Posts tonen met het label oorlog. Alle posts tonen
Posts tonen met het label oorlog. Alle posts tonen

dinsdag 14 juli 2026

Geen oorlogsheld


Het zicht in oostelijke richting vanaf Fort Honswijk. In de verte
de spoorbrug van Culemborg.























Mijn vader was geen prater. En àls hij praatte was er vaak een negatieve ondertoon. Hij maakt zich drukker over dingen die hem dwarszaten, dan dat hij de lof zong van iets dat hem plezier deed. Wat ik er uiteindelijk aan heb overgehouden, was de indruk dat het leven hem in laatste instantie lelijk is tegengevallen. 
Slechts zelden vertelde hij verhalen over wat hij zoal had meegemaakt. Over zijn jeugd, die zich voor een groot deel moet hebben afgespeeld op de tuinderij van zijn vader, sprak hij nooit. En over zijn vier broers evenmin. Soms ontviel hem wat over één van zijn zussen, maar altijd als die hem op de één of andere manier irriteerden.
Mijn vader had, zoals iedereen van zijn generatie, de oorlog meegemaakt. 
Er wordt wel eens beweerd dat die generatie daar een soort collectief wantrouwen tegenover de medemens aan heeft overgehouden. Niet direct regelrechte misantropie, maar voetstoots aannemen dat ieder mens van nature geneigd is tot het goede zat er niet meer in. In het geval van mijn vader heeft  zijn na-oorlogse werk bij de politie daar waarschijnlijk ook geen goed aan gedaan.

Over wat de familie van mijn moeder tijdens de oorlog heeft meegemaakt en doorstaan, heb ik hier al vaker geschreven. In dat kader deze keer een verhaal van de andere kant van mijn familie; die van mijn vader. Nog sterker: een verhaal over hemzelf, dat ik in eerste instantie uit zijn eigen mond vernam. Naar aanleiding waarvan hij ermee op de proppen kwam, weet ik niet meer; het moet meer dan vijftig jaar geleden zijn. Het was een uniek voorval; een verklaring voor het feit dat ik het al die jaren onthouden heb.
Dat het, nog maar een paar jaar terug, een hele nieuwe laag kreeg, die zijn mondeling geventileerde herinnering zwart op wit bevestigde en deze promoveerde van een indrukwekkend, maar mogelijk apocrief verhaal, tot een klein stukje waar gebeurde geschiedenis, was voor mij aanleiding om toch maar even op te schrijven.

Mijn vader, geboren in 1918, was al twee jaar voor de oorlog, in 1938, "opgekomen voor zijn nummer", zoals dat, in de tijd dat de dienstplicht nog bestond, werd genoemd. 
In 1938 was de wereldwijde economische crisis van de jaren dertig in Nederland nog steeds niet achter de rug. Ondanks de oorlogsdreiging, die rond die tijd ook al opspeelde, en in het licht van de nog altijd hoge werkloosheid, ging mijn vader, toen hij afzwaaide als dienstplichtig soldaat, in op een aanbod om voor bepaalde tijd vrijwillig bij het leger dienst te nemen als 'hulp-marechaussee'. Als zodanig werd hij gelegerd in Millingen aan de Rijn; pal aan de Duitse grens.

Op 10 mei 1940 werd in Millingen aan de Rijn geen schot gelost. De twee belangrijkste aanvalsrichtingen van de Wehrmacht liepen in de richting van de Grebbeberg, ten noorden van de Rijn en via Noord-Limburg en Noord-Brabant naar de Moerdijkbruggen en verder. Later tijdens de meidagen bleken de Duitsers echter wel degelijk ook via de Betuwe en het land van Maas en Waal naar het westen op te dringen, maar de Marechaussee-troepen te Millingen merkten daar op de vroege morgen van 10 mei nog niks van.
Mijn vader vertelde dat ze per direct het bevel kregen om Millingen te verlaten en in westelijke richting terug te trekken. Bij Beneden-Leeuwen stak men met de pont de Waal over, waarna de terugtocht door de Betuwe verder ging. 
Onderweg  had mijn vader gezien hoe een vliegtuig door luchtafweer brandend werd neergeschoten. Dat had al grote indruk op hem gemaakt. Maar wat daarop volgde had zich nog dieper in zijn geheugen genesteld.. 
Hij vertelde hoe zijn troep ergens werd opgevangen door een Nederlandse officier, die wilde dat zij zich zouden aansluiten bij een groep, die onder zijn bevel zou optrekken naar de spoorbrug van Culemborg. Die brug was nog intact en de officier vond dat ie moest worden opgeblazen.
Tijdens de tocht naar de brug kwam deze groep echter onder artillerievuur te liggen. Volgens mijn vader had ie een tijdlang plat op z'n buik gelegen, terwijl om hem heen de granaten ontploften. Van het opblazen van de brug was niks meer gekomen. 
Heel veel woorden besteedde hij niet aan de ervaring, maar dat het geen pretje was geweest leed geen twijfel. De angst van toen voelde hij tientallen jaren later nog steeds.

Het verhaal zat jaren in mijn achterhoofd, totdat ik, een paar jaar geleden, stuitte op een boek dat de titel 'De geschiedenis van het Wapen de Koninklijke Marechaussee' droeg.  Het voorwoord van de schrijver, mr. W. van den Hoek, is gedateerd: mei 1963. Ik herinnerde me wat mijn vader me had verteld en begon te bladeren. Tot mijn niet geringe verbazing trof ik vanaf pagina 399 het verhaal van mijn vader, maar nu in z'n volledige context en met veel meer details.
Een en ander bleek zich te hebben afgespeeld op 14 mei 1940. Het initiatief voor de actie kwam van een officier van brigade B, een legereenheid die aanvankelijk een stelling in het Land van Maas en Waal bezet had gehouden, maar zich op 14 mei al had teruggetrokken in Vreeswijk. Een kapitein van deze brigade B had binnen de Marechaussee-eenheid van mijn vader, die zich op dat moment kennelijk ook al in Vreeswijk bevond, vrijwilligers geronseld voor het innemen van de brug bij Culemborg, waaronder 14 "zogenaamde hulpmarechaussees". Daarna vervolgt het verhaal van de operatie, inclusief het gegeven dat er tijdens de artilleriebeschieting enige gewonden vielen. Voor het bereiken van de brug werd de terugtocht aanvaard, omdat vanuit de richting van de brug Duitsers op motorfietsen met zijspan, met daarop een mitrailleur naderden, die de Nederlandse soldaten onder vuur namen.

Ik wist uit eerder onderzoek naar andere onderwerpen dat het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) zo ongeveer alle beschikbare gevechtsrapporten van het Nederlandse leger uit de meidagen van 1940 heeft gedigitaliseerd. Je kunt ze gewoon thuis, achter je computer, doornemen.
Ik vond zonder veel moeite het rapport dat Kapitein Luchsinger van Brigade B op 19 mei 1940 schreef, en dat de actie in zo mogelijk nog meer detail beschrijft.

Op 14 mei bevond Brigade B zich inderdaad in Vreeswijk. Luchsinger beschrijft hoe zijn eigen eenheid daar in de nacht van 13 op 14 mei was gearriveerd. Die troepen waren als gevolg daarvan "alle zeer vermoeid en bovendien geheel incompleet (sic)". Rond de middag van 14 mei werd van de commandant van het Tweede Legerkorps bevel ontvangen om "met een compagnie de spoorbrug van Culemborg, die door parachutisten was bezet, te hernemen en daarna te doen opblazen." 
Kennelijk achtte Luchsinger de manschappen van zijn Brigade B daar niet toe in staat. Hij wendde zich tot een groep "marechaussees van de brigades Groesbeek, Nijmegen en Millingen", waarmee een detachement van 25 man werd samengesteld, dat met twee vrachtwagens naar fort Honswijk werd gebracht. Dit fort ligt ongeveer 7 km. ten zuidoosten van Vreeswijk, aan de Lek. Het maakte destijds deel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Na het ineenstorten van de Nederlandse weerstand op de Grebbeberg op 13 mei, was het Nederlandse leger begonnen aan een tamelijk wanordelijke terugtrekking op deze waterlinie. Men hoopte van daaruit de strijd nog enig tijd te kunnen volhouden. Onderweg naar het fort kwam men derhalve al veel, in Luchsingers woorden "groote ongeordende afdeelingen artillerie en infanterie" tegen en ook bij het fort bevonden zich Nederlandse troepen die zich uit het terrein tussen Honswijk en de brug hadden teruggetrokken, nadat, naar eigen zeggen, een deel van hun onderdeel door de Duitsers krijgsgevangen was gemaakt. Deze ontmoetingen deden het moreel van Luchsingers troep geen goed.
















Restand van een loopgraaf, ongeveer halverwege Fort Honswijk
en de Spoorbrug Culemborg.






















Vanaf Fort Honswijk ging het detachement te voet verder in de richting van de Culemborgse brug, die pakweg 4 km. verder naar het oosten ligt. Onderweg ontstond in de groep enig gemor; Luchsinger schrijft: "Er waren marechaussees die openlijk verklaarden dat het toch waanzin was om met enkele menschen voorwaarts te trekken, terwijl er duizenden wegliepen".
Als men de brug tot iets meer dan een kilometer is genaderd beginnen er in de nabijheid van de groep granaten te vallen. "Het resultaat dezer verschillende factoren was, dat, niettegenstaande herhaaldelijk halt gehouden werd om de menschen aan te sporen niet achter te blijven, bij het passeren van Hp.159 aan den Lekdijk nog slechts de volgende militairen zich bij mij bevonden:", waarop Luchsinger zeven namen noemt. Mijn vader is daar niet bij.
Enkele minuten daarna arriveren de eerder genoemde Duitsers op motorfietsen met zijspan. De troep van Luchsinger trekt zich terug in een boomgaard en levert van daaruit nog enige weerstand, maar omdat de granaten blijven vallen en de Duitsers over mitrailleurs en machinepistolen beschikken, trekt de troep zich onder voortdurend vuur terug. 
Uiteindelijk vallen er drie zwaar gewonden, waarvan er één, de marechaussee P.C. Teekens, wordt achtergelaten. Hij kreeg waarschijnlijk medische hulp van Duitse zijde.

Op het moment dat de hierboven beschreven gebeurtenissen plaatsvonden was Rotterdam al gebombardeerd en in de loop van dezelfde middag nam generaal Winkelman het besluit tot capitulatie. Kapitein Luchsinger en mijn vader waren daarvan niet op de hoogte; pas 's avonds, even na half zeven meldde de radio dat Nederland had gecapituleerd. Daarmee werd in tweede instantie duidelijk dat de actie tegen de Culemborgse brug, ook als ie was geslaagd, totaal zinloos was. 

Mijn vader maakte tijdens zijn latere leven ook nog wel een paar gevaarlijke situaties mee; hij schijnt als politieagent ooit een baksteen tegen zijn hoofd te hebben gekregen. Maar vermoedelijk kwam hij nooit dichter bij een voortijdig levenseinde dan op de middag van 14 mei 1940.
Ik heb ook nooit de indruk gekregen dat hij erg heeft geleden onder het gegeven dat hij zijn kans om een oorlogsheld te worden glansrijk heeft gemist.







vrijdag 15 mei 2026

Komen er Tribunalen?

cartoon: Paresh Nath

















Mogelijk zet ik de lezer met de titel van dit epistel op het verkeerde been. 
Ooit was er een lid van Forum voor Democratie, Pepijn van Houwelingen, tevens Tweede Kamer-lid, die een ander kamerlid; Sjoerd Sjoerdsma van D'66, waarschuwde met de tekst "er komen tribunalen". D'66 is óók een partij die democratie in de partijnaam heeft verwerkt, want daar staat de 'D' van D'66 voor.
Dat zet de a-politieke lezer ook al lelijk op het verkeerde been, want of FvD en D'66 dezelfde definitie van democratie hanteren moet ernstig worden betwijfeld.

Het gaat mij in dit verband echter om de democratie in een ander land, te weten de Verenigde Staten van Amerika. Daar is op dit moment een regering aan de macht die ook zo zijn eigen opvatting heeft over wat democratie nu eigenlijk inhoudt.
We kunnen rustig stellen dat de manier waarop Donald Trump en consorten met de veegwagen door de Amerikaanse instituties razen en van alles doen en niet doen, vaak zonder de daarvoor benodigde toestemming van het Congres en/of het Huis van Afgevaardigden te vragen, niet ècht democratisch is. Zonder overdrijven kan worden gezegd dat de regering-Trump autocratische en zelfs fascistische kenmerken vertoont.
De volle omvang van de schade die dat de VS nu en op langere termijn berokkend is nog niet duidelijk, maar zelfs Trump's politieke achterban in de vorm van de MAGA-beweging binnen de Republikeinse Partij begint in te zien dat er sprake is van schade 
Veroordeelde gevangen, zoals de aanstichters van de Capitoolbestorming,  zonder meer gratie verlenen en vrijlaten werd, hoewel illegaal, nog luidkeels verwelkomd. Ook het schaamteloos combineren van het presidentschap met allerlei commerciële activiteiten, die Trump en zijn gevolg geld in het laadje brachten, veroorzaakte nauwelijks ophef. 
Maar het op straat doodschieten doodschieten van twee onschuldige burgers, zonder dat daar veroordelingen op volgden, en vooral het starten van een oorlog, waarvan Trump beloofde dat hij dat nooit meer zou doen, heeft zelfs de hardliners onder Republikeinen aan het denken gezet.
De betere leefomstandigheden die Trump zijn kiezers heeft beloofd blijven uit. De Amerikanen beginnen zich te realiseren dat ze er sinds zijn aantreden eigenlijk alleen maar op achteruit zijn gegaan. 

De actualiteit van de laatste weken laat zien dat de oorlog tegen Iran een degelijk strategisch plan ontbeert. De strijd duurt al veel langer dan Trump, zijn vice-president Vance en de Minister van Oorlog (inderdaad: van Oorlog) Hegseth verwachtten, iets dat zelfs ik ze vooraf had kunnen vertellen. Al sinds de Tweede Wereldoorlog is duidelijk dat het onmogelijk is een oorlog te winnen met alleen luchtaanvallen. Tijden die laatste oorlog dacht 'Bomber' Harris, het hoofd van het Britse Bomber Command, dat Duitsland op de knieën kon worden gedwongen door de Duitse steden één voor één volledig plat te gooien. Dat platgooien op zich lukte wel, maar de Duitsers keerden Hitler niet de rug toe, zoals Harris verwachtte. 
In Vietnam probeerden de Amerikanen het opnieuw. Drie-en-een-half jaar lang, van maart 1965 tot november 1968 bombardeerden de Amerikanen Noord-Vietnam, zonder dat dit veel resultaat had in hun voordeel; uiteindelijk werden zij de indirecte verliezers van die oorlog; Vietnam werd geheel communistisch.
Maar mede op advies van een Minister van Oorlog, die weliswaar enige militaire ervaring heeft, maar toch vooral carrière maakte als tv-presentator, probeert Trump het nu toch weer in Iran.

Eigenlijk lijkt het erop dat de Trump administration steeds verder wegzakt in een moeras van door diezelfde regering veroorzaakte problemen. Het wordt steeds duidelijker dat men handelt op basis van een falend gevoel van intuïtie en misplaatste overmoed. Er is geen doordachte strategie, en een plan B is er ook niet. 
De Amerikaanse publieke opinie ziet dit ook.
Dit, opgeteld, bij de in aantocht zijnde mid-term verkiezingen in de VS, zou wel eens kunnen inhouden dat de macht van de regering Trump over ruim een half jaar grotendeels gebroken zou kunnen zijn.
Tenminste, als we ervan mogen uitgaan dat die verkiezingen eerlijk verlopen en Trump er niet in slaagt om met onrechtmatige ingrepen de verkiezingsuitslag hoe dan ook in zijn voordeel te laten uitpakken. Voor zover we hem nu kennen gaat Trump dat ongetwijfeld proberen. Het opnieuw indelen van kiesdistricten (gerrymandering), waar de Republikeinen nu druk mee zijn, is in dat opzicht een slecht voorteken.

Maar stel dat Trump en zijn regering deze mid-terms verliezen; wat gaat er dan gebeuren? 
Ongetwijfeld is de president dan grotendeel vleugellam en zou er zelfs een begin kunnen worden gemaakt met het herstel van de normale rechtsorde, of in ieder geval het temporiseren van de verdere aantasting daarvan. 
De vraag is ook of de regering Trump nog in staat is om het beleid dusdanig bij te stellen dat de Amerikaanse kiezers bij de eerstvolgende presidentsverkiezingen, over twee-en-een-half jaar, opnieuw in meerderheid op een Republikeinse kandidaat zullen stemmen en dat een opportunist uit het het eigen kamp Trump zal afvallen en zich als een redelijk alternatief zal presenteren bij de volgende presidentsverkiezing. Vice-president J.D. Vance acht ik wel tot zo'n actie in staat. De Democratische Partij heeft zo'n alternatief nog niet, en staart nog steeds nog steeds als een konijn in de koplampen van Trumps destructieve machinerie.

Er zit, op het moment dat de Democratische Partij in de volksvertegenwoordiging en de Senaat de meerderheid heeft, ook nog steeds een Hooggerechtshof waarvan zes van de negen rechters zijn benoemd door Republikeinse presidenten, waaronder drie die door Trump zijn benoemd.
Desondanks zullen de Democraten proberen een impeachment procedure op gang te brengen. De daden van Trump tot nu toe geven daar alle aanleiding toe. 
Het lijkt me echter ook dat er tenminste sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid, Een groot deel van Trumps ministers heeft zonder blikken of blozen meegewerkt aan het uitvoeren van Trumps programma, zonder zich af te vragen of alles legaal was en in overstemming met de wetten en regels van het Amerikaanse staatsbestel.
Met andere woorden: gaat er na Trumps aftreden op alle fronten rechtgedaan worden en zullen de verantwoordelijken voor het gevoerde onrechtmatige beleid en de nagelaten rechtspleging (de ICE-agenten die in Minneapolis twee burgers doodschoten zijn niet berecht) worden gestraft?

Misschien zijn de eerste scheuren in de machtsbasis van Trump inmiddels zichtbaar, maar het Amerika van voor zijn presidentschappen is nog lang niet terug. De VS gaan nog jaren van interne strijd en chaos tegemoet, ben ik bang. De mensen die door een nieuwe (democratische) regering worden aangeklaagd, zullen zich tot het uiterste verzetten tegen veroordeling. 
Toch lijkt het van belang dat de abberatie die de oorspronkelijke Amerikaanse rechtsstaat heeft geteisterd wordt erkend èn bestraft. Eén en ander 'laten gaan' als er een nieuwe democratische regering is geïnstalleerd, zou een buitengewoon slecht signaal zijn in de richting van anti-democraten wereldwijd.

En wat daarbij komt: worden de oude relaties tussen de VS en Europa hersteld, of is er blijvend iets veranderd in de onderlinge verhouding? 
Wij, in Europa, hebben voorlopig vooral de taak goed voor ons eigen continent te zorgen.

vrijdag 16 mei 2025

Twee weken Frankrijk (vervolg)





















In het eerste deel van deze reisbeschrijving viel het begrip la France profonde. Het 'diepe' Frankijk. Het Frankrijk dat Franser is dan Frans, dat nog niet is aangetast door de moderne westerse cultuur, waar de voertaal nog steeds geen Engels is en internet en apps nog niet de allesoverheersende elementen zijn.
We hebben moeten erkennen dat de departementen Pas-de-Calais, Seine-Maritime, Calvados, Seine-Maritime en Manche toch wat minder 'Frans' zijn dan binnenlandse streken zoals de Berry, waarover ik een paar berichten terug schreef.
Waarschijnlijk is de aantrekkingskracht van de kust voor veel Fransen net zo groot als dat bijvoorbeeld voor de Duitsers het geval is. Frankrijk is een groot land, en hoewel de Fransen over veel meer kilometers kustlijn beschikken dan de Duitsers, is de zee voor veel Fransen in het binnenland een magisch gegeven. 
In deel 1 van dit epistel schreef ik al over de talrijke stacaravan-terreinen die op google nog voor campings doorgaan en die je in het binnenland in veel mindere mate aantreft.
Wat je bij de dorpen in het binnenland ook veel minder, en in de dorpen langs de kust veel meer tegenkomt, is het verschijnsel witte schimmel. Misschien heeft het Frans er een eigen woord voor, dat ik echter tot nog toe niet heb kunnen achterhalen. 
Witte schimmel is de cirkel van recent gebouwde woonhuizen en bungalows rond een veel ouder dorp. Vaak een vorm van catalogusbouw, zonder veel eigen identiteit, die sterk contrasteert met de oorspronkelijke bebouwing. In Frankrijk zijn de gevels van dat soort huizen meestal gepleisterd en inderdaad wit, lichtgeel of beige. De dorpen langs de Franse noordwestkust hebben vrijwel allemaal zo'n schil of een apart wijkje in die sfeer, dat in de afgelopen twintig jaar uit de grond is gestampt. 
De identiteit van de mensen die er wonen is onduidelijk. Maar omdat de huizen ook nogal eens zijn omgeven door hoge, dichte schuttingen, of, iets minder erg: stevige, manshoge gaashekken, rijst het vermoeden dat dit geen omhooggevallen oorspronkelijke dorpsbewoners zijn, maar import uit meer stedelijke regionen elders. Men wil met z'n directe omgeving en zijn bewoners liefst zo min mogelijk te maken hebben.

Toch hebben we nog wel enkele dingen aangetroffen, waar we nog niet eerder mee hadden kennisgemaakt en die iets hebben toegevoegd aan onze kennis van het Franse.
Na Ouistreham hebben we de Calvados en z'n invasiestranden rechts laten liggen en zijn we in één keer doorgereden naar de grens van Normandië en Bretagne. 
We wilden nu eindelijk eens de Mont-Saint-Michel bekijken en misschien nog even een stukje Bretagne doen.
Heel lang geleden, misschien was het tijdens onze eerste gezamenlijke  reis naar Frankrijk, zo'n veertig jaar geleden, hadden we de Mont al eens zien liggen, maar hadden we om nu niet meer helemaal duidelijke redenen afgezien van een daadwerkelijk bezoek. 
Komend vanuit de Calvados, en rijdend over D-wegen, passeer je op weg naar deze tourist trap nog een plek die een bezoek waard is: Avranches.
Hoewel er maar ongeveer 10.000 mensen wonen, heeft het een toch enige stedelijke allure. De geschiedenis van de stad begint bij de Romeinen en de plek is daarna eeuwenlang van strategisch belang gebleven, tot aan de Tweede Wereldoorlog toe. 
Eenmaal in het centrum blijkt ook waarom; de stad ligt op een hoogte die ruim 100 m. boven de twee aangrenzende riviermonden uitstijgt en de baai van Saint-Michel overziet.
Wikipedia schrijft dat de stad in de tweede Wereldoorlog nogal te lijden heeft gehad, maar het middeleeuwse centrum mag er nog steeds wezen. De zogenaamde Donjon, het restant van een Normandisch kasteel van rond het jaar 1000, dat volgens een lokale bron model zou hebben gestaan voor de Tower van Londen, biedt een weids uitzicht over de omgeving. 





































Bij goed zicht zou de Mont-Saint-Michel vanaf hier zichtbaar moeten zijn, maar ondanks het gegeven dat het prima weer was bij ons bezoek, verborg de Mont zich in de nevel op de horizon. De kasteelruïne omvat een aardige tuin, waar op dat moment Franse padvindsters picknickten. De ruïne gaat naadloos over in eveneens middeleeuwse woonhuizen die er tegenaan en gedeeltelijk waarschijnlijk overheen gebouwd zijn. Het zogenaamde Scriptorial grenst eveneens aan de kasteelruïne. Hier bewaart men door de monniken van de abdij op de Mont-Saint-Michel geproduceerde manuscripten en daarmee verbonden voorwerpen uit de middeleeuwen. De stad kent voorts nog een neo-gothische kathedraal, die qua maat en uitstraling niet veel onderdoet voor een ècht middeleeuwse versie.



















Ondanks het gegeven dat de Mont-Saint-Michel een toeristische trekpleister is van het type Venetië, valt niet te ontkennen dat hij, als Venetië, net zo enig in z'n soort is. Hoewel er een pendant is, die er sterk op lijkt: Saint Michaels Mount in Cornwall. Daar zijn we overigens nog nooit geweest, maar kijkend naar de plaatjes op internet, zien we inderdaad een kasteel op een berg in zee. Het lijkt allemaal wat kleiner dan de Mont-Saint-Michel, maar het is vooral de context die heel anders is dan die van de laatstgenoemde.
Het merkwaardig van de Mont is dat ie oprijst aan de rand van een volledig vlak en laaggelegen landschap. Lopend vanaf het dichtsbijzijnde dorp Beauvoir, langs een kaarsrechte waterloop, aan het eind waarvan de dam-met-brug naar de Mont begint, lijkt de omgeving op een Zeeuws polderlandschap. Het pad langs die waterloop ligt op een dijk, bijvoorbeeld. Nergens een hint van gesteente of rotsen. Maar op de horizon ligt daar dan ineens een rots van pakweg honderd meter hoog. Die overigens vrijwel geheel is bedekt door bebouwing. De top wordt gevormd door de abdij en daaronder wordt het beeld grotendeels bepaald door middeleeuwse woonbebouwing en stadsmuren.



















Een deel van de oorspronkelijk magie van de plek is rond 1900 al teloor gegaan. Was de Mont aanvankelijk alleen met laag water te bereiken; rond bovenstaande eeuwwisseling werd er een spoorlijn aangelegd, die hem permanent verbond met het vasteland. Vervolgens kwam er een dam waarover voetgangers en auto's zich naar de Mont konden begeven.
Ruim tien jaar geleden is een nieuwe toegang aangelegd; niet recht, maar met een slinger en gedeeltelijk dam, gedeeltelijk brug. De zee kan daardoor de Mont weer volledig omspoelen.
We bezochten de berg op een nogal mistige namiddag. Weinig zon en beperkt zicht. Desondanks was het druk. Vermoedelijk is het er nooit rustig, hoewel de jaarlijkse bezoekersaantallen een dalende trend schijnen te tonen. We waren helaas te laat om de abdij te kunnen bekijken; die was al gesloten.





































Het is ongetwijfeld een indrukwekkend geheel en het zou buitengewoon sfeervol kunnen zijn als je op de remparts en in de nauwe steegjes niet continue het menselijk verkeer c.q. gedrang zou moeten ontwijken. De Mont was de enige plek van deze reis waar we struikelden over zichzelf fotograferende Chinezen, Japanners, en als fotomodellen uitgedoste influencer-achtige types, compleet met botox-lippen.
Maar zo'n grote rots in een mistig, vlak waddenlandschap blijft een bijzonder gezicht.

We hebben een hernieuwd bezoek aan Bretagne uiteindelijk bewaard voor een volgende reis.
Inplaats daarvan zijn we weer noordwaarts gegaan, langs de westkust van Cotentin, die we tot op heden nog niet hadden gezien. 
We vonden een wijdse camping bij Hattainville, nèt ten noorden van Carteret, waar we een veld van pakweg 10.000 m2, met uitzicht op zee, deelden met welgeteld vier andere kampeerders. Toen het zicht een paar dagen later beter werd en de temperaturen zomerse waarden bereikten, konden we aan de horizon Guernsey zien liggen.



















De kust is hier een merkwaardige afwisseling van hoge, rotsige kapen met daartussen duingebieden, waarvan de hoogste plekken evengoed tot bijna 70 m. boven zeeniveau reiken.
Meijendel, of de Kennemerduinen, maar dan van een iets andere schaal. Hetzelfde geldt voor de stranden. Door de grote getijslag in deze omgeving (tussen hoog- en laagwater zit tussen de tien en vijftien meter verschil) zijn ze bij laagwater van een enorme breedte. Bij laagwater is het bij Hattainville ruim een kilometer vanaf de voet der duinen naar de waterlijn.





































Carteret is een kleine havenplaats met een haven die bij laagwater niet bereikbaar is vanaf zee. Het dorp zelf is niet heel bijzonder, maar de rotsige kaap aan de westkant ervan, getooid met een vuurtorentje, is wel weer een mooie plek met een prachtig uitzicht richting Guernsey en de baai ten zuiden van het dorp. We hebben een paar fraaie wandelingen  in de omgeving gemaakt.



















Tot slot had mijn vrouw nog een wens: ze wilde nog een keer een kliffenwandeling langs de krijtrotsen maken en voor krijtrotsen moet je richting Etretat. Er zijn krijtrotsen langs de hele kust van Sainte-Adresse bij Le Havre tot Ault, vlakbij de mond van de Somme. Maar Etretat heeft de mooiste.
We reden van Hattainville over de Pont de Brotonne weer naar Seine-Maritime en vonden een bijzondere camping bij het gehucht La Roussie, een paar kilometer ten zuidoosten van Fécamp. Voor de helft een restant van een oud landgoed met voormalige stallen en een eendenvijver, voor de andere helft weer een, voor deze omgeving bijna klassiek te noemen sta-caravandorp.



















Rond die eendenvijver waren nog een paar plekjes waar een tent of een camper kon worden geplaatst. Als je de goede kant op keek een vrij rustieke plek.
We waren eerder al eens van Etretat naar Fécamp gelopen. Deze keer parkeerden we aan de rand van het dorp Le Tilleul, een paar kilometer ten zuiden van Etretat. Vandaar loopt een pad, door het groen, al dalend richting zee.
Het was inmiddels 1 mei, een dag waarop heel Frankrijk een vrije dag heeft, en het was bovendien een donderdag. Veel Fransen hadden waarschijnlijk ook de vrijdag erna vrij genomen. Bijgevolg liepen we in een lange optocht met vele anderen richting zee. Nèt voor het strand loopt een ander, veel smaller paadje weer uit het dal omhoog naar het niveau van het pad langs de krijtrotsen, ongeveer 100 m. hoger.



















Het werd zonder meer de mooiste krijtrotsenwandeling die we ooit gemaakt hebben, ook al deden we dat met honderden anderen, want ook op het krijtrotsenpad zag het zwart van de mensen. Zelfs op zee vóór de krijtrotsen was het druk. Er was nauwelijks wind, het was warm en de zee bijna rimpelloos. Een bonte mengeling van speedboten, jetski's en kano's roste, c.q. dobberende heen-en-weer.























































Eenmaal gearriveerd in Etretat troffen we een badplaats die geheel opging in de zomerse activiteiten zoals die domineren in een badplaats op mooie dag. De meeste strandgangers hielden het bij pootjebaden, maar verder was er alle drukte er herrie die je kan verwachten  op een plek als deze. 
Een eindje achter het strand, dat hier overigens uit grind bestaat, vonden we in het dorp een terras waar we even wat wilden drinken. Mijn vrouw drinkt dan meestal een diabolo-citron. Zelf wilde ik vooral een niet te kleine pils. Onder de bières op de kaart vond ik een picon bière, waarachter tussen haakjes "37 cl." stond. Ik meende me vaag te herinneren dat een picon een inhoudsmaat was. Dat laatste bleek een onverklaarbaar gedachtenspinsel. 
Wat enkele minuten ná de bestelling voor me werd neergezet, was een kelk met daarin en flinke bodem donkere, goudbruine vloeistof, en daarnaast een flesje blond speciaalbier van 6% van een lokale brouwerij. 
Toen ik nipte van de bruine vloeistof, bleek dat een soort aperitief te zijn dat vaag aan Campari deed denken. Geen onaangename smaak, maar met aardig wat alcohol. Na een paar kleine slokjes heb ik het bier erbij gedaan. 



















Geen idee waar het alcoholpercentage van dit mengsel op uit kwam, maar het was wel wat meer dan van de 37 cl. pils die ik eigenlijk in gedachten had. 
Het lukte na het consumeren overigens nog heel goed om de resterende kilometers naar de auto te lopen. Tegen de tijd dat we daar waren had ik de alcohol er wel weer uit gelopen, en als we samen op pad gaan, rijdt tegenwoordig trouwens bijna altijd mijn vrouw.
Natuurlijk wist Wikipedia wèl wat een picon bière is.
Picon is inderdaad een aperitief. Eentje met een al behoorlijk lange geschiedenis; het recept werd al in de eerste helft van de 19e eeuw door Gaétan Picon bedacht. Sinaasappelschillen, cinchona en gentiaan, geweekt in alcohol vormen de basis. Het bevat 21% alcohol. Hoewel Picon zelf afkomstig was uit het zuiden van Frankrijk, is het drankje en de combinatie met bier vooral in Noord-Frankrijk en België deel gaan uitmaken van de traditie.

Op onze laatste èchte vakantiedag deden we nog een wandeling in de omgeving van Fécamp, waarover niet veel meer te melden valt dan dat we opnieuw werden geconfronteerd met een flink aantal restanten van de erfenis die de Wehrmacht in de vorm van bunkers op deze kust heeft achtergelaten, waaronder de fundamenten van een een zogenaamde Mammut, een lange-afstandsradar, waarmee de Duitsers geallieerde vliegtuigen konden zien als ze nog op 300 km. afstand waren.











































Het weer was aan het veranderen. Een groot deel van de dag liepen we in de mist, die weliswaar niet héél dik was, maar dicht genoeg om mooie vergezichten uit te sluiten.

De dag erop reden we in de regen naar huis. 
Rond de middag maakten we nog een stop in Abbeville voor het déjeuner. De binnenstad bleek een merkwaardige gelijkenis te vertonen met het gebied rond de Blaak in Rotterdam. Een grote middeleeuwse kerk, omgeven door wederopbouw-architectuur. Weer de oorlog.



















De rest van de middag reden we door een regenachtig, maar nooit vervelend landschap.
Pas in de buurt van de Belgische grens werd het droog.






maandag 5 mei 2025

Twee weken Frankrijk



















Terwijl steeds duidelijker wordt hoe zinloos het is om op dit moment te schrijven over, om met G.B.J. Hiltermann te spreken, "de toestand in de wereld", hebben mijn vrouw en ik een nieuwe episode toegevoegd aan onze eeuwigdurende queeste naar la France profonde
In de twee weken die voor mijn wederhelft de meivakantie vormen, bereisden we de Franse kust tussen Calais en Le Mont Saint Michel.

In eerdere jaren deden we dit vaak kamperend met een tent, maar inmiddels hebben we een auto waarin we languit kunnen, en die tevens is voorzien van een elementaire kookgelegenheid èn, jawel, elektrische aandrijving. 
Vorig jaar om deze tijd waren we toe aan een andere auto. 
Sinds ik in 1997 één van de eerste Peugeot Partner bestelauto's kocht (ik geloof dat het ding in een eerder Frankrijk-verhaal over Neung-sur-Beuvron nog te zien is), heb ik een voorliefde voor dit soort auto's. Na de Partner, waarmee ik 18 jaar heb gereden, kwam een tweedehands Citroën Berlingo in personenauto-uitvoering, dus met een achterbank. Daar deden we tien jaar mee. Ook een fijne auto, maar jammer genoeg ging hij in de laatste van die tien jaren nogal wat kosten aan reparaties. 
Los daarvan hadden we al een tijdje ideeën met betrekking tot een kampeer-auto. Maar we wilden geen 'normale' auto èn een camper. Te duur en te patserig. Het moest iets worden dat geschikt was voor dagelijks gebruik èn we moesten erin kunnen slapen.
Eind april vorig jaar was mijn vrouw de Berlingo helemaal zat. Met enige regelmaat mankeerde er wat aan en ze wilde er niet meer mee op vakantie.
Door een gelukkig toeval stuitte op ik op internet op een XL-uitvoering van de Peugeot Rifter (dat is Peugeot's nieuwe naam voor wat vroeger de Partner was; niemand weet wat het woord betekent, maar soit). Deze voiture is 35 cm. langer dan de normale Rifter en kan eventueel met een extra achterbank worden geleverd; dan is het een 7-persoons auto. 
Dit betreffende exemplaar had die extra achterbank niet, maar was wel nagelnieuw (kenteken van februari 2024, met 10 km. op de teller en volledige fabrieksgarantie) en werd om onduidelijke reden 10.000 Euro goedkoper aangeboden dan waar de auto op dat moment voor in de catalogus stond. De betreffende Peugeot-dealer zat in Lisse; vanuit Dordrecht een uurtje rijden.
We zijn dezelfde dag gaan kijken en na een rondje rijden op het bedrijventerrein waar de dealer zat, hebben we de auto gekocht. 
Ondanks het gegeven dat de Rifter volledig elektrisch is, kregen we nèt geen subsidie. Ik schaam me nog steeds een beetje voor het geld dat we aan het ding hebben uitgegeven (het woord patserig is al gevallen), dus de prijs krijgt u niet van me, maar met de voorgaande mededeling in het achterhoofd, kunt u zich wel enigszins een idee vormen.
Ooit heb ik plannen gehad om de achterbank uit de eerder genoemde Berlingo te halen en die auto als kampeerauto in te richten, maar eigenlijk was dat vehikel voor mijn 185 cm. net 10 cm. te kort om lekker te kunnen slapen.



















Omdat we inmiddels in een tamelijk spilzuchtige fase waren gekomen, hebben we die kampeerinrichting, inclusief kussens, gordijntjes, kookgelegenheid en 230V stroomaansluiting, er door een gespecialiseerd bedrijfje in Baarn in laten bouwen, wat nog eens het één en ander kostte, maar toen hadden we ook wat. Een eigenlijk best te verantwoorde keuze in het kader van ons streven om arm te sterven, als het ware.

Het huidige vervoermiddel heeft ook een nieuwe manier van reizen met zich mee gebracht, die met name in Frankrijk, dat naast de bekende pèages ook een onmetelijk netwerk aan Routes Departementales en Route Nationales kent, zeer ontspannen en genietbaar is. 
De reikwijdte op een acculading is het grootst bij snelheden tussen 70 en 80 km/u. Bij de bebouwde kommen die je onvermijdelijk tegenkomt (in veel dorpen zijn tegenwoordig 30 km/u-zones), rem je niet; je laat het 'gas' los en terwijl je remt op de motor, laadt de accu bij. 
En, wat ik al in een eerder bericht noemde; je ziet veel meer en je kunt onderweg, rond het middaguur, tegen een fatsoenlijk bedrag fatsoenlijk eten in de restaurants die je tegenkomt. We hebben ons kookstelletje dus niet eens zóveel gebruikt.

Aldus toerend begonnen we in Calais en reden we vervolgens langs D940 naar Ambleteuse aan de mond aan de Slack. We kwamen daar in heb begin van de avond aan. De receptie van de camping die we op het oog hadden was al dicht. De straat ervoor bood echter een prima parkeerplek en de toiletten achter de slagboom, die te voet prima te passeren was, waren vlakbij. Behalve het feit dat we geen stroom hadden geen probleem, dus. 
We hebben nog even een strandwandeling gemaakt richting het noordelijker gelegen Audresselles. De kust bestaat hier uit duinen, hoewel er op het strand de nodige, tamelijk platte rotsen liggen. Achteraf bleek dat we nèt de verkeerde kant op liepen. De mond van de Slack ligt aan de zuidkant van het dorp en daar staat ook nog een klein fort, dat is ontworpen door de vestingbouwmeester Vauban.





































De volgende dag was de enige dag met flink wat regen, hoewel het in de middag aardig opklaarde. De D940 verder volgend passeerden we achtereenvolgens Wimereux en Boulogne. In die stad waren we ook nog nooit geweest. We hebben er geen stop gemaakt, maar doorkruisten en passant wel het centrum. Het leek ons een levendige stad met tal van zaken die het bekijken waard zijn. We kwamen o.a. (eigenlijk omdat we per vergissing even de D940 verlieten) langs de Ville Fortifiée in het centrum van de stad, een citadel die eigenlijk een soort dorp in de stad vormt. Hier staat ook de Basilique de Notre Dame, met de toren-met-koepel, die skyline van Boulogne beheerst. We namen ons voor om op de terugweg Boulogne te bekijken, wat er uiteindelijk niet van gekomen is. Later!

Na Boulogne gaat de D940 even landinwaarts.
Via Etaples, aan de mond van Canche, arriveerden we in Groffliers, net ten zuidoosten van Berck-Plage. Eigenlijk vooral om het gebied rond de mond van de Authie te bekijken, een kleine zandige delta, omringd door duinen, schorren en slikken. De receptie van de lokale camping bleek opnieuw gesloten en de camping complet. Opnieuw geen nood. Tegenover de camping lag een keurig, door groen omgeven parkeerplaatsje. Eigenlijk bedoeld voor bezoekers van het nabijgelegen natuurgebied, maar wij hebben er, na een wandeling met zicht op een Visarend en zeehonden, heerlijk rustig overnacht. Ook het piepkleine, bij laagwater droogvallende haventje La Madelon aan de Authie bleek een arcadische plek. Met een, naar het schijnt goed, restaurant ernaast.























































De campings langs deze kust zijn overigens geen echte campings. Ze zijn voor het merendeel gevuld met stacaravans op vaste plaatsen. Met een beetje geluk heeft men wel toiletten en douches voor algemeen gebruik en een paar plekken voor passanten, waar dan altijd campers staan. Wij hebben in twee weken tijd slechts drie of vier kampeerders met tenten gezien.
Langs de route liggen, buiten Boulogne-sur-Mer, vooral kleine tot middelgrote dorpen. De plaatsnaamborden van diverse, vooral kleinere agrarische dorpen zijn omgekeerd. Wat een vorm van boerenprotest blijkt te zijn. Het Franse equivalent van de omgekeerde vlag in Nederland.

