Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen

vrijdag 4 september 2026

Kunst waarvoor alles moet wijken

























In mijn voorlaatste bericht schreef ik over het eerste deel van de biografie van Gerard Reve, door Nop Maas. Reve's leven was in zijn beginjaren van een dusdanige kommer en kwel dat ik het lezen van het tweede deel, getiteld 'De rampjaren' nog even wilde uitstellen. 
Ik heb me niet aan dat voornemen gehouden. 
Deel twee werd toch in huis gehaald (de lokale bibliotheek is er goed voor) en ik ben diagonaal lezend door het boek gegaan. Tot ik ongeveer op de helft was. Enigszins populair uitgedrukt geloofde ik het toen wel.
Inderdaad: rampjaren. Maar ook grenzeloos opportunisme, gecombineerd met een bepaalde vorm van godsdienstwaanzin, die met en zekere hang naar ophef en publiciteit wordt uitgespeeld  en waarmee Reve zichzelf tot een soort instituut verheft. Een nuchtere denker zou specifiek dit  'instituut' ook de titel 'Dorpsidioot des Vaderlands' kunnen meegeven en iemand Willem Frederik Hermans heeft dit ook min of meer gedaan.
Wat overblijft is een beeld van tot literatuur verheven neurose, die weliswaar niet helemaal gespeend is van een zekere humor, maar in het algemeen, voor mij althans, toch te karikaturaal is om serieus te nemen. Of, om het iets sympathieker uit te drukken: niets toevoegt aan mijn eigen levensvisie.
Desondanks wordt Gerard Reve nog steeds tot de één van de grootste Nederlandse schrijvers gerekend.

Nu ik toch weer eens bezig was met de groten der Nederlandse literatuur en op zoek naar een dik boek om mee te nemen op vakantie, betrok ik, opnieuw uit de onvolprezen Dordtse bibliotheek, 'Een knipperend ogenblik, portret van Remco Campert', geschreven Mirjam van Hengel. 
Ik moet bekennen dat ik Campert vooral kende als de helft van het duo CaMu dat tussen 1996 en 2006 op de voorpagina van de Volkskrant te vonden was; de ene dag Remco Campert; de andere dag Jan Mulder. Ik zal hem ook wel eens bij De Wereld Draait Door gezien hebben. mede omdat Jan Mulder daar ook met enige regelmaat aanschoof. En misschien heb ik heel lang geleden ooit eens 'Het leven is verrukkeluk' gelezen. 
Eerlijk gezegd wilde ik zijn levensverhaal niet zozeer lezen omdat ik zo onder de indruk was van zijn literaire productie, maar meer omdat de persoon Campert, als ik hem wel eens hoorde of zag op radio of televisie, op mij overkwam als een buitengewoon rustige en evenwichtige man. Bijna iemand die, als ie al niet ècht volledig zen was, dit toch in aanzienlijke mate uitstraalde. Een sympathieke man, die rustig over de dingen nadacht voor ie iets zei en ook dan nog de indruk wekte dat ie dat slechts deed omdat hem iets gevraagd werd, Niet omdat hij zo nodig een mening wilde ventileren. 
In dat opzicht leek hij de optimale tegenpool van Jan Mulder, die, hoewel van Groningse oorsprong, het hart veel meer op de tong had.
Zijn CaMu-stukjes, veelal nuchter observerend van aard, maar toch vaak enigszins poëtisch, leken die indruk te bevestigen.

Van Hengel's boek heeft van mijn aanvankelijke beeld van Remco Campert jammer genoeg weinig heel gelaten. 
Remco Campert leefde eigenlijk voor niks anders dan zijn schrijverschap en zelfs dat niet eens met volle overtuiging. Een aanzienlijk deel van zijn leven heeft Campert doorgebracht met niksdoen en feestvieren. Hij was vier keer getrouwd, en nam drie keer definitief afscheid van de vrouw waarmee hij getrouwd was en één keer tijdelijk, waarbij hij het afscheid niet altijd even scrupuleus aanpakte. Hij zette ook twee kinderen op de wereld, maar bleek een belabberde vader. Hij vond kinderen eigenlijk vrij irritant. Nadat hij bevriend raakte met Kees van Kooten en hij eens met Van Kooten's gezin aan tafel zat, blafte hij Kim van Kooten, die uit verlegenheid een liedje begon te neuriën toe: "NIET neuriën!". Zijn eigen dochters kijken niet terug op een warme en beschermde jeugd. Hun ouders waren veel afwezig en lieten hen ook 's avonds vaak alleen om ergens feest te gaan vieren en onder kunstenaars te zijn.
Campert heeft in zijn leven ongelofelijk veel alcohol verstouwd en bij kans nog meer gerookt. Hij moet een ijzeren gestel hebben gehad, want hij werd desondanks twee-en-negentig.

Omdat hij deel uitmaakte van de groep literatoren die zich 'De Vijftigers' noemden, vertelt het boek van Van Hengel ook veel over de andere leden van dit gezelschap. Onder andere dat men met enige regelmaat vrouwen aan elkaar doorgaf. Promiscuïteit was aan de orde van de dag, waarbij het lijkt alsof beide seksen daar in gelijke mate van genoten. Toch vraag ik me af in hoeverre de levensstijl van de toenmalige artistieke kringen in de huidige tijd, en dan vooral door vrouwen, acceptabel zou worden gevonden. De vrouwen van de Vijftigers waren namelijk meestal zelf geen schrijver of anderszins kunstenaar. Aan de gelijkwaardigheid van beide partners in al die relaties kan worden getwijfeld. Alleen Fritzi ten Harmsen van Beek (de tweede vrouw van Campert) heeft als dichteres enige naam gemaakt.
Eén en ander laat ook zien hoever de toenmalige kunstenaarskringen in de jaren vijftig en zestig buiten de normale maatschappij stonden. In de rest van Nederland was, vooral in de jaren vijftig, stijve burgerlijkheid de norm.
Wat als verzachtende omstandigheid kan worden genoemd is het gegeven dat Remco Campert zelf ook niet bepaald een normale jeugd had. Zijn vader Jan Campert, die vooral tijdens de oorlog bekend werd als schrijver van het gedicht 'De achttien dooden', leefde al voor de oorlog als een bohemien en was sinds 1932 gescheiden van Remco's moeder, de actrice Joeki Broedelet. Deze liet de opvoeding van Remco grotendeels over aan zijn grootouders en in laatste instantie zelfs aan een pleeggezin, terwijl ze zelf aan het werk was als actrice.

Hoewel het lezen over de capriolen van de toenmalige artistieke beau monde een zekere amusementswaarde heeft, heb ik ook het boek van Van Hengel niet helemaal uitgelezen. 
De schrijfster zit ook wat te dicht op haar onderwerp, wat mij betreft. 
Het boek werd geschreven terwijl Campert nog in leven was en Van Hengel mag door Camperts archief scharrelen, terwijl hij er zelf vaak bij zit. 
Ik zou niet willen beweren dat een biograaf bij het schrijven zijn onderwerp te allen tijde ook kritisch moet benaderen, maar de manier waarop dit boek tot stand is gekomen, maakte dit al bij voorbaat lastig.

Ja, De Kunst; het weet wat. Zestig jaar geleden moest in Campert's kringen alles ervoor wijken. Kunstenaars  zweefden als God tussen hemel en aarde, ogenschijnlijk met een totaal gebrek aan maatschappelijke betrokkenheid.
Het is me niet duidelijk of dit beeld nu uniek is voor de jaren vijftig en zestig, of dat dit vooral gold voor de groep rond de vijftigers. Het universum van iemand als Reve komt maar zeer ten dele overeen met dat van de laatstgenoemde groep, maar staat op z'n eigen manier geheel buiten de maatschappelijke realiteit.
De periode dat kunstenaars zich verenigden onder een gezamenlijke noemer, of door de kritiek onder één noemer werden gebracht, lijkt achter ons te liggen. Hoewel ik me uit de jaren '80 en '90 nog de 'Maximalen' kan herinneren.
Maar Joost Zwagerman en René Stouten zijn ook al weer jaren dood.





dinsdag 30 juni 2026

Je leest weer 's een boek, of: op weg naar het einde

























Herstellende van een operatie, waarover ik voor dit moment even niet in detail wil treden, heb ik ongeveer zes weken in depressief makende inertie doorgebracht. Ook met dat laatste zal ik de lezer niet teveel vermoeien, maar één en ander nam, onder andere, de vorm aan van veel nutteloze uren op internet. Vooral die zogenaamde 'shorts' van YouTube zijn, ondanks het vaak volslagen debiele gehalte van de filmpjes, zonder meer verslavend. Je blijft klikken tot er weer een halve dag is verstrekken, om vervolgens te constateren dat het werkelijk niets anders heeft opgeleverd dan verbeuzelde tijd. En als je, om met Reve te spreken, op weg bent naar het einde, is dat een tamelijke sneue constatering. De laatste fase van het leven moet met iets beters te vullen zijn. 
Voor  u nu van alles gaat denken: ik ben niet méér of sneller op weg naar het einde dan elk willekeurig ander mens, maar soms is het besef dat vroeg of laat de koek op is wat sterker aanwezig dan op andere momenten.
Een weekje geleden had ik qua YouTube-verslaving kennelijk mijn tax bereikt; ik besloot naar de bibliotheek te wandelen om een paar boeken te lenen. Geen romans, natuurlijk. Ik heb hier al vaker betoogd dat als ik lees, ik liever over èchte levens lees. 

Over Hermans en Mulisch heb ik op dit blog al eens geschreven, Aan Reve, volgens de canon eveneens behorend tot de zogenaamde 'grote drie' van de Nederlandse literatuur uit de tweede helft van 20e eeuw, heb ik tot nu toe nooit veel woorden besteed. 
Vanzelfsprekend heb ik in de loop der jaren wel het nodige meegekregen over zijn kleurrijke levensloop. En ik heb een paar boeken van hem gelezen. Ook was ik mezelf ervan bewust dat geen enkele andere Nederlandse schrijver een fanbase had, en heeft, die vergelijkbaar is met die van Reve. De 'reviaan' is een bestaand type mens, en ik vermoed dat de revianen er tot in lengte van jaren voor zullen zorgen dat Reve voorlopig niet vergeten wordt.

Derhalve was één van de boeken waarmee ik thuiskwam het eerste deel van de Reve-biografie van Nop Maas 'De vroege jaren 1923 - 1962'.
Snel samengevat was het lezen daarvan een tamelijk bevredigende ervaring, hoewel Maