Posts tonen met het label maatschappij. Alle posts tonen
Posts tonen met het label maatschappij. Alle posts tonen

woensdag 4 november 2026

Keert het tij?

Cartoon: Harm Bengen















Het was niet het eerste waar ik aan dacht toen ik vanmorgen wakker werd. 
Een vreemde droom, waarvan ik er de laatste tijd wel meer heb, hield me even bezig. Maar  terwijl ik thee zette en een paar boterhammen zaagde van mijn gisteren zelfgebakken brood (een liefhebberij waar ik binnenkort een aparte blog aan zal wijden), schoot het me weer te binnen: de Midterms in de Verenigde Staten.

Vooraf was, naast de voor de Democraten positieve peilingen, ook veel praat gemaakt van de notoire onbetrouwbaarheid van die peilingen in de VS. Ik nam derhalve niet bij voorbaat aan dat deze verkiezingen Trump de das om zouden doen.
Tussen hoop en vrees opende ik de Volkskrant app, die ik tegenwoordig naast de normale digitale krant consulteer, als ik dicht op de actualiteit wil zitten.
Wat ik zag overtrof zo te zien niet alleen mijn verwachtingen, maar ook die van de Volkskrant-redacteuren en mogelijk ook die van de Amerikanen zelf. Op het moment van schrijven lijkt het er onontkoombaar op dat de Democraten in zowel het Huis van Afgevaardigden als in de Senaat de meerderheid hebben verworven. 
En, misschien wel nòg verbazingwekkender: Trump lijkt de nederlaag te accepteren, wat waarschijnlijk mede een gevolg is van de cijfers waarmee de Republikeinen zijn verslagen. De verschuivingen zijn over heel de VS tè groot en algemeen om nog geloofwaardig over stembusfraude te kunnen beginnen.

Dit verlies maakt de regering Trump zo goed als vleugellam.
Gecombineerd met de winst van Lula in Brazilië, het verlies van Orban in Hongarije, de omwenteling in Servië, en een nieuwe, mogelijk niet-zo-rabiate regering in Israel, zou één en ander kunnen leiden tot het idee dat de trend richting extreem rechtse, semi-fascistische regimes wereldwijd is gekeerd. 
Zou het kunnen zijn dat de kiezer in het algemeen toch democratischer gezind is dan hij de laatste jaren leek te zijn?

In de Volkskrant van vanmorgen nog niks over de winst van de Democraten in de VS.
Er was wèl een column van Merel van Vroonhoven. 
Voor het geval u niet op hoogte bent van haar levensloop tot nu toe: tot 2019 vervulde zij tal van maatschappelijke èn commerciële functies bij een reeks van bedrijven en instellingen. In dat jaar liet ze zich, tot veler verrassing, omscholen tot leerkracht in het basisonderwijs. Ze werkt nu in het speciaal onderwijs onder andere met autistische kinderen, terwijl ze ook nog steeds in het bedrijfsleven actief is, o.a. als commissaris van het Rotterdamse Havenbedrijf.
Mevrouw Van Vroonhoven lijkt me daardoor iemand met een breed inzicht in alle aspecten van de Nederlandse maatschappij èn de Nederlandse politiek.
In haar column van vandaag brak ze de staf over diezelfde politiek en benoemde het fenomeen van het voortdurend in de 'campagnestand' staan van de Nederlandse politici, waarbij overigens ook links (te weten: PRO) niet werd gespaard. Maar, voor mij bijna vanzelfsprekend, de VVD kreeg de stevigste veeg uit de pan, met name omdat die partij nu in de regering zit en "besturen al tijden verwart met campagnevoeren". 
In deze context hekelt ze ook het gebrek aan staatsmanschap van veel politici, die het landsbelang ondergeschikt maken aan het partijbelang.
Inderdaad lijkt de tijd van mannen als Drees, of zelfs Lubbers en Kok ongelofelijk ver achter ons te liggen. 
De huidige politiek en ook het regeringsbeleid wordt overheerst door minderheidsbelangen; van onze miljonairs tot onze boeren. Identiteitspolitiek, het belang van minderheden als LHBTI-ers, zwarte Nederlanders en wat dies meer zij, krijgt veel aandacht. 
Ik zou niet willen beweren dat die aandacht voor belangen van minderheidsgroepen altijd onterecht is, maar ik heb wèl het gevoel dat het tot veel energieverlies leidt. Mijn persoonlijke idee is dat hun problemen ook dichter bij een oplossing komen als de maatschappij in het algemeen wat meer de menselijke kant opgaat. Meer collectiviteit betekent naar mijn idee ook meer inclusiviteit. We zijn allemaal mensen, tenslotte.

De ommezwaai in de VS roept desondanks een zeker optimisme bij me op. 
Er zijn daar ondertussen mensen die zichzelf publiekelijk 'socialist' durven noemen. In Nederland zitten we met een grote partij, waarvan de leiding nog steeds in een stuip raakt zodra het woord 'socialisme' valt. Daar lijkt men nog tegen socialisme aan te kijken zoals men dat tot voor kort vrij algemeen in de VS deed. Terwijl allang duidelijk is dat het marktdenken op vrijwel alle fronten heeft gefaald. Behalve misschien voor de eerder genoemde miljonairs.
Maar als het idee dat alles wat in de VS tot de populaire cultuur gaat behoren binnen een paar jaar ook in Nederland aan de orde is nog steeds klopt, dan is er alle reden tot hoop.

We gaan het zien.



zondag 11 oktober 2026

Hoe bevalt dat nou, zo'n electrische auto?

























In het geval van mijn vrouw en mij moet bovenstaande vraag zonder meer worden beantwoord met: "uitstekend". Want inderdaad: sinds ruim twee jaar hebben wij zo'n vehikel.

Net voordat ik in 1997 het huis kocht waar wij nog nog steeds wonen, kocht ik één van de eerste Peugeot Partners. Een bestelautootje van een toen geheel nieuw type. Tot dat moment werden bestelauto's van deze maat namelijk gebouwd op basis van een kleine middenklasse auto, waarop men een bakje bouwde. Zo had je de Volkswagen Caddy, die eigenlijk een Polo met twee stoelen en een bakje was. De Opel Combo was gebouwd op basis van de Corsa.
De Peugeot Partner en zijn evenknie van Citroen, de Berlingo, waren echter van meet af aan als bestelwagen ontworpen. De bestuurder zat wat hoger en zijn cabine vormde één geheel met de laadruimte achter hem.
Omdat ik verwachtte nogal veel met allerlei bouwmaterialen te moeten slepen, en ik zelden met meer dan twee personen reed, leek mij de aanschaf van zo'n voiture wel wat, temeer omdat je destijds, als particulier, zo'n auto nog op een grijs kenteken en goedkoop op diesel kon rijden.. Ik kocht een groene, waarmee ik vervolgens van 1997 tot 2014 ongeveer 300.000 km. reed.
Sindsdien ben ik verslingerd aan dit type auto, waarvan ook al snel een personenautoversie met vijf zitplaatsen verscheen. De groene bestelauto werd in 2014 opgevolgd door een rode Citroen Berlingo die wèl een achterbank had. Deze werd in 2024 vervangen door een electrische Peugeot Rifter (een nog vreemdere fantasienaam dan Berlingo, maar soit) in de verlengde versie, die in ons geval ook als kampeerauto dienstdoet. In dit bericht schreef ik al eerder over de aanschaf van dit laatste voertuig.

Dat reizen met een electrische auto het prettigst gaat als de manier van reizen enigszins wordt aanpast op het vehikel in kwestie heb ik in genoemd artikel ook al uitgelegd. 
Onze Rifter zou je inmiddels al een electrische auto van de vorige generatie kunnen noemen. De capaciteit van de accu is voor de huidige begrippen van bescheiden omvang, te weten 50 kW. Als je niet harder rijdt 80-90 km/u. kun je, als je start met een volle accu, ongeveer 280 km. rijden. 
Voor veel mensen is dit één van de redenen om géén volledig electrische auto te kopen, maar een hybride (dus een auto met twee motoren; één op benzine en een electromotor). 
Ik heb dat altijd een wat lullige oplossing gevonden. Het bereik bij electrisch rijden is vaak minder dan 100 km. Genoeg voor een paar ritjes in de stad, die ook met fiets zouden kunnen worden gedaan. De praktijk is dus meestal dat het overgrote deel van de ritten over langere afstand met de benzinemotor worden gemaakt.
Inmiddels zijn er volledig electrische auto's die veel verder op één acculading kunnen rijden dan die 280 km. van onze auto. Een actieradius van meer dan 400 km. is al vrij normaal.

Wat daarbij komt: omdat een electrische auto regenereert (bijlaadt) als je het gaspedaal loslaat en de auto op de motor laat remmen, is rijden op autosnelwegen niet per definitie de manier waarmee je het grootste bereik haalt. Rijdend op secundaire wegen zoals de D-wegen in Frankrijk kom je regelmatig een bebouwde kom tegen, waarbij je vaak moet remmen. Bij een electrische auto geeft dat, door die regeneratie veel minder energieverlies dan met een benzineauto.
Dat je reistijd bij rijden over tweebaanswegen langer wordt dan wanneer je over langere afstanden consequent kiest voor autosnelwegen is wèl een feit, maar daar staan andere voordelen tegenover. Rijden over D-wegen vind ik persoonlijk veel leuker en veel meer ontspannen dan rijden op de snelweg. Je ziet meer en je kunt onderweg véél lekkerder eten.