Mijn vrouw wilde graag Deauville zien. Dat is vanaf Groffliers een flink stukje rijden. Via de Pont de Brotonne waren we er het grootste deel van de dag mee bezig. Het dal van de Seine is in deze buurt diep, met tamelijk steile beboste wanden en hier en daar heuse krijtrotsen. De bruggen die erover heen gaan (iets verder westelijk ligt nog de pont de Tancarville) zijn bijgevolg tamelijk imposante, hoge constructies. We vonden een leuke camping bij Auberville, waar we een paar nachten zijn gebleven.
De kust ter plaatse is weer van een heel ander type dan de duinen tussen Calais en Saint Valery-sur-Somme, of de krijtrotsen tussen Ault en Etretat. Lokaal spreekt men van les Falaises des Vaches Noires.



 















Dat van die koeien met je niet letterlijk nemen. In de praktijk is het een steile kust met kliffen van leem, die inderdaad bijna zwart is en door erosie en afslag hier en daar groteske vormen aanneemt.



















Het strand ervoor is geen badstrand. Het ligt vol met grote en kleine rotsblokken die uit de leem zijn vrijgekomen. Pas verder naar het oosten, tussen Villers-sur-Mer en Deauville is er weer een zandstrand.
Dat laatste stuk kust heeft, net als plaatsen als Le Treport en Mers-les-Bains, de sfeer van een badplaats rond 1900. Veel, soms tamelijk extravagante villa's uit die periode, waarbij Viller-sur-Mer dorpser en eigenlijk leuker is dan Deauville. 



















In de laatstgenoemde plaats zijn, in de zone direct langs het strand, duidelijk de projectontwikkelaars aan de gang geweest. Naar de zee toe wordt het front van de stad beheerst door grote hotels en appartementencomplexen, die weliswaar een halfslachtige poging doen om een gelijkenis vertonen met de architectuur van het fin de siècle, maar te grootschalig zijn om daarin te slagen.
Wèl bezienswaardig is het badhokjescomplex aan de boardwalk langs het strand. 
Het stamt uit 1924 en houdt qua architectuur het midden tussen Art Deco en modernisme á la Le Corbusier. De hokjes hebben de namen van Amerikaanse filmacteurs en -actrices. Dat doet vreemd aan in een land dat zelf een rijke filmcultuur heeft en over het algemeen, en terecht, nogal prat gaat op de eigen cultuur. 























































De reden voor deze ogenschijnlijke knieval is het gegeven dat Deauville jaarlijks het American Filmfestival organiseert. Dat bovendien de pretentie heeft dat het, na het filmfestival van Cannes, het grootste filmfestival van Frankrijk is.
Deauville is ook de plaats waar Coco Chanel  in 1913 haar eerste winkeltje opende. Wat overigens een halve waarheid lijkt te zijn; volgens Wikipedia had ze al in 1908 een winkeltje in Parijs. We hebben de etalage van het winkeltje gezien, die overigens niets meer toont dan voorgaande mededeling en een aardige profieltekening van Coco, kennelijk gemaakt door Karl Lagerfeld.



















Onze volgende overnachtingsplek was Merville aan de mond van de Orne, tegenover Ouistreham. Weer een riviermond met schorren en slikken. Aan de kant van Merville ligt een aardig natuurgebiedje met een (het is voorjaar) keur aan luidkeels zingende zangvogels, plus de nodige steltlopers en kleine zilverreigers; een mooie mengeling van een biotopen. We zagen er ook Regenwulpen. Ze zijn, tenzij je de twee soorten naast elkaar ziet, moeilijk te onderscheiden van de gewone Wulp. De snavel is wat krommer en er is een streep op de kop die je alleen ziet als de Regenwulp hèèl dichtbij is. Je herkent de Regenwulp in de praktijk aan zijn roep, een triller die totaal anders is dan het weemoedige ''koerlie" van Wulp. Regenwulpen zie je ook alleen maar tijdens de trek; ze broeden in het verre noorden.

Ondertussen zijn we de voormalige invasiestranden dicht genaderd. Net als in de omgeving van Verdun zal hier vermoedelijk ten eeuwige dage de herinnering aan oorlogsgeweld, maar in dit specifiek geval ook aan bevrijding, levend blijven.
Bij Merville staan de bunkers van de Batterie de Merville, inmiddels een soort openluchtmuseum, inclusief een son et lumière in een bunker. We komen er tijdens een wandeling langs.





































Omdat de Britten geloofden dat de hier opgestelde Duitse artillerie Sword Beach, ten westen van Ouistreham, kon beschieten, werd door een Britse parachutisteneenheid een aparte operatie gepland om deze kanonnen uit te schakelen. Dat lukte, maar slechts ten koste van zware verliezen. Uiteindelijk bleek de aanwezige artillerie te bestaan uit verouderde kanonnen van een veel lichter kaliber dan de verwachte 15 cm. houwitsers. De dracht was onvoldoende om Sword Beach te kunnen beschieten. 
Een soort charge of the light brigade, dus en een onnodig verlies aan mensenlevens.

Het land achter de duinen is hier vlak en ligt maar net boven zeeniveau.

Bij Ouistreham ligt de zogenaamde Pegasusbrug, die een belangrijke rol speelde op D-day. De naam komt van het wapenschild van de Britse parachutisteneenheid die de brug veroverde en die het gevleugelde mythische paard toont. Overigens dezelfde eenheid die de Batterij bij Merville aanviel. De verovering van deze brug was wèl een succes. Er is een museum, maar we zijn er, op weg naar het verste punt van onze reis, langs gereden. 

Het vervolg leest u in een volgend bericht.