Posts tonen met het label poëzie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label poëzie. Alle posts tonen

zaterdag 25 mei 2024

Richard Rorty en Philip Larkin

foto: Sohu.com
foto: Faye Godwin


Na het schrijven van mijn vorige stukje, over het wereldbeeld dat een mens bewust of onbewust ontwikkelt, schoten me ineens twee andere namen te binnen die het één en ander aan mijn wereldbeeld hebben bijgedragen.

Lang geleden, nog in de tijd dat ik bezig was met filosofen als Nietzsche en Wittgenstein, las ik een boek van Richard Rorty. Ik heb de titel moeten terugzoeken; waarschijnlijk was het 'Contingentie, ironie en solidariteit'
Nu ik in tweede instantie wat hedendaagse teksten over Rorty  lees, zie ik dat hij tegenwoordig wordt beschouwd als de godfather of postmodernism. 
Over het algemeen moet ik niet veel hebben van postmodernistische filosofie; het komt mij te vaak neer op zo goed als onleesbare teksten, die geen ander doel lijken hebben dan aantonen dat de waarheid niet bestaat en, erger nog, dat elke moraliteit ook maar een tijd- en plaatsbepaalde constructie is, en als zodanig eigenlijk niet ter zake doet. Rorty, daarentegen, schreef in vrij begrijpelijke taal dingen die wèl bij mij aankwamen als te overwegen inzichten. 

Eén van de zaken die Rorty handen en voeten gaf op individueel en daarnaast op gemeenschappelijk niveau, was het begrip contingentie, het idee dat iets waar kan zijn, maar niet noodzakelijkerwijs waar. Ook het toeval en de context spelen een rol. Rorty vertaalt "contextl"  hier als persoonlijk en cultureel bepaald. Absolute waarheid is in praktische zin en in het dagelijkse leven volgens hem een onbruikbaar iets. 
Het lemma 'Contingentie' op Wikipedia legt Rorty's visie op het begrip min of meer uit zoals ik het me herinner uit het boek. Om het mezelf niet te moeilijk te maken citeer ik het hier onverkort:

De Amerikaanse postmodernistische en pragmatische filosoof Richard Rorty voert deze tendens tot de uiterste consequentie door in zijn filosofie: volgens hem zou de filosofie zich überhaupt niet langer moeten bekommeren om de vraag of iets een universele waarheid is of contingent. Alle ideeën zijn immers contingent en cultureel bepaald; de filosofie kan zich bijgevolg beter bezighouden met de interpretatie van ideeën als cultureel product en ondergeschikt zijn aan de morele praxis: het is beter gewoon goed te handelen in plaats van zich druk te maken over de universele gelding van de algemene norm die aan dat handelen ten grondslag zou liggen. Ook zijn eigen opvatting is volgens Rorty slechts contingent waar: het is een levensleer waarmee hijzelf praktisch leven kan en die hij slechts wil suggereren aan de lezer. Enige pretentie een noodzakelijke waarheid te verkondigen, zou ontbreken.

De oplettende lezer ziet hier meteen de relatie met de begrippen bubble en wereldbeeld, waar mijn vorige stukje over ging, en ook met de laatste zin van dat stukje: het gegeven dat het uiteindelijk een persoonlijke keuze is waar de grens tussen goed en kwaad wordt gelegd. Of, om het nog iets meer in de geest van Rorty uit te drukken, waar het grijze gebied tussen goed en kwaad onmiskenbaar overgaat in zwart.
Want wat is dat "goed handelen", waar in de Wikipedia-tekst sprake van is?

