Posts tonen met het label maatschappij. Alle posts tonen
Posts tonen met het label maatschappij. Alle posts tonen

zondag 8 februari 2026

Roeien
















In mijn vorige bericht schreef ik dat ik nu toch min of meer een oude man ben geworden. 
Er zijn een aantal verschijnselen die daarop wijzen. Er is een mentale of psychologische component: aan bepaalde dingen merk ik dat ik niet meer zo pas bij deze tijd. Of de tijd past niet meer bij mij. Er zit weinig anders op dan dit maar min of meer te accepteren; de tijd doet wat de mensheid wil. Zolang ik nog een beetje m'n eigen gangen en tempo kan bepalen en al te veel hysterie kan ontlopen, kom ik de tijd die mij nog rest wel prettig door.
Maar de laatste tijd is er bij mij ook wel degelijk het gevoel dat het lichamelijk minder wordt. Tot  voorbij m'n zestigste merkte ik daar nog niet zoveel van, maar ondertussen moet ik vaststellen dat mijn uithoudingvermogen en spierkracht afnemen. 
Ik heb nooit veel aan sport gedaan, behalve dat ik zo nu en dan eens een paar maanden achter elkaar twee of drie keer in de week een paar kilometer ging hardlopen. Nou ja.. hardlopen..; veel harder dan pakweg 10 kilometer per uur ging het niet, en vier tot zes kilometer ver was de laatste jaren wel het maximum. Wat daarbij kwam: eigenlijk is hardlopen op de verharde weg in een aantal opzichten ook een aanslag op je gestel. Het doet wat voor je conditie, maar het is tamelijk belastend voor je knieën. En mijn linkerknie begon ik al een beetje te voelen.

Toch wilde ik m'n conditie op peil brengen en tegelijkertijd wat spierkracht terugwinnen.
In eerste instantie denk je dan aan de sportschool. 
Ik heb altijd een aanzienlijke weerstand gevoeld tegen het instituut. Het is iets moderns, om niet te zeggen modieus. Sporten in de sportschool heeft iets machinaals. Iedereen in een sportschool is als individu bezig op zijn of haar hoogstpersoonlijke martelwerktuig. Samen met anderen in één ruimte met jezelf bezig zijn; ik vind het, ondanks het gegeven dat ik in essentie een individualist ben, een beetje ongemakkelijk. Bovendien is het altijd binnen en ik wilde graag buiten sporten.
Een sportschool-abonnement is trouwens ook niet goedkoop. Het kost, als je een beetje regelmatig wil trainen, al gauw iets van vier tientjes in de maand en dus zo'n € 500,- per jaar.

Toen ik me dit laatste realiseerde, herinnerde ik me dat ik enkele jaren geleden ook al eens had gekeken naar roeien bij de Koninklijke. 
'De Koninklijke'; dat is hier in Dordt de Koninklijke Dordtse Roei- en Zeilvereniging. Roeien is een sport waarbij je bijna alle spieren in je lichaam gebruikt en als je een beetje door roeit, bouw je ook conditie op.  En roeien doe je in de open lucht, en als je dat wilt, samen met anderen.
Destijds had ik óók gezien dat de jaarlijkse contributie wèl wat hoger was dan van de gemiddelde voetbalclub: zo'n € 400,- per jaar. Dat vond ik in eerste instantie teveel.
Maar nu ik deze optie vergeleek met de sportschool, leek het ineens wèl een te overwegen mogelijkheid.
Ik ging nog eens kijken op de website van de KDR&ZV en zag dat je kon komen kennismaken èn twee keer gratis een proefles (want roeien moet je leren, daarover later) kon krijgen. Er was dus een mogelijkheid om de sfeer in de vereniging te proeven en te zien of roeien iets voor je was.

Die sfeer was voor mij wel een dingetje.
De KDR&ZV bestaat uit twee delen. Het roeideel heeft z'n plek aan het Wantij. Van daaruit wordt geroeid en daar liggen ook alle boten waarmee men dat doet. Het andere deel is het 'zeildeel'. Dat heeft z'n basis in de Nieuwe Haven in de binnenstad. In essentie is dat een jachthaven, met heden-ten-dage vooral motorboten. De sfeer in die haven kende ik al enigszins; mijn Wadloper overwintert er de laatste jaren nogal eens. 
Maar toch; 'Koninklijke' roept bij een patjepeeër als ik, in combinatie met 'vereniging' al snel een sfeer op van blauwe blazers en een kakkineus ledenbestand. In de jachthaven van de Koninklijke had ik er nooit veel van gemerkt, maar ik heb er, buiten de havenmeester, ook nooit veel mensen gesproken. Daarnaast heeft 'roeien' als sport ook sterke associaties met studenten en het corps. Hoe kakkineus zou de sfeer bij de roei-poot van de Koninklijke zijn?
Het bleek in de praktijk erg mee te vallen. Tijdens de kennismaking en de proeflessen voelde ik me al snel op m'n gemak. Het gevoel en de proeflessen waren overtuigend genoeg om zonder mankeren lid te worden. 

Ondertussen ben ik al genoeg aardige mensen, maar niet één èchte kakker tegengekomen , en ook de roeilessen bevallen.
Lessen, inderdaad, want roeien volgens de KDR&ZV doe je met een bepaalde techniek. Een in eerste oogopslag zelfs vrij ingewikkeld geheel van houdingen, spiergebruik (inderdaad; maar weinig spieren blijven ongebruik), en bewegingen met de riemen ('roeispanen' voor niet-ingewijden). Het begint al met hoe je in en uit de boot stapt. Er hoort ook een bepaald jargon bij. Je leert 'rondmaken', 'strijken', 'clippen' en nog een aantal dingen, die je uiteindelijk tot een volleerd roeier moeten maken.
Ondertussen ben ik in opleiding voor het diploma 'Scullen 1'. Dat komt er op neer dat je kunt roeien met een zogenaamde 'wherry', het eenvoudigste type waarover men bij de KDR&ZV beschikt; u ziet er één linksboven op het plaatje bij dit blog. Eind februari is de eerstvolgende gelegenheid om 'af te roeien' voor dat diploma. Of ik aan dat examen mee doe staat nog te bezien, want aan mijn manier van 'clippen' mankeert nog het één en ander.

Dat laatste is overigens niet iets waar ik me zorgen over maak. Voorlopig vind ik roeien in de wherry heerlijk, en het buiten zijn in combinatie met de lichaamsbeweging blijkt precies waarnaar ik op zoek was. Wat ook fijn is, is het gegeven dat de vereniging beschikt over een overdekte oefenruimte waar de nodige roeimachines staan, zodat ik ook buiten het echte roeien op het water (1x per week, tot nu toe), nog wat meer kan doen aan conditie en spieren. Eerder had ik de aanschaf van zo'n roeimachine overwogen; iets waar mijn vrouw mordicus tegen was, want "waar moet zo'n ding staan?" Dat ik het geld ervoor in m'n zak heb gehouden en veel beter heb besteed door lid te worden van de Koninklijke is een meevaller.

