort samenvatting van die lezing. Het uitgangspunt was dat de visie van Johan Huizinga, eertijds hoogleraar in Leiden, met betrekking tot dingen als crisis, politieke mores en succesvol leiderschap nog steeds niet verouderd is.
De Graaf stak een gloedvol betoog af van een helderheid die tegenwoordig bij veel mensen die over ingewikkelde dingen praten nog wel eens ver te zoeken is. Ze produceerde niet alleen maar veel woorden, maar vooral woorden die iets betekenden en de visie van Huizinga glashelder over het voetlicht brachten.

Zo maakte ze onder andere duidelijk wat, volgens Huizinga, een politiek leider tot een succesvolle leider maakte. Daarbij ging het volgens hem in eerste instantie om deugden in de definitie van Aristoteles. Zo'n leider moest niet alleen slim zijn, maar vooral zó slim dat hij daarbij het hogere doel nooit uit het oog verloor, en dat op een zodanige manier dat er recht werd gedaan het belang van land en volk in de breedst mogelijke zin. Die deugden worden ook benoemd: beheersing, rechtvaardigheid, wijsheid en moed. De latere kerkvader Augustinus heeft daar nog geloof, hoop en liefde aan toegevoegd. Volgens Beatrice waren die zeven begrippen sinds de vroege middeleeuwen "het scharnierpunt" voor mensen die geacht werden te handelen in het publieke belang.

Pieter Jan Hagens trok vervolgens de vergelijking tussen de conflicten in het huidige kabinet, het gedrag van sommige kamerleden en deze deugden. Die waren, volgens hem, vaak niet bepaald in overeenstemming daarmee. Te vaak ging het om populistisch geschreeuw en electorale winst. 
Dat vond Beatrice ook; Huizinga zou één en ander hebben bestempeld als puerilisme. De term is door hem bedacht en werd voor het eerst gebruikt in zijn boek In de schaduwen van morgen. Kort gezegd laat het zich vertalen als 'kinderachtig gedrag'.

Huizinga schrijft in het genoemde boek onder meer: de gemakkelijk bevredigde maar nooit verzadigde behoefte aan banale verstrooiing, de zucht tot grove sensatie, de lust aan massavertoon. (...........) Een aantal eigenschappen, die psychologisch dieper geworteld liggen dan de genoemde, en die men eveneens het best onder den term puerilisme kan begrijpen, zijn het ontbreken van gevoel voor humor, het warmloopen op een woord, de verregaande engdenkendheid en onverdraagzaamheid tegenover nietgroepsgenooten, de matelooze overdrijving in lof en blaam, de toegankelijkheid voor elke illusie die de eigenliefde of het beroepsbesef vleit. 

De taal is misschien, evenals de genoemde deugden, een beetje archaïsch, maar het kan niet worden ontkend dat het hierboven beschreven gedrag ook vandaag weer volop aanwezig is in het publieke domein en zelfs in de tweede kamer en de regering opgang maakt.

Beatrice was van mening dat de deugden van Aristoteles, Augustinus en Huizinga bij veel van de huidige (wereld)leiders nogal op de achtergrond zijn geraakt. Dat valt ook niet te ontkennen, lijkt me. Mensen als Trump en Wilders zouden niet door de ballotage van het bovengenoemde drietal komen.

Het kwam er volgens de Graaf voor de leiders van nu op aan om hoop op vooruitgang te bieden. Dat houdt in dat leiders ook bereid moeten zijn om eerder gemaakte fouten te erkennen, en dat die erkenning eventueel tot een bijstelling van het beleid zal moeten leiden. Het 'benoemen' van problemen moet gepaard gaan met het bieden van perspectief. 
Van de bevolking mag worden gevraagd dat ze niet alleen maar vragen wat de leiding voor hen kan doen, maar ook of zij wat kunnen doen voor het land of de maatschappij.
De Graaf noemde ook het voorbeeld van Franklin D. Roosevelt, die in zijn jaren als president van de Verenigde Staten in staat bleek om het Amerikaanse volk een hart onder de riem te steken tijdens zijn zogenaamde fireside chats, waarin hij vrijelijk sprak over de problemen waar de VS voor stonden, maar zijn volk tevens voorhield hoe zij óók moed en wijsheid konden tonen. Zelf schiet me hier en nu Churchill te binnen, die er bij het begin van de Tweede Wereldoorlog er niet omheen draaide en meldde dat hij voorlopig niks anders te bieden had dan blood, sweat and tears, maar dat de wereld uiteindelijk zou moeten inzien dat this was their finest hour. 
Hij toonde de moed om de waarheid te vertellen, maar bood tegelijkertijd het perspectief dat er ook moet zijn om de burger het idee te geven dat zijn inzet nodig is.

Wat Beatrice de Graaf tenslotte nog zei over de grote conflicten van deze tijd vond ik ook behartigenswaardig. 
Ten aanzien van het Israëlische handelen in Gaza merkte ze op dat de Nederlandse regering de moed zou moeten opbrengen om, ondanks de steun die er van oudsher uit Nederland altijd was voor Israël, in dit geval toch zo langzamerhand eens wat kanttekeningen te plaatsen bij het handelen van Israël en daarbij niet te schromen om te spreken van oorlogsmisdaden. 
Dat neemt echter volgens haar niet weg dat de staat Israël een bestaande entiteit is, die eveneens perspectief nodig heeft. Het land zit feitelijk ook klem in de bestaande werkelijkheid. 
De Graaf pleitte ervoor dat, zeker nu er door de val van Assad in Syrië een nieuwe situatie is ontstaan, Europa, de Verenigde Staten en misschien ook Rusland de deugden beheersing, rechtvaardigheid, wijsheid, moed, geloof, hoop en liefde inzetten om in het Midden-Oosten iets te bewerkstelligen dat tot een verbetering van de algemene situatie zou kunnen leiden.

Maar ook wij, burgers onderling (en daar komt mijn nieuwjaarswens voor het komende jaar, en wat mij betreft voor vele jaren hierna) kunnen in het publieke debat en dat in de kennissenkring anders met elkaar omgaan dan we in dit tijdsgewricht nog wel eens doen, bewust of onbewust.
Zonder al te dogmatisch te hameren op bovenstaande zeven deugden, zou dat kunnen inhouden: minder prinzipienreiterei, de zaak eens van meerdere kanten bekijken, en vooral niet streven naar endgultige Endlösungen. Verbeteren en oplossen gaat vaak in kleine stapjes. 
Dat laatste hoeft geen bezwaar te zijn, als ermee wordt voorkomen dat een eenmaal ingeslagen weg toch niet begaanbaar blijkt, waardoor we vervolgens terug naar 'af' moeten.
Iets om over na te denken als u, al dan niet binnenkort, weer naar de stembus gaat.

Ik wens u allen plezierige dagen van ontspanning en bezinning, benevens een goede start van 2025

Keep calm and carry on.


maandag 13 november 2023

De Eindtijd

























Na honderdvierenveertig berichten weet ik eerlijk gezegd niet meer of ik ooit iets over mijn christelijke opvoeding heb geschreven. Want die heb ik wel degelijk gehad, ondanks het gegeven dat mijn ouders uiteindelijk een nogal losse, c.q. niet bestaande relatie met het christelijk geloof hadden. Ik bezocht namelijk wel consequent christelijke scholen.

De sterkste invloed van het geloof heb ik gevoeld op de Lagere School. 
Wij leerlingen moesten bijvoorbeeld voor elke maandagochtend de tekst van een psalm of gezang uit ons hoofd leren. Die teksten stonden in een klein boekje met een mint-groene band. Op zondagavond was ik er een halfuurtje mee in de weer en werd ik, zodra ik dacht de tekst in het hoofd te hebben, overhoord door mijn vader. Als ik vervolgens op school de beurt kreeg, kwam de (gesproken) liedtekst er meestal vlekkeloos uit.