Van het één komt het ander.
Rorty laat in het bovengenoemde boek zien dat hij in de dichter Philip Larkin een geestverwant heeft gevonden; hij gebruikt diens gedicht 'Continuing to live' als motto.
Ik had tot ik Rorty's boek las nog nooit van Larkin gehoord, maar het bewuste gedicht trof me als weinig andere gedichten tot nu hebben gedaan. Later heb ik meer van Larkin gelezen en ook óver hem. Jonathan Raban, op dit blog al eerder  genoemd, schilderde in het ook al eerder genoemde 'Coasting' een prachtig portret van hem. 
Omdat het gedicht zo mooi aansluit bij gedachten over het fenomeen wereldbeeld, citeer in ook dat maar onverkort:

Continuing To Live


Continuing to live — that is, repeat

A habit formed to get necessaries —

Is nearly always losing, or going without.

   It varies.


This loss of interest, hair, and enterprise —

Ah, if the game were poker, yes,

You might discard them, draw a full house!

   But it's chess.


And once you have walked the length of your mind, what

You command is clear as a lading-list.

Anything else must not, for you, be thought

   To exist.


And what's the profit? Only that, in time,

We half-identify the blind impress

All our behavings bear, may trace it home.

   But to confess,


On that green evening when our death begins,

Just what it was, is hardly satisfying,

Since it applied only to one man once,

   And that one dying.



vrijdag 8 november 2019

Joni Mitchell en Amelia

Dat ik ooit het één en ander over Joni Mitchell zou schrijven hing wat mij betreft al jaren in de lucht. Toen ik een paar dagen geleden haar album Hejira weer eens opzette, werd ik zo getroffen door de schoonheid van één van de songs, dat de inspiratie daarvoor ineens begon te borrelen.

Wat in mijn geval voor wel meer artiesten die in de jaren zeventig hun grootste successen vierden geldig is, is ook op Joni Mitchell van toepassing: ik werd me pas in het CD-tijdperk bewust van Mitchell's grote kwaliteiten. In de tijd dat haar beste albums verschenen, bleef mijn kennis van haar repertoire beperkt tot de singles die doordrongen in de hitlijsten. In Nederland was het aantal daarvan wel heel beperkt, trouwens: alleen Big Yellow Taxi stond in 1970 twaalf weken lang in de Top-40. Dat Both sides now en Woodstock door haar waren geschreven, wist ik toen ook al. Die nummers kwamen ook in de Nederlandse top-40; Both sides now in de versie van Euson, een reeds lang vergeten zanger van Antilliaanse afkomst; Woodstock belandde in de top-40 nadat Matthews Southern Comfort het in 1970 opnam.
Maar verder dan deze songs reikte mijn kennis van de muziek van Joni Mitchell in de jaren '70 en '80 niet,
 
Net als Sandy Denny was Joni Mitchell één van de eerste vrouwelijke singer-songwriters. Ze schreven hun eerste belangrijke songs ongeveer gelijktijdig, omstreeks 1967.  Vervolgens liepen hun carrières tot in de jaren zeventig min of meer parallel. Een andere zangeres uit die periode, die kennelijk een neus had voor goede songs, was Judy Collins. Ze nam zowel Who knows where the time goes van Denny als Both sides now van Mitchell op vóór dat de schrijvers van die songs dat zelf konden doen.
Als persoonlijkheden, maar ook als tekstschrijvers, verschilden Denny en Mitchell echter als dag en nacht. Waar Denny in haar teksten de werkelijkheid vaak verborg achter soms moeilijk te interpreteren metaforen, was Mitchell vanaf haar eerste song glashelder over haar gevoelens. Haar songteksten noemen man en paard. Er was ook een groot verschil in de manier waarop Denny en Mitchell naar zichzelf konden kijken. Omstreeks de tijd dat het album Blue uitkwam, dat doorgaat voor haar beste plaat, zei Mitchell in een interview:

"I came to another turning point—that terrible opportunity that people are given in their lives. The day that they discover to the tips of their toes that they’re assholes (solemn moment, then a gale of laughter). And you have to work on from there. And decide what your values are. Which parts of you are no longer really necessary. They belong to childhood’s end." 