Kortom: uw correspondent werkt onder de meest prettige omstandigheden denkbaar aan zijn lichamelijke welzijn. Mogelijk zal dit, voor wat betreft dit blog, leiden tot vrolijker en meer levenslustige stukjes. Waarbij ik de realiteit wel onder ogen wil blijven zien. Het volgende stukje zou zomaar 's 'Ondermaans ongenoegen 3' als titel kunnen hebben. 
U bent gewaarschuwd!

zondag 11 januari 2026

Passanten 6: Willem

























Net als Gerrit was Willem min of meer een collega. Eentje uit de laatste periode van mijn werkzame leven.
Hij werkte bij Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Dordrecht. Ik was vanaf november 2001 min of meer bij die dienst ingehuisd, omdat ik secretaris va de Welstandscommissie was. Tussen mij en de plantoetsers van die dienst was regelmatig overleg over ingediende bouwaanvragen. 'Redelijke eisen van welstand' was tenslotte een onderdeel van de 'heilige drie-eenheid' bestemmingsplan - bouwbesluit - redelijke eisen van welstand, waaraan een bouwplan moet voldoen om een bouwvergunning te krijgen. 
Bouw- en Woningtoezicht als zodanig bestaat inmiddels niet meer; een kleine twintig jaar geleden werd deze diensten landelijk samengevoegd met de milieudiensten en de daaruit resulterende dienst heet sindsdien 'Omgevingsdienst'.
In deze context was Willem gedurende veertien jaar mijn collega.

Bouw- en woningtoezicht van de gemeente Dordrecht maakte in de periode vóór de vorming van de Omgevingsdienst deel uit van de dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Dordrecht. Dit destijds vrij omvangrijke gezelschap was van een bonte pluimage. Zowel Monumentenzorg (Dordt heeft meer dan 1000 monumentale panden) als Stedenbouw maakten er deel van uit, evenals Vastgoedbeheer en Grondzaken.
Stadsontwikkeling had bovendien, binnen het gemeentelijke apparaat als geheel, ook een reputatie als zijnde een verzameling feestnummers en bonte honden. 
Dat gold in zekere mate ook voor het toenmalige Bouw- en Woningtoezicht. De dienst had een hoofd, maar een deel van de werknemers vulde de hun toegewezen taken geheel naar eigen inzicht in en maakte het zichzelf daarbij niet moeilijker dan strikt nodig was. Bij de dienst leerde ik bijvoorbeeld het begrip 'artikel 5' kennen. De toepassing daarvan kwam neer op het door de vingers zien van allerlei zaken die enerzijds niet helemaal in overstemming waren met de voorschriften, maar anderzijds niet zó schadelijk werden geacht dat er 'moeilijk' over moest worden gedaan.

Dit laatste is meteen een mooi aanknopingspunt om wat meer te vertellen over passant Willem.
Voor Willem bestond 'artikel 5' namelijk niet. Hij deed alles volgens het boekje. Een standaard ambtenaar zoals die leeft in de voorstelling van de gemiddelde niet-ambtenaar. Binnen het gezelschap van plantoetsers was hij één van de hoger opgeleiden; als ik me niet vergis had hij de HTS voltooid. Willem was een peuteraar, niet alleen in zijn werk, maar, zoals  bleek toen ik hem wat beter leerde kennen, ook op andere fronten.
Dat hij van wijn bleek te houden zou wat mij betreft weer in zijn voordeel kunnen spreken. Kennelijk was hij in bepaalde opzichten toch een levensgenieter. Maar dat hij regelmatig wijn dronk werd pas duidelijk toen hij me op een onbewaakt ogenblik vertelde dat hij de bezitter was van een klimaatkast voor zijn wijnvoorraad. Ook hier had de hang naar perfectie toegeslagen. 
Van lieverlee werd duidelijk dat Willem ook door zijn directe collega's als een wat wereldvreemd buitenbeentje werd beschouwd. Toen Bouw- en woningtoezicht eenmaal was opgegaan in de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid en we waren verhuisd naar een ander gebouw in de stad, leidde deze verandering tot aanzienlijke problemen met zijn werkplek. Willem maakte melding van lichamelijk ongemak dat hij weet aan straling die volgens hem uit het plafond kwam. De bron zou, dacht hij, leidingwerk zijn dat electro-magnetische golven uitzond. Tot welke lichamelijke klachten dit bij hem leidde, is mij nooit helemaal duidelijk geworden. 
Zijn klachten werden door de leiding in zoverre serieus genomen dat er binnen de grote ruimte waar de plantoetsers zaten, met zijn persoonlijke werkplek werd geschoven. Uiteindelijk werd er een plek gevonden waar hij minder last had van de door hem ervaren negatieve effecten, maar helemaal tevreden is hij na de transitie van de dienst nooit meer geworden, geloof ik.
Cynisme kreeg bij Willem de overhand.  
Toen, al vrij kort na de vorming van de Omgevingsdienst, de Tweede Kamer besloot dat plantoetsing en bouwtoezicht op termijn bij marktpartijen zouden worden ondergebracht en plantoetsers en inspecteurs een mogelijk ontslag zagen opdoemen, was Willem steevast degene die het meest zwarte scenario schilderde. 

In 2016 ging ik met pensioen. De Omgevingsdienst huisde inmiddels in het oude (en eigenlijke ook meteen het laatste) postkantoor van Dordrecht, dat op loopafstand van mijn huis ligt. Sommige jongens van de Omgevingsdienst liepen bij mooi weer en rond lunchtijd graag een rondje door de binnenstad, terwijl ze ondertussen de meegebrachte boterhammen oppeuzelden. Zo kwam ik Willem, meestal in het gezelschap van één of meerdere anderen, nog diverse keren tegen.
De laatste keer dat dit gebeurde moet in de periode 2020 - 2022 zijn geweest. Het was Corona-tijd. Willem was alleen en misschien was dat de reden dat we even de tijd namen voor een praatje.
Als ik het me goed herinner was het ergste van de Corona-epidemie al achter de rug; in ieder geval werd er bij Omgevingsdienst weer op kantoor gewerkt. Vanzelfsprekend was de achterliggende periode vrijwel direct onderwerp van gesprek. Al heel snel bleek hoe Willem daar naar keek; Corona was een complot. Het was niet gewoon een epidemie van een tot dan toe onbekend virus. Er waren duistere krachten de gang geweest en ze waren nog lang niet klaar met ons, onwetende burgers.
In een poging om het gesprek in andere vaarwater te leiden, probeerde ik van onderwerp te veranderen en begon ik over een ander maatschappelijk fenomeen. Wat dat precies was weet ik niet meer, maar ook hier zag Willem allerlei geheime manipulaties van de overheid of andere machten.
Eén en ander leidde tot een versneld afscheid. Daarna heb ik Willem niet meer gezien.

De hele traditie van het rondje rond het middaguur schijnt sowieso te zijn afgeschaft, want ook de andere collega's kom ik tegenwoordig nooit meer tegen. 

vrijdag 28 november 2025

De digitale deceptie

bron: Chapatte.com















Lang geleden, in 1980, verscheen het boek The third wave. 
Het was geschreven door wat destijds een futuroloog werd genoemd; iemand die een visie had met betrekking tot hoe de maatschappij en de techniek zich in de niet al te ver verwijderde toekomst zouden gaan ontwikkelen. En als zodanig meende de toekomst te kunnen voorspellen.
Je hoort het woord tegenwoordig zelden meer gebruiken. Het lijkt alsof de futuroloog een beetje heeft afgedaan, of minder serieus wordt genomen. Misschien niet zonder reden, zoals later in dit stukje zal blijken.

