Posts tonen met het label bier. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bier. Alle posts tonen

vrijdag 16 mei 2025

Twee weken Frankrijk (vervolg)





















In het eerste deel van deze reisbeschrijving viel het begrip la France profonde. Het 'diepe' Frankijk. Het Frankrijk dat Franser is dan Frans, dat nog niet is aangetast door de moderne westerse cultuur, waar de voertaal nog steeds geen Engels is en internet en apps nog niet de allesoverheersende elementen zijn.
We hebben moeten erkennen dat de departementen Pas-de-Calais, Seine-Maritime, Calvados, Seine-Maritime en Manche toch wat minder 'Frans' zijn dan binnenlandse streken zoals de Berry, waarover ik een paar berichten terug schreef.
Waarschijnlijk is de aantrekkingskracht van de kust voor veel Fransen net zo groot als dat bijvoorbeeld voor de Duitsers het geval is. Frankrijk is een groot land, en hoewel de Fransen over veel meer kilometers kustlijn beschikken dan de Duitsers, is de zee voor veel Fransen in het binnenland een magisch gegeven. 
In deel 1 van dit epistel schreef ik al over de talrijke stacaravan-terreinen die op google nog voor campings doorgaan en die je in het binnenland in veel mindere mate aantreft.
Wat je bij de dorpen in het binnenland ook veel minder, en in de dorpen langs de kust veel meer tegenkomt, is het verschijnsel witte schimmel. Misschien heeft het Frans er een eigen woord voor, dat ik echter tot nog toe niet heb kunnen achterhalen. 
Witte schimmel is de cirkel van recent gebouwde woonhuizen en bungalows rond een veel ouder dorp. Vaak een vorm van catalogusbouw, zonder veel eigen identiteit, die sterk contrasteert met de oorspronkelijke bebouwing. In Frankrijk zijn de gevels van dat soort huizen meestal gepleisterd en inderdaad wit, lichtgeel of beige. De dorpen langs de Franse noordwestkust hebben vrijwel allemaal zo'n schil of een apart wijkje in die sfeer, dat in de afgelopen twintig jaar uit de grond is gestampt. 
De identiteit van de mensen die er wonen is onduidelijk. Maar omdat de huizen ook nogal eens zijn omgeven door hoge, dichte schuttingen, of, iets minder erg: stevige, manshoge gaashekken, rijst het vermoeden dat dit geen omhooggevallen oorspronkelijke dorpsbewoners zijn, maar import uit meer stedelijke regionen elders. Men wil met z'n directe omgeving en zijn bewoners liefst zo min mogelijk te maken hebben.

Toch hebben we nog wel enkele dingen aangetroffen, waar we nog niet eerder mee hadden kennisgemaakt en die iets hebben toegevoegd aan onze kennis van het Franse.
Na Ouistreham hebben we de Calvados en z'n invasiestranden rechts laten liggen en zijn we in één keer doorgereden naar de grens van Normandië en Bretagne. 
We wilden nu eindelijk eens de Mont-Saint-Michel bekijken en misschien nog even een stukje Bretagne doen.
Heel lang geleden, misschien was het tijdens onze eerste gezamenlijke  reis naar Frankrijk, zo'n veertig jaar geleden, hadden we de Mont al eens zien liggen, maar hadden we om nu niet meer helemaal duidelijke redenen afgezien van een daadwerkelijk bezoek. 
Komend vanuit de Calvados, en rijdend over D-wegen, passeer je op weg naar deze tourist trap nog een plek die een bezoek waard is: Avranches.
Hoewel er maar ongeveer 10.000 mensen wonen, heeft het een toch enige stedelijke allure. De geschiedenis van de stad begint bij de Romeinen en de plek is daarna eeuwenlang van strategisch belang gebleven, tot aan de Tweede Wereldoorlog toe. 
Eenmaal in het centrum blijkt ook waarom; de stad ligt op een hoogte die ruim 100 m. boven de twee aangrenzende riviermonden uitstijgt en de baai van Saint-Michel overziet.
Wikipedia schrijft dat de stad in de tweede Wereldoorlog nogal te lijden heeft gehad, maar het middeleeuwse centrum mag er nog steeds wezen. De zogenaamde Donjon, het restant van een Normandisch kasteel van rond het jaar 1000, dat volgens een lokale bron model zou hebben gestaan voor de Tower van Londen, biedt een weids uitzicht over de omgeving. 





































Bij goed zicht zou de Mont-Saint-Michel vanaf hier zichtbaar moeten zijn, maar ondanks het gegeven dat het prima weer was bij ons bezoek, verborg de Mont zich in de nevel op de horizon. De kasteelruïne omvat een aardige tuin, waar op dat moment Franse padvindsters picknickten. De ruïne gaat naadloos over in eveneens middeleeuwse woonhuizen die er tegenaan en gedeeltelijk waarschijnlijk overheen gebouwd zijn. Het zogenaamde Scriptorial grenst eveneens aan de kasteelruïne. Hier bewaart men door de monniken van de abdij op de Mont-Saint-Michel geproduceerde manuscripten en daarmee verbonden voorwerpen uit de middeleeuwen. De stad kent voorts nog een neo-gothische kathedraal, die qua maat en uitstraling niet veel onderdoet voor een ècht middeleeuwse versie.



