Is het rijden met een volledig electrische auto dan volledig probleemloos?
Hoe zit het bijvoorbeeld met die laadstress waarvan sommige electrisch rijdende chauffeurs last schijnen te hebben?
Ik zal niet ontkennen dat ik in het begin daar ook wel eens een beetje last van had. Tegen de tijd dat de auto aangeeft dat je nog voor 50 km. capaciteit over hebt en je op dat moment nog niet weet waar je kunt laden, kan dat zorgen voor enige onrust. Er zijn weliswaar allerlei apps die je laten zien waar in je omgeving laadplekken zijn, maar desondanks is het nog wel eens een beetje zoeken. Zeker bij laadplekken in de bebouwde kom. 
Van oudsher is het vinden van een tankstation nauwelijks een probleem. Behalve pompen staat er op zo'n plek namelijk ook altijd een gebouw van een zekere omvang, waarop strijk en zet de naam of het logo van de betreffende oliemaatschappij zichtbaar is; een pompstation is altijd al op honderden meters afstand als zodanig herkenbaar. 
Laadpalen in de bebouwde kom staan echter vaak op willekeurige plekken en steken bovendien slechts 1,5 m. boven het maaiveld uit. Het zicht erop wordt vaker wèl dan niet ontnomen door geparkeerde auto's. Vaak staat er wel een paaltje met een blauw-wit bordje bij dat aangeeft dat er een laadpaal aanwezig is, maar die zien er van 50 m. afstand hetzelfde uit als de bordjes die een invalidenparkeerplaats markeren. Van de bedrijven die laadpalen exploiteren is er kennelijk nog niemand op het idee gekomen om een laadpaal te voorzien van iets dat  een meter of drie hoog is en herkenbaar is als de unieke markering van een laadplek voor electrische auto's. Overigens zijn dergelijke alleenstaande laadpalen altijd wisselstroom-laders met een relatief laag vermogen; meestal iets tussen de 11 en 22 kW. Goed bruikbaar als je ergens vier of vijf uur blijft, of als je er vlakbij woont. Niet geschikt om even snel wat extra bereik in de auto te pompen als je onderweg bent.
Langs de snelweg is de situatie beter. Daar staan om te beginnen vaak snelladers die met gelijkstroom laden en soms vermogens hebben tot 400 kW. Zo'n lader brengt een accu die voor driekwart leeg is in een halfuurtje weer op meer dan driekwart vol. Bovendien zijn de meest snelladers langs de Nederlandse snelwegen van FastNed, een van de pioniers op dit gebied, en één van de weinige bedrijven in deze sector die het echt begrepen hebben, als het om herkenbaarheid gaat. De laadplekken van Fastned staan namelijk altijd nabij een normaal tankstation, maar de plek wordt gemarkeerd door een gele overkapping, die net als die van het pompstation al van honderden meters afstand zichtbaar is. Je staat er dus ook altijd droog en bovendien is de maatschappij zo attent om er bankjes bij te zetten, zodat je ook buiten de auto even kan zitten om even wat te eten of te drinken.
Een contrast met andere laadplekken die je soms op een pompstation aantreft en die door de oliemaatschappij die er benzine en diesel verkoopt worden geëxploiteerd of door een andere maatschappij, waarmee het benzinemerk een deal heeft gemaakt. Vaak staan die op een hoekje achteraf, en moet je er naar zoeken. Ook hier is niemand op het idee gekomen om zo'n laadplek met een van afstand zichtbaar iets te markeren. Heel vreemd eigenlijk; want de hoewel laadpalen enigszins wezensvreemd zijn aan een oliemaatschappij, zou je verwachten dat als die palen desondanks toch worden geplaatst, dat je dan ook wilt dat ze gebruikt worden..

Opvallend is ook dat de situatie is het buitenland soms weer nèt even anders is dan in Nederland.
Wij hebben inmiddels ruime ervaring met het laden in Frankrijk en Noorwegen.
Frankrijk kent, buiten de grote steden, een winkel-infrastructuur waarbij bijvoorbeeld supermarkten, bouwmarkten en andere grootwinkelbedrijven op een groot terrein zijn samengebracht. Heel vaak zijn er nabij een grote supermarkt ook snelladers te vinden. Heel handig, want in het halve uur dat je in de supermarkt je boodschappen doet, is je auto ook weer van de nodige lading voorzien. 
In Nederland is men zo ver nog niet. Hier zijn ook wel plekken waar grote winkels en bouwmarkten samen op één terrein aan de rand van stad of dorp staan, maar vrijwel niemand is nog op het idee gekomen om daar snelladers te plaatsen. Raar, want wat is nu tijdsbesparender dan snelladers op plekken waar je toch een uur of een halfuur bent om iets aan te schaffen, terwijl je tegelijkertijd je auto oplaadt. Langs de Nederlandse snelwegen kun je hoogstens koffie gaan drinken in de shop van het tankstation, op je telefoon koekeloeren, of een boek lezen. 
In Noorwegen; het land waar tot nu toe het hoogste percentage electrische auto's rondrijdt, zijn er laadpalen te over. Het enige probleem daar is dat er nogal wat aanbieders zijn, die allemaal hun eigen pas of app hanteren. Eén en ander is ook een beetje regionaal verschillend. In Noorwegen is de laadpas van bijvoorbeeld de ANWB maar beperkt bruikbaar. Alleen wie linea recta naar de Noordkaap wil, heeft aan de ANWB-pas genoeg; langs de E6 werkt die bij vrijwel ieder laadstation.

Er worden inmiddels door allerlei instanties in Nederland onderzoeken gedaan naar de manier waarop er in Nederland electrisch wordt gereden. Wie waar laden is vrij nauwkeurig bekend. Waar ik veel minder over lees is hoe men de transitie vorm wil geven met betrekking tot openbare laadpalen binnen de bebouwde kommen van steden en dorpen. Lang niet iedereen heeft een woning met een eigen parkeerplaats, die de mogelijk biedt een eigen laadpaal te installeren.
Bij mij om de hoek, op 30 m. van mijn voordeur, is een openbare laadpaal, waar twee auto's tegelijkertijd kunnen laden. In het eerste jaar dat wij onze EV (Electric Vehicle) hadden, kon ik daar bijna altijd terecht; meestal was er tenminste één van de twee plekken niet bezet. Dat is inmiddels verleden tijd. Zeker aan het eind van de middag en de avond zijn de plekken vaak beiden bezet. Overdag lukt het meestal wel; het is nog geen echt probleem. 
Wat daarbij komt, is dat er in mijn omgeving, de Dordtse binnenstad, een algemeen gebrek aan parkeerplaatsen is. Derhalve komt het ook regelmatig voor dat ook niet-electrische auto's parkeren op één van de laadplekken, hoewel met een bordje is aangeven dat de plek exclusief bedoeld is voor het laden van electrische auto's. Niet sympathiek van de overtreders, maar begrijpelijk misschien. Het roept wel de vraag op wat er gaat gebeuren als nog meer bewoners in mijn omgeving electrische auto's aanschaffen en uitbreiding van het aantal laadplekken noodzakelijk wordt. Omdat er binnen het gemeentelijk beleid voor de binnenstad eerder parkeerplekken afgaan dan dat ze erbij komen, zal uitbreiding van het aantal laadplekken nog meer ten koste gaan van het aantal normale parkeerplaatsen.
Hoe je in dit geval iedereen tevreden kan houden, is mij niet helemaal duidelijk.
Des te opvallender is het dat ik tot heden weinig verneem over ideeën die dit probleem kunnen oplossen. Moeten er in steden laadstations met meerdere verdiepingen komen, waar eigenaren van een EV die in een straal van een paar honderd meter rond zo'n station wonen hun auto kunnen opladen en daarmee de belasting op de normale parkeerplaatsen verlagen?

Vooralsnog lijkt de groei van het aantal EV's in Nederland na een bescheiden start te versnellen. Op het moment van schrijven zitten we op ruim 8 % van het totaal.  
Het grotendeels afschaffen van de subsidieregelingen en de korting op de wegenbelasting hebben het aantal gegadigden voor een EV tijdelijk doen dalen. Maar de sterk gestegen benzineprijs heeft de belangstelling voor electrisch rijden weer doen toenemen. 
Op dit moment is electrisch rijden per km. zonder meer goedkoper dan rijden in een benzineauto uit dezelfde prijsklasse. Niet alleen vanwege de hoge brandstofprijzen; ook het onderhoud van een EV is goedkoper dan dat van een benzineauto. 
Ondanks die 8 % was het percentage nieuw verkochte electrische personenauto's in 2025 al ruim 40 %. Als hybrides worden meegerekend is het aandeel zelfs meer dan 85 %.

Los van alle bovenstaande overwegingen moet ik zeggen dat ik nooit een fijnere auto heb gehad. Als ik ooit nog aan een volgende auto toekom zal dat wéér een EV worden. Tenzij er tegen die tijd nòg betere (lees: milieuvriendelijker) alternatieven zijn





vrijdag 9 oktober 2026

De krant en mijn humeur




















Het lezen van de krant is steeds minder bevorderlijk voor mijn humeur.
Nu kan dat mede veroorzaakt worden door het gegeven dat ik de Volkskrant lees. Rechtse mensen betichten die krant er steevast van "zuur" te zijn. Waarbij wel moet worden aangetekend dat dit "zuur" mensen aan de rechterkant voor in de mond bestorven ligt, zodra het om uitingen gaat die als 'links' kunnen worden aangemerkt. Wel een merkwaardig woord in deze context. Zodra iets door rechts als "zuur" wordt weggezet, gaat het meestal om een voor rechts onwelgevallige waarheid.  Het lijfblad van rechts, de Telegraaf, daarentegen, is niet zuur, maar neigt nogal 's naar een soort hysterie. Die door een deel van de rechterhelft van dit land wordt geïnterpreteerd als 'de waarheid'
Nou ja; hier laat je wat, daar vindt je wat, zei mijn moeder vaak. Of: geen koe zo bont of er is wel een vlekje aan.

Maar goed; wat las ik in de krant dat mijn goede humeur enigszins aantastte?
Een artikel in de krant van gisteren, dat handelde over het gegeven dat Nederlanders nogal actief zijn op de Spaanse woningmarkt. Het had zelfs de voorpagina gehaald. Nederlanders kopen niet alleen huizen in Spanje; ze bouwen ze ook. Het aantal Nederlanders dat in Spanje een huis koopt stijgt de laatste tijd sterk.
Al lezende in het artikel blijkt hoe de vork in de steel zit.
Veel van die Nederlanders zijn niet zozeer op zoek naar een vakantiehuisje. In veel gevallen ontvluchten ze Nederland. Niet omdat ze daar geen huis kunnen kopen (Nederland kent, net als Spanje een nogal overspannen woningmarkt) maar omdat ze "Nederland zat zijn". 
Een verschijnsel dat ik, sinds de documentaire-reeks 'Wakker in Paraguay', het Paraguay-effect zou willen noemen.
Nu was de groep die we naar dit Zuid-Amerikaanse land zagen verkassen vrij divers van samenstelling. Onder hen waren mensen die meenden dat we in Nederland werden vergiftigd door contrails, maar de groep kende ook de nodige opportunisten die moeite hadden met "regeltjes" en dachten in hun eigen gated community in Paraguay min of meer een klein staatje-in-de-staat te kunnen vestigen. Waar alleen hun eigen waarden en normen, voor zover ze die hadden, ertoe deden. Dat gold niet in het minst voor het duo dat deze exodus organiseerde, Jeroen Pols en Jan Engel. Voor hen was het, naast een project op basis van een vage ideologie, ook gewoon een verdienmodel, vermoed ik.

In het artikel in de Volkskrant kwam een Nederlandse projectontwikkelaar aan het woord voor wie ideologische motieven geen rol speelden; hij deed al tientallen jaren in Spaans vastgoed. Het was zijn business en meer niet. Maar omdat hij al zo lang op deze manier actief was, kon hij wel constateren dat er duidelijk sprake was van een flinke groei. Wat niet veranderd was: zijn klanten waren bijna zonder uitzondering Nederlanders.
Maar wat voor een deel wèl was veranderd: de motivatie van die Nederlanders om een huis in Spanje te kopen. Die huizen zijn niet altijd meer bedoeld voor een paar maanden per jaar, of om in Spanje te overwinteren. Veel kopers vinden er niks meer aan in Nederland en willen ons land verlaten.
Aan het woord komt onder andere snackbar-eigenaar Sander Bos, 33 jaar oud: "Ik was helemaal klaar met Nederland. Klaar met de huizenmarkt, klaar met het ondernemersklimaat en klaar met de regeltjes". Hij woont nog in een huurwoning, is geïnteresseerd in het kopen van een woning in Spanje en heeft in Alicante een snackbar geopend. "Probeer in Nederland maar eens zo'n zaak te openen, met uitzicht op zee. Vergeet het maar". De zaak lijkt niet heel erg goed te draaien, maar: "Ik kan altijd nog terug. Dat is dan wel weer het voordeel van Nederland". Om het laatste te illustreren houdt ie z'n hand op: "je kunt altijd nog zó doen".
Niks menselijks is Sander Bos vreemd: ook niet van twee walletjes eten, als het zo uitkomt.

Een andere categorie van Nederlandse huizenkopers koopt de huizen als belegging. Ze ontvluchten de strengere regels voor huurwoningen in Nederland: "Je moet in Nederland meer belasting betalen, terwijl je minder rendement kunt verwachten". Dat die rendementen in de jaren hiervoor schandalig hoog waren komt niet aan de orde. Geld verdienen met vastgoed is tegenwoordig kennelijk een ratrace. Het moet snel heel veel geld opleveren, anders is het niet interessant. 

In Torrevieja staat café Het Elfde Gebot, dat vol zit met Nederlanders die Nederland ook "helemaal zat" zijn. Als kapitaalkrachtige vluchteling fulmineert men hier tegen de asielzoekers in Nederland. Er is desondanks een vaag besef dat men zelf in Spanje ook een buitenstaander is: "Ik voel me soms zelf een gelukszoeker. Door hier een huis te kopen, sluit ik een Spanjaard buiten die het misschien ook had willen hebben". Het blijkt een praatje voor de vaak: "Maar ja, ik kan niet de hele wereld op mijn rug nemen". Inderdaad: je hebt het geld ervoor, of je hebt het niet en in dat geval heb je gewoon pech gehad.

Wat is er toch net de Nederlander gebeurd in de afgelopen veertig jaar?
Ieder gevoel voor collectiviteit is verdwenen. De heersende instelling lijkt 'ieder voor zich en God voor ons allen' te zijn geworden. Een bepaalde klasse Nederlanders heeft geleerd om goed voor zichzelf te zorgen. De welvaart is een zaak van het individu geworden. Collectieve voorzieningen? De Nederlander wil geen sinterklaas meer zijn van de klasse zonder geld. De voorzieningen die hij nodig heeft, koopt ie zelf wel in. Wie daar geen geld voor heeft, heeft het gewoon slecht met zichzelf getroffen. Omdat ik aan de hand van het kenteken redelijk kan inschatten hoe oud een auto is, kan ik, rondrijdend in Nederland, zien dat het merendeel van de auto's niet ouder is dan een jaar of twee, drie. En het zijn vaak geen kleine auto's.
In Nederland zit heel veel geld bij het individu, terwijl de collectieve voorzieningen kapot worden bezuinigd
 
Maar ook in de wijken waar de modalen en beneden-modalen wonen heeft men zich op zichzelf teruggetrokken. 
Nog bij mijn ouders heb ik in een huurhuis gewoond dat in de jaren vijftig is gebouwd. Bouwgrond was toen nog wat goedkoper en deze huizen hebben voor de huidige begrippen heel royale achtertuinen. Ze staan er nog steeds, en een paar jaar geleden ben ik er nog eens langsgegaan, waarbij ik ook de brandgangen achter de huizen bewandelde.
In de tijd dat ik er woonde, bestonden de erfscheidingen overal uit ligusterheggen. Bijna alle bewoners hielden die heggen op een hoogte van een ruime meter. Als ik bij ons thuis achter in de tuin stond, reikte de blik tot de begane grond van de huizen achter ons, maar ook tot die van de huizen het andere einde van het blok, op ruim 200 m. afstand.
Bij mijn laatste bezoek bleek dit niet meer het geval. Iedereen had de ligusterheggen vervangen door meer dan manshoge schuttingen. De brandgang die tussen de twee blokken huizen doorloopt, was een kloof geworden met steile wanden van 2,5 m. hoog.
Zelfs de mensen zónder een ton op de bank hebben een muur opgetrokken om de buitenwereld buiten te sluiten..

Welke conclusie kan ik uit één en ander trekken?
Voornamelijk dat ik inmiddels te oud ben om zelf mijn hielen te lichten uit dit aan zichzelf overgeleverde land, om vervolgens permanent mijn heil te zoeken in een klein Frans dorp of de Scandinavische natuur. Nederland schiet er ook helemaal niks mee op, als ik vertrek. Ook de hoop dat Nederland opknapt als iedereen die het land "helemaal zat is" ophoepelt, lijkt me ijdel. 
Het enige wat erop zit is door te gaan met ademhalen en vooral mezelf zo sociaal mogelijk op te stellen, denk ik. En een beetje hoop blijven koesteren.
De hoop dat ik nog een kantelpunt ga meemaken. 
Het moment waarop de meerderheid inziet dat we samen een maatschappij vormen en dat een maatschappij staat of valt bij een sociale opstelling, empathie en gevoel voor collectiviteit. En dat de Nederlanders daadwerkelijk gevolg geven aan dat inzicht.