De futuroloog die The third wave schreef was Alvin Toffler. 
De hoogleraar waarvoor ik toen werkte op de TU-Delft, was nogal van het boek onder de indruk, en aan de lunchtafel was het meermalen onderwerp van gesprek.
De 'derde golf' van Toffler was niks meer of minder dan de digitale revolutie, die in 1980 min of meer op het punt van beginnen stond. In de visie van Toffler was die digitale revolutie van een zelfde orde als de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw en veeteelt die de mensheid zo'n zevenduizend jaar eerder had doorgemaakt (de eerste golf), en als de industriële revolutie van de 19e eeuw, die, naast een enorme technologische omwenteling, een trek van het platteland naar de steden had bewerkstelligd. Toffler zag die industriële revolutie als de tweede golf.

We kunnen, denk ik, wel constateren dat Toffler, met het bestempelen van de digitale revolutie als de derde golf in de ontwikkeling van de menselijke samenleving, er niet ver naast zat. 
De opkomst van de personal computer, het internet en de smartphone hebben de maatschappij blijvend veranderd, en de invloed van één en ander op het persoonlijke leven van mensen, en de maatschappij als geheel, is nog steeds groeiende.
Dat zijn dingen die Toffler al in 1980 voorspelde. De eerste IBM PC verscheen in augustus 1981 en internet voor algemeen gebruik kwam in de eerste helft van de jaren '90 van de grond.

Toffler's visie op deze ontwikkelingen was optimistisch van aard.
Hij stelde dat het industriële tijdperk, zoals dat zich in de 20e eeuw in zijn ultieme vorm had gemanifesteerd, werd gekenmerkt door massa-productie, standaardisatie, organisatie van bedrijven en instellingen die van boven naar beneden werkte (top down), en wat Toffler een factory-type education system noemde. Massaliteit en grootschaligheid waren bepalende factoren.
De Derde Golf, zoals Toffler die zich voorstelde, zou daarmee in scherp contrast staan. In het algemeen zou er in de toekomst sprake zijn van post-industriële samenleving. Productiemethodes zouden kleinschaliger worden en massa-productie en one size fits all zou worden vervangen door maatwerk en productie on demand.
Het top down principe bij het maken van beleid door regeringen en organisaties zou plaats maken voor een gedecentraliseerde, meer open en meer democratische vorm van beleid maken en leiding geven. Dat zou mede worden bevorderd door het gegeven dat de digitalisering en iets als internet ieder individu onbeperkt toegang zou geven tot alle vormen van informatie. 
Er zou een open samenleving ontstaan, waarbij iedere wereldburger in contact zou staan met iedere andere wereldburger, en onbeperkt informatie zou kunnen uitwisselen. In dat verband werd ook het begrip Global Village gemunt. 
Wat Toffler ook voorspelde: het afnemen van de betekenis van natie-staten. Daar zou zowel van beneden als van boven aan geknabbeld worden. Van beneden door het uiteenvallen van nationale samenlevingen in kleinere eenheden als deel-republieken, en van boven af door toenemende invloed van NGO's en multinationals. Met betrekking tot de wenselijkheid en de uiteindelijke uitkomst van de laatstgenoemde ontwikkelingen zijn door Toffler nooit uitspraken gedaan. Ik kom daar nog op terug.

We kunnen, denk ik, vijf-en-veertig jaar na het verschijnen van 'TheThid Wave' constateren dat Toffler's voorspellingen deels zijn uitgekomen. 
Internet heeft gezorgd voor een enorme hoeveelheid beschikbare informatie. De mogelijkheden  voor allerlei vormen van communicatie zijn groter dan ooit tevoren. Eén en ander heeft het levenstempo van veel mensen overigens ook sterkt opgevoerd. In een mate waarbij hypes en hysterie nogal al eens de sfeer bepalen. Of één en ander in alle opzichten een positieve ontwikkeling is valt te betwisten.
 
Helaas moet ook worden vastgesteld dat veel van Toffler's toekomstvisioen niet is uitgekomen. Van een open samenleving is misschien nog minder sprake dan tijdens de jaren '70 het geval was. Het onderwijs is grotendeels nog steeds een vrij massale en weinig individuele aangelegenheid.
Democratischer is de wereld ook niet geworden sinds die tijd. Integendeel: Er is een beweging richting niet-democratische vormen van bestuur op gang gekomen die zo'n beetje wereldwijd is. Het idee van een Global Village staat wel ver af van de politieke polarisatie die ook bijna overal de kop op heeft gestoken. 
Veel mensen hebben zich, op internet, opgesloten in hun eigen, al dan niet politieke bubbles. Dat laatste is trouwens ook een gevolg van de toepassing van bepaalde algoritmes die de digitalisering mee zich mee heeft gebracht. Internet registreert voorkeuren van individuen en geeft die individuen vervolgens nog slechts informatie en inzichten die stroken met die voorkeur. 
Internet werkt daardoor niet verbindend, zoals Toffler hoopte, maar scheidend, polariserend en vervreemdend.

Wat wel min of meer stookt met Toffler's visie is het gegeven dat de macht niet langer volledig in handen is van natiestaten. Multinationals, en dan vooral bedrijven als Google, Meta en anderen die aan de knoppen zitten van internet, hebben wereldwijd een enorme invloed verworven en zijn in staat politieke ontwikkelingen te beïnvloeden op een schaal die zorgwekkend is, omdat deze bedrijven aan geen enkele vorm van democratische controle zijn onderworpen.
Een vraag zou kunnen zijn in hoeverre de hierboven gesignaleerde trend naar niet-democratische vormen van bestuur in de hand is gewerkt door de bronnen waaruit mensen hun informatie halen en de bubbles waar ze door de algoritmes van Google, Meta en consorten in terecht zijn gekomen. 
Inmiddels is ook wel duidelijk dat de digitale infrastructuur en diezelfde bubbles door natiestaten, waarvan de macht nauwelijks is verminderd sinds 1980, worden misbruikt om de publieke opinie in andere natiestaten te beïnvloeden als er verkiezingen in aantocht zijn. Rusland schijnt erg zijn best te doen op dat front.
Dat roept op zijn beurt de vraag op of de grote IT-bedrijven een gericht beleid voeren op dit front. Met andere woorden: doet men moeite om nepnieuws en onderhuidse, maar grootschalige politieke propaganda tegen te gaan. Een tijdje heeft er op geleken dat dit het geval was: Google en Meta hadden fact checkers in dienst, die hun best deden om waarheid van fictie te scheiden. Inmiddels zijn we echter zover dat deze bedrijven, die in essentie toch gewoon Amerikaans zijn, op last van de zich snel ontwikkelende autocratie in de VS, met dat factchecken zijn gestopt.
Kennelijk is de macht van de Amerikaanse regering en daarmee van een natiestaat als de VS toch altijd nog groter dan die van Google en Meta.