Ondanks het gegeven dat de Mont-Saint-Michel een toeristische trekpleister is van het type Venetië, valt niet te ontkennen dat hij, als Venetië, net zo enig in z'n soort is. Hoewel er een pendant is, die er sterk op lijkt: Saint Michaels Mount in Cornwall. Daar zijn we overigens nog nooit geweest, maar kijkend naar de plaatjes op internet, zien we inderdaad een kasteel op een berg in zee. Het lijkt allemaal wat kleiner dan de Mont-Saint-Michel, maar het is vooral de context die heel anders is dan die van de laatstgenoemde.
Het merkwaardig van de Mont is dat ie oprijst aan de rand van een volledig vlak en laaggelegen landschap. Lopend vanaf het dichtsbijzijnde dorp Beauvoir, langs een kaarsrechte waterloop, aan het eind waarvan de dam-met-brug naar de Mont begint, lijkt de omgeving op een Zeeuws polderlandschap. Het pad langs die waterloop ligt op een dijk, bijvoorbeeld. Nergens een hint van gesteente of rotsen. Maar op de horizon ligt daar dan ineens een rots van pakweg honderd meter hoog. Die overigens vrijwel geheel is bedekt door bebouwing. De top wordt gevormd door de abdij en daaronder wordt het beeld grotendeels bepaald door middeleeuwse woonbebouwing en stadsmuren.



















Een deel van de oorspronkelijk magie van de plek is rond 1900 al teloor gegaan. Was de Mont aanvankelijk alleen met laag water te bereiken; rond bovenstaande eeuwwisseling werd er een spoorlijn aangelegd, die hem permanent verbond met het vasteland. Vervolgens kwam er een dam waarover voetgangers en auto's zich naar de Mont konden begeven.
Ruim tien jaar geleden is een nieuwe toegang aangelegd; niet recht, maar met een slinger en gedeeltelijk dam, gedeeltelijk brug. De zee kan daardoor de Mont weer volledig omspoelen.
We bezochten de berg op een nogal mistige namiddag. Weinig zon en beperkt zicht. Desondanks was het druk. Vermoedelijk is het er nooit rustig, hoewel de jaarlijkse bezoekersaantallen een dalende trend schijnen te tonen. We waren helaas te laat om de abdij te kunnen bekijken; die was al gesloten.





































Het is ongetwijfeld een indrukwekkend geheel en het zou buitengewoon sfeervol kunnen zijn als je op de remparts en in de nauwe steegjes niet continue het menselijk verkeer c.q. gedrang zou moeten ontwijken. De Mont was de enige plek van deze reis waar we struikelden over zichzelf fotograferende Chinezen, Japanners, en als fotomodellen uitgedoste influencer-achtige types, compleet met botox-lippen.
Maar zo'n grote rots in een mistig, vlak waddenlandschap blijft een bijzonder gezicht.

We hebben een hernieuwd bezoek aan Bretagne uiteindelijk bewaard voor een volgende reis.
Inplaats daarvan zijn we weer noordwaarts gegaan, langs de westkust van Cotentin, die we tot op heden nog niet hadden gezien. 
We vonden een wijdse camping bij Hattainville, nèt ten noorden van Carteret, waar we een veld van pakweg 10.000 m2, met uitzicht op zee, deelden met welgeteld vier andere kampeerders. Toen het zicht een paar dagen later beter werd en de temperaturen zomerse waarden bereikten, konden we aan de horizon Guernsey zien liggen.



















De kust is hier een merkwaardige afwisseling van hoge, rotsige kapen met daartussen duingebieden, waarvan de hoogste plekken evengoed tot bijna 70 m. boven zeeniveau reiken.
Meijendel, of de Kennemerduinen, maar dan van een iets andere schaal. Hetzelfde geldt voor de stranden. Door de grote getijslag in deze omgeving (tussen hoog- en laagwater zit tussen de tien en vijftien meter verschil) zijn ze bij laagwater van een enorme breedte. Bij laagwater is het bij Hattainville ruim een kilometer vanaf de voet der duinen naar de waterlijn.





































Carteret is een kleine havenplaats met een haven die bij laagwater niet bereikbaar is vanaf zee. Het dorp zelf is niet heel bijzonder, maar de rotsige kaap aan de westkant ervan, getooid met een vuurtorentje, is wel weer een mooie plek met een prachtig uitzicht richting Guernsey en de baai ten zuiden van het dorp. We hebben een paar fraaie wandelingen  in de omgeving gemaakt.



















Tot slot had mijn vrouw nog een wens: ze wilde nog een keer een kliffenwandeling langs de krijtrotsen maken en voor krijtrotsen moet je richting Etretat. Er zijn krijtrotsen langs de hele kust van Sainte-Adresse bij Le Havre tot Ault, vlakbij de mond van de Somme. Maar Etretat heeft de mooiste.
We reden van Hattainville over de Pont de Brotonne weer naar Seine-Maritime en vonden een bijzondere camping bij het gehucht La Roussie, een paar kilometer ten zuidoosten van Fécamp. Voor de helft een restant van een oud landgoed met voormalige stallen en een eendenvijver, voor de andere helft weer een, voor deze omgeving bijna klassiek te noemen sta-caravandorp.



















Rond die eendenvijver waren nog een paar plekjes waar een tent of een camper kon worden geplaatst. Als je de goede kant op keek een vrij rustieke plek.
We waren eerder al eens van Etretat naar Fécamp gelopen. Deze keer parkeerden we aan de rand van het dorp Le Tilleul, een paar kilometer ten zuiden van Etretat. Vandaar loopt een pad, door het groen, al dalend richting zee.
Het was inmiddels 1 mei, een dag waarop heel Frankrijk een vrije dag heeft, en het was bovendien een donderdag. Veel Fransen hadden waarschijnlijk ook de vrijdag erna vrij genomen. Bijgevolg liepen we in een lange optocht met vele anderen richting zee. Nèt voor het strand loopt een ander, veel smaller paadje weer uit het dal omhoog naar het niveau van het pad langs de krijtrotsen, ongeveer 100 m. hoger.



















Het werd zonder meer de mooiste krijtrotsenwandeling die we ooit gemaakt hebben, ook al deden we dat met honderden anderen, want ook op het krijtrotsenpad zag het zwart van de mensen. Zelfs op zee vóór de krijtrotsen was het druk. Er was nauwelijks wind, het was warm en de zee bijna rimpelloos. Een bonte mengeling van speedboten, jetski's en kano's roste, c.q. dobberende heen-en-weer.























































Eenmaal gearriveerd in Etretat troffen we een badplaats die geheel opging in de zomerse activiteiten zoals die domineren in een badplaats op mooie dag. De meeste strandgangers hielden het bij pootjebaden, maar verder was er alle drukte er herrie die je kan verwachten  op een plek als deze. 
Een eindje achter het strand, dat hier overigens uit grind bestaat, vonden we in het dorp een terras waar we even wat wilden drinken. Mijn vrouw drinkt dan meestal een diabolo-citron. Zelf wilde ik vooral een niet te kleine pils. Onder de bières op de kaart vond ik een picon bière, waarachter tussen haakjes "37 cl." stond. Ik meende me vaag te herinneren dat een picon een inhoudsmaat was. Dat laatste bleek een onverklaarbaar gedachtenspinsel. 
Wat enkele minuten ná de bestelling voor me werd neergezet, was een kelk met daarin en flinke bodem donkere, goudbruine vloeistof, en daarnaast een flesje blond speciaalbier van 6% van een lokale brouwerij. 
Toen ik nipte van de bruine vloeistof, bleek dat een soort aperitief te zijn dat vaag aan Campari deed denken. Geen onaangename smaak, maar met aardig wat alcohol. Na een paar kleine slokjes heb ik het bier erbij gedaan. 



















Geen idee waar het alcoholpercentage van dit mengsel op uit kwam, maar het was wel wat meer dan van de 37 cl. pils die ik eigenlijk in gedachten had. 
Het lukte na het consumeren overigens nog heel goed om de resterende kilometers naar de auto te lopen. Tegen de tijd dat we daar waren had ik de alcohol er wel weer uit gelopen, en als we samen op pad gaan, rijdt tegenwoordig trouwens bijna altijd mijn vrouw.
Natuurlijk wist Wikipedia wèl wat een picon bière is.
Picon is inderdaad een aperitief. Eentje met een al behoorlijk lange geschiedenis; het recept werd al in de eerste helft van de 19e eeuw door Gaétan Picon bedacht. Sinaasappelschillen, cinchona en gentiaan, geweekt in alcohol vormen de basis. Het bevat 21% alcohol. Hoewel Picon zelf afkomstig was uit het zuiden van Frankrijk, is het drankje en de combinatie met bier vooral in Noord-Frankrijk en België deel gaan uitmaken van de traditie.

Op onze laatste èchte vakantiedag deden we nog een wandeling in de omgeving van Fécamp, waarover niet veel meer te melden valt dan dat we opnieuw werden geconfronteerd met een flink aantal restanten van de erfenis die de Wehrmacht in de vorm van bunkers op deze kust heeft achtergelaten, waaronder de fundamenten van een een zogenaamde Mammut, een lange-afstandsradar, waarmee de Duitsers geallieerde vliegtuigen konden zien als ze nog op 300 km. afstand waren.











































Het weer was aan het veranderen. Een groot deel van de dag liepen we in de mist, die weliswaar niet héél dik was, maar dicht genoeg om mooie vergezichten uit te sluiten.

De dag erop reden we in de regen naar huis. 
Rond de middag maakten we nog een stop in Abbeville voor het déjeuner. De binnenstad bleek een merkwaardige gelijkenis te vertonen met het gebied rond de Blaak in Rotterdam. Een grote middeleeuwse kerk, omgeven door wederopbouw-architectuur. Weer de oorlog.



