Amen.




vrijdag 4 september 2026

Kunst waarvoor alles moet wijken

























In mijn voorlaatste bericht schreef ik over het eerste deel van de biografie van Gerard Reve, door Nop Maas. Reve's leven was in zijn beginjaren van een dusdanige kommer en kwel dat ik het lezen van het tweede deel, getiteld 'De rampjaren' nog even wilde uitstellen. 
Ik heb me niet aan dat voornemen gehouden. 
Deel twee werd toch in huis gehaald (de lokale bibliotheek is er goed voor) en ik ben diagonaal lezend door het boek gegaan. Tot ik ongeveer op de helft was. Enigszins populair uitgedrukt geloofde ik het toen wel.
Inderdaad: rampjaren. Maar ook grenzeloos opportunisme, gecombineerd met een bepaalde vorm van godsdienstwaanzin, die met en zekere hang naar ophef en publiciteit wordt uitgespeeld  en waarmee Reve zichzelf tot een soort instituut verheft. Een nuchtere denker zou specifiek dit  'instituut' ook de titel 'Dorpsidioot des Vaderlands' kunnen meegeven en iemand Willem Frederik Hermans heeft dit ook min of meer gedaan.
Wat overblijft is een beeld van tot literatuur verheven neurose, die weliswaar niet helemaal gespeend is van een zekere humor, maar in het algemeen, voor mij althans, toch te karikaturaal is om serieus te nemen. Of, om het iets sympathieker uit te drukken: niets toevoegt aan mijn eigen levensvisie.
Desondanks wordt Gerard Reve nog steeds tot de één van de grootste Nederlandse schrijvers gerekend.

Nu ik toch weer eens bezig was met de groten der Nederlandse literatuur en op zoek naar een dik boek om mee te nemen op vakantie, betrok ik, opnieuw uit de onvolprezen Dordtse bibliotheek, 'Een knipperend ogenblik, portret van Remco Campert', geschreven Mirjam van Hengel. 
Ik moet bekennen dat ik Campert vooral kende als de helft van het duo CaMu dat tussen 1996 en 2006 op de voorpagina van de Volkskrant te vonden was; de ene dag Remco Campert; de andere dag Jan Mulder. Ik zal hem ook wel eens bij De Wereld Draait Door gezien hebben. mede omdat Jan Mulder daar ook met enige regelmaat aanschoof. En misschien heb ik heel lang geleden ooit eens 'Het leven is verrukkeluk' gelezen. 
Eerlijk gezegd wilde ik zijn levensverhaal niet zozeer lezen omdat ik zo onder de indruk was van zijn literaire productie, maar meer omdat de persoon Campert, als ik hem wel eens hoorde of zag op radio of televisie, op mij overkwam als een buitengewoon rustige en evenwichtige man. Bijna iemand die, als ie al niet ècht volledig zen was, dit toch in aanzienlijke mate uitstraalde. Een sympathieke man, die rustig over de dingen nadacht voor ie iets zei en ook dan nog de indruk wekte dat ie dat slechts deed omdat hem iets gevraagd werd, Niet omdat hij zo nodig een mening wilde ventileren. 
In dat opzicht leek hij de optimale tegenpool van Jan Mulder, die, hoewel van Groningse oorsprong, het hart veel meer op de tong had.
Zijn CaMu-stukjes, veelal nuchter observerend van aard, maar toch vaak enigszins poëtisch, leken die indruk te bevestigen.

Van Hengel's boek heeft van mijn aanvankelijke beeld van Remco Campert jammer genoeg weinig heel gelaten. 
Remco Campert leefde eigenlijk voor niks anders dan zijn schrijverschap en zelfs dat niet eens met volle overtuiging. Een aanzienlijk deel van zijn leven heeft Campert doorgebracht met niksdoen en feestvieren. Hij was vier keer getrouwd, en nam drie keer definitief afscheid van de vrouw waarmee hij getrouwd was en één keer tijdelijk, waarbij hij het afscheid niet altijd even scrupuleus aanpakte. Hij zette ook twee kinderen op de wereld, maar bleek een belabberde vader. Hij vond kinderen eigenlijk vrij irritant. Nadat hij bevriend raakte met Kees van Kooten en hij eens met Van Kooten's gezin aan tafel zat, blafte hij Kim van Kooten, die uit verlegenheid een liedje begon te neuriën toe: "NIET neuriën!". Zijn eigen dochters kijken niet terug op een warme en beschermde jeugd. Hun ouders waren veel afwezig en lieten hen ook 's avonds vaak alleen om ergens feest te gaan vieren en onder kunstenaars te zijn.
Campert heeft in zijn leven ongelofelijk veel alcohol verstouwd en bij kans nog meer gerookt. Hij moet een ijzeren gestel hebben gehad, want hij werd desondanks twee-en-negentig.

Omdat hij deel uitmaakte van de groep literatoren die zich 'De Vijftigers' noemden, vertelt het boek van Van Hengel ook veel over de andere leden van dit gezelschap. Onder andere dat men met enige regelmaat vrouwen aan elkaar doorgaf. Promiscuïteit was aan de orde van de dag, waarbij het lijkt alsof beide seksen daar in gelijke mate van genoten. Toch vraag ik me af in hoeverre de levensstijl van de toenmalige artistieke kringen in de huidige tijd, en dan vooral door vrouwen, acceptabel zou worden gevonden. De vrouwen van de Vijftigers waren namelijk meestal zelf geen schrijver of anderszins kunstenaar. Aan de gelijkwaardigheid van beide partners in al die relaties kan worden getwijfeld. Alleen Fritzi ten Harmsen van Beek (de tweede vrouw van Campert) heeft als dichteres enige naam gemaakt.
Eén en ander laat ook zien hoever de toenmalige kunstenaarskringen in de jaren vijftig en zestig buiten de normale maatschappij stonden. In de rest van Nederland was, vooral in de jaren vijftig, stijve burgerlijkheid de norm.
Wat als verzachtende omstandigheid kan worden genoemd is het gegeven dat Remco Campert zelf ook niet bepaald een normale jeugd had. Zijn vader Jan Campert, die vooral tijdens de oorlog bekend werd als schrijver van het gedicht 'De achttien dooden', leefde al voor de oorlog als een bohemien en was sinds 1932 gescheiden van Remco's moeder, de actrice Joeki Broedelet. Deze liet de opvoeding van Remco grotendeels over aan zijn grootouders en in laatste instantie zelfs aan een pleeggezin, terwijl ze zelf aan het werk was als actrice.

Hoewel het lezen over de capriolen van de toenmalige artistieke beau monde een zekere amusementswaarde heeft, heb ik ook het boek van Van Hengel niet helemaal uitgelezen. 
De schrijfster zit ook wat te dicht op haar onderwerp, wat mij betreft. 
Het boek werd geschreven terwijl Campert nog in leven was en Van Hengel mag door Camperts archief scharrelen, terwijl hij er zelf vaak bij zit. 
Ik zou niet willen beweren dat een biograaf bij het schrijven zijn onderwerp te allen tijde ook kritisch moet benaderen, maar de manier waarop dit boek tot stand is gekomen, maakte dit al bij voorbaat lastig.

Ja, De Kunst; het weet wat. Zestig jaar geleden moest in Campert's kringen alles ervoor wijken. Kunstenaars  zweefden als God tussen hemel en aarde, ogenschijnlijk met een totaal gebrek aan maatschappelijke betrokkenheid.
Het is me niet duidelijk of dit beeld nu uniek is voor de jaren vijftig en zestig, of dat dit vooral gold voor de groep rond de vijftigers. Het universum van iemand als Reve komt maar zeer ten dele overeen met dat van de laatstgenoemde groep, maar staat op z'n eigen manier geheel buiten de maatschappelijke realiteit.
De periode dat kunstenaars zich verenigden onder een gezamenlijke noemer, of door de kritiek onder één noemer werden gebracht, lijkt achter ons te liggen. Hoewel ik me uit de jaren '80 en '90 nog de 'Maximalen' kan herinneren.
Maar Joost Zwagerman en René Stouten zijn ook al weer jaren dood.





dinsdag 30 juni 2026

Je leest weer 's een boek, of: op weg naar het einde

























Herstellende van een operatie, waarover ik voor dit moment even niet in detail wil treden, heb ik ongeveer zes weken in depressief makende inertie doorgebracht. Ook met dat laatste zal ik de lezer niet teveel vermoeien, maar één en ander nam, onder andere, de vorm aan van veel nutteloze uren op internet. Vooral die zogenaamde 'shorts' van YouTube zijn, ondanks het vaak volslagen debiele gehalte van de filmpjes, zonder meer verslavend. Je blijft klikken tot er weer een halve dag is verstrekken, om vervolgens te constateren dat het werkelijk niets anders heeft opgeleverd dan verbeuzelde tijd. En als je, om met Reve te spreken, op weg bent naar het einde, is dat een tamelijke sneue constatering. De laatste fase van het leven moet met iets beters te vullen zijn. 
Voor  u nu van alles gaat denken: ik ben niet méér of sneller op weg naar het einde dan elk willekeurig ander mens, maar soms is het besef dat vroeg of laat de koek op is wat sterker aanwezig dan op andere momenten.
Een weekje geleden had ik qua YouTube-verslaving kennelijk mijn tax bereikt; ik besloot naar de bibliotheek te wandelen om een paar boeken te lenen. Geen romans, natuurlijk. Ik heb hier al vaker betoogd dat als ik lees, ik liever over èchte levens lees. 

Over Hermans en Mulisch heb ik op dit blog al eens geschreven, Aan Reve, volgens de canon eveneens behorend tot de zogenaamde 'grote drie' van de Nederlandse literatuur uit de tweede helft van 20e eeuw, heb ik tot nu toe nooit veel woorden besteed. 
Vanzelfsprekend heb ik in de loop der jaren wel het nodige meegekregen over zijn kleurrijke levensloop. En ik heb een paar boeken van hem gelezen. Ook was ik mezelf ervan bewust dat geen enkele andere Nederlandse schrijver een fanbase had, en heeft, die vergelijkbaar is met die van Reve. De 'reviaan' is een bestaand type mens, en ik vermoed dat de revianen er tot in lengte van jaren voor zullen zorgen dat Reve voorlopig niet vergeten wordt.

Derhalve was één van de boeken waarmee ik thuiskwam het eerste deel van de Reve-biografie van Nop Maas 'De vroege jaren 1923 - 1962'.
Snel samengevat was het lezen daarvan een tamelijk bevredigende ervaring, hoewel Maas als schrijver zelf ook wat merkwaardige trekjes vertoont. Zo hecht hij eraan om 'kloeg' te schrijven als hij 'klaagde' bedoelt. Deze schrijf- en zegswijze schijnt hier en daar in Vlaanderen nog voor te komen, maar is in Nederland nauwelijks bekend c.q. uitgestorven. Ook is er bij de biograaf een zekere voorkeur voor het gebruik van moeilijke woorden, ook als er een voor iedereen te begrijpen Nederlands equivalent voor bestaat. Maas schrijft 'irenisch' als hij 'vredelievend' bedoelt, bijvoorbeeld. 
Gelukkig worden de noten direct onderaan de betreffende pagina weergegeven. Ze zijn, om het eufemistisch uit te drukken, nogal talrijk. Steeds naar het eind van het hoofdstuk, of achterin het boek bladeren zou het leesplezier behoorlijk hebben bedorven.
De mate van detail leidde er soms wel toe dat ik regelmatig een paar bladzijden diagonaal las, tot mijn oog weer bleef hangen aan een naam of een zinsnede die mijn aandacht trok.

Wat betreft Reve's eerste veertig levensjaren zijn er twee dingen die er wat mij betreft uitspringen.
Ten eerste is daar het gegeven dat de schrijver, na het succes van zijn eerste boeken ('De avonden' en 'Werther Nieland/ De ondergang van de familie Boslowits') meer dan tien jaar op zoek is geweest naar zichzelf en naar de literaire vorm waarmee hij uiteindelijk pas ècht deel van de eerder genoemde 'grote drie' werd. 
Hoewel Maas het verhaal van deze periode doorspekt met lachwekkende anekdotes, is de algemene indruk van Reve in deze periode toch die van een getormenteerd mens, die bovendien vaker wel dan niet een plaag is voor zijn omgeving. Hij is weinig productief en zijn leven wordt vooral door anderen bekostigd. 'Parasitair is een woord dat opkomt.
Dat parasitaire, en dat is het tweede dat nogal op de voorgrond treedt, geldt vooral voor zijn huwelijk met Hanny Michaelis. Zij heeft nogal wat van Reve moeten verduren en heeft voor de steun die ze hem, gedurende de elf jaar dat ze met hem getrouwd was, gaf betrekkelijk weinig teruggekregen. 
Men kan zich afvragen wat er gebeurd zou zijn als Reve zich eerder had verzoend met zijn homoseksualiteit, en hij de relatie met Michaelis nooit was aangegaan. Er waren dan, naar mijn idee, twee opties geweest: één: Reve had eerder zijn vorm gevonden en was al in een veel eerder stadium een groot schrijver geworden, of twéé: hij was volledig vastgelopen in zijn neuroses, financiële problemen en algemene onaangepastheid, en was daar al ver voor zijn veertigste levensjaar aan ten onder gegaan.

Hoe dan ook, ondanks het gegeven dat het boek uitstekend leesbaar is, is het geen lectuur waar je van opknapt, als je eigen levensvreugde even wat minder is..
Deel 2 van de biografie heeft als ondertitel 'De rampjaren' Ik denk dat ik het lezen daarvan nog maar even uitstel. Het kan, in het geval van Reve, kennelijk allemaal nóg erger.

Van de weeromstuit ging ik aansluitend even op zoek naar wat ik zelf van Reve had staan en het eerste dat ik vond was 'Oud en eenzaam'. 
Daarin komt onder andere de bouw van zijn geheime kasteel 'Notre Reine' op een "platte, 749 m. hoge berg" aan de orde. Reve noemt ook het dorp La Paillette, dat er vlakbij ligt. Mijn fascinatie voor plekken waar iets gebeurd is, al dan niet schuldige landschappen zo u wilt, bracht me ertoe om via GoogleMaps en internet te achterhalen waar 'Notre Reine' precies lag.
Die zoektocht leidde me onder andere naar het blog Keesjemaduraatje. 
De maker van het blog had Reve's Franse stulpje, ondanks het feit dat hij een zelfbenoemd reviaan is, nooit ècht bereikt, maar in de reacties gaf iemand de coördinaten in lengte- en breedtegraden en zo weet ik nu precies waar het ligt; 5 km. ten zuiden van Vesc, in de Drôme, Frankrijk.

Uit de kop van het blog ("0ver Palestijnen, terrorisme, islam, Israël misstanden en persoonlijke belevenissen") bleek echter dat het reviaanse verhaal een uitzondering op de regel was. De schrijver, die in het echt ook Kees heet, put zich al sinds december 2005 voornamelijk uit in agitprop tegen de Palestijnse zaak en de Islam, en vóór Israël. Zeker in de eerste jaren scheef hij honderden berichten per jaar. Na het lezen van een paar van die berichten kom je tot de conclusie dat het woord 'rabiaat' hier op z'n plaats is; elke nuance ontbreekt. Kees ziet slechts één kant van de zaak; de tienduizenden doden in Gaza spelen in zijn overwegingen geen enkele rol.
Eén en ander was dusdanig intrigerend, dat ik nog even verder zocht op 'keesjemaduraatje'. Uiteindelijk vind je dan dat Kees ook actief was in de krakersbeweging van de jaren tachtig.

Het kan verkeren.
 
Ooit stuitte ik op de theorie dat links en rechts extremisme, naarmate ze extremistischer worden, zich soms in een soort tegenstelde cirkelbeweging bewegen, waardoor ze uiteindelijk elkaar naderden en links-extremisme bij individuen soms vrij abrupt kan omslaan in rechts-extremisme.  
Hoewel het misschien te ver gaat om Pim Fortuyn een extremist te noemen, zijn er wel mensen geweest die zijn omslag van radicaal links naar radicaal rechts op deze manier hebben verklaard. Ook Reve maakte een dergelijke omwenteling in denken door en om bij mezelf te blijven: zonder dat ik het toen in de gaten had was ik lang geleden zelf ook 'rechts', waarna ik van lieverlee steeds 'linkser' ben geworden. Maar ik geloof dat ik er redelijk in ben geslaagd om weg te blijven van extremisme.

Hoe een vrij onschuldige obsessie met 'plekken', na het lezen van een biografie waarin verloren tijd een grote rol speelt, uiteindelijk leidt tot het opduikelen van nòg iemand die zijn tijd en energie op grote schaal verspilt met bezigheden die uiteindelijk tot niets positiefs leiden.

Ook Kees, die waarschijnlijk niet veel jonger is dan ik, is op weg naar einde.  
Soms probeer ik me wel eens een voorstelling te maken van waar je aan zou kunnen denken als je laatste uur geslagen heeft. Dat je dan hopelijk het idee hebt dat je, ondanks alles, je leven niet verspild hebt, bijvoorbeeld
In de biografie van Reve komt ergens, eind jaren vijftig, ook nog een brief van W.F. Hermans aan Reve aan de orde, waarin hij aangeeft ten aanzien van laatstgenoemde "agressief medelijden" te voelen. Hij was  het geklaag en de vruchteloze pogingen van Reve om een  Engelstalige schrijver te worden een beetje zat, en zei om die reden de aanvankelijke vriendschap min of meer op.
Zelf ben ik het totaal niet eens met de politieke stellingname van Keesjemaduraatje, maar meer nog ben ik ontdaan door de zinloosheid van zijn al twintig jaar voortdurende fanatisme. Naast wrevel met betrekking tot zijn politieke standpunt, voel ik een zekere medelijden. Ik heb, bij wijze van spreken, met hem te doen.
Agressief medelijden; ik begrijp nu pas goed wat Hermans daarmee bedoelde, denk ik.

zondag 14 juni 2026

There's something in the water!





