Nog iets verder doordenkend lijkt er in die zin toch iets bijzonders aan de hand. 
Die anti-democratische tendens in de wereld kenmerkt zich door een soort conservatisme dat zich bedient van een instrument dat in essentie niet conservatief is. 
Het anti-democratische conservatisme wil allerlei dingen, die in de afgelopen tientallen jaren vrij algemeen zijn geaccepteerd als een gegeven, ontkennen, en de acceptatie daarvan terugdraaien. Een voorbeeld is afwijkende seksuele geaardheid in al zijn veelkleurigheid. Volgens de conservatieve tendens zijn er slechts mannen en vrouwen en alleen seks tussen mannen en vrouwen is normaal. 
Ook bestaat er in het conservatieve universum een universeel wantrouwen en weerzin tegen de wetenschap en wetenschappelijke feiten. Het klimaatprobleem bestaat niet in deze bubble. Corona was ook een Hoax en soms is er een duidelijke hang naar alternatieve geneeswijzen, die in de praktijk vaak op kwakzalverij lijken.
Wat in deze sfeer universeel is, is het terugvallen op een naar binnen gericht nationalisme. Make America Great Again is er een uiting van, en in ons eigen Nederland pleit Geert Wilders vooral voor het eigenbelang van de Nederlander. Als men daardoor in Afrika het wat minder heeft, is dat jammer, maar helaas. Naar de toekomst wordt nauwelijks gekeken. "Na ons de zondvloed" hoor ik nergens hardop roepen, maar lijkt wel een andere peiler te zijn waarop dit conservatisme steunt.
Het liefst zou men met de rug naar de rest van de wereld gaan staan en in veel opzichten wil men terug naar een maatschappij zoals die vijftig jaar geleden nog bestond. In de VS lijkt dat ondertussen zover te gaan dat men zelfs de rassenscheiding en de ongelijke behandeling van niet-blanken weer terug wil brengen. Wat anders zou er kunnen zitten achter het verwijderen van de panelen bij de ere-begraafplaats van Margraten die wezen op het werk van zwarte Amerikanen?
Dit conservatieve wereldbeeld is min of meer het tegendeel van wat Alvin Toffler van de derde golf verwachtte. Het tweeslachtige bij dit alles is dat het conservatisme juist de digitale infrastructuur heeft ingezet om de conservatieve, anti-democratische boodschap erin te hameren.

Maar wat Toffler toch goed heeft gezien; uiteindelijk is de digitale infrastructuur in zijn wezen toch beter geschikt voor het verruimen van de blik, het kennis nemen van andere inzichten en in het algemeen verder kijken dan je eigen neus lang is. Het ronddraaien in de eigen bubble is alleen mogelijk door de aanwezigheid van bepaalde algoritmes. 
Bevrijd van die algoritmes. en na het opheffen van de digitale vissenkommen waarin veel internetgebruikers zich inmiddels hebben laten opsluiten, zou die digitale infrastructuur alsnog kunnen worden wat Toffler voor ogen had.

De geschiedenis heeft altijd goflbewegingen gekend. Ook de nu op z'n hoogtepunt zijnde conservatieve golf zal wegebben. Op het moment dat er ruimte voor is, zal de macht van de algoritmes moeten worden gebroken en kunnen de Meta's en de Googles weer op hun plaats worden gezet: een dienende rol, met een daarop aangepast 'verdienmodel'.

Ik hoop het nog mee te maken.

zondag 28 september 2025

De Lofoten, deel 2



















De drie-en-een-half uur varen van Bodø naar Moskenes zullen ons nog lang heugen.
Bij vertrek, rond het middaguur, was het nog zonnig en slechts deels bewolkt, met weinig wind. De eerste mijlen voer de veerboot nog in de beschutting van de eilanden die tussen Bodø en het open water van de Vestfjorden liggen.
Maar een dag voor mijn aankomst had er nogal wat wind gestaan in het gebied, en toen we min meer op open zee kwamen, bleek er nog een flinke deining te lopen; een overblijfsel van de wind van de dag ervoor. Van lieverlee trok de wind ook nog wat aan en verschenen er kleine witte kopjes op het water. Het schip begon te rollen en te stampen.
Anderhalf uur later had mijn vrouw haar maaginhoud in een beschikbare zak gedeponeerd. Ze was, al kijkend naar de horizon, tóch zeeziek geworden. Mijn eigen maag voelde ook niet helemaal koosjer, maar ik wist mijn ontbijt, en de boterhammen die ik op het schip nog had genuttigd, tot de aankomst in Moskenes binnen te houden. Slechts een paar boertjes borrelden op, ten teken dat de maag niet helemaal in z'n normale doen was, maar daar bleef het bij. Eenmaal aan wal knapten we snel op.

Op de Lofoten was het inmiddels herfst geworden. Moskenes vertoonde zich pas een half uurtje voor aankomst onder een dik wolkendek, waaruit regen leek te vallen, en waarin de omringende bergtoppen waren verdwenen.





































Vanaf dat moment hadden we, zoals het KNMI dat noemt, licht wisselvallig weer. De volgende dag, toen we het eerder genoemd Stokvismuseum bezochten viel er nog de nodige regen. De dagen erna kenmerkten zich door een afwisseling van zon en wolken, met zo nu en dan een buitje. De regen duurde nooit lang en er waren momenten dat de luchttemperatuur de 20 graden naderde.
Eigenlijk denk ik dat we misschien wel het meest optimale weer hadden om de Lofoten in hun volle schoonheid te ervaren. Het steeds wisselende licht en het feit dat het zicht, dat ondanks de incidentele buien in de opklaringen tientallen kilometers bedroeg, toonden het land- een zeeschap in z'n volle majesteit.



















Wel concludeerde ik na een paar dagen dat we qua vogelleven weer 's net in de verkeerde tijd ter plekke waren. Het grootste deel van de broedvogels was alweer vertrokken richting het zuiden. Afgezien van duizenden witte kwikstaarten en vele Bonte Kraaien,  bleef het bij een enkele Kleine Jager een paar Zeearenden, één Smelleken (een kleine valk) en eenmaal weer op de hoogvlakte in centraal Noorwegen bij een paar Tapuiten en diverse Kraanvogels. Over die laatsten later meer.




















De Lofoten liggen ongeveer 200 km. boven de poolcirkel, maar buiten het feit dat er weinig loofbomen zijn van meer dan 10 meter hoog, merk je daar in augustus weinig van. Ook 's winters lijkt het erg mee te vallen voor wat betreft de gemiddelde temperatuur. Dat komt omdat de eilanden het staartje van de warme golfstroom meepakken. Het zeewater in de Vestfjorden bevriest nooit en Narvik, aan het eind van die fjord is ook in de winter een ijsvrije zeehaven.
In de weken voor onze aankomst in Moskenes had de middagtemperatuur zelfs een tijdje rond de 25 graden gelegen.

Moskenes heeft de drukste camping die we op de Lofoten zijn tegengekomen. Dat komt vooral door het feit dat er een veerboot er aanlegt en het voor veel bezoekers het begin- of eindpunt van hun reis over de eilanden is.
Eén en ander levert ook merkwaardige contrasten op. Wat het meest in het oog springt zijn de grote hoeveelheden, vaak gehuurde, campers. Meestal forse apparaten, met alle luxe aan boord. Aan de andere kant van het spectrum zijn er ook veel sportievelingen, die wandelend en fietsend, en overnachtend in piepkleine tentjes de eilanden verkennen. Tussen die twee uitersten zit bijna niks. Wat grotere tenten of auto's die een vouwwagen of een caravan trekken zie je bijna niet.

Reine, dat in alle gidsen wordt genoemd als het landschappelijke hoogtepunt van de Lofoten, is als gevolg van dat laatste al min of meer een tourist trap geworden. De ligging is inderdaad fabuleus; een baai, meer een kom eigenlijk, aan één kant omgeven door steile hoge bergtoppen en aan de andere kant door een keten van lage, met bruggen verbonden eilanden. Daardoor was ook de drukste plek die wij op onze reis tegenkwamen.
Want dàt merkten we ook op; de Lofoten, waarvan wij voor vertrek dachten dat het een nog tamelijk obscure uithoek van Noorwegen was, zijn in werkelijkheid al een tijdje één van de drukste toeristische trekpleisters van het land.

Het goede nieuws is gelukkig dat de drukte, behalve in Reine, nog niet hinderlijk is. Op veel plekken is nog rust en ruimte in overvloed. 
Hier daar zijn ook goede gelegenheden tot wildkamperen. Langs de niet al te drukke wegen zijn vaak al dan niet officiële parkeerplaatsen waar je mag overnachten. Soms met een fabuleus uitzicht, waar geen camping aan kan tippen. 



































De speciaal voor campers bedoelde parkeerplaatsen, die expliciet als zodanig worden aangegeven, hebben we meestal vermeden. In Reine troffen we er één, die niks meer was dan een met steenslag verhard terrein zonder enige faciliteit, zoals een toilet of een watertappunt, maar waar men toch 250 Noorse Kronen (ongeveer 24 euro) wenste te innen voor één nachtje staan. Voor dat doel was een brievenbus opgehangen waar je je geld in kon deponeren. 
Een dergelijke combinatie van graai- en gemakszucht ging ons te ver. We hebben er wèl geslapen maar niet betaald.

Laat ik, na het voorgaande, dan maar meteen de rest van de nitty gritty over u uitstorten. Dan hebben we dat gehad.
Al in mijn stukje over onze Noorwegen-reis van 2022 schreef ik over mijn indruk dat de Noren door hun welvaart een tikkeltje verwend zijn en het net lijkt alsof ze eigenlijk niet zo op (buitenlandse) toeristen zitten te wachten. 
Hoewel we op deze reis meer Noren tegenkwamen die het predikaat 'aardig in de omgang' verdienen dan de vorige keer, stuitten we ook nu weer op de ambivalente verhouding tussen de Noor en het toerisme in Noorwegen. 
Soms lijkt het erop dat de Noren wèl graag je geld willen, maar daar tegelijkertijd zo min mogelijk voor willen doen. De parkeerplaats in Reine spreekt voor zich. 
In Kabelvåg, één van de grotere stadjes op de Lofoten, bestelden we, in een weliswaar sfeervol koffiehuis, aan de toonbank koffie met een gebakje. Waarbij we, nog voor we koffie of taart hadden, een pinapparaat voorgezet kregen, dat de optie bood om respectievelijk 5, 10 of 20 procent fooi bij de prijs van het bestelde op te tellen. We vonden dat een dusdanige omkering van zaken dat onze hakken meteen in het zand gingen. Die fooi is er niet gekomen, hoewel het gebakje achteraf best lekker bleek, en de koffie drinkbaar, maar slap.
De kwaliteit van de campings loopt uiteen. 
Vaak is alles er wel (wc, douches en ook vaak een verwarmde keuken waar je zelf kunt koken; een specifiek Noorse verworvenheid), maar zijn die faciliteiten slecht onderhouden. Er is nog wel 's wat kapot en vaak werken er dingen niet. Desondanks kost een nachtje op een camping voor een minimaal campertje als de onze toch vaak 400 NKr. of meer.

Dat het ondanks toch één van onze mooiste reizen werd, is grotendeels op het conto van het Noorse landschap te schrijven. 
Nabij Fredvang vonden we een camping aan een strand, waar de omgeving, in combinatie met het goede weer van die dag, eerder aan de Stille Zuidzee deed denken dan aan het noorden van Noorwegen. Een door bergen omzoomde baai met een azuurblauwe zee, waar niets er op wees dat er achter de noordelijke horizon niks anders meer lag dan Spitsbergen en de Noordpool.




































We zijn nog één dag op de Vesterålen geweest, een eilandengroep die net te noorden van de Lofoten ligt. Het zuidelijke deel daarvan is merkwaardig genoeg groener, gecultiveerder en minder ruig dan de Lofoten, misschien door de wat meer beschutte ligging.
De volgende dag sloeg het weer om en hebben we regendagen benut om weer een flink eind naar het zuiden te komen. We staken bij Lødingen over naar het vasteland en reden over de E6 (de Noordkaap-route) in een paar dagen, met onder andere een stop bij het Artic Circle Center, naar de hoogvlakte van Døvrefjell, waar we een dag of vier zijn gebleven.

Over Døvrefjell leest u in een volgend verslag.


zondag 21 september 2025

Het politieke landschap wordt een slagveld



















U zag het al aan de titel; dit wordt weer een politiek stukje. 
Kan ook bijna niet anders, met verkiezingen die nog maar iets meer dan een maand in de toekomst liggen en het algemeen gevoelde grote belang van die verkiezingen. 
De directe aanleiding was een opmerking van de hoofdredacteur van Vrij Nederland, die ik gisteren in de Volkskrant las.
Sander Heijne, want zo heet die hoofdredacteur, stelde het volgende: "We leven ook in een tijd waarin links-rechts niet meer de belangrijkste tegenstelling is in het politieke debat. We kunnen de partijen nu ook verdelen langs de as van democratisch en anti-democratisch".
Het laatste lijkt mij zonder meer een feit. Op de mening dat die onderverdeling daarmee ook belangrijker is dan het onderscheid links-rechts valt nog wel wat af te dingen, denk ik. Kenmerkend is namelijk wèl dat Heijne vervolgens PVV en Forum voor Democratie ondemocratisch noemt en BBB, JA21 en de VVD bestempelt als partijen, die als het hen zo uitkomt, ook wel 's ondemocratische praatjes verkopen. Daarmee heeft ie wel zo'n beetje alle serieus rechtse partijen genoemd.
 
Nu zijn er ter linkerzijde ook wel wat clubs waarvan je het democratische gehalte kunt betwijfelen. De SP, bijvoorbeeld, lijkt zijn Maoïstische verleden nog steeds niet helemaal te zijn ontgroeid. Maar verder kan ik aan de linkerkant van het politieke spectrum geen partij of andere organisatie noemen die wel eens twijfels oproept over haar houding tegenover de democratie.

Wat zou dus de conclusie kunnen zijn? 
Naar mijn idee dat de meest serieuze bedreiging voor de democratie inmiddels toch van rechts komt. Sander Heijne kan wel net doen alsof hij een nieuwe scheidslijn heeft ontdekt, die afwijkt van de traditionele links-rechts tegenstelling, maar in werkelijkheid is er, zeker sinds het communisme in de Nederlandse en zelfs in de internationale politiek geen factor van betekenis meer is, niks nieuws onder zon. Anti-democratisch is zo'n beetje synoniem met extreem rechts. 

Toen ik begon te schrijven aan dit stukje was op het Malieveld in Den Haag nèt de demonstratie begonnen die Els Rechts had georganiseerd tegen massa-immigratie in het bijzonder en alles wat links, woke en afwijkend is in het algemeen. Dit overigens zonder dat ik daarvan op de hoogte was. Pas gisterenavond, toen ik de bovenstaande regels al had geschreven, kwam het nieuws over Els, haar demonstratie en hoe die was geëindigd, tot mij.
Ik had eerlijk gezegd nog nooit van Els Rechts gehoord, maar wie haar website bezoekt, komt erachter dat Els een soort christelijke uitvoering is van andere extreem rechtse dames als Eva Vlaardingerbroek en Raïsa Blommensteijn. 
Ze was erin geslaagd om onder haar volgers enkele tienduizenden Euro's bij elkaar te scharrelen, waarmee ze de demonstratie had georganiseerd. Want de mensen die een podium met geluidsinstallatie voor je bouwen doen dat natuurlijk niet gratis.
 
Zo stond Els, die op dat moment eigenlijk niet veel meer vertegenwoordigde dan zichzelf, heel vredelievend op het Malieveld haar mening uit te dragen. Ik heb er wat video's van gezien en behalve veel Nederlandse vlaggen, een enkele oranje-blanje-bleu vlag (eertijds de vlag van de NSB) en een paar van BV-NL, de partij van meester-opportunist  Wybren van Haga, die er ook het woord voerde, waren er niet er niet veel uitingen van andere extreem rechtse partijen te zien. Geen vlaggen of andere reclame voor de PVV of FvD, bijvoorbeeld. Hoewel Geert Wilders de grote held van Els is en zij ook op de PVV zegt te stemmen.
Wel waren er wat christelijke uitingen, zoals mensen die met een geheven kruis rondliepen.

Vervolgens werd het hele gebeuren overgenomen door een legertje extreem rechtse relschoppers van clubjes als White Power Scheveningen en Netherlands Freedom Fighters, die de omgeving in een slagveld veranderen, twee politieauto's in brand staken en, na het ingooien van de ruiten, een poging deden het partijkantoor van D'66 in brand te steken.
Els was in tranen; dit was natuurlijk helemaal nooit de bedoeling geweest! 

Ik ben ervan overtuigd dat het geen krokodillentranen waren. 
Els is nog maar 26 jaar oud en heeft nog niet helemaal door wie er allemaal op een manifestatie als de hare afkomen. Els denkt dat zij christelijke waarden en extreem-rechts gedachtengoed, zoals geloof in de islamisering van Nederland, kan combineren. 
Bij alle christelijke waarden die Els zegt te verdedigen, kun je jezelf afvragen of zij daar niet een beetje selectief mee omgaat. 
Ik heb zelf ongeveer 12 jaar op christelijke scholen gezeten en hoewel ik inmiddels niet meer geloof in een hemel of een hel, onderschrijf ik in grote lijnen nog steeds de waarden die naar voren komen uit het Nieuwe Testament. 
Jezus brak een lans voor het helpen van de zwakken en behoeftigen en maakte ondubbelzinnig duidelijk dat men zijn welvaart moest delen met hen die minder welvarend waren. 
Naar mijn smaak strookt dat niet helemaal met de leus: 'Nederland voor de Nederlanders', die Els op haar website voert.

Wat Els zich kennelijk nooit heeft gerealiseerd, is dat er ook héél veel Nederlanders zijn die niet eens weten wat een christelijke moraal zoal zou moeten of kunnen inhouden, òf, als ze dat wèl weten dat aan hun laars lappen, maar de wèl haar rechtse denkbeelden delen En dat in nog veel extremere mate dan zij zelf. Een deel daarvan schroomt ook niet om hun mening met geweld over het voetlicht te brengen.

Nu is een verbond tussen extreem-rechts en bepaalde christenen niks nieuws.
In de Verenigde Staten bestaat het al jaren. Trump is daar mede aan de macht gekomen omdat veel orthodoxe christenen op hem hebben gestemd, nadat Trump dat kiezerspotentieel bewust had aangeboord door zich tegen abortus en anti-lhbti uit te spreken. En hoewel Trump, gezien zijn daden, helemaal niet gelooft in de hel, maakt hij wel degelijk zijn beloftes in dit opzicht waar. Dat dit zomaar blijkt te kunnen had niemand een paar jaar geleden voor mogelijk gehouden, maar het gebeurt gewoon en heel Amerika staat erbij en kijkt ernaar.
Ook hier in Nederland zien we de SGP al opschuiven richting extreem rechts.

Ik ben benieuwd wat het bovengenoemde gedoe op het Malieveld zal betekenen voor de komende verkiezingen.
Mogelijk zullen allerlei talking heads ter rechterzijde ook wat tranen plengen naar aanleiding van het gebeurde. Maar in tegenstelling tot de tranen van Els zullen dat wel in meer of mindere mate krokodillentranen zijn, ben ik bang. Mensen als Geert Wilders en Thierry Baudet hebben de geesten van de Nederlandse rechts-extremisten rijp gemaakt voor wat er gisteren gebeurde. En hoewel de volgende uitspraak op internet direct een Godwin zou worden genoemd, roept één en ander toch wel wat herinneringen op aan de bruinhemden die Hitler's machtsovername voorbereidden.

Het is nu wel duidelijk uit welke hoek de wind, ook in Nederland, inmiddels waait, denk ik.


zondag 8 juni 2025

Opvallende waarnemingen



















Op vrijdag en zaterdag is het marktdag in Dordrecht. Die markt begint op ongeveer 200 m. van mijn voordeur, waardoor ik, afhankelijk van de windrichting, min of meer onvermijdelijk een deel van de geuren en geluiden die de markt produceert kan ruiken en horen. 
Qua geur is dat bijvoorbeeld de lucht van kibbeling, die in enorme hoeveelheden wordt geproduceerd door de dichtstbijzijnde viskraam op de markt. Een ambulant bedrijf dat zich verplaatst middels een truck met oplegger van respectabele afmetingen.
Het geluid beperkt zich vaak tot het al dan niet luide gepraat van bezoekers van de markt, die door straat waaraan ik woon lopen of fietsen. 
Er staat ook echter altijd een draaiorgel op de markt. Het staat niet altijd op dezelfde plek, maar eergisteren stond het kennelijk dicht bij de kant van het plein waar mijn straat  langs loopt; ik kon het goed horen.
Nu wil het feit dat ik min of meer een gereformeerde opvoeding heb genoten. Of misschien moet ik zeggen: ik heb altijd op christelijke scholen gezeten. Wat ik daar heb opgedaan zit nog altijd in mijn onderbewuste en soms borrelt dat, opgeroepen door een externe oorzaak, weer naar boven. 
Enige tijd nadat ik het geluid van het draaiorgel voor het eerst registreerde, hoorde ik melodieën die me even wat geconcentreerder deden luisteren. Ik herkende liederen die ik ruim zestig jaar geleden op de lagere school had geleerd. Achtereenvolgens passeerden: 'Wat de toekomst brengen moge', 'Blijf bij mij heer' en zo nog wat klassiekers uit het kleine, groene gezangenboekje dat wij destijds op school hanteerden.
Het orgel in kwestie was vermoedelijk hetzelfde orgel dat ik al sinds het moment dat ik in Dordrecht woon ken. Nooit eerder had ik het orgel, of zijn exploitanten, kunnen betrappen op zendingsdrang of andere religieuze uitingen. 
Gisteren (zaterdag) ben ik langs de markt gelopen. Het regende en het draaiorgel was nergens te zien. Het was dus ook niet na te gaan of het inmiddels was overgenomen door evangelisten.

Andere constatering: de jeugd beweegt zich heden-ten-dage hoofdzakelijk voort op twee vervoermiddelen, de fatbike en de al langer in zwang zijnde scooter. Die laatste vrijwel uitsluitend in de brommer-uitvoering, die zoals bekend, niet sneller mag dan 40 km/u. 
Wat opvalt is dat fatbikes heel vaak worden bereden door een duo. Degene die stuurt, en soms, maar lang niet altijd trapt, heeft heel vaak iemand achterop, waarbij het overigens lijkt alsof de duopassagier niet ècht comfortabel zit. De berijders van fatbikes zijn overigens even vaak jongens als meisjes.
De jeugdige scooterberijders zijn vrijwel zonder uitzondering jongens. 
Meisjes beneden de 18 jaar vinden het bezit en berijden van zo'n ding kennelijk niet interessant. Ook de rol van duo-passagier op een brommer-scooter vinden ze kennelijk niks. De scooterpiloten zitten, ook vrijwel zonder uitzondering, alléén op hun vehikel. Niet zelden dragen ze een helm met wat kleine rode horentjes lijken. Dit kennelijk in een streven naar een duivels imago. Wat naar mijn idee niet veel meer is dan compensatie voor het feit dat zo'n scooter voor een jongen in de tienerleeftijd eigenlijk een vrij lullig vervoermiddel is. In mijn tijd reden we op brommers met versnellingen, die feitelijk geknepen lichte motorfietsen waren. Bij gebrek aan versnellingen draaien de huidige jeugdige scootersberijders soms het gas maar regelmatig dicht en weer open. In combinatie met de grotendeels verwijderd geluiddemping in de uitlaat klinkt het dan nog een beetje spannend.
De rol van de electrische step, die een paar jaar geleden nog buitengewoon hot was onder kinderen en tieners, lijkt inmiddels zo goed als uitgespeeld. De enigen die je op dit moment nog wel eens op zo'n ding ziet, zijn leden van de 'generatie Z' (twintigers) of millennials (nog wat ouder). 

Zojuist registreerde ik weer eens een stille getuige van straat-vandalisme in mijn directe omgeving. Een stalen paal, met daarop een bord 'doodlopende weg', die een dag eerder al flink verbogen was, omdat iemand er tegenaan was gereden, of handmatig een bocht in de paal had weten te buigen, was nu nog een stuk verder gebogen; het deel dat nog in de straat zit maakt inmiddels een hoek van bijna negentig graden met het langste deel. 
Wat de vraag oproept of dit te verkiezen is boven de mogelijkheid, dat de agressie en energie die hieraan is besteedt, een andere, nog schadelijker uitweg zou hebben gevonden.

De Volkswagen Polo op leeftijd, die vlakbij bovengenoemd verkeersbord al bijna een half jaar stond geparkeerd, is een paar dagen geleden verdwenen. Dit nadat er talloze bonnen onder de ruitenwissers waren gestopt. Die, nadat de ruitenwissers door passanten waren opgefrommeld c.q. verwijderd, werden vervangen door plakkaten die eisten dat de auto door de eigenaar zou worden verplaatst op straffe van verwijdering door de gemeente.
Ik vermoed dat dit laatste inmiddels is gerealiseerd.

Of er een verband bestaat tussen het gemolesteerde verkeersbord en de verwijdering van de Polo is niet duidelijk, maar lijkt onwaarschijnlijk.


zondag 16 maart 2025

Truth is stranger than fiction, of: dit stukje gaat niet over Trump


















Bovenstaande uitspraak werd al meer dan 120 jaar geleden gepopulariseerd door Mark Twain. Die op zijn beurt weer de dichter Byron citeerde. Byron gebruikte de frase in een satirisch gedicht en Twain voegde er trouwens nog een zinsnede over romans aan toe, die grotendeels verklaart waarom ik tegenwoordig alleen nog non-fictie lees.

De afgelopen paar maanden hebben de juistheid van het gezegde weer eens dubbel en dwars aangetoond. Niks is spannender en soms meer verbijsterend dan de werkelijkheid. 
Toen Donald Trump, eigenlijk toch wel een beetje onverwacht, tóch opnieuw werd verkozen tot president van de Verenigde Staten, hield ieder weldenkend mens met een fatsoenlijke moraal zijn hart vast. Stellen dat de verwachtingen daarna hooggespannen waren en tevens al ruimschoots overtroffen, is inmiddels het eufemisme van de eeuw gebleken. En dan hebben we het eerste kwart daarvan nog maar nauwelijks achter de rug.

Nu kan ik in zo'n situatie evengoed doodleuk een ontspannen verhaaltje ophangen over het feit dat mijn persoontje in de tussentijd ook weer het één en ander heeft meegemaakt of gezien. Sterker nog: dat is u misschien wel heel welkom, omdat u dezer dagen de radio of de televisie niet kunt aanzetten en geen krant kunt opslaan zonder binnen een paar minuten bovengenoemde naam alwéér te zien, of te horen noemen.
Daarom, en in dat kader, het volgende.

Mijn liesbreukoperatie is uitstekend verlopen. 
Om 08.00 u. arriveerde ik in het ziekenhuis, waar ik overigens per openbaar vervoer was gekomen, omdat mijn vrouw de auto nodig had en mij bovendien was verteld dat autorijden na de operatie niet verantwoord was. 
Vervolgens verliep de ingreep met een efficiëntie, die ik na alle moeizame verhalen over de zorg eigenlijk niet meer had verwacht. Je krijgt een operatie-onderbroek aan en wordt na een korte wachttijd en het innemen van een pre-emptive paracetamol naar de operatiekamer gereden. Daar voltrekt zich binnen enkele seconden een ritueel dat doet denken aan de manier waarop een formule-1 racewagen wordt ontvangen in de pits. Terwijl de operatieassistenten goedgemutst op je inpraten, worden er een een infuus en nog wat kabels en leidingen op je aangesloten. Luttele minuten daarna weet je van de wereld niet meer af en een uurtje later wordt je weer wakker in de kamer waar je die onderbroek aankreeg. De narcose is ook meteen uitgewerkt; je bent weer volledig bij de pinken.
Na een half uurtje, het is dan ongeveer 11.30 u. komt de zuster die de intake deed vragen of je een lichte lunch belieft: een paar boterhammen, koffie en een fruitsalade. 
Ook komt de vraag wie mij komt ophalen. Op het antwoord: "Niemand; ik ga met de bus naar huis" wordt afwijzend geageerd. De zuster vind het niet verantwoord. Het voorlopige compromis is, dat ik eerste m'n lunch zal nuttigen en dat we daarna, als ik me aankleed, zullen kijken hoe stevig ik op mijn benen sta.
Als ik mezelf, nog weer een uurtje later, daadwerkelijk aankleed, kijkt de zuster toe. Ostentatief trek mijn broek aan, terwijl ik eerst alleen op het ene, en daarna op het andere been sta. Op mijn vraag of hiermee voldoende is aangetoond dat ik stabiel genoeg ben om met de bus naar huis te gaan wordt nu positief gereageerd.
Vanzelfsprekend mocht ik niet weg zonder een lading pijnstillers, c.q. infectieremmers (diclofenac), die dan kennelijk weer slecht voor de maag zijn, waardoor er ook maagbeschermende pillen bijkomen. Maar die laatsten zijn feitelijk maagzuurremmers, waardoor ik de eerste twee dagen na de operatie volledig verstopt zat. Daarna de diclofenac nog een paar dagen geslikt zonder de maagbeschermer. Letterlijk geen centje pijn, maar ik kon wèl weer poepen.