Ondanks deze bekentenis schijnt Mitchell nooit veel last te hebben gehad van valse bescheidenheid. David Crosby (zelf ook een niet onomstreden persoonlijkheid) noemde haar ooit "modest as Mussolini".
Wat ook een feit lijkt, is dat Mitchell, in tegenstelling tot Denny, van meet af aan goed heeft geweten wat ze wilde en ook steeds doelbewust zelf de richting koos die ze met haar muziek wilde inslaan. Denny, daarentegen, liet zich door haar eigen onzekerheid en faalangst, vaak door anderen op allerlei sporen zetten, met alle gevolgen van dien.

Het compromisloos kiezen voor de zelfgekozen richting werkte, voor wat betreft commercieel succes, ook voor Mitchell niet altijd in haar voordeel. Het deel van haar fans dat vooral gecharmeerd was van haar muziek zoals die klonk in de jaren zestig en begin jaren zeventig, haakte in de loop van de latere jaren zeventig vaak af. Van een folk-achtig geluid verschoof de klankkleur, via geciviliseerde pop, naar een toon waarin steeds meer jazz doorklonk. Maar haar fanbase was breed genoeg om een harde kern van liefhebbers vast te houden.
Hoewel ik mijn keus maakte lang nadat Mitchell dat deel van haar oeuvre uitbracht, heb ik zelf ook een voorkeur voor de albums uit de latere jaren zeventig. Waar veel hardcore fans het album Blue uit 1971 beschouwen als haar artistieke hoogtepunt, zie ik in The hissing of summer lawns (1975) en Hejira (1976) haar beste platen.

Zoals ik in deze blog de parallel trek tussen Sandy Denny en Joni Mitchell, zo verkent Mitchell op Hejira, in de song Amelia, de overeenkomsten tussen haar en de vrouwelijke  aviator van die naam.
Amelia Earhardt was één van de iconen van de Amerikaanse luchtvaart in de jaren '30 van de vorige eeuw. Ze stak in 1932 solo als eerste vrouw met een vliegtuig de Atlantische Oceaan over. In juli 1937 startte ze vanaf Nieuw Guinea voor een vlucht naar het eiland Howland, dat midden in de Stille Oceaan ligt. De vlucht maakte deel uit van een reis om de wereld.
Ze kwam nooit aan. Tot de dag van vandaag is niet duidelijk wat er mis ging. Zoals bij alles waarvan de toedracht nooit helemaal bekend is geworden, spelen rond haar verdwijning allerlei complot-theorieën. In januari 1939 werd ze officieel doodverklaard. 

De song Amelia is van een bijna spookachtige schoonheid. Op een gedragen begeleiding van zwevende accoorden vertelt Mitchell hoe ze, rijdend door de woestijn, een wonderlijke figuur in de lucht ziet, getekend door de condensstrepen van zes straalvliegtuigen. De vliegtuigen, de eenzame locatie en haar eigen gemoedsstemming leggen de link met Amelia; ook een vrouw die haar eigen weg ging. Voor mijzelf is de link met de luchtvaart ook een bijzondere. Ik ben altijd dol geweest op vliegtuigen en het idee van vliegen. Dan gaat een stukje songtekst als:

The drone of flying engines is a song so wild and blue
It scrambles time and seasons if it gets thru to you
Then your life becomes a travelogue
Of picture post card charms
Amelia it was just a false alarm


erin als je reinste poëzie.

Vliegen maakt volgens Mitchell van je leven a travelogue of picture-post-card-charms.
Je moet het echter wèl zelf ervaren en niet afgaan op de verhalen van anderen:

People will tell you were they've gone
They tell you were to go
But 'till you get there yourself you never really know
Where some have found their paradise 
Others just come to harm
Amelia, it was just a false alarm

Het heeft z'n risico's, je eigen weg volgen.