Ik kan me niet meer voor de geest halen of, en hoe vaak het begrip de eindtijd, zoals dat in de bijbel wordt gebruikt, op school aan de orde is gekomen. 
Voor de lezers zonder christelijke opvoeding: de eindtijd is de periode die voorafgaat aan de jongste dag, ook wel de dag des oordeels genoemd. Dat is de dag waarop Jezus zal terugkeren op aarde en iedereen voor hem moet verschijnen om vervolgens hetzij toegang te krijgen tot het koninkrijk der hemelen, of voor eeuwig te moeten branden in de hel.
Hoe het ook zij; de betekenis van de eindtijd staat me nog helder voor de geest. 

Vooral de valse profeten waarvan in Mattheus 24 sprake is, ben ik nooit vergeten. In het algemeen is het begrip eindtijd voor mij een soort synoniem geworden voor chaos. Want naast die valse profeten worden ook oorlogen en natuurrampen genoemd als voortekenen van de jongste dag.
U zult moeten toegeven dat we de laatste jaren en weken geen gebrek hebben aan oorlogen en natuurrampen en ook valse profeten zijn er in ruime mate. Omdat wij in dit toffe landje nog grotendeels verschoond blijven van oorlogen en serieuze natuurrampen, is er in Nederland nog geen overheersende sfeer van chaos.

Tot ik gisteren naar het journaal keek en daar een reportage over de klimaatmars zag, die afgelopen zondag in Amsterdam plaatsvond.
Naast mensen die demonstreerden voor de aanpak van het klimaatprobleem en tegen de opwarming van de aarde zagen we de nodige Palestijnse vlaggen. We zagen ook hoe een spreker aandacht vroeg voor de Palestijnse zaak en daarbij, volgens het Journaal, "een omstreden pro-Palestina leus riep"; iets met "river" en "sea", en hoe Greta Thunberg de microfoon werd ontnomen door een man die verklaarde te zijn gekomen voor een klimaatdemonstratie en niet voor een politiek standpunt.
De Volkskrant besteedde vanmorgen ook aandacht aan één en ander. 
De sfeer was na de genoemde interventies nogal omgeslagen. Voor veel deelnemers was het positieve gevoel dat zij aanvankelijk tijdens de demonstratie hadden gevoeld verdwenen. Veel mensen bleken ook te zijn gekomen voor Greta Thunberg. 
Maar Greta speelde niet helemaal de rol die men van haar verwachtte. Volgens de Volkskrant gaf Thunberg namelijk zelf de microfoon aan de pro-Palestina activiste, terwijl ze "no climate justice on occupied land" zei.
Voor sommige deelnemers aan de mars reden om te verklaren dat ze zich niet meer thuisvoelden op de demonstratie: "Het is of deze demonstratie gekaapt is".
Die laatste constatering is niet helemaal onterecht. De activiste in kwestie was namelijk haar betoog begonnen met de klimaatkwestie als onderwerp, maar schakelde halverwege over op de Palestijnse kwestie. Daartegen werd vanuit een deel van de demonstranten geprotesteerd.
Het resultaat was dat de demonstratie voor veel mensen in mineur eindigde. "Mijn hart ging open, nu gaat het dicht" volgens een ontgoochelde demonstrante.

Ik ga hier geen partij kiezen ten aanzien van de vraag of aandacht vragen voor de Palestijnse zaak tijdens een klimaatdemonstratie terecht is. Wat nu in de Gaza strook gebeurt is een enorm drama en ik heb geen goed woord over voor de Israëlische regering, die meer met verwerven van absolute macht bezig schijnt te zijn geweest dan met de veiligheid van haar burgers. Desondanks vind ik ook dat Thunberg een uitspraak deed waar geen speld tussen te krijgen is. Inderdaad:  wat heb je aan 'climate justice' in een bezet land?

Maar wat bij mij overheerste was het gevoel van chaos dat het verloop van de demonstratie bij mij opriep. Overweldigd door wereldproblemen beginnen we door elkaar te schreeuwen en ontstaat er strijd met betrekking tot de vraag welk probleem nu de hoogste prioriteit heeft.

Wat een tijdsgewricht is dit toch. Voor het einde van de wereld en valse profeten ben ik niet zo bang, maar joost mag weten wat ons nog meer te wachten staat.

donderdag 9 november 2023

Ondermaans ongenoegen, deel 2

















Aan het eind van het eerste stukje met de titel Ondermaans ongenoegen sprak ik de verwachting uit dat het het eerste van een reeks zou worden. Uit de tekst die eraan voorafging, en het gegeven dat we een verkiezing voor de Tweede kamer tegemoet gingen, had u zelfs kunnen opmaken dat het een lange reeks zou worden.
In dat licht heeft het nog lang geduurd voor deel 2 van deze reeks zich aandiende. 

In mijn binnenste knaagt een bang vermoeden dat ik ook wel weet waarom.
Na wat tot op heden een nogal lauwe verkiezingscampagne was, begint het bij mij te dagen dat we gewoon op nog weer eens vier jaar centrum-rechtse niksigheid afstevenen. En eigenlijk heb ik mezelf daar al bij neergelegd, geloof ik.
Twee-en-een-half geleden schreef ik in dit blog een stukje waarin ik uitlegde waarom ik Nederland en zijn bevolking, of althans een aanzienlijk deel van die bevolking, nauwelijks meer kan verdragen. Die zelfgenoegzaamheid, dat stompzinnige egoïsme en die onuitstaanbare politieke onbenulligheid; het is al een tijd meer dan ik hebben kan.
En hoewel er eigenlijk geen reden was om aan te nemen dat er in de tussentijd veel veranderd is, doen de peilingen van de afgelopen dagen toch behoorlijk pijn.

In de eerste plaats omdat de VVD, de partij die in de afgelopen tien jaar het grootste deel van de verantwoordelijkheid heeft gedragen voor een beleid dat Nederland inmiddels een reeks van grote problemen heeft bezorgd en die net één van de exponenten van dat beleid (Henk Kamp) tot erelid heeft gemaakt, zou in grootte dan weliswaar niet meer de grootste worden, maar toch maar net iets kleiner zijn dan de grootste partij van Nederland. 
Wie zijn die mensen die denken dat het in afgelopen tien jaar eigenlijk heel prima ging in dit toffe landje? Ik vermoed dat ze aan een deformatie lijden waarvan wel meer mensen met een paar centen op de bank last hebben; ze denken: "als het mij mij goed gaat, gaat het met iedereen goed".

Maar het grootste drama van deze verkiezingen is toch wel de razendsnelle opkomst van de partij van Pieter Omtzigt. 
Op de vleugels van een reputatie die feitelijk maar op één positief wapenfeit berust, is deze club van niets op nummer één gekomen. Bijna 20 procent van de kiezers denkt dat Omtzigt het jongetje is dat alles goed zal maken, zoals Ischa Meijer het verschijnsel ooit benoemde. Eén keer een serieuze misstand aan de kaak stellen, wat roepen over nieuw leiderschap en nieuwe politiek, en je bent in dit land de man. 
En je blijft het ook, al doe je nog zo mistig over je politieke plannen, zoals de coalitie waarvan je graag deel zou willen uitmaken, of de vraag of je nu wèl of niet de stikstofcrisis wil aanpakken.