De rest van de middag reden we door een regenachtig, maar nooit vervelend landschap.
Pas in de buurt van de Belgische grens werd het droog.






dinsdag 15 december 2020

Zeilende schrijvers

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Sinds zeilen een liefhebberij voor burgers en buitenlui werd, hebben veel zeilers hun belevenissen op papier gezet. De boeken over wereldomzeilingen en andere grootse avonturen onder zeil zijn zo langzamerhand niet meer te tellen. Hoewel een reis om de wereld met een zeilboot allang geen prestatie meer is waar de moderne mens verstelt van staat, vinden veel van die wereldomzeilers toch een reden om hun ervaringen wereldkundig te maken.
Sinds YouTube het boek als middel daarvoor heeft verdrongen, kunnen we hun belevenissen soms bijna per week volgen in filmpjes met zonnige baaien, veel meisjes in bikini en zeiltochten met een matig windje op een azuurblauwe zee. Sommige van die filmende zeilers en zeilsters hebben zoveel 'volgers' dat het produceren van die filmpjes een serieus verdienmodel is geworden; ze bekostigen hun zonnige avonturen met de inkomsten uit de filmpjes.
En hoewel het begrip armchair sailor al bestaat sinds er over zeilen wordt geschreven, heeft het met die filmpjes een nieuwe dimensie gekregen. Wegdromen bij zeilavonturen van anderen was nog nooit zo makkelijk.

Maar laten we even terugkeren naar boeken over zeilreizen.
Bij het zien van de omvang die het genre inmiddels heeft aangenomen en na het lezen van een aantal van die boeken, heb ik zelf moeten constateren dat er veel schrijvende zeilers zijn, maar betrekkelijk weinig zeilende schrijvers. Waarbij mijn definitie van een schrijver is dat hij of zij teksten schrijft die een zekere literaire kwaliteit hebben. Nu is het geven van een definitie van literaire kwaliteit al een stuk lastiger dan de voorgaande begripsbepaling. Ik houd het er maar even op dat het iets te maken heeft met stijl, en met het tonen van iets, zonder het letterlijk te benoemen; de lezer ervaart een bepaalde sfeer en wordt daarin meegenomen. Zoiets. Liefst verliest de zeilende schrijver zich niet in uitweidingen over zeil-technische kwesties, tenzij ze wezenlijke betekenis hebben voor zijn verhaal.

Afgelopen zomer verscheen een nieuw boek van L.H. Wiener. Het heet Zeeangst en is bedoeld als literair verslag van een zeilreis die de schrijver maakte naar en langs de Engelse zuidkust. Dat laatste is al meteen hoopgevend, want aangezien al honderden (misschien wel duizenden) Nederlandse zeilers een dergelijke reis in de vorm van een lange zomervakantie hebben gemaakt, is alleen het kale gegeven dat Wiener ook zo'n tocht heeft gemaakt zó weinig uniek, dat het nauwelijks een reden kan zijn om er een boek over te schrijven. Met een beetje geluk heeft Wiener met het schrijven dit boek dus een bedoeling gehad die wat verder reikt dan een zakelijk feitenrelaas.
Ik kende het werk van de schrijver, voor ik dit boek las, niet. Zijn naam kende ik wel, omdat hij soms van zich doet spreken door andere schrijvers waarvan ik wel het één en ander heb gelezen, zoals A.L. Snijders en Tommy Wieringa, voor te dragen voor een koninklijke onderscheiding, respectievelijk aan te vallen vanwege een column die hem niet beviel.

Welk boek Wiener voor ogen had, toe hij eraan begon, wordt al in de eerste pagina's duidelijk. 
Hij schrijft: "(een) logboek (dat) eventueel een volwaardig boek kan worden. A book in it's own right, zoals Coasting van Jonathan Raban". 
Zonder die vergelijking was mijn oordeel waarschijnlijk veel milder uitgevallen. 
Zelf heb  ik Coasting ook gelezen. Het is niet toevallig één van de weinige boeken die ik ook heb herlezen. Sterker nog: ik sla het van tijd tot tijd nog steeds open om een hoofdstuk, of zelfs maar een paar pagina's te lezen. Het is een hoogtepunt  in het oeuvre van Raban en mede daardoor één van de beste reisboeken die in de vorige eeuw zijn geschreven, wat mij betreft. Want vrijwel alles wat Jonathan Raban in de jaren '80 en '90 schreef, is van superieure kwaliteit. Raban als schrijver is beter dan Paul Theroux en zelfs beter dan Bruce Chatwin, die, vind ik, schromelijk wordt overschat.
 