A ghost of aviation
She was swallowed by the sky
Or by the sea like me she had a dream to fly
Like Icarus ascending
On beautiful foolish arms
Amelia it was just a false alarm

Maybe I've never really loved
I guess that is the truth
I've spent my whole life in clouds at icy altitudes
And looking down on everything
I crashed into his arms
Amelia it was just a false alarm


Volledig je eigen weg gaan, je vermogen tot liefhebben verwaarlozen, en dan uiteindelijk toch de liefde vinden en weer verliezen. Want dat laatste is, naast de metafoor van onafhankelijkheid die Amelia Earhart voor Joni Mitchell is, het andere thema van dit lied. Omdat haar geliefde haar niet meer wil zien, is Mitchell aan haar eenzame roadtrip begonnen, zoveel wordt duidelijk uit een van de coupletten die ik hier weglaat.

Ook Sandy Denny had het moeilijk met de liefde. Niet omdat ze zich onafhankelijk opstelde. Meer door het tegendeel daarvan. En in tegenstelling tot Mitchell was ze niet sterk genoeg om zich daaraan te ontworstelen en haar eigen weg te gaan.
"De liefde zoekt zichzelf niet", zegt 1 Korinthiërs 13. Ik interpreteer die wijsheid wat anders dan veel christenen; voor mij betekent het dat liefde geen obsessie moet worden die verstikkend werkt. Mitchell heeft dat ook beseft, maar  zij constateert ook dat als God boven de wateren zweven kan betekenen dat je de liefde mist als die voorbij komt.

En dat zijn dan alleen nog maar de gedachten die bij me opkomen door Mitchell's tekst.

Praten over de kwaliteit van muziek is veel minder makkelijk.
Luistert u zelf. De stem is al wat getekend door het leven (en door roken, vermoedelijk), maar deze live -versie is juist daardoor nog wat doorleefder dan studio-versie.

Joni Mitchell zal voor de wereld tot in lengte van jaren het fenomeen blijven dat ze was en nog steeds is.

zaterdag 23 maart 2013

Oud, maar niet eenzaam















Oud en eenzaam wil ik worden
Bevrijd van verantwoordelijkheid
Verlost van het gezeik


Neerlands Hoop in Bange dagen - Offsmboet Ippq Dpef


Vorige week had ik zowaar een echte opsteker.
Ik heb voor de tweede keer (vorige jaar om deze tijd was de eerste) een zogenaamde fittest ondergaan. Die wordt mij aangeboden door mijn werkgever. De vorige keer was het nogal ondermaats uitgepakt. Ik kreeg een 4. Mijn bloeddruk was te hoog, ik was iets te zwaar en mijn zuurstofopname was onvoldoende. Daar had ik allemaal niks van gemerkt; ik voelde me, mijn leeftijd in aanmerking genomen, prima.
Er werd mij schielijk een fit-cursus aangeboden. Vier bijeenkomsten, gespreid over het jaar. Afgelopen december was de laatste sessie. Ik heb daar het één en ander opgestoken, dat valt niet te ontkennen. Ik ben een paar weken geleden zelfs weer eens begonnen met hardlopen.
Dat doe ik al jaren, beginnen met hardlopen. Meestal houd ik het een paar weken vol. Dan komt de klad er een beetje in en na nog een paar weken is het weer voor maanden of jaren klaar met het hardlopen. Voor de laatste fittest was ik een week of vier bezig, schat ik. Om de andere dag, 's ochtends, direct uit bed, twee kilometer hardlopen.
Maar goed. De fittest.
Tot mijn verbazing bleek mijn conditie flink te zijn verbeterd.
De bloeddruk was aanzienlijk gedaald en zat op een voor mijn leeftijd redelijk niveau, ik was lichter geworden (3 kilo, maar toch) en mijn zuurstofopname was een stuk beter dan een jaar geleden. Ik voel me niet veel anders dan toen, maar de cijfers spreken.  Dit keer kreeg ik een 7,5.

Het psychologisch effect van zo'n vooruitgang is in mijn geval aanzienlijk.
Het leek me ineens waarschijnlijk dat ik op 80-jarige leeftijd nog best van het leven zou kunnen genieten. Als ik een beetje op mezelf blijf passen kan ik misschien wel 90 worden!
Ik weet niet of het voor u een prettig vooruitzicht is om een zogenaamd 'gezegende leeftijd' te bereiken. Ik hoop het maar. Voor mij gaat dat in ieder geval wèl op. Ik heb de laatste jaren het vreemde idee dat het beste nog moet komen. Alleen moet er dan wèl tijd zijn om dat beste te kunnen laten plaatsvinden en ervan te kunnen genieten.

De tekst aan het begin van dit verhaaltje wordt gezongen in een programma van Neerlands Hoop in Bange Dagen, destijds in de wandeling Neerlands Hoop genoemd.
Iedereen kent waarschijnlijk Freek de Jonge nog wel. Hij leeft nog, tenslotte. Dat hij ooit een duo vormde met Bram Vermeulen is iets dat veel 20- en 30-jarigen misschien niet weten. Jammer, want Neerlands Hoop was bijzonder. Offsmboet Ippq Dpef, in gewoon Nederlands 'Neerlands Hoop Code' was hun laatste programma. Daarna gingen Bram en Freek ieder huns weegs.
Bram was de romanticus van het duo en waarschijnlijk ook de muzikaalste. Onder zijn invloed werden de cabaretprogramma's van Neerlands Hoop steeds meer programma's van Nederlandse popmuziek met geëngageerde teksten.
Het einde van Neerlands Hoop verdiende niet de schoonheidsprijs. Bram voelde zich door Freek aan de kant gezet. "De ontwikkeling van Neerlands Hoop was de ontwikkeling van Freek. Pas daarná begon mijn ontwikkeling", schijnt hij ooit te hebben gezegd. Bram was ook een laatbloeier, voor zijn gevoel.

Zou Bram regelmatig zijn conditie hebben laten testen? Ik denk het niet. Zo zat Vermeulen niet in elkaar, waarschijnlijk. Hij heeft na Neerlands Hoop nog ruim twintig jaar van alles gedaan. Muziek maken, maar ook schilderen. Maar oud worden was Bram niet gegeven. Ik ben nu al een jaar ouder dan hij is geworden.

Ik vraag me af of Bram Vermeulen ooit verlost is geraakt van "het gezeik".
Het gaat mij er namelijk niet om "oud en eenzaam" te eindigen. Oud worden is prima. Maar belangrijker nog is het om het gezeik achter me te kunnen laten en bevrijd te worden van verantwoordelijkheid. Het grote mensen gedoe, zal ik maar zeggen.

Het geval wil dat ik de laatste jaren steeds vaker aan tafel zit met wethouders. Ik schrijf dit niet om te laten zien wat een grote jongen ik ben. Het is wel iets dat ik me nooit heb kunnen voorstellen toen ik nog een kleine jongen was.
Toen ik tien jaar oud was, dacht ik dat mijn ouders wijze mensen waren. Nu weet ik dat wethouders mensen zijn. Of ze wijs zijn, weet ik niet. Ze hebben veel verantwoordelijkheid, maar terwijl ik bij ze aan tafel zit, giert ook regelmatig de onmacht door de kamer. Niet alleen die van hen, maar ook die van mij. Ik ben nog steeds niet wijs.
Mijn kleine breintje en de verantwoordelijkheid die het moet dragen. Het gezeik dat het moet verwerken. Ik heb achtenvijftig moeten worden om het aan te kunnen. Langzaamaan zal ik het achter me laten. Vóór ik zestig ben, moet het uit het zicht zijn verdwenen.
De laatste twintig jaar van mijn leven wens ik door te brengen in een dragelijke lichtheid. Niet langer gekweld door gelijk of ongelijk. Volledig geboeid door alles wat is, niet door wat zou kunnen zijn. Twintig jaar? Laat het vijfentwintig zijn. Na twintig jaar is het nog niet op, volgens mij. Er is veel, namelijk.