Inmiddels wordt, ook voor wie daar nog niet zoveel idee van had, langzaam duidelijk wie PIeter Omtzigt feitelijk is. Gewoon: nog steeds een CDA-er, die wat onenigheid kreeg met de kopstukken van die partij, en daarom daar persona non grata werd. Dat dit laatste niet automatisch betekent dat je sterker streeft naar sociale rechtvaardigheid dan het CDA anno 2023 doet, is ook al zichtbaar. Pieter ziet, als je diep in z'n hart kijkt, toch meer in een coalitie over rechts, met de VVD, dan over links. 
Je gaat dus gewoon regeren met de partij die de toeslagenaffaire op z'n geweten heeft. Waarvan de onthulling jouw grootste wapenfeit is. Dat de mentaliteit in die partij sindsdien niet is veranderd, doet er voor Omtzigt kennelijk niet toe. Toen ie even niet scherp was, flipte die voorkeur er zomaar uit, en kwam die in de media.
Toen Pieter zich realiseerde dat ie zich daarmee wel een beetje teveel in de kaart liet kijken, kwam ie de volgende dag met de mededeling dat ie het niet zo bedoeld had; hij wist het gewoon nog niet.
Typisch CDA-gedrag, als je 't mij vraagt. 
Van Agt boog destijds al "niet naar links en niet naar rechts", maar werd, toen puntje bij paaltje kwam, de beste maatjes met Hans Wiegel en Jaap Burger had (als kabinetsformateur) eerder al gezegd dat "een afspraak met een confessionele politicus een scheet in een netje" was.
Toch is dergelijk gedraai voor een deel van kiezersvolk geen reden om Omtzigt met wat meer scepsis te bekijken.

Ook opvallend: BBB, bij de Provinciale Statenverkiezingen nog verreweg de grootste, heeft wat betreft het stemmenpercentage maar iets meer dan één derde over van de stemmen die men een half jaar geleden nog had. 
Ja, je hebt als voorvechter van het zo vurig gewenste nieuwe elan in de politiek snel afgedaan, in Nederland.

Dan werd gisteren, tenslotte, bekend dat de gemiddelde Nederlander graag wil dat de Stikstofcrisis en het CO2-probleem worden opgelost, zolang het hem of haar zelf maar niks kost. De vervuilers (de grote bedrijven) moeten het maar betalen en vliegen en autorijden mag niet duurder worden. De gemiddelde Nederlander is kennelijk te dom om te begrijpen dat hij of zij, al autorijdend en naar verre vakantiebestemmingen vliegend, ook vervuilers zijn.

Die zelfgenoegzaamheid, dat stompzinnige egoïsme en die onuitstaanbare politieke onbenulligheid; het is er nog en het lijkt eerder méér dan minder te zijn geworden.



zaterdag 8 juli 2023

Ondermaans ongenoegen, deel 1

cartoon: Mirjam Visser
























Gisterenavond viel dan eindelijk het kabinet Rutte IV. Nog wel door het voor zijn doen drieste optreden van Rutte zelf, normaal een meester in vermijdingsgedrag, maar nu bevangen door een destructief soort dadendrang. Ik zag hem de afgelopen dagen al glunderen over de verrassing die hij voor ons in petto had.
Vanzelfsprekend kwam er meteen een niet-aflatende stroom van talking heads in beeld, waarvan een aantal al meteen in de campagnestand stond, zoals de politieke commentatoren van de NOS het noemden . 

In Nieuwsuur kwam Henk Kamp aan het woord. We kennen hem nog van de rol die hij speelde in de kwestie van de Groningse aardbevingen en zijn weerzin tegen het dichtdraaien van de aardgaskraan.
Een cameraploeg had hem opgezocht in wat, zo te zien, zijn tamelijk ruim bemeten achtertuin was. Er was plaats voor tientallen tentjes met asielzoekers, maar Henk kwam niet in beeld om dàt aan te bieden, natuurlijk. Integendeel. 
het kabinet is gevallen vanwege een meningsverschil over de opvang van asielzoekers en met name over het recht op gezinshereniging. Volgens Henk het grootste gevaar dat Nederland op dit moment bedreigt. Hij wist te melden dat er vorig jaar 400.000 immigranten naar Nederland kwamen. Daarmee de suggestie wekkend dat dit allemaal asielzoekers zouden zijn en dat het er juist door het recht op gezinshereniging zóveel waren.
Mariëlle Tweebeke, normaal een tamelijk scherpe interviewer, liet het zonder weerwoord en nadere vragen passeren. Een slechte zaak, want dergelijke demagogie moet worden aangepakt voor het een eigen leven gaat lijden. Wat het in rechtse kringen al in hoge mate doet, natuurlijk.
De werkelijkheid is dat in 2022 slechts ongeveer 10 % van die 400.000 daadwerkelijk asielzoekers waren.

Wat Kamp doelbewust onbenoemd laat, is dat een aanzienlijk ander deel van de immigranten bestaat uit arbeidsmigranten. Voor een deel mensen die de laagstbetaalde banen in Nederland vervullen en voor een kleiner deel goed betaalde expats, die bijvoorbeeld in de IT werken. 
Ze worden aangetrokken door de sector wiens belangen bij de partij van Henk Kamp van oudsher hoog in het vaandel staan: het bedrijfsleven. Ook onbesproken blijft derhalve het feit dat deze arbeidsmigranten óók een woningbehoefte hebben en in het algemeen een zekere druk uitoefenen op de Nederlandse sociale voorzieningen.

Het grootste probleem bij de stroom asielzoekers is naar mijn idee het gegeven dat de organisaties die deze stroom moeten opvangen de middelen en de mensen die daarvoor nodig zijn worden onthouden. Procedures zijn te lang en de huisvesting is problematisch. Waarschijnlijk is dat onthouden niet eens om één en ander doelbewust te frustreren; vermoedelijk is het een gevolg van de liberale opvatting dat er zo min mogelijk geld aan overheidstaken moet worden besteed. Dom bezuinigen, zeg maar.
Maar in laatste instantie kun je op die manier wèl de indruk wekken dat de asielzoekersinstroom 'onhoudbaar' groot is en die instroom presenteren als het grootste probleem dat Nederland op dit moment teistert en daarmee rechtvaardigen dat je er een kabinet over laat vallen. Wat precies datgene was dat Henk Kamp gisterenavond probeerde te doen.

Elders is de suggestie gewekt dat de VVD doelbewust nieuwe verkiezingen wil, omdat men eindelijk, na de winst van BBB, de kans schoon ziet om een ècht rechtse regeringscoalitie te vormen. Geert Wilders wil ook graag meedoen, zo heeft ie al laten weten. Zelfs als Rutte wéér Minister President wordt.
En eerlijk is eerlijk: als bij de Nederlandse kiezer nu nòg steeds niet de schellen van de ogen zijn gevallen, is die kans ook aanzienlijk. 
Een bekend gezegde is dat het vaak eerst nog een stuk slechter moet worden voor het beter wordt. Want dat lijkt me ons voorland als we het nog eens vier jaar moeten doen met het kabinet Rutte V. 
In een land dat voor het grootste deel wordt bevolkt door mensen met een redelijke intelligentie lijkt zoiets, na alle vertoon van onmacht en leugenachtigheid van Rutte onmogelijk, maar in het Nederland van 2023, waar tenminste 50 % van de stemmers bestaat uit egocentrische quasi-individualisten die niet verder kijken dan het directe eigenbelang (mijn kind kan geen huis kopen..) is het een serieuze optie.

Goed, nog een laatste ongenoegen om mee af te sluiten. 
Nederland is ondertussen ook een land waar men, ondanks de dringende behoefte aan beleid en een regering die ècht regeert, na een gevallen kabinet in de eerste helft van juli, pas half november nieuwe verkiezingen kan uitschrijven. Want ja; de vakanties, hè. 
Zijn ze bij die Kiesraad nou helemaal betoeterd? Sinds wanneer zijn vakanties belangrijker dan het landsbelang? Is dit kenmerkend voor de gemiddelde huidige mentaliteit in Nederland?

Misschien is het u opgevallen dat dit stukje de subtitel 'deel 1' heeft. Zonder prat te willen gaan op de onfeilbaarheid van mijn vooruitziende blik, verwacht ik in de komende maanden hier nog veel ongenoegen te moeten spuien. 