Afgelopen vrijdagavond, rond half negen, werden de inwoners van Dordrecht, Zwijndrecht en Hendrik-Ido-Ambacht verrast met een mailtje van Evides, het lokale waterleidingbedrijf. De E-coli bacterie was aangetroffen in het drinkwater en Evides adviseerde voor de eerstkomende 72 uur het water voor consumptie 3 minuten te koken.
Ongeveer twee uur volgde een NL-Alert van dezelfde strekking, via de telefoon. Toch goed dat de vanouds vertrouwde luchtalarm-sirenes voorlopig niet door het NL-alert worden vervangen, dacht ik.
Nu had mijn vrouw, die altijd wat gevoeliger is voor de mogelijkheid van allerlei calamiteiten, al paar 2-liter pakken bronwater klaar staan; nog niet zo lang geleden aangeschaft toen de burgers van Nederland werd aangeraden een noodpakket in huis te nemen. Bovendien kookte ze meteen het nodige water en vulde daarmee een verzameling doppers en thermosflessen die uit alle hoeken en gaten werden verzameld.
In de loop van de volgende dag bleken we daar als dagvoorraad ruim voldoende aan te hebben. Extra bronwater werd dus niet aangeschaft en de pakken die we wel hadden bleven voorlopig dicht.
Gisterenavond (zaterdag) kwam er om kwart voor acht een nieuw mailtje met de boodschap dat het eerdere kookadvies was opgeheven. Nadere onderzoeken hadden uitgewezen dat er van besmet leidingwater geen sprake was. Een vals alarm dus waarschijnlijk. NL-Alert was dit keer wat meer bij de tijd; enkele minuten na de mail gaf dat dezelfde melding.

Vanmorgen keek ik even bij AD-De Dordtenaar, waar ik, voornamelijk om ook enigszins op de hoogte blijven van het lokale nieuws, een digitaal abonnementje heb lopen.
Vanzelfsprekend was ook het afgegeven en weer snel ingetrokken kookadvies nieuws waaraan de krant niet voorbij kon gaan. 
‘Valse’ melding van poepbacterie in drinkwater, hoe kon dat gebeuren? luidde één de koppen. Want gewoontegetrouw moet er een schuldige worden gevonden voor het leed dat de burger is aangedaan.
Het voornaamste leed deden burgers echter zichzelf aan.
Onder de kop Massale run op waterflessen na besmet drinkwater in Drechtsteden: ‘Mensen denken alleen aan zichzelf’ berichtte AD-De Dordtenaar over de taferelen die zich bij de Dordtse supermarkten hadden afgespeeld. Het hamsteren had tamelijk hysterische vormen aangenomen; sommige klanten namen in één keer bijna100 liter bronwater mee. Bij de Jumbo in Sterrenburg liep het hamsteren vrijdagavond zó uit de hand dat de politie eraan te pas moest komen.
Aangezien de meeste supermarkten op vrijdag om 21.00 u. sluiten en het nieuws om ongeveer 20.30 u. bekend werd, zijn hele volksstammen dus in het laatste halfuurtje dat de supermarkten open waren direct in actie gekomen, om toch maar vooral niks tekort te komen. Of zouden er andere motieven aan de orde zijn geweest, zoals speculeren op een langdurig tekort en zwarthandel? Of was het een combinatie van het één en het ander?

Ik vraag me af hoe snel de vlam in de pan gaat, als zich in de nabije toekomst een ècht serieus probleem voordoet. Het lijkt er wel eens op dat er in meer dan één opzicht sprake is van something in the water.
Het menselijk tekort was hier en daar weer eens vrij onontkoombaar aanwezig.








zondag 8 februari 2026

Roeien
















In mijn vorige bericht schreef ik dat ik nu toch min of meer een oude man ben geworden. 
Er zijn een aantal verschijnselen die daarop wijzen. Er is een mentale of psychologische component: aan bepaalde dingen merk ik dat ik niet meer zo pas bij deze tijd. Of de tijd past niet meer bij mij. Er zit weinig anders op dan dit maar min of meer te accepteren; de tijd doet wat de mensheid wil. Zolang ik nog een beetje m'n eigen gangen en tempo kan bepalen en al te veel hysterie kan ontlopen, kom ik de tijd die mij nog rest wel prettig door.
Maar de laatste tijd is er bij mij ook wel degelijk het gevoel dat het lichamelijk minder wordt. Tot  voorbij m'n zestigste merkte ik daar nog niet zoveel van, maar ondertussen moet ik vaststellen dat mijn uithoudingvermogen en spierkracht afnemen. 
Ik heb nooit veel aan sport gedaan, behalve dat ik zo nu en dan eens een paar maanden achter elkaar twee of drie keer in de week een paar kilometer ging hardlopen. Nou ja.. hardlopen..; veel harder dan pakweg 10 kilometer per uur ging het niet, en vier tot zes kilometer ver was de laatste jaren wel het maximum. Wat daarbij kwam: eigenlijk is hardlopen op de verharde weg in een aantal opzichten ook een aanslag op je gestel. Het doet wat voor je conditie, maar het is tamelijk belastend voor je knieën. En mijn linkerknie begon ik al een beetje te voelen.

Toch wilde ik m'n conditie op peil brengen en tegelijkertijd wat spierkracht terugwinnen.
In eerste instantie denk je dan aan de sportschool. 
Ik heb altijd een aanzienlijke weerstand gevoeld tegen het instituut. Het is iets moderns, om niet te zeggen modieus. Sporten in de sportschool heeft iets machinaals. Iedereen in een sportschool is als individu bezig op zijn of haar hoogstpersoonlijke martelwerktuig. Samen met anderen in één ruimte met jezelf bezig zijn; ik vind het, ondanks het gegeven dat ik in essentie een individualist ben, een beetje ongemakkelijk. Bovendien is het altijd binnen en ik wilde graag buiten sporten.
Een sportschool-abonnement is trouwens ook niet goedkoop. Het kost, als je een beetje regelmatig wil trainen, al gauw iets van vier tientjes in de maand en dus zo'n € 500,- per jaar.

Toen ik me dit laatste realiseerde, herinnerde ik me dat ik enkele jaren geleden ook al eens had gekeken naar roeien bij de Koninklijke. 
'De Koninklijke'; dat is hier in Dordt de Koninklijke Dordtse Roei- en Zeilvereniging. Roeien is een sport waarbij je bijna alle spieren in je lichaam gebruikt en als je een beetje door roeit, bouw je ook conditie op.  En roeien doe je in de open lucht, en als je dat wilt, samen met anderen.
Destijds had ik óók gezien dat de jaarlijkse contributie wèl wat hoger was dan van de gemiddelde voetbalclub: zo'n € 400,- per jaar. Dat vond ik in eerste instantie teveel.
Maar nu ik deze optie vergeleek met de sportschool, leek het ineens wèl een te overwegen mogelijkheid.
Ik ging nog eens kijken op de website van de KDR&ZV en zag dat je kon komen kennismaken èn twee keer gratis een proefles (want roeien moet je leren, daarover later) kon krijgen. Er was dus een mogelijkheid om de sfeer in de vereniging te proeven en te zien of roeien iets voor je was.

Die sfeer was voor mij wel een dingetje.
De KDR&ZV bestaat uit twee delen. Het roeideel heeft z'n plek aan het Wantij. Van daaruit wordt geroeid en daar liggen ook alle boten waarmee men dat doet. Het andere deel is het 'zeildeel'. Dat heeft z'n basis in de Nieuwe Haven in de binnenstad. In essentie is dat een jachthaven, met heden-ten-dage vooral motorboten. De sfeer in die haven kende ik al enigszins; mijn Wadloper overwintert er de laatste jaren nogal eens. 
Maar toch; 'Koninklijke' roept bij een patjepeeër als ik, in combinatie met 'vereniging' al snel een sfeer op van blauwe blazers en een kakkineus ledenbestand. In de jachthaven van de Koninklijke had ik er nooit veel van gemerkt, maar ik heb er, buiten de havenmeester, ook nooit veel mensen gesproken. Daarnaast heeft 'roeien' als sport ook sterke associaties met studenten en het corps. Hoe kakkineus zou de sfeer bij de roei-poot van de Koninklijke zijn?
Het bleek in de praktijk erg mee te vallen. Tijdens de kennismaking en de proeflessen voelde ik me al snel op m'n gemak. Het gevoel en de proeflessen waren overtuigend genoeg om zonder mankeren lid te worden. 

Ondertussen ben ik al genoeg aardige mensen, maar niet één èchte kakker tegengekomen , en ook de roeilessen bevallen.
Lessen, inderdaad, want roeien volgens de KDR&ZV doe je met een bepaalde techniek. Een in eerste oogopslag zelfs vrij ingewikkeld geheel van houdingen, spiergebruik (inderdaad; maar weinig spieren blijven ongebruik), en bewegingen met de riemen ('roeispanen' voor niet-ingewijden). Het begint al met hoe je in en uit de boot stapt. Er hoort ook een bepaald jargon bij. Je leert 'rondmaken', 'strijken', 'clippen' en nog een aantal dingen, die je uiteindelijk tot een volleerd roeier moeten maken.
Ondertussen ben ik in opleiding voor het diploma 'Scullen 1'. Dat komt er op neer dat je kunt roeien met een zogenaamde 'wherry', het eenvoudigste type waarover men bij de KDR&ZV beschikt; u ziet er één linksboven op het plaatje bij dit blog. Eind februari is de eerstvolgende gelegenheid om 'af te roeien' voor dat diploma. Of ik aan dat examen mee doe staat nog te bezien, want aan mijn manier van 'clippen' mankeert nog het één en ander.