Onvermijdelijk zal het na onbepaalde tijd wel op zijn. Dat wil zeggen: ik kan het niet meer zien; ik kan het niet meer horen en uiteindelijk kan ik het ook niet meer voelen. Mijn praatjesmakerij zal verstommen. Er valt één geluidje weg, maar er zal genoeg herrie overblijven.
Zo bijzonder was het nou ook weer niet. Maar ik heb het wèl naar m'n zin gehad.
De "groene avond", waar de dichter Philip Larkin over spreekt, is aangebroken.
Dat is niet erg. Zo gaan die dingen.


And what's the profit? Only that, in time,
We half-identify the blind impress
All our behavings bear, may trace it home.
But to confess,

On that green evening when our death begins,
Just what it was, is hardly satisfying,
Since it applied only to one man once,
And that one dying. 


Philip Larkin - continuing to live




dinsdag 24 april 2012

Levenskunst; wat is dat eigenlijk?




Klondike

zo blijft men trouw

omdat men wel niets beters weet
dat men zou kunnen doen of redden kon
van wat men niet vergeet.

men denkt wat na

men denkt wat over
men keert eens terug
naar 't welbekende lover
te welbekend, te laat reeds in de zomer.

het beste lijkt maar de balans

eens op te maken
en dan een soort van trouw
een soort van residu
van kleine gouden nuggets
te zeven.

't begin van 't einde.

't begin van het begin.
een muur
een vlakte
een muur niet hoog, een vlakte niet te dor
reeds graast het schaap erin.

een keten

maar niet sterk
en een herinnering
die weldra evenzo als in het hoofd van schapen,
slapen zal.

en met de gouden korrels

kan men dan gaan betalen
van wat de toekomst biedt
en wat men nodig heeft
of meent te hebben.

men kan ze ook bewaren.


en zo dan blijft men trouw

omdat men niet veel beters weet.
een vlakte voor
en achter een, 't is om het even.
wellicht neigt men ertoe nog wat te zeven.





Een paar jaar geleden  las ik dit gedicht van Jan Hanlo (ja, inderdaad; die van 'Oote Boe') en was meteen getroffen door wat het lijkt te willen uitdrukken. Volgens mijn interpretatie: de gelatenheid en berusting die menigeen overvalt als men zijn leven op middelbare leeftijd overziet. Heel 'groots en meeslepend' is het allemaal niet uitgepakt. De sturm und drang, voor zover die er ooit was, is uitgewoed. Men leeft z'n leven in gematigd comfortabele omstandigheden en dat is het dan wel zo'n beetje.(*)
Ik kon niet ontkennen dat het gedicht ook over mij ging. Het leven is te goed om te klagen over gebrek of ongemak. Maar je moet wel goed zeven om de waardevolle zaken eruit te vissen.

Soms zie ik een straatkrantverkoper bij Albert Heijn staan die qua gedrag en uiterlijk op straat niet zou opvallen als buitenbeentje. Als hij geen straatkranten verkocht. Ik vraag me dan af of dat ècht het enige is wat zo'n jongen nog rest. Binnen de bandbreedte van geestesgesteldheden, waarin mijn gemoedstoestand zich tot op heden bevindt, zou ik het moeten verkopen van straatkranten als een enorme vernedering ervaring.  Als je jezelf kunt gedragen en je verzorgt jezelf een beetje fatsoenlijk, dan moet er toch iets beters te verzinnen zijn om aan geld te komen?