Naschrift, 15 september 2023:
Een paar dagen terug verscheen Henk Kamp, die hierboven vanwege andere wapenfeiten ter sprake komt, voor de enquetecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening, die onderzoekt hoe de toeslagenaffaire heeft kunnen ontstaan, en wie daarvoor verantwoordelijk waren. 
Dat Henk Kamp ook hier een grote rol speelde was me, toen ik bovenstaand bericht schreef, nog ontgaan.
Maar eens temeer bleek hoe stompzinnig Kamp het beleid dat tot de affaire leidde op poten zette: grotendeels op basis van onderbuikgevoelens. Volgens Kamp die van de Nederlandse bevolking, maar ongetwijfeld hebben ook die van hemzelf een aandeel gehad. 
Wat het allemaal nog erger maakt, was dat Kamp geen enkele aanleiding zag om voor zijn aanpak van destijds excuses te maken, of zijn mening over de juistheid van zijn beleid bij te stellen. Hij stond er eigenlijk nog volledig achter.
Je vraagt je af wat zo'n houding tot gevolg heeft voor de rest van Kamp's werkzame leven. Welke organisatie vertrouwt Kamp in de toekomst nog een rol in een bestuur, of een andere leidinggevende functie op hoog niveau toe? 
Persoonlijk ben ik van mening dat Kamp nooit, maar dan ook nooit meer een rol in bestuurlijk Nederland mag spelen. Iemand met een dergelijke tunnelvisie en volslagen gebrek aan empathie, die voornamelijk acteert op basis van "gevoelens" (die onderbuik, dus) is daar totaal ongeschikt voor.
Maar ja. Dat zeg ik. In het old boys network lopen vast nog wel wat druiloren rond die vinden dat Kamp precies de juiste mentaliteit heeft voor een klusje dat zij nog ergens hebben liggen.



zaterdag 19 november 2022

Levensteken

cartoon: Jill Parker












Een paar dagen geleden kreeg ik een mailtje van de man die waarschijnlijk mijn trouwste lezer is. Dat het nu wel èrg lang stil bleef. En of het nog goed met me ging? Ik was geroerd, om niet te zeggen: ontroerd. 

Ons contact is ooit ontstaan toen ik begon met dit blog en nadat ik al een aantal maanden zijn blog onveilig had gemaakt met reacties die soms nog langer waren dan zijn eigen stukjes. Om hem (en andere bloggers daarvan te verlossen is dit blog ontstaan. Een persoonlijke uitlaatplek, die ik tien jaar lang op nogal onregelmatige basis van teksten voorzag. Voor zover ik dat kan beoordelen heeft hij zelf ook een goed gevuld leven, met een scala van activiteiten. Dat hij desondanks toch aan me dacht, was een aangename verrassing.

Wat het blog betreft had hij wèl een punt. 
Zo'n lange stilte als die van het afgelopen jaar is er nog nooit ontstaan. En dat, nadat ik in mijn laatste bericht, van december 2021, constateerde dat ik het tienjarig bestaan van deze uitlaatklep al ongemerkt voorbij had laten gaan.
Gelukkig kon ik mijn meest volhardende volger laten weten dat ik in goede gezondheid verkeerde en dat drukke andere bezigheden de oorzaak waren van mijn afwezigheid op deze plek. Ik schreef hem voorts dat er binnenkort vast wel weer een moment zou komen om hier weer te schrijven, en ik suggereerde dat, nu 2022 ook op z'n eind loopt, het misschien wel een persoonlijk jaaroverzicht zou worden.

Want 2022 was me het jaartje wèl. Zowel op persoonlijk vlak als op wereldniveau.
Al in de eerste week maakte iemand uit mijn directe omgeving een eind aan zijn leven. Ik had dat twintig jaar eerder al eens meegemaakt met een collega op de TU in Delft, waar ik toen werkte. Die eerste keer zag ik het niet aankomen, maar de tweede keer was het èn een stuk dichterbij (het ging om iemand die mijn zwager had kunnen zijn, als hij niet al eerder van de zus van mijn vrouw was gescheiden) èn er waren wel degelijk tekenen aan de wand. Als het zó dichtbij is en je hebt juist in de maanden daarvoor intensiever contact met de persoon in kwestie gehad dan in de jaren daarvoor, ga je ook bij jezelf te rade over hoe je dat contact hebt aangepakt. Los daarvan was ook de nasleep niet alle opzichten therapeutisch, om het eufemistisch uit te drukken.

Daarmee hebben we dan het voor mij ergste van 2022 wel gehad. 
Zowel ik als mijn vrouw liepen in augustus toch nog corona op, terwijl ik zelf in juli nog een herhalingsprik had gehaald. Zij had er iets meer last van dan ik. Bij mij uitte de besmetting zich voornamelijk door wat keelpijn en een klein beetje koorts ('verhoging' is het goede woord). Ondertussen lijkt ook in het algemeen de angel er, wat corona betreft, wel uit.
Net voor corona hadden we een fijne vakantie van drie weken in Noorwegen en in oktober zijn we nog een paar dagen in Wenen geweest, welke stad wij bereikten per slaaptrein, wat op zich al een ervaring was. 
Ook zijn we, terwijl in de Oekraïne de oorlog uitbrak, nog een weekje gaan langlaufen in Seefeld met het mooiste weer dat denkbaar was. Een merkwaardig contrast van werkelijkheden.
Er werd dit jaar om allerlei vage redenen slechts mondjesmaat gezeild en als dat gebeurde vaak nog met opstappers, wat op zich wel gezellig is, maar voor mij, als schipper en dus eindverantwoordelijke, altijd wat meer stress oplevert dan zeilen in m'n dooie eentje.

Op wereldschaal, of zelfs maar nationale schaal, is er natuurlijk teveel om op te noemen.
De oorlog in de Oekraïne springt er uit in ongunstige zin, maar anderzijds lijkt er heel langzaam een soort kentering in de algemene ontwikkelingen te komen. De aandacht voor wat naar mijn idee het meest serieuze wereldprobleem van dit moment is; de opwarming van de aarde, krijgt steeds meer aandacht. De stem van de klimaatontkenners is vrijwel verstomd. Wie nog steeds volhoudt dat die klimaatverandering er ook zou zijn zonder menselijke invloed, staat zo langzamerhand bijna te kijk als een ongevaarlijke gek, ware het niet dat de overgebleven die-hards over veel meer dan alleen het klimaat rare en niet ongevaarlijke praatjes verkopen. In die kringen is ontkenning van klimaatverandering grotendeels vervangen door complottheorieën waarin allerlei vreemde fenomenen zoals reptielen een grote rol spelen.

Positief, daarentegen, is dat het er alle schijn van heeft dat de dagen van het marktdenken en de neo-liberale politiek geteld zijn.
Zo stond er deze week een klein interview met twee JOVD-ers (jonge VVD-ers) in de Volkskrant, waarin door hen onversneden linkse dingen werden gezegd, zoals je ze eigenlijk bij de PvdA verwacht, maar in de praktijk nauwelijks hoort. Als deze jongens ooit het programma van de VVD gaan opstellen, komt er nog een dag dat ik op die partij stem!

Opvallend is ook dat in de reeks MeToo-achtige schandalen steeds weer een nieuw opduikt. Vandaag is Matthijs van Nieuwkerk en zijn onder- en bovenknuppels de twijfelachtige eer te beurt gevallen. In dit geval extra interessant omdat het laat zien hoe bepaald gedrag op zeker moment zomaar normaal wordt gevonden en waarin mensen, die in meer alledaagse omstandigheden best aardig zijn, toch tot een soort beulen transformeren.

Wat me wel een beetje zorgen baart: de omvang die het verschijnsel 'wokisme' in het afgelopen jaar heeft aangenomen. Het gebruik van de term is een tikkeltje riskant, omdat ie vooral door allerlei rechts geboefte wordt gebruikt, maar ik weet op dit moment geen betere en over wat 'woke' is bestaat, geloof ik, geen verschil van mening.
Ik moet eerlijk bekennen dat ik ernstige twijfels heb bij al die excuses die in de afgelopen maanden door allerlei hoogwaardigheidsbekleders zijn gemaakt. Meestal ging het daarbij om betrokkenheid bij slavernij in een tamelijk grijs verleden. 
Naar mijn idee is dat voornamelijk symboolpolitiek. Het lijkt mij constructiever om ervoor te zorgen dat de nazaten van slaven, in Nederland zijn dat voornamelijk mensen van Surinaamse en Antilliaanse afkomst, dezelfde kansen hebben als autochtone Nederlanders en dat tegen hen gerichte discriminatie op alle fronten wordt bestreden.
Erkennen van bedenkelijke aspecten van de Nederlandse geschiedenis is prima, maar het herschrijven of verwijderen van hele stukken ervan, is dat niet.

Gelukkig maakt al te extreem wokisme zichzelf van tijd tot tijd belachelijk, zoals deze week gebeurde met verwijderen van een schilderij bij de Universiteit Leiden. Het schilderij, van de Dordtse kunstenaar Rein van den Dool, toont op tamelijk ironische wijze een College van Bestuur uit de jaren '60. Eén blik is voldoende om te begrijpen dat de kunstenaar de verheven status van College met een korreltje zout neemt. Eigenlijk is het vrij verbazingwekkend dat het geportretteerde college het schilderij destijds heeft aanvaard en het doodleuk op een prominente plek heeft laten ophangen. 
Nog ironischer maar ook bespottelijk is het, als vijftig jaar later vooral vrouwelijke academici het beschouwen als een voorbeeld van wat bij vrouwelijke wokisten "giftige mannelijkheid" is gaan heten en het geheel op eigen gezag hebben verwijderd.
Gelukkig beseft het huidige College van Bestuur dat er grenzen zijn aan wokistische zelfwerkzaamheid en hangt het schilderij inmiddels weer op z'n oude plek.

Het wokisme is voor mij ook een soort blast from the past. 
In eerdere stukjes heb ik geschreven over de links-intellectuele cultuur van de jaren '70, waarin prinzipienreiterei het in veel gevallen won van nuchter nadenken over sociaal-democratische politiek en daardoor contraproductief werkte.
Van mij mag het wokisme dus liever vandaag dan morgen verdwijnen. Het is geen medicijn tegen rechts-extremisme, maar werkt feitelijk als een catalysator daarvan.

Wat naar mijn idee de werkelijke bedreiging voor onze democratie vormt, is de alledaagse politiek en de visie-loze regeringen van de afgelopen tien tot twintig jaar.
In een volgend stukje kom ik daar vast nog wel een keer op terug. 


donderdag 17 december 2020

Het kan vriezen of dooien

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mijn stemming is de laatste dagen  aan aanzienlijke schommelingen onderhevig.

Vaak gaan we in de kerstvakantie van mijn vrouw (ik heb altijd vakantie) nog een paar dag op pad. Meestal met behulp van een paar van die Fletcher-bonnen, waar ik eerder over schreef. Maar nu er, met de huidige lockdown in de hotels niet meer kan worden gegeten en daarbuiten ook alle horeca gesloten is, gaat daar dit jaar weinig van komen, waarschijnlijk. Tegenvaller, maar helaas pindakaas.
Daarom hebben we, voor het eerst sinds heel lang, thuis weer 's een ècht kerstboompje neergezet. We kunnen er nu een hele kerstvakantie lang van genieten.

Inmiddels hebben de katten de kerstboom tot twee keer toe doen omdonderen. Buiten hebben ze geleerd in bomen te klimmen en binnen doen ze het nu ook. Sjaak (sinds hij vijf en een halve kilo weegt, noemen we hem geen Sjakie meer) kreeg het als eerste voor elkaar. 
De boom staat in een voet waar ook water in zit, dus buiten de nodige gebroken kerstballen was ook de vloer zeiknat. Eén en ander zorgde voor een korte, maar hevige dip in mijn humeur.
 Drift en woede komen bij mij wel snel op, maar ebben ook snel weer weg.
Nadat de boel weer was opgeruimd en de boom overeind gezet, sprak ik tegen mijn vrouw het enigszins geruststellende vermoeden uit, dat alleen Sjaak in staat was de boom zover uit zijn evenwicht te brengen dat ie omging. Minou (de kleinste van het stel en drie en een halve kilo) achtte ik daartoe niet in staat. Ze was er ook al een paar keer ingeklommen, waarbij de boom keurig was blijven staan.
Uiteindelijk bleek dat dit gold voor Minou als statische belasting. Maar op het moment dat ze door Sjaak achterna wordt gezeten, wat regelmatig voorkomt, verandert ze in een dynamische belasting, die het gewichtsverschil met Sjaak ruimschoots compenseert. Pakweg vierentwintig uur later vloog zij op volle snelheid de boom in en ging die voor de tweede keer om.
Dat zorgde voor een korte aanval van razernij mijnerzijds. De kwalificatie "kutkatten!" viel. Minou heeft van schrik de eerste uren na het voorval buiten mijn zicht boven doorgebracht.

Maar vanochtend had ik een serieuze opsteker.
In de Volkskrant van 16 december stond een brief van Yolanda van der Waart uit Eelde. Ze liet weten dat de boeren het nu ècht bij haar hadden verbruid, omdat ze distributiecentra van supermarktketens blokkeerden. Ongepast, vond ze, nu het hele land in crisis is.
Ik dacht precies het tegenovergestelde. Ik besloot ook een brief aan de Volkskrant te schrijven:
 
In de krant van 16 december meldt Yolanda van der Waart in de brievenrubriek dat de boeren nu ècht haar sympathie hebben verspeeld, omdat ze distributiecentra van supermarkten blokkeren.

Ik zou daarop willen antwoorden dat de boeren, voor het eerst sinds ze met hun grofstoffelijke protesten begonnen, bij mij weer wat sympathie hebben gewonnen.

Ze hebben eindelijk doorgekregen wat de werkelijke oorzaak van hun problemen is: het gegeven dat ze door de markt worden gedwongen voor minimale prijzen hun producten te leveren. De boeren zitten gevangen in het spanningsveld tussen de noodzaak tot grootschaligheid om, ondanks de lage prijzen die ze voor hun producten krijgen, toch nog wat te verdienen, en de stikstofproblematiek, die door die grootschaligheid wordt veroorzaakt. Je kunt de boeren verwijten dat het nogal lang heeft geduurd voordat ze snapten wat de werkelijke nagel aan hun doodskist is, maar beter laat dan nooit, zou ik zeggen. Dat we afscheid moeten nemen van grootschalige landbouw en melkveehouderij, als we ons milieu en onze natuur willen redden, is duidelijk. Doorgaan met een afgeslankte agrarische sector, die haar land minder intensief gebruikt, minder bemest en in het algemeen milieuvriendelijker produceert, is alleen mogelijk als we bereid zijn voor hun producten een prijs te betalen waarvan de overgebleven boeren, na de noodzakelijke sanering, kunnen leven.

Yolanda heeft een keus. Òf meer gaan betalen voor haar voedsel, die nieuwe auto dan maar een paar jaar uitstellen en 's een jaar niet naar de Canarische Eilanden vliegen voor haar vakantie.  Òf dieren, planten en het Nederlandse landschap verder achteruit laten gaan en afwachten of de wal het schip ooit keert. Het is de consument die uiteindelijk bepaalt wat zijn voedsel mag kosten.

Zo zit dat, Yolanda. Ik ga er vanuit dat deze uitleg voldoende is om ervoor te zorgen dat je niet wéér in de pen klimt als de voedselprijzen gaan stijgen. Je krijgt er iets onbetaalbaars voor terug.    

Eigenlijk was ik vanmorgen alweer vergeten dat ik die brief geschreven had. Tot mijn bejaarde overbuurman belde met de vraag of ik die Hans Valk van de brief in de Volkskrant was.

Toen ik de brief in de krant opzocht, zag ik dat er aan het eind nog wel even was geredigeerd door de redactie van de brievenrubriek. Het lichtelijk aanmatigende stukje over het uitstellen van die nieuwe auto en het 's niet op vakantie gaan naar de Canarische Eilanden was verwijderd (prima), evenals de even aanmatigende één na laatste zin (wéér prima). Maar de laatste zin, "je krijgt er iets onbetaalbaars voor terug.", had het eveneens niet gehaald.

Dat laatste vond ik wèl jammer. Naar mijn idee was het de essentie van m'n betoog. 

donderdag 8 oktober 2020

Engeland, jaren zeventig

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Onlangs stond er in de Volkskrant een stukje van hun correspondent in het Verenigd Koninkrijk, Patrick van IJzendoorn. Het handelde over een Britse verworvenheid die tot op heden de tand des tijds heeft doorstaan: het schooluniform. Het verschijnsel blijkt tegenwoordig nog vrijwel even wijd verbreid als het dat was in de jaren zeventig, toen ik en mijn goede vriend T. een paar lange reizen in Groot Brittannië maakten. 
Van IJzendoorn's stukje riep daardoor meteen de nodige herinneringen wakker aan die reizen. Ook aan zaken, waarvan ik vermoed dat ze inmiddels wèl verleden tijd zijn. Hoewel ik dat niet echt goed kan vaststellen, omdat mijn bezoeken aan het perfide Albion sinds de genoemde reizen nooit meer dergelijke vormen hebben aangenomen. Het bleef in latere jaren bij bezoekjes van een week of enkele dagen. Ik heb ondertussen meer tijd doorgebracht in Frankrijk. Ook een land met een rijke cultuur en een prachtige natuur, maar mijn liefde voor Frankrijk is veel minder oud dan de liefde voor het Verenigd Koninkrijk.

Wanneer die liefde voor de Britse eilanden en alles wat ze voortbrachten bij mij precies ontstond, is niet helemaal duidelijk. Het had iets met vliegtuigen te maken, maar dat ik al op vrij jonge leeftijd enige kennis van de Engelse taal verwierf, zal ongetwijfeld ook hebben geholpen. 
Ik kan niet meer nagaan hoe bijzonder het destijds was, maar in het laatste jaar van wat toen nog de Lagere School heette, werd mij de mogelijkheid geboden om na de reguliere school-uren Engelse les te volgen. Mijn ouders, die mij wat opleiding en schoolkeuze betreft nooit iets opgedrongen hebben, vonden het kennelijk een goed idee. Zelf had ik er ook wel zin in. Het was de tijd dat de popmuziek vooral uit Engeland kwam en hoewel ik in 1965 op 11-jarige leeftijd nog geen heel duidelijke muzikale voorkeur had, zal dat er ook wel van invloed zijn geweest. Hoe intensief dat extra onderwijs precies was, kan ik me niet meer herinneren, maar ik weet nog wel dat we er een speciaal leerboekje voor kregen. Het had een relatief klein formaat en was niet zo dik. Het zag er saai uit, met een loodgrijze omslag zonder enig kleuraccent. Meer jaren vijftig dan jaren zestig.
Toch hadden de lessen die ik eruit kreeg effect. Vanaf dat moment kon ik enige chocola maken van niet te ingewikkelde Engelse teksten. Teksten van in die tijd populaire tophits kon ik verstaanbaar meezingen. Het fantasie-Engels, waarmee ik dat tot dan toe deed, was verleden tijd. Ik begon naar de BBC te luisteren en omdat ik op steeds meer fronten in aanraking kwam met dingen die zich in Engeland afspeelden of hadden afgespeeld, groeide de belangstelling voor het eilandenrijk aan de andere kant van de Noordzee, dat hemelsbreed bijna net zo dichtbij was als Duitsland of Frankrijk. Toch leek het exotisch en ver weg.

Op de L.T.S. (zelf vind ik het woord 'ambachtsschool', dat destijds ook wel voor dit schooltype werd gebruikt, mooier) kwam ik T. tegen. Of hij op dat moment ook al iets met Engeland en het Engelse had, weet ik niet meer, maar wat we in ieder geval gemeen hadden was een bepaalde belangstelling voor techniek. Naarmate onze smaak in muziek zich ontwikkelde, bleek ook die aardig overeen te komen. T. ging na de Ambachtsschool aan het werk en ik stroomde door naar de M.T.S. De vriendschap bleef bestaan. 
Steeds vaker hadden we het over een reis naar Engeland en Schotland. Dat laatste kwam onder andere voort uit het feit dat we beiden liefhebbers waren geworden van volksmuziek, en dan speciaal die van Noord-Engeland, Schotland en Ierland.
Na de vervulling van de dienstplicht had ik eindelijk tijd en geld (de soldij voor dienstplichtigen was ongeveer gelijk aan het minimumloon) om een serieuze buitenlandse reis te maken. T. werkte al een paar jaar,  had dus ook geld en wat meer was: hij had een auto.
 In de zomers van 1976 en 1977 toerden we twee keer uitgebreid door de noordelijk helft van het Verenigd Koninkrijk. 
 

 
 
Achteraf is duidelijk geworden dat we Engeland en Schotland zagen aan de vooravond van de Thatcher-jaren. Engeland in de jaren zeventig was een land waar het verval had ingezet. 
Tijdens onze reizen werd onze aandacht echter vooral getrokken door dingen die anders waren dan in Nederland. Op autosnelwegen kon je destijds bijvoorbeeld nog fietsers aantreffen, die gemoedelijk over de vluchtstrook voortpeddelden. 
We sliepen in bed-and-breakfasts. Een accomodatievorm die toen in Nederland nog nauwelijks in die vorm bestond en die het mogelijk maakte voor een bescheiden bedrag een kamer voor één nacht te huren. Zelf koken deden we daardoor niet. We aten 's avonds, eigenlijk ook voor het eerst in ons leven, in een restaurant.Waar we bijna altijd hetzelfde bestelden: sirloin steak met grote groene erwten en patat. Soms namen we genoegen met een Wimpy, de Britse voorloper van McDonalds. Waarschijnlijk waren de tandoori's ook toen al wijdverspreid in Engeland. Dat je daar ook goedkoop en lekker kon eten, ging echter volledig aan ons voorbij. Voornamelijk omdat onze smaak in eten nog veel minder exotisch was dan onze muzieksmaak. Wat in de Engelse restaurants, buiten de eeuwige groene erwten, ook opvallend was: stellen en echtparen gingen nooit tegenover elkaar zitten, maar altijd naast elkaar.

Onze algemene indruk in die tijd was dat Engeland en Schotland goedkoop waren. We sliepen gemiddeld voor een bedrag van rond de 3 pond. De wisselkoers voor één Pound Sterling was in 1976 iets minder dan 5 gulden. Voor 15 gulden per nacht, per persoon waren we dus onderdak en hadden we 's morgens een copieus, want  Brits ontbijt. De prijzen die we in de restaurants betaalden waren vergelijkbaar.