Dat laatste is overigens niet iets waar ik me zorgen over maak. Voorlopig vind ik roeien in de wherry heerlijk, en het buiten zijn in combinatie met de lichaamsbeweging blijkt precies waarnaar ik op zoek was. Wat ook fijn is, is het gegeven dat de vereniging beschikt over een overdekte oefenruimte waar de nodige roeimachines staan, zodat ik ook buiten het echte roeien op het water (1x per week, tot nu toe), nog wat meer kan doen aan conditie en spieren. Eerder had ik de aanschaf van zo'n roeimachine overwogen; iets waar mijn vrouw mordicus tegen was, want "waar moet zo'n ding staan?" Dat ik het geld ervoor in m'n zak heb gehouden en veel beter heb besteed door lid te worden van de Koninklijke is een meevaller.

Kortom: uw correspondent werkt onder de meest prettige omstandigheden denkbaar aan zijn lichamelijke welzijn. Mogelijk zal dit, voor wat betreft dit blog, leiden tot vrolijker en meer levenslustige stukjes. Waarbij ik de realiteit wel onder ogen wil blijven zien. Het volgende stukje zou zomaar 's 'Ondermaans ongenoegen 3' als titel kunnen hebben. 
U bent gewaarschuwd!

zondag 11 januari 2026

Passanten 6: Willem

























Net als Gerrit was Willem min of meer een collega. Eentje uit de laatste periode van mijn werkzame leven.
Hij werkte bij Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Dordrecht. Ik was vanaf november 2001 min of meer bij die dienst ingehuisd, omdat ik secretaris va de Welstandscommissie was. Tussen mij en de plantoetsers van die dienst was regelmatig overleg over ingediende bouwaanvragen. 'Redelijke eisen van welstand' was tenslotte een onderdeel van de 'heilige drie-eenheid' bestemmingsplan - bouwbesluit - redelijke eisen van welstand, waaraan een bouwplan moet voldoen om een bouwvergunning te krijgen. 
Bouw- en Woningtoezicht als zodanig bestaat inmiddels niet meer; een kleine twintig jaar geleden werd deze diensten landelijk samengevoegd met de milieudiensten en de daaruit resulterende dienst heet sindsdien 'Omgevingsdienst'.
In deze context was Willem gedurende veertien jaar mijn collega.

Bouw- en woningtoezicht van de gemeente Dordrecht maakte in de periode vóór de vorming van de Omgevingsdienst deel uit van de dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Dordrecht. Dit destijds vrij omvangrijke gezelschap was van een bonte pluimage. Zowel Monumentenzorg (Dordt heeft meer dan 1000 monumentale panden) als Stedenbouw maakten er deel van uit, evenals Vastgoedbeheer en Grondzaken.
Stadsontwikkeling had bovendien, binnen het gemeentelijke apparaat als geheel, ook een reputatie als zijnde een verzameling feestnummers en bonte honden. 
Dat gold in zekere mate ook voor het toenmalige Bouw- en Woningtoezicht. De dienst had een hoofd, maar een deel van de werknemers vulde de hun toegewezen taken geheel naar eigen inzicht in en maakte het zichzelf daarbij niet moeilijker dan strikt nodig was. Bij de dienst leerde ik bijvoorbeeld het begrip 'artikel 5' kennen. De toepassing daarvan kwam neer op het door de vingers zien van allerlei zaken die enerzijds niet helemaal in overstemming waren met de voorschriften, maar anderzijds niet zó schadelijk werden geacht dat er 'moeilijk' over moest worden gedaan.

Dit laatste is meteen een mooi aanknopingspunt om wat meer te vertellen over passant Willem.
Voor Willem bestond 'artikel 5' namelijk niet. Hij deed alles volgens het boekje. Een standaard ambtenaar zoals die leeft in de voorstelling van de gemiddelde niet-ambtenaar. Binnen het gezelschap van plantoetsers was hij één van de hoger opgeleiden; als ik me niet vergis had hij de HTS voltooid. Willem was een peuteraar, niet alleen in zijn werk, maar, zoals  bleek toen ik hem wat beter leerde kennen, ook op andere fronten.
Dat hij van wijn bleek te houden zou wat mij betreft weer in zijn voordeel kunnen spreken. Kennelijk was hij in bepaalde opzichten toch een levensgenieter. Maar dat hij regelmatig wijn dronk werd pas duidelijk toen hij me op een onbewaakt ogenblik vertelde dat hij de bezitter was van een klimaatkast voor zijn wijnvoorraad. Ook hier had de hang naar perfectie toegeslagen. 
Van lieverlee werd duidelijk dat Willem ook door zijn directe collega's als een wat wereldvreemd buitenbeentje werd beschouwd. Toen Bouw- en woningtoezicht eenmaal was opgegaan in de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid en we waren verhuisd naar een ander gebouw in de stad, leidde deze verandering tot aanzienlijke problemen met zijn werkplek. Willem maakte melding van lichamelijk ongemak dat hij weet aan straling die volgens hem uit het plafond kwam. De bron zou, dacht hij, leidingwerk zijn dat electro-magnetische golven uitzond. Tot welke lichamelijke klachten dit bij hem leidde, is mij nooit helemaal duidelijk geworden. 
Zijn klachten werden door de leiding in zoverre serieus genomen dat er binnen de grote ruimte waar de plantoetsers zaten, met zijn persoonlijke werkplek werd geschoven. Uiteindelijk werd er een plek gevonden waar hij minder last had van de door hem ervaren negatieve effecten, maar helemaal tevreden is hij na de transitie van de dienst nooit meer geworden, geloof ik.
Cynisme kreeg bij Willem de overhand.  
Toen, al vrij kort na de vorming van de Omgevingsdienst, de Tweede Kamer besloot dat plantoetsing en bouwtoezicht op termijn bij marktpartijen zouden worden ondergebracht en plantoetsers en inspecteurs een mogelijk ontslag zagen opdoemen, was Willem steevast degene die het meest zwarte scenario schilderde. 

In 2016 ging ik met pensioen. De Omgevingsdienst huisde inmiddels in het oude (en eigenlijke ook meteen het laatste) postkantoor van Dordrecht, dat op loopafstand van mijn huis ligt. Sommige jongens van de Omgevingsdienst liepen bij mooi weer en rond lunchtijd graag een rondje door de binnenstad, terwijl ze ondertussen de meegebrachte boterhammen oppeuzelden. Zo kwam ik Willem, meestal in het gezelschap van één of meerdere anderen, nog diverse keren tegen.
De laatste keer dat dit gebeurde moet in de periode 2020 - 2022 zijn geweest. Het was Corona-tijd. Willem was alleen en misschien was dat de reden dat we even de tijd namen voor een praatje.
Als ik het me goed herinner was het ergste van de Corona-epidemie al achter de rug; in ieder geval werd er bij Omgevingsdienst weer op kantoor gewerkt. Vanzelfsprekend was de achterliggende periode vrijwel direct onderwerp van gesprek. Al heel snel bleek hoe Willem daar naar keek; Corona was een complot. Het was niet gewoon een epidemie van een tot dan toe onbekend virus. Er waren duistere krachten de gang geweest en ze waren nog lang niet klaar met ons, onwetende burgers.
In een poging om het gesprek in andere vaarwater te leiden, probeerde ik van onderwerp te veranderen en begon ik over een ander maatschappelijk fenomeen. Wat dat precies was weet ik niet meer, maar ook hier zag Willem allerlei geheime manipulaties van de overheid of andere machten.
Eén en ander leidde tot een versneld afscheid. Daarna heb ik Willem niet meer gezien.

De hele traditie van het rondje rond het middaguur schijnt sowieso te zijn afgeschaft, want ook de andere collega's kom ik tegenwoordig nooit meer tegen. 

vrijdag 28 november 2025

De digitale deceptie

bron: Chapatte.com















Lang geleden, in 1980, verscheen het boek The third wave. 
Het was geschreven door wat destijds een futuroloog werd genoemd; iemand die een visie had met betrekking tot hoe de maatschappij en de techniek zich in de niet al te ver verwijderde toekomst zouden gaan ontwikkelen. En als zodanig meende de toekomst te kunnen voorspellen.
Je hoort het woord tegenwoordig zelden meer gebruiken. Het lijkt alsof de futuroloog een beetje heeft afgedaan, of minder serieus wordt genomen. Misschien niet zonder reden, zoals later in dit stukje zal blijken.

De futuroloog die The third wave schreef was Alvin Toffler. 
De hoogleraar waarvoor ik toen werkte op de TU-Delft, was nogal van het boek onder de indruk, en aan de lunchtafel was het meermalen onderwerp van gesprek.
De 'derde golf' van Toffler was niks meer of minder dan de digitale revolutie, die in 1980 min of meer op het punt van beginnen stond. In de visie van Toffler was die digitale revolutie van een zelfde orde als de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw en veeteelt die de mensheid zo'n zevenduizend jaar eerder had doorgemaakt (de eerste golf), en als de industriële revolutie van de 19e eeuw, die, naast een enorme technologische omwenteling, een trek van het platteland naar de steden had bewerkstelligd. Toffler zag die industriële revolutie als de tweede golf.

We kunnen, denk ik, wel constateren dat Toffler, met het bestempelen van de digitale revolutie als de derde golf in de ontwikkeling van de menselijke samenleving, er niet ver naast zat. 
De opkomst van de personal computer, het internet en de smartphone hebben de maatschappij blijvend veranderd, en de invloed van één en ander op het persoonlijke leven van mensen, en de maatschappij als geheel, is nog steeds groeiende.
Dat zijn dingen die Toffler al in 1980 voorspelde. De eerste IBM PC verscheen in augustus 1981 en internet voor algemeen gebruik kwam in de eerste helft van de jaren '90 van de grond.

Toffler's visie op deze ontwikkelingen was optimistisch van aard.
Hij stelde dat het industriële tijdperk, zoals dat zich in de 20e eeuw in zijn ultieme vorm had gemanifesteerd, werd gekenmerkt door massa-productie, standaardisatie, organisatie van bedrijven en instellingen die van boven naar beneden werkte (top down), en wat Toffler een factory-type education system noemde. Massaliteit en grootschaligheid waren bepalende factoren.
De Derde Golf, zoals Toffler die zich voorstelde, zou daarmee in scherp contrast staan. In het algemeen zou er in de toekomst sprake zijn van post-industriële samenleving. Productiemethodes zouden kleinschaliger worden en massa-productie en one size fits all zou worden vervangen door maatwerk en productie on demand.
Het top down principe bij het maken van beleid door regeringen en organisaties zou plaats maken voor een gedecentraliseerde, meer open en meer democratische vorm van beleid maken en leiding geven. Dat zou mede worden bevorderd door het gegeven dat de digitalisering en iets als internet ieder individu onbeperkt toegang zou geven tot alle vormen van informatie. 
Er zou een open samenleving ontstaan, waarbij iedere wereldburger in contact zou staan met iedere andere wereldburger, en onbeperkt informatie zou kunnen uitwisselen. In dat verband werd ook het begrip Global Village gemunt. 
Wat Toffler ook voorspelde: het afnemen van de betekenis van natie-staten. Daar zou zowel van beneden als van boven aan geknabbeld worden. Van beneden door het uiteenvallen van nationale samenlevingen in kleinere eenheden als deel-republieken, en van boven af door toenemende invloed van NGO's en multinationals. Met betrekking tot de wenselijkheid en de uiteindelijke uitkomst van de laatstgenoemde ontwikkelingen zijn door Toffler nooit uitspraken gedaan. Ik kom daar nog op terug.

We kunnen, denk ik, vijf-en-veertig jaar na het verschijnen van 'TheThid Wave' constateren dat Toffler's voorspellingen deels zijn uitgekomen. 
Internet heeft gezorgd voor een enorme hoeveelheid beschikbare informatie. De mogelijkheden  voor allerlei vormen van communicatie zijn groter dan ooit tevoren. Eén en ander heeft het levenstempo van veel mensen overigens ook sterkt opgevoerd. In een mate waarbij hypes en hysterie nogal al eens de sfeer bepalen. Of één en ander in alle opzichten een positieve ontwikkeling is valt te betwisten.
 
Helaas moet ook worden vastgesteld dat veel van Toffler's toekomstvisioen niet is uitgekomen. Van een open samenleving is misschien nog minder sprake dan tijdens de jaren '70 het geval was. Het onderwijs is grotendeels nog steeds een vrij massale en weinig individuele aangelegenheid.
Democratischer is de wereld ook niet geworden sinds die tijd. Integendeel: Er is een beweging richting niet-democratische vormen van bestuur op gang gekomen die zo'n beetje wereldwijd is. Het idee van een Global Village staat wel ver af van de politieke polarisatie die ook bijna overal de kop op heeft gestoken. 
Veel mensen hebben zich, op internet, opgesloten in hun eigen, al dan niet politieke bubbles. Dat laatste is trouwens ook een gevolg van de toepassing van bepaalde algoritmes die de digitalisering mee zich mee heeft gebracht. Internet registreert voorkeuren van individuen en geeft die individuen vervolgens nog slechts informatie en inzichten die stroken met die voorkeur. 
Internet werkt daardoor niet verbindend, zoals Toffler hoopte, maar scheidend, polariserend en vervreemdend.

Wat wel min of meer stookt met Toffler's visie is het gegeven dat de macht niet langer volledig in handen is van natiestaten. Multinationals, en dan vooral bedrijven als Google, Meta en anderen die aan de knoppen zitten van internet, hebben wereldwijd een enorme invloed verworven en zijn in staat politieke ontwikkelingen te beïnvloeden op een schaal die zorgwekkend is, omdat deze bedrijven aan geen enkele vorm van democratische controle zijn onderworpen.
Een vraag zou kunnen zijn in hoeverre de hierboven gesignaleerde trend naar niet-democratische vormen van bestuur in de hand is gewerkt door de bronnen waaruit mensen hun informatie halen en de bubbles waar ze door de algoritmes van Google, Meta en consorten in terecht zijn gekomen. 
Inmiddels is ook wel duidelijk dat de digitale infrastructuur en diezelfde bubbles door natiestaten, waarvan de macht nauwelijks is verminderd sinds 1980, worden misbruikt om de publieke opinie in andere natiestaten te beïnvloeden als er verkiezingen in aantocht zijn. Rusland schijnt erg zijn best te doen op dat front.
Dat roept op zijn beurt de vraag op of de grote IT-bedrijven een gericht beleid voeren op dit front. Met andere woorden: doet men moeite om nepnieuws en onderhuidse, maar grootschalige politieke propaganda tegen te gaan. Een tijdje heeft er op geleken dat dit het geval was: Google en Meta hadden fact checkers in dienst, die hun best deden om waarheid van fictie te scheiden. Inmiddels zijn we echter zover dat deze bedrijven, die in essentie toch gewoon Amerikaans zijn, op last van de zich snel ontwikkelende autocratie in de VS, met dat factchecken zijn gestopt.
Kennelijk is de macht van de Amerikaanse regering en daarmee van een natiestaat als de VS toch altijd nog groter dan die van Google en Meta.

Nog iets verder doordenkend lijkt er in die zin toch iets bijzonders aan de hand. 
Die anti-democratische tendens in de wereld kenmerkt zich door een soort conservatisme dat zich bedient van een instrument dat in essentie niet conservatief is. 
Het anti-democratische conservatisme wil allerlei dingen, die in de afgelopen tientallen jaren vrij algemeen zijn geaccepteerd als een gegeven, ontkennen, en de acceptatie daarvan terugdraaien. Een voorbeeld is afwijkende seksuele geaardheid in al zijn veelkleurigheid. Volgens de conservatieve tendens zijn er slechts mannen en vrouwen en alleen seks tussen mannen en vrouwen is normaal. 
Ook bestaat er in het conservatieve universum een universeel wantrouwen en weerzin tegen de wetenschap en wetenschappelijke feiten. Het klimaatprobleem bestaat niet in deze bubble. Corona was ook een Hoax en soms is er een duidelijke hang naar alternatieve geneeswijzen, die in de praktijk vaak op kwakzalverij lijken.
Wat in deze sfeer universeel is, is het terugvallen op een naar binnen gericht nationalisme. Make America Great Again is er een uiting van, en in ons eigen Nederland pleit Geert Wilders vooral voor het eigenbelang van de Nederlander. Als men daardoor in Afrika het wat minder heeft, is dat jammer, maar helaas. Naar de toekomst wordt nauwelijks gekeken. "Na ons de zondvloed" hoor ik nergens hardop roepen, maar lijkt wel een andere peiler te zijn waarop dit conservatisme steunt.
Het liefst zou men met de rug naar de rest van de wereld gaan staan en in veel opzichten wil men terug naar een maatschappij zoals die vijftig jaar geleden nog bestond. In de VS lijkt dat ondertussen zover te gaan dat men zelfs de rassenscheiding en de ongelijke behandeling van niet-blanken weer terug wil brengen. Wat anders zou er kunnen zitten achter het verwijderen van de panelen bij de ere-begraafplaats van Margraten die wezen op het werk van zwarte Amerikanen?
Dit conservatieve wereldbeeld is min of meer het tegendeel van wat Alvin Toffler van de derde golf verwachtte. Het tweeslachtige bij dit alles is dat het conservatisme juist de digitale infrastructuur heeft ingezet om de conservatieve, anti-democratische boodschap erin te hameren.

Maar wat Toffler toch goed heeft gezien; uiteindelijk is de digitale infrastructuur in zijn wezen toch beter geschikt voor het verruimen van de blik, het kennis nemen van andere inzichten en in het algemeen verder kijken dan je eigen neus lang is. Het ronddraaien in de eigen bubble is alleen mogelijk door de aanwezigheid van bepaalde algoritmes. 
Bevrijd van die algoritmes. en na het opheffen van de digitale vissenkommen waarin veel internetgebruikers zich inmiddels hebben laten opsluiten, zou die digitale infrastructuur alsnog kunnen worden wat Toffler voor ogen had.

De geschiedenis heeft altijd goflbewegingen gekend. Ook de nu op z'n hoogtepunt zijnde conservatieve golf zal wegebben. Op het moment dat er ruimte voor is, zal de macht van de algoritmes moeten worden gebroken en kunnen de Meta's en de Googles weer op hun plaats worden gezet: een dienende rol, met een daarop aangepast 'verdienmodel'.

Ik hoop het nog mee te maken.