Als ik er wat langer over nadenk en op rijtje zet wat mij op de been houdt, dan realiseer ik mezelf ook dat ik zoiets alleen maar kan denken omdat ik op mijn beurt ook geconditioneerd ben. Zij het op een andere manier dan die straatkrantverkoper.
Het feit dat ik redelijk functioneer, is te danken aan een combinatie van een levenlang gewoon plichtsgetrouw doen wat je moet doen en een beetje geluk. Doen wat je moet doen, omdat je bent opgezadeld met het soort normbesef dat zegt dat je ten allen tijde zèlf je broek moet ophouden. Doen wat je moet doen levert je ook het minste gezeik op. Je hoeft jezelf nooit te verdedigen omdat je niet de gebaande paden volgt. Je houdt de kans op mislukkingen zo klein mogelijk. Misschien komt er zelfs wel een soort van eergevoel bij kijken. Je wilt nergens hoeven aan te kloppen om een gunst te vragen, omdat je het èven niet meer kan bolwerken.
Mede door die opstelling heb ik nooit zonder geld gezeten en kreeg ik meestal genoeg betaald voor mijn werk om het idee te hebben dat ik iets van waarde deed. Dat nooit werkeloos raken is trouwens het punt waar op zeker moment ook het geluk me geholpen heeft, maar dit terzijde.
Hoe dan ook; ik heb reden om aan te nemen dat ik niet volledig maatschappelijk mislukt ben. Mijn gevoel voor eigenwaarde is groot genoeg om niet het idee te hebben een loser te zijn.

Terugkijkend heb ik soms wel het idee dat ik het wat avontuurlijker had moeten aanpakken. Dat zeg ik zo nu en dan ook wel tegen mezelf en tegen anderen, als we na een paar borrels onze levens overzien. Als ik het nog eens over zou kunnen doen, zou ik misschien proberen wat meer mijn passies te volgen en misschien wat minder op safe spelen.
Kijkend naar de manier jonge mensen tegenwoordig hun weg zoeken en vinden door de baaierd van mogelijkheden die de huidige maatschappij ze biedt, dringt het tot me door dat er ook in mijn jonge jaren misschien al meer te kiezen was dan ik toen kon overzien. Eind jaren zestig en begin jaren zeventig groeiden de bomen wat dat betreft misschien nog hoger de hemel in dan heden-ten-dage.

In het gereformeerde milieu, waaruit ik voortkwam, was je brood verdienen in het zweet des aanschijns echter de norm. Bij ons thuis waren de ambities niet zo hoog gespannen. In de families van mijn vader en mijn moeder trouwens ook niet. Van de tientallen neven en nichten van mijn generatie gingen er uiteindelijk slechts twee (die niet toevallig deel waren van een tweeling) aan de universiteit studeren. De rest ging voor het twintigste levensjaar aan het werk. Daar staat tegenover dat geen van al die neven en nichten ooit straatkranten heeft verkocht. Dat dan weer wèl.
Pas toen ik op mijn vierentwintigste op de TU in Delft ging werken, kreeg ik een beetje zicht op de werkelijke mogelijkheden. Dat werken voor de TU was overigens een bewuste keuze. Ik had al een iets beter betaalde aanbieding, om bij een ander (maar niet zo artistiek) architectenbureau achter het tekenschot te gaan staan, op zak. Die keuze heeft er toe geleid dat mijn persoonlijke ontwikkeling niet is gestopt na het verlaten van de schoolbanken. Ook kwam bij mij geleidelijk het idee op dat werken voor geld niet uitsloot dat je scheppend bezig kon zijn. En dat een plek voor jezelf verwerven niet altijd een kwestie was van vriendelijk vragen of wachten op wat je toegeworpen werd, maar soms ook een kwestie van de ruimte pakken die er was.
Nadat ik de dertig al ruimschoots was gepasseerd, had ik af en toe nog wel visioenen van hoe het kunnen zijn als ik nog wat meer mijn passies had gevolgd en mezelf verder buiten de veilige structuur van een vaste baan had begeven.
Ik weet echter ook dat ik dan aanzienlijk grotere risico's zou hebben gelopen. Ik ken mijn zwaktes inmiddels namelijk ook een beetje. Zelfdiscipline is niet mijn sterkste kant. Ik heb het vage idee dat het plichtsgetrouwe 'moeten' me meer structuur heeft opgeleverd dan ik zelf aan mijn leven kon geven.
Of ik met mijn passies en vermeende creativiteit meer aan de maatschappij had kunnen bijdragen dan ik nu doe als eenvoudige loonslaaf, is ook nog maar de vraag. Kortom: ik tel mijn zegeningen en mijn goudklompjes.