De kwaliteit van die b&b's varieerde overigens wel. Soms sliepen we overduidelijk in een slaapkamer van één van de kinderen van het gezin waar we logeerden, en konden we de daar aanwezige speelgoedverzameling inspecteren. Op andere momenten hadden we een kamer die al een beetje op een hotelkamer begon te lijken, met een wastafel en de mogelijkheid om zelf een kopje thee te zetten. Wat wel duidelijk was: de inkomsten uit het verhuren van één of meer kamers waren bij de meeste van onze adressen méér dan welkom. Men deed het meestal niet puur uit liefhebberij. 
In veel gevallen was de landlady een alleenstaande vrouw. Vaak was ze al wat ouder, maar soms ook wat jonger, zoals mrs. Koefod in Whitley Bay. Ooit was ze getrouwd geweest met een Deense visser. Die was  inmiddels van het toneel verdwenen, maar zijn achternaam had ze gehouden. Omdat mrs. Koefod van een wat jongere generatie was, kon ze ons ook vertellen dat er in Cullercoates een folkclub was. Die we ook inderdaad bezocht hebben.
Voor de oudere dames had het uitbaten van een b&b ook een sociaal aspect. Nadat we aan het eind van de middag onze kamer hadden betrokken, volgde meestal 'tea' in de woonkamer, waarbij de gastvrouw alles wilde weten over onze herkomst en onze plannen. Eén keer werd daarbij, op basis van ons accent, het vermoeden uitgesproken dat we uit Zuid-Afrka kwamen.




 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Die folkclubs waren een verhaal apart.
Hoewel achteraf gezien de Britse folkboom in 1976 al op z'n retour was, waren ze in veel plaatsen in Engeland en Schotland nog te vinden. Vrijwel altijd was de venue een pub, die behalve de public bar en de saloon bar ook nog ergens een besloten zaaltje voor bruiloften en partijen had, soms op de verdieping. Dat was dan meestal de plek waar de folkclub resideerde. Een gemiddeld avondje omvatte één of meerdere, al dan niet landelijk bekende folkartiesten, terwijl in tweede instantie het podium beschikbaar kwam voor leden van de club of andere local hero's, die a-capella een lied ten beste gaven of een jam-sessie startten. Vooraf en in de pauze's tussen de optredens werd het nodige bier geconsumeerd. Op het moment dat er een pauze werd afgekondigd, begaf het grootste deel van het publiek zich spoorslags naar de bar, om daar de volgende pint naar binnen te gieten. Bij terugkeer naar het zaaltje nam men vaak nog een verse pint mee, om tijdens de muziek niet zonder te zitten. Bekende liederen werden uit volle borst meegezongen. Voor zover gêne nog een rol speelde, haalde het bier de laatste remmingen weg.

In sommige pubs hing nog de sfeer van de jaren vijftig. In Inverness waren we eens in een pub waar de clientèle vrijwel zonder uitzondering een pet droeg en een lange overcoat. Vanwege het regenachtige weer die dag, was 'natte jas' de overheersende geur. 
Er werd nog, net als in Nederland, trouwens, gewoon met contant geld betaald. Het verschil was dat de klanten geen portemonnee hadden, maar een assortiment kleingeld in één van hun broekzakken. Zoveel mogelijk gepast betalen was de norm. Het verschuldigde bedrag werd, na enig graaien in de broekzak, op de bar uitgeteld.
Jammer genoeg troffen we de Britse eilanden tijdens deze twee reizen aan op het dieptepunt van hun biercultuur. Hoewel we ons daar en toen nog niet echt van bewust waren. Op elke bar stonden electrische bierpompjes en cask conditioned ale was nergens meer te koop. Het bier was 'gassig' en gepasteuriseerd. Drinkbaar, maar daar was ook alles mee gezegd. Hoewel de CAMRA (CAMpaign for Real Ale) al in 1970 was opgericht, zou het tot de jaren '80 duren voor de invloed daarvan in de pubs merkbaar werd. 

Sinds 1977 is er veel veranderd in Engeland en Schotland.  
Wat er in het huidige tijdsgewicht ook ten nadele van het Verenigd Koninkrijk kan worden gezegd, het bier is er ondertussen weer best. De invloed van Thatcher's neo-liberale koers is echter tot de huidige dag merkbaar en lijkt nog weinig aan kracht te hebben ingeboet. De National Health Service, de gratis gezondheidszorg, bestaat gek genoeg nog steeds, evenals de BBC, maar beiden staan onder druk. Engeland is in veel opzichten op de Verenigde Staten gaan lijken en veel Engelsen willen geen Europeaan meer zijn.
De Schotten willen dat wèl. Dat de Schotten meer outgoing zijn was destijds al te merken. Mensen van the continent werden door hen nooit met argwaan bekeken. Ook tegen foreigners stelden ze zich geïnteresseerd en praatgraag op. Datzelfde gold in de jaren zeventig ook voor het noorden van Engeland, dat in die tijd de gevolgen van de ineengestortte industrie en de niet rendabele kolenmijnen al goed kon voelen. Maar sinds populistische rattenvangers erin zijn geslaagd de EU de schuld te geven van alle Engelse ellende, lijkt daar de houding tegenover Europa te zijn veranderd.

Toch blijft het perfide Albion trekken. 
IJs, weder en Covid19 dienende, hoop ik er volgend jaar weer naartoe te zeilen.


maandag 28 september 2020

Hoe de inzichten veranderden

 




 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

We zitten er nog middenin, waardoor het eigenlijk nog veel te vroeg is om er iets over te zeggen. Maar om me heen kijkend, de kranten lezend en andere media volgend, rijst het idee dat er een omslag op komst lijkt. 
Dingen die in de afgelopen twintig jaar toonaangevend waren,  zoals meer nadruk op het het belang van het individu, ontstaan zelden als een losstaand fenomeen. Iets als de dominantie van het marktdenken en het gegeven dat het liberalisme als politieke stroming in Nederland al een flink aantal jaren de overhand heeft, hangen er mee samen. Het begint erop te lijken dat de dominantie van de genoemde factoren zijn langste tijd heeft gehad.

In diezelfde twintig jaar heeft zich een aantal problemen aangediend die met zuiver liberalisme en beschermen van de belangen van het individu niet zijn op te lossen. Het CO2-probleem en de daarmee gepaard gaande energiecrisis kan alleen worden aangepakt met zekere vormen van collectiviteit. De oorzaken van dat probleem zijn eigenlijk al tientallen jaren bekend, maar nu er onmiskenbare tekenen zijn dat het geen door misantropen bedacht schijnprobleem is (afsmeltende gletsjers en een nauwelijks meer te ontkennen temperatuurstijging over de laatste vijftig jaar, om maar iets te noemen) wordt het werken aan een oplossing urgenter. De tijd begint te dringen.

Daarnaast is de wereld in de afgelopen vijftien jaar getroffen door twee crises, die ons eveneens met de neus op de feiten drukten. Acute ellende hakt er vanzelfsprekend nog meer in. Eerst was daar de kredietcrisis en nog maar een half jaar geleden begon de Corona-pandemie. In beide gevallen was ingrijpen door de overheid en daarmee van het collectief noodzakelijk. Ik schrijf hier niet voor niks "collectief". Het doorgeschoten individualisme lijkt er namelijk ook voor gezorgd te hebben dat de overheid hier en daar wordt gezien als een entiteit die buiten de maatschappij en buiten onszelf staat. Het is voor sommigen iets geworden dat als God boven de wateren zweeft en net als God zijn eigen agenda heeft, die niet per definitie hoeft te stroken met de belangen van de maatschappij. 

Dat is, zelfs onder een kabinet met daarin een aanzienlijk liberaal smaldeel, een grove misvatting. Die overheid, dat zijn wij. De mensen die voor de overheid werken zijn letterlijk wat de Britse vertaling van het woord ambtenaar zegt: civil servants. Dat ondanks het feit dat er soms abberaties optreden., zoals de misstappen die onlangs bij de Belastingdienst werden geconstateerd met betrekking tot het onterecht terugvorderen van uitkeringen voor kinderopvang, doet daar niks aan af. Wat er verder ook door als dansleraar vermomde rattenvangers wordt beweerd.

Los van een meer collectieve aanpak van problemen lijkt ook de tijd dat we ons een voortdurend wisselend beleid konden permitteren voorlopig voorbij. 