Het probleem van Zeeangst is dat het de vorm en functie van een normaal logboek nauwelijks ontstijgt. Wiener vertelt het verhaal chronologisch; de reis gaat van a naar b en van b naar c. Tussendoor zijn er wel, vaak autobiografische, intermezzo's over een verder verleden, maar die hebben meestal weinig verband met de reis zelf. De sfeerimpressies zijn vluchtig en beperken zich veelal tot de havens, waar 's middags of 's avonds wordt aangelegd. Onderweg ziet of hoort Wiener kennelijk vrijwel niets dat hij het vermelden waard vindt. Voor iemand die de Engelse zuidkust een beetje kent een vreemde omissie. Ook omdat Wiener een natuurliefhebber lijkt; soms komt er bijvoorbeeld wèl een citaat uit een vogelgids voorbij.
Wat ook afbreuk doet aan de status van a book in it's own right is het gebruik van allerlei termen die alleen voor zeilers betekenis hebben. De schrijver heeft zich genoodzaakt gezien om achterin een woordenlijst op te nemen, die al deze termen verklaart. Voor iemand die een leesbaar boek, zonder overbodige ballast, wil schrijven, had de behoefte aan zo'n  woordenlijst een teken aan de wand moeten zijn. Een signaal to kill your darlings. Een beeldspraak die Wiener, als gepensioneerd leraar Engels, niet onbekend zal zijn.
Dat de schrijver overgoten is met de Engelse taal en cultuur leidt overigens tot een ander punt van kritiek: het gegeven dat het boek doorspekt is met Engelse teksten, zonder dat dit veel bijdraagt aan de kwaliteit van het verhaal. 
Soms vertoont de kennis van de Engelse cultuur een lacune. Mede veroorzaakt door het feit dat de schrijver meer van sterke drank houdt dan van bier. Op zeker moment ziet hij een uithangbord van een pub met daarop een herder met een lam en de tekst Shepherd Neame. Wiener, die lijkt te denken dat dit de naam van de herder is, spreekt het vermoeden uit dat één en ander in dialect is geschreven. Vreemd, want iedereen die het zuiden van Engeland heeft bezocht èn van bier houdt, weet dat Shepherd Neame een brouwerij is in Faversham, vlakbij Canterbury. De oudste brouwerij van het Verenigd Koninkrijk die nog steeds brouwt, trouwens. En die pub heet gewoon The Lamb.
 
Een zekere mate van exhibitionisme is Wiener niet vreemd. Er wordt regelmatig gekoketteerd met al dan niet overmatig drankgebruik. Wiener drinkt symbolisch een limonadeglas vol whisky leeg bij het graf van Malcolm Lowry in het gehucht Ripe, nabij Eastbourne. De band die Wiener heeft met de schrijver van Under the volcano, schijnt vooral te bestaan uit het feit dat ook Lowry niet vies was van een borrel, om het eufemistisch uit te drukken. Hij lepelt, in gecomprimeerde vorm weliswaar, de levensloop van Lowry nog maar weer eens op, maar daarover heb ik veertig jaar geleden al gelezen in een essay van Willem Frederik Hermans.
Het geldt voor veel zaken die Wiener aanroert. Ze komen voort uit boekenkennis en maar weinig uit eigen ervaring. De auteur lijkt niet open te staan voor zijn omgeving en wat hij onderweg tegenkomt. Dialogen zijn zeldzaam. Voor zover aanwezig zijn het vaak zakelijke uitwisselingen van één of twee zinnen, zonder veel kraak of smaak. Niet toevallig is de enige uitzondering op de regel een gesprek over een technisch onderwerp, een mankement aan de keerkoppeling van Wiener's boot. Keerkoppeling? Ja, daarvoor moet de niet-schipper even naar de woordenlijst achterin, zij het niet dat het bewuste mechanisme hier wordt omschreven als versnellingsbak. Een landrot zou een keerkoppeling zo kunnen noemen, misschien. Je zou ook hier een soort koketterie kunnen vermoeden, maar Wiener zeilt al een leven lang en weet ook wat keerkoppelingen betreft hoogstwaarschijnlijk van de hoed en de rand. Het leidt er wèl toe dat keerkoppeling in de woordenlijst niet voorkomt. Waarvoor heb je zo'n woordenlijst dan, vraag ik me af.

De schrijver wekt met enige regelmaat een wat misantropische indruk. Hij is niet bepaald onbevangen in de omgang met de medemens. Zijn natuurlijke houding is er één van afweer. Als ergens in een haven een andere schipper hem een paar stukjes zelfgebakken citroencake wil aanbieden, ziet ie hem aankomen en denkt  ".. dat ik weer ruzie moest maken met iemand die het beter wist dan ik en die aanmerkingen wilde maken op mijn gedrag". Om te vervolgen met: "..maar gelukkig kreeg ik bijtijds door dat ik onterecht over mensenkennis denk te beschikken".
Enig inzicht in de minpunten van de eigen persoonlijkheid is Wiener dus niet vreemd, maar het is misschien mede deze makke die er toe leidt dan Zeeangst de vergelijking met  Coasting niet goed doorstaat.

Om dat laatste duidelijk te maken moet ik eigenlijk nog eens een stukje schrijven over Raban en meer speciaal over Coasting. Voor dit moment volsta ik maar even met de constatering dat Coasting alles is wat Zeeangst niet is. 
De vraag of het een volwaardig boek is, zoals Wiener beoogde, laat ik graag onbeantwoord. Het is, ondanks de genoemde minpunten, die ook maar een mening zijn, prima leesbaar. Ik heb het in een paar sessies uitgelezen. Misschien vooral omdat ik affiniteit heb met varen en zeilen. Aardige lectuur, maar daar is eigenlijk alles wel mee gezegd.
De literaire kwaliteit is matig. Ik heb geen enkele zinsnede of beschrijving gelezen die me bij zal blijven. De tekst roept nooit beelden op die meer zeggen dan er letterlijk staat. Waarom het boek Zeeangst heet, wordt zonder meer duidelijk, maar ècht voelbaar wordt die angst niet.

Ik wist vooraf niet dat de schrijver Coasting had gelezen. Ik had iets kunnen vermoeden, want iedere zeiler met literaire interesse of aspiraties moet vroeg of laat wel tegen dat boek oplopen.Toch hoopte ik dat er eindelijk een Nederlandse schrijver was opgestaan die een volwaardig Nederlands equivalent van Coasting had geschreven.
 