Terugkomend op die straatkrantverkoper wacht ik me er dus wel voor om mijn minachting voor zijn handel over het voetlicht te brengen.
Duidelijk is dat hij een aantal dingen niet heeft, die ik wèl heb. Anderzijds: waarschijnlijk heeft hij een aantal dingen gedaan, die ik niet heb gedaan. Omdat ik er te burgerlijk, of te schijterig voor was. Misschien heeft hij gegokt en verloren. Wie niet gokt, wint noch verliest.
Of ik meer last heb van het eerste dan van het tweede, weet ik niet. Meestal lukt het me wel om het geestelijk geknaag te sussen met het idee dat mijn leven, alles bij elkaar genomen, toch niet helemaal verkeerd is uitgepakt. Bovendien is het nog niet voorbij, mag ik hopen. Misschien vind ik nog een goudkorreltje, of twee.
Tegelijkertijd krijgt elke maatschappelijke misfit van mij het voordeel van de twijfel. Ik heb op voorhand geen enkele reden om aan te nemen dat ik het beter heb gedaan dan hij.



(*) Het zou ook kunnen zijn dat Hanlo spreekt over de relatie met zijn vrouw. Het woord 'trouw' zou daar op kunnen duiden. Om het mezelf niet meteen heel erg moeilijk te maken, houd ik het maar even bij mijn eerste verklaring.



vrijdag 11 november 2011

Ramsey Nasr for President



Al jaren ben ik geabonneerd op de email-service van het project 'Laurens Jansz Coster' (http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/indext.html). Elke weekdag krijg ik een gedicht van een Nederlandse dichter in mijn mailbox.
Vanmorgen was het van Ramsey Nasr, sinds het overlijden van Driek van Wissen onze Dichter des Vaderlands:


een mooie dag om stilte te verscheuren

een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.

het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.

ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.

vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.

uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)


Ramsey Nasr, die het volk een spiegel voorhoudt. 
We gedenken ernstig de oorlogen die ons land hebben geteisterd, maar aan al die stukken geschiedenis hebben we kennelijk zo weinig relativeringsvermogen overgehouden, dat één schreeuw van een eenzaam individu voldoende is voor een uitbarsting van hysterie.
Nu is hysterie een kenmerk van dit tijdsgewricht, maar zou het ook zo zijn dat dergelijke herdenkingen tegenwoordig vooral worden bezocht door hysterici?
De constatering dat alles vroeg of laat een keer in Nederland moet gebeuren, is eigenlijk verbazing over het gegeven dàt het gebeurd. Wij waren toch zo nuchter?
Aan de andere kant: "omdat het kan. omdat één man", gecombineerd met: "waar alles kan is iedereen vogelvrij", zou erop kunnen duiden dat Nasr de damschreeuwer toch als de verantwoordelijke voor het ontstane leed (de hoogbejaarde in zijn soldatenpak, die valt) beschouwt.
Los van de spiegel bevat het gedicht ook een paar mooie zinnen.
"Elkeen zoekt naar het licht als hamsters in een bak met open deuren" 
Je kan erover zeuren dat een hamsterbak geen deuren heeft en dat "elkeen" wat bedaagd Nederlands is, maar de metafoor is goed getroffen. "Oud-strijders staan te beven aan de kant/ de blikken op zwart wit" is een mooi alternatief voor "oude mensen en dingen die voorbijgaan".

Vorige week stond er in de Volkskrant een interview met Nasr. Daarin werden bepaalde aspecten van de Nederlandse samenleving ook tamelijk kritisch benaderd.
Dat in een land waar alles mag is iedereen vogelvrij is, blijft een spijkerharde waarheid. Hoe je het ook interpreteert.
Als opvolger van de zoetsappige Driek van Wissen hadden we ons geen betere Dichter des Vaderlands kunnen wensen, volgens mij.