In de afgelopen dagen las ik De graanrepubliek van Frank Westerman. Het boek is meer dan twintig jaar geleden geschreven en ondanks het feit dat het voor een deel in een al tamelijk grijs verleden speelt, is de inhoud nog steeds actueel. Westerman is een schrijver uit duizenden. Hoe ik erin ben geslaagd om zijn oeuvre tot op heden te missen, is voor mij een raadsel. Hij is en was in de eerste plaats journalist, maar mengt de beschrijving van een interessante geschiedenis met een geweldige stijl, die zijn boeken zonder meer een literaire kwaliteit geven. Westerman zit dicht op zijn onderwerp, waarmee het ook een persoonlijk verhaal wordt. Van afstandelijke, semi-wetenschappelijke geschiedschrijving is geen sprake. Dat gevolgen van dit stuk geschiedenis zich tot in het heden doen voelen, maakt het extra interessant.

De graanrepubliek beschrijft de afgelopen honderd jaar van een klein stuk Nederland in het uiterste noordoosten, het Oldambt. Ruwweg het gebied tussen Winschoten, Nieuweschans en Delfzijl. Van oudsher een streek met grote sociale tegenstellingen. De bevolking bestond, tot enkele tientallen jaren geleden, hoofdzakelijk uit twee strikt gescheiden groepen. Enerzijds de arbeiders, die voornamelijk op de CPN stemden en anderzijds de boeren, die toen nog herenboeren werden genoemd. Die boeren bestierden landbouwbedrijven van grote omvang en waren over het algemeen niet onbemiddeld. Voor de lokale CPN-stemmers waren ze ordinaire kapitalisten. 

Westerman vertelt hun geschiedenis; zowel de teloorgang van het lokale communisme als de rationalisatie en uiteindelijke ineenstorting van de landbouw ter plaatse komen aan de orde. De dramatis personae, zoals Westerman ze noemt, komen allen aan het woord. Naast de communist, de herenboer en de verteller zelf,  is dat de landbouwcommissaris. Met die laatste persoon wordt Sicco Mansholt bedoeld. Hij schopte het, sinds de stichting van zijn eigen boerenbedrijf in de net drooggelegde Wieringermeerpolder, in vijfentwintig jaar tijd tot Landbouwcommissaris van de Europese Gemeenschap. Zijn levensverhaal wordt door de schrijver beschreven als een soort parallel aan de ontwikkelingen in het Oldambt.
Want wat Mansholt in gang zette, had uiteindelijk grote gevolgen voor de Europese landbouw en veeteelt in het algemeen, maar op weinig plekken waren die gevolgen beter te zien dan in noordoost Groningen. 
 
In jaren zestig en zeventig vond in Europa, op instigatie van de Europese Gemeenschap (i.c. Mansholt) een enorme rationalistatie in de landbouw en veeteelt plaats. Bovendien garandeerde Mansholt een minimumprijs voor onder andere het graan, door import van buiten de EG tegen te gaan. Het resultaat was een groei van de productie waarmee de EG uiteindelijk geen weg meer wist. Het was de tijd van de boterbergen, de melkplassen en de graanoverschotten. De productie schoot primaire doel van Mansholt, een Europa dat te allen tijde in zijn eigen voedsel kon voorzien, volledig voorbij.
Uiteindelijk  leidde dat, wat de graanproductie betreft, rond 1990 tot de zogenaamde braaklegregeling. De herenboeren van het Oldambt kregen van de EG subsidie voor elke hectare akkerbouwland die zij braaklegden. Later kreeg die regeling overigens de vorm van een verplichting: de boeren moesten elk jaar een bepaald percentage van hun grond uit productie halen. 
Voor het Oldambt zelf bleek het middel erger dan de kwaal. Wat er buiten de akkerbouw nog aan lokale bedrijvigheid restte (voornamelijk de strokartonindustrie en andere landbouw-gerelateerde werkgelegenheid) zakte in elkaar. 

Ondertussen kwam de milieubeweging op en daarmee de aandacht voor natuurbescherming. Een ambitieus plan om de industrie van Winschoten en omgeving nieuw leven in te blazen met de aanleg van een nieuw kanaal, dat met een zeesluis bij de Punt van Reide de wereldzeeën voor noordoost Groningen zou ontsluiten, sneuvelde door het toedoen van vogelliefhebbers en de omslag in het denken die inmiddels bij de Rijksoverheid gestalte kreeg. Water, vond men, moest wel degelijk de ruimte krijgen, maar niet op deze manier.

Alsof de overheid duidelijk wilde maken hoe het dan wel moest, met dat water, ontstond tenslotte het plan voor de Blauwe Stad, dat een aanzienlijk deel van het Oldambt en het al dan niet braakgelegde bouwland opofferde aan een watersport-, natuur- en woongebied, en waarvoor meer dan 800 hectare bouwland onder water werd gezet. Zelfs de nog steeds grotendeels communistische gemeenteraad van Reiderland ging ermee akkoord. Opnieuw werden boeren uitgekocht.

De Blauwe Stad stond, nadat het plan in 2004 in uitvoering was genomen, lang te boek een mislukking. De rijke pensionado's uit het westen, die rond het meer dure villa's zouden gaan bouwen, kwamen niet. Nu, ruim vijftien jaar na de start van het project en na het bijstellen van de ambities (er worden nu ook goedkopere kavels en woningen aangeboden) lijkt het beter te gaan. Ook als toeristische trekpleister lijkt het te werken. Voorheen was er in het gebied, voor kilometers in de omtrek, geen kop koffie te koop. Inmiddels floreren de terrassen. Dat de Groningers gevoel voor ironie hebben blijkt uit het feit dat Sicco Mansholt in Blauwestad een standbeeld heeft gekregen. Hij maakte de ontwikkeling van het plan nog mee en was daarvoor al tot het inzicht gekomen dat natuur belangrijker was dan landbouwgrond.




 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In de druk van De graanrepubliek die ik las, heeft Westerman nog een laatste hoofdstuk toegevoegd . Daarin blijkt dat het met de boeren in het Oldambt nog lang niet gedaan is. De braaklegregeling kwam op 1 januari 2008 te vervallen.  Door allerlei ontwikkelingen op de wereldmarkt  is de graanprijs weer gaan stijgen. Inmiddels was die hoger dan de prijs die Mansholt ooit garandeerde. Het voorlopige eind van het verhaal is dus dat de overgebleven boeren stug doorgaan.

Dat gegeven brengt ons min of meer in het heden. De productiebeperking uit de jaren negentig had een economische reden. Het bevorderen van soortendiversiteit werd nog volledig gezocht in het scheppen van nieuwe natuur. Dat stikstof vanuit mest daar ook invloed op had, werd misschien wel onderkend, maar overschaduwd door economische belangen. Ook in 2008 was al duidelijk dat er een probleem was met de opwarming van de aarde. De akkerbouwers mochten echter nog even doorgaan zoals ze voor 1990 hadden gedaan. In Nederland tot het moment waarop bleek dat de regering niet aan de aangegane milieuverplichtingen kon voldoen en diezelfde regering maatregelen moest aankondigen die de boerenstand nogal rauw op het dak vielen. Wat op zijn beurt weer leidde tot een ingereden deur van Groningse Provinciehuis en een Malieveld vol met tractoren.

Wat er ook ineens is gebeurd, na de protesterende boeren en de Corona-crisis: de Tweede Kamer komt tot inzichten die bij iedereen met enig sociaal gevoel al lang leven. CDA-ers die zeggen dat het met de dictatuur van de markt nu toch maar eens afgelopen moet zijn en een VVD-premier die verklaart dat Nederland toch ten diepste een socialistisch land is.

Wisselend beleid en veranderende inzichten. Je kunt er boeken over schrijven. En in tegenstelling tot wat je zou verwachten: mooie boeken.