Een paar jaar geleden las ik Langs de kust van Thijs Broer. Broer komt dichter bij de opzet van Coasting, maar ook hij bereikt niet dezelfde kwaliteit. Hij doet wèl moeite om plekken langs de Nederlandse kust sfeervol te beschrijven, lokale mensen te spreken en zich in hun wel en wee en hun relatie met de zee te verdiepen. Broer is ook een zeiler, maar buiten dat is hij meer een journalist dan een literair schrijver. Ook hij noemt Coasting, zonder te vermelden dat de Nederlandse vertaling daarvan ook Langs de kust heet, zodat er nu twee boeken met die titel te koop zijn. Beetje slordig; de vertaling van Raban's boek was er eerder.
 
Zeeangst en het boek van Broer zijn aardige boeken, maar geen Nederlandse equivalenten van Coasting.

zondag 20 september 2020

Ouderwets speciaalbier

 



 

 



 

 

 

 

 

Afgelopen donderdag zag ik mijn kans schoon. De regio Antwerpen was weer free for all. Wel moest de nodige voorzichtigheid in acht worden genomen, natuurlijk. Ik zette vier kratten met lege bierflesjes in de auto en reed naar het Bierparadijs te Meer in België, in de wetenschap dat ik bij terugkeer niet eerst veertien dagen in quarantaine hoefde. Wel een mondkapje mee, natuurlijk, want dat moet in de Belgische winkels nog steeds wèl.

Zo'n ritje was een poosje niet zozeer onmogelijk als wel ongewenst, vanwege het feit dat in de Provincie Antwerpen, naar de mening van de Nederlandse overheid, code oranje van kracht was. Inmiddels (sinds afgelopen vrijdag) ben ik trouwens, als inwoner van  de provincie Zuid-Holland, niet meer welkom in België omdat ik nu zelf uit een risicogebied kom. Bij binnenkomst in België zou ik nu, nog vóór ik het Bierparadijs mocht betreden, in quarantaine moeten. 

Zo werkt dat ondertussen in dit tijdsgewricht. Als je een plan hebt, dat één of ander buitenland betreft, zelfs al betreft het niet meer dan een ritje van 50 km, dan kun je het beter zo snel mogelijk uitvoeren. Voor je het weet kan of mag het niet meer.

Het was behoorlijk lang geleden dat ik in het Bierparadijs was. Zó lang, dat ik niet meer precies wist wanneer. Ver voor de corona-crisis uitbrak, in ieder geval. Een beetje moe van alle moderne IPA's, die vooral gemeen hebben dat ze een aanzienlijk bitterheidsgraad hebben, had ik me dit keer voorgenomen dat ik het zou zoeken in de vanouds vertrouwde Belgische klassiekers. 

Hier en daar leeft bij de jongere generatie bierliefhebbers het idee dat veel Belgische speciaalbieren vergane glorie zijn. De Belgen hebben weliswaar, in tegenstelling tot de Nederlanders, talloze bierstijlen in ere gehouden die al ver voor de komst van het laaggegiste pilsener bier bestonden, maar dat alles zou ondertussen toch wel zijn overtroffen door de innovaties en vernieuwingen die de moderne craftbrewers uit andere landen hebben gepresenteerd.

Ik heb dat altijd flauwekul gevonden. Als de Belgen niet aan hun biertradities hadden vastgehouden, was die hele craftbeer-rage nooit van de grond gekomen. Die is slechts ontstaan omdat de Belgen en ook de Britten (met hun Campaign for Real Ale, kortweg CAMRA) de wereld eraan zijn blijven herinneren dat er iets anders bestond dan laaggegist bier met zo min mogelijk smaakvariatie. In Nederland en andere Europese landen was dat ruim voor het begin van de 21e eeuw al bij de echte liefhebbers doorgedrongen. Pas toen de Amerikanen het begin jaren 2000 ook doorkregen en het gewoontegetrouw snel overwaaide naar Europa, kwam het feit ineens ook binnen de aandachtssfeer van mutsendragende millenials en metromannen met knotjes.

Uiteindelijk kocht ik, naast een paar klassiekers, toch nog één nieuwigheidje. Een krat 'T IJ van de Duvel. Volgens het etiket een hazy ipa. Het is een samenwerking tussen de Amsterdamse Brouwerij Het IJ en  het Belgische Moortgat, bekend van het aloude Duvel.

 

Moortgat was al de producent van Vedett Extra Ordinary IPA. Het IJ brouwt al jaren een eigen IPA, met een etiket dat een wulpse dame met blote borsten laat zien. Die komt terug op het etiket van 'T IJ van de Duvel, zij het dat ze nu is uitgerust met hoorntjes en een pijlstaart. Haar borsten, daarentegen, zijn zedig bedekt door de tekst hazy ipa. 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het vermoeden rijst dat het hier gaat om òf de Vedett IPA, òf de IPA van Het IJ, maar dan onder een andere naam. Ik heb echter  beide eerdere bieren gedronken en de bitterheid van dit nieuwe bier is duidelijk wat minder dan die van de eerstgenoemden. De kruidigheid en de citrusaccenten, die bij een IPA horen, zijn er wèl. Een smakelijk bier voor als je even geen zin hebt in bier van 8% of meer. Overigens lijkt de marketing  van Moortgat nog steeds in handen van dezelfde lolbroeken die eerder de Vedett IPA van een quasi-grappig bijschrift voorzagen. Het alcoholpercentage van het bier zou namelijk 6,66% bedragen. Men vond de al genoemde duivelse connotaties kennelijk nog niet genoeg.

Maar goed. Naast dit 'moderne' bier kocht ik nog drie kratten ander bier. Bieren die ik tot de canon van de Belgische speciaalbieren zou willen rekening.

Allereerst is daar Liefmans Goudenband. Liefmans is al enkele jaren eigendom van Moortgat. Evenals trouwens de Antwerpse brouwerij De Koninck. Het lijkt er op dat Moortgat een concentratie van klassieke Belgische brouwerijen in gang heeft gezet, misschien in een poging om de eveneens Belgische brouwgigant InBev te kunnen weerstaan. Het verklaart misschien ook waarom Liefmans naast Goudenband inmiddels rare radler-achtige drankjes als Fruitesse op de markt brengt. Compleet met speciaal limonadeglas en de aanbeveling om het on the rocks te drinken.

Gelukkig heb ik kunnen constateren dat Goudenband nog steeds is wat het altijd al was: de meest geslaagde vertegenwoordiger van de brouwstijl die bekend staat als Vlaams rood. Er zijn er meer, waarvan Rodenbach waarschijnlijk de bekendste is. Vlaams rood staat in z'n algemeenheid voor een friszuur bier, waarin weinig hop-bitterheid valt te bespeuren. In z'n sterkere variaties wekt het daardoor soms meer associaties met wijn dan met bier. Hoe dit bier precies wordt gemaakt is met enig mysterie omgeven. Liefmans zelf gaat niet verder dan de mededeling dat men oud, gerijpt bier mengt met jonger, zuurder bier. Dit laatste veroorzaakt een tweede gisting in het vat. Door zorgvuldig mengen en het daaropvolgende rijpingsproces weet men een vrij constante kwaliteit en smaak te bereiken. Wikipedia vermeldt dat  het wort  (de gekookte pap van mout en water, die men laat gisten) van Vlaams rood wordt geïnfecteerd met een melkzuurbacterie, die in eerste instantie voor de zure smaak zorgt. Het huidige etiket van Goudenband vermeldt de datum van bottelen. In het geval van mijn krat is dat 2018. Het is een een bewaarbier; volgens hetzelfde etiket blijft het tot minstens 2028 in goede conditie. De smaak is inderdaad licht zuur, maar ook rijk en romig. Je proeft de lange lagering eraan af.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een ander klassiek product van Liefmans is de Kriek. Feitelijk is het Goudenband waarin men kersen heeft laten trekken. Liefmans noemt het tegenwoordig Kriek Brut, kennelijk om het te onderscheiden van het zoetige Fruitesse dat ook in kersensmaak verkrijgbaar is. Ook daarvan kocht ik een krat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ergens in de jaren tachtig of vroege jaren negentig ben ik eens in de brouwerij in Oudenaarde geweest. Destijds een ouderwets fabriekspand van rode baksteen, aan de Schelde. Het was mogelijk om rechtstreeks bij de brouwerij te kopen. Men had een proeflokaal met veel eikenhout, waar we een pintje Goudenband of Kriek kregen aangeboden en als klap op de vuurpijl mochten we nog even een deel van de brouwerij van binnen bekijken. Ik herinner me nog het bassin waarin witte tonnetjes met de gistcultuur dreven, onder het blauwe licht waarmee men ongewenste bacteriën en insecten buiten de deur hoopte te houden. Het bier zat destijds trouwens niet in 33 cl-flesjes met een kroonkurk, zoals nu, maar in flessen van 37,5 cl, met een echte kurk en een ziel, zogenaamde halve Bourgognes. Ze hadden geen etiket maar waren omwikkeld met papier waarop stond wat voor bier er in de fles zat. Wat dan weer leuk is aan het huidige etiket: net boven de naam Liefmans staat in gouden opdruk de verbeelding van een vrouw met een glas bier in haar hand. Het kan niet anders of dit is de beeltenis van Rosa Blanquaert-Merckx, de vrouw die de brouwerij 46 jaar runde en de eerste vrouwelijke brouwmeester van België (en mogelijk van Europa) was.

Het vierde krat is Gouden Carolus Hopsinjoor geworden. De brouwerij heet Het Anker en bevindt zich aan de rand van het oude centrum van Mechelen. Van oudsher was men vooral bekend om de eerste Gouden Carolus, die tegenwoordig Classic wordt genoemd. Een zwaar, vrij zoet, koperkleurig bier dat in kleine flesjes van 25 cl. zat. Zelfs de glazen die men aan de café's leverde waren op die inhoudsmaat afgestemd; iets kleiner dan de normale trappistenkelken. In de afgelopen tientallen jaren heeft de brouwerij het assortiment aanzienlijk uitgebreid. Ik had eigenlijk Ambrio willen kopen, een amberkleurige hoge gisting van 8%. Dat bier ligt dicht bij de typische Mechelse brouwtraditie van bruine bieren, maar is wat minder zoet dan de klassieke Gouden Carolus. Het Bierparadijs bleek echter geen Ambrio op voorraad te hebben. Eigenlijk was de Hopsinjoor dus een beetje tweede keus. Het bier lijkt qua bitterheid, smaak en kleur veel op Duvel. Niet heel origineel dus. Wel lekker.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat men in het Bierparadijs ook niet had was een ander, vrij uniek bier dat ik in verleden graag kocht: Witkap Pater Stimulo van brouwerij Slaghmuylder uit Ninove. Een relatief licht, blond bier van 6% met slechts een lichte bitterheid en vooral een bloemig c.q. fruitig karakter. Met wat meer bitterheid zou je het een IPA kunnen noemen. Ik vond het altijd een waardig en vooral goedkoper alternatief voor Orval

Nou ja,  ik zie op internet dat ook bij Slaghmuylder aan de brouwerij kan worden gekocht. Bovendien ligt Ninove op pakweg 10 km. afstand van Itterbeek, waar brouwerij Timmermans nog steeds in business is.

Misschien wordt het tijd voor een licht-nostalgische bier-cruise in het Belgenland..


Klikken op de link naar mevrouw Blanquaert-Merckx opent een kort filmpje met mevrouw in de hoofdrol



 

 

woensdag 18 maart 2020

Bier in tijden van crisis


















"Het heerst" zei men, nou ja; de huidige risicogroep dan toch, als het griepvirus weer eens om zich een greep.  Nu een wat agressievere variant wereldwijd begint op te spelen en de regering een aantal beslissingen heeft genomen, kunnen we het ook wat internationaler zeggen: corona rules!

Sinds gisteren biedt mijn vrouw vanachter haar huis-computer onderwijs aan haar VMBO-ers en vanmorgen deed ik boodschappen voor onze overburen, een echtpaar uit de al eerder genoemde risico-groep.
Hij is de tachtig al ruimschoots gepasseerd en is net weer thuis, nadat een kankergezwel uit zijn lichaam is verwijderd; zij nadert de tachtig en kwakkelt ook  met de gezondheid.
In hoeverre ik zelf tot de risicogroep behoor, is me niet helemaal duidelijk. Ik word in mei, ijs-en-weder-dienende, zesenzestig, maar ik voel me nog geen zesenzestig. Hoewel ik eigenlijk niet weet hoe dat zou moeten voelen. Mijn vader, bijvoorbeeld, heeft het me nooit kunnen vertellen. Die was dood toen ie een paar maanden vierenzestig was. Dat ik nu al langer leef, dan hij ooit heeft kunnen doen, stemt op een vreemde manier tot tevredenheid; laat ik het daar maar op houden.

Bij de lokale Albert Heijn waren nog steeds vrij veel dingen niet op voorraad.
Behalve kleine verpakkingen van één kilo, waren er vrijwel geen aardappels. Citroenen waren er weer wel; die waren er een dag eerder niet. Ook veel verse groenten waren er niet. Vreemd, want hoe zinvol is het hamsteren van verse groente? Ik eet ze het liefst terwijl ze nog min of meer vers zijn, tenminste. Het ontbrak aan wel meer dingen waarvan ik dacht dat het geen typische hamster-artikelen waren. Ik krijg derhalve de indruk dat de distributie van Albert Heijn niet helemaal optimaal werkt, op het ogenblik.
Na de boodschappen voor de buren ging ik nog een keer naar de AH. En laat ik het maar meteen toegeven: om te hamsteren.

Mijn oog was namelijk gevallen op het feit dat  "Alle Duvel" en veel van Brouwerij Het IJ in de bonus waren. Duvel Tripel Hop  is één van mijn favoriete bieren,  en met name de IPA's van Brouwerij Het IJ vind ik ook niet te versmaden. Albert Heijn bood dit alles nu aan met 25% korting. Een flesje Tripel Hop kost dan altijd nog € 1,49, maar zo goedkoop krijg ik het zelfs niet bij het Bierparadijs in Meer.
Het fijne was dat er maar weinig mensen hadden gedacht aan bier hamsteren. Er bleken uiteindelijk 15 flesjes Tripel Hop in het schap te staan. Daarnaast nam ik nog 8 flesjes van Brij. Het IJ mee.

Bij het afrekenen gebeurde er nog iets, dat leek te wijzen op dat waar ik op dit moment eigenlijk nog het bangst voor ben: het instorten van internet door overbelasting. Betalen met pin bleek namelijk onmogelijk bij de zelfscan-kassa waar ik dat probeerde. Het bleek gelukkig een lokaal probleem; andere kassa's deden het wel.
Desalniettemin: het is te hopen dat het internet in de komende weken blijft draaien, want zonder dat zouden we nog veel meer onthand zijn dan nu al het geval is. Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat bij het volledig uitvallen van het net bepaalde vormen van anarchisme niet lang op zich laten wachten.

Hoe dan ook: in de eerstkomende weken hoef ik niet meer te slepen met losse flesjes bier.
De volgende boordschappenronde voor de overburen staat op de rol voor aanstaande vrijdag.