Een week of vier later, dat was in de laatste week van februari, gingen we voor de derde keer in successie langlaufen. Althans; dat was het voornemen. Het werd, net als vorig jaar , een wandelvakantie. 
Er was meer sneeuw dan vorig jaar, toen er op 1200 meter helemaal niks was, maar gedurende een groot deel van de week was het overdag meer dan 10 graden boven nul en bovendien had mijn vrouw last van haar rug.
Wat ook gelijk was aan vorig jaar, was de manier waarop we op onze bestemming geraakten: met de nachttrein. Vorig jaar deden we dat met een onderneming die zich Greencitytrip noemt, maar die boden inmiddels geen nachttrein naar Innsbruck meer aan. Ik geloof dat ik ook wel snap waarom, want dit jaar reisden we met de Nightjet van de Österreichische Bahn. Die rijdt ook tussen Amsterdam en Innsbruck, met iets minder afgeragde rijtuigen en voor een iets betere prijs, die ook nog eens inclusief een klein ontbijtje is.
Het reizen met de nachttrein vergt enige sociale vaardigheid. 
Wij hadden een zes-persoons coupé en je deelt die bij volle bezetting (wat strijk en zet het geval is; de vraag bij deze treinen is altijd groter dan het aanbod) dus met vier anderen. Met die vier moet je tot overeenstemming zien te komen wanneer het bedtijd is, bijvoorbeeld.
We hebben in totaal nu drie keer een reis met de nachttrein gemaakt en tot nu toe heeft zich in sociaal opzicht geen wanklank voorgedaan.
Het slapen op zich lukt ons ook redelijk tot goed.
Zo sta je dan, tamelijk fris, om pakweg half tien 's morgens op Innsbruck Hauptbahnhof. Vandaar pakken we, na nog een koffie en een klein hapje, het boemeltje naar Seefeld. Dat boemeltje is overigens een buitengewoon modern treintje; de ÖBB heeft het qua materieel zeker zo goed of beter voor elkaar dan de NS. 
Het ritje naar Seefeld is een evenement op zich; een trajectje Rail Away waardig. De trein klimt over een afstand van ruim 20 km. van 600 m. naar 1200 m. boven zeeniveau, waarbij er regelmatig spectaculaire uitzichten op het dal van de Inn en de bergen aan de andere kant van dat dal voorbij komen.



















In Seefeld pakken we de bus naar Leutasch, dan nog eens ruim 5 km. verderop ligt.
Het grondgebied van de gemeente Leutasch bestaat uit een langgerekt dal, dat zich van het zuidwesten tot het noordoosten uitstrekt. Het noordoostelijke uiteinde er van ligt op ongeveer een kilometer van de grens met Duitsland. Meteen aan de andere kant van de grens ligt het stadje Mittenwald. De gemeente bestaat uit zesentwintig dorpen en gehuchten, waarvan het grootste deel in het zuidwesten van het dal ligt
Het dal van Leutasch hebben we in 2022 ontdekt, toen we voor het eerst in ongeveer twintig jaar weer 's op wintersport gingen in het eerder genoemde Seefeld. Toen nog met de auto.
Die reis werd een enorm succes door het geweldige weer dat we troffen. Er was elke dag zon èn er was sneeuw in overvloed. Toen we na een paar dagen alle blauwe loipen (de makkelijkste) in Seefeld hadden gehad, reden we naar Leutasch en troffen daar nog veel mooiere en langere loipes aan. 
Landschappelijk háált Seefeld het niet bij Leutasch. 


















Het dal is van een overweldigende schoonheid en de sfeer is veel landelijker dan in het ietwat mondaine Seefeld, waar je nog altijd veel dames van middelbare leeftijd met bontjassen en grote zonnebrillen ziet. De uitstraling die Wim Sonneveld ooit treffend omschreef als comme sa en ga maar na.. 
Kortom, Leutasch is een ideale omgeving voor onze specifieke vorm van wintersport. Geen skiliften maar lichaamsbeweging en geen après-ski, maar 's avonds om half elf het mandje in omdat het knikkebollen al is begonnen.
Maar goed, achteraf is gebleken dat 2022 voorlopig de laatste keer zou zijn dat we ook echt aan langlaufen deden. De sport zat hem dit jaar voor de tweede keer op rij in stevige wandelingen met zo nu en dan ook stevig klimmen. Het hoogste punt dat we dit jaar bereikten was de Rauthhütte op 1609 m. 



















Helaas zagen we de Wasserramsel, de Waterspreeuw, deze reis slechts één keer en dan nog slechts in een flits. Vorig jaar konden we hem een paar keer mooi bezig zien, deze onder water vliegende vogel. Wel een paar keer een Zwarte Specht, die al snoeihard aan het hameren was, wat feitelijk een baltsritueel is. Het voorjaar komt steeds vroeger. Als we ooit nog willen langlaufen, moeten we rond kerstmis gaan, misschien.
Juist omdat er weer weinig sneeuw lag, viel op dat de venige bodem van het dal vol scheuren leek te zetten. Totdat we ze van wat dichterbij bekeken; het waren geen scheuren, maar restanten van muizengangen. Kennelijk verplaatsen muizen zich ook onder een dik pak sneeuw en slijten daarbij in de bodem een soort sporen uit. De gang bevindt zich eigenlijk op het scheidingsvlak tussen sneeuw en aarde. Soms kon je op stukken waar nog wèl sneeuw lag die gangen ook zien; dan waren ze feitelijk als gevolg van de dooi ingestort..


































Ondertussen is de aandacht weer verschoven naar de boot.
Dit ligt, zoals de laatste jaren gebruikelijk, voor de winter in Dordt. Maar er is tot 1 april betaald en in principe volgt per die datum weer de reis naar de zomerligplaats in Sint Annaland. 
Voor dat moment is er echter nog het één en ander aan de boot te doen.
Gelukkig werkt het weer mee en het lijkt erop dat ik met het werk in kwestie een heel eind kom voor de boot weer naar Stalland  moet.

Zo. Dat was toch weer aardig wat waardenvrije, onschuldige en waarschijnlijk voor u vrij nutteloze informatie, waarin de naam Trump slechts eenmaal, en dan nog redelijk terzijde, is genoemd.
Dat zal waarschijnlijk, wat dit blog betreft, niet altijd zo blijven. Maar er over schrijven lijkt voorlopig ook permanent prematuur. Op het moment dat je op een move van de man reageert heeft ie alweer iets anders, en waarschijnlijk het volledige tegendeel, rondgetoeterd.
Ik kijk het nog wel even aan. Op het moment dat het stof optrekt en er is iets definitiefs gebeurd, is het vroeg genoeg om er een beschouwing aan te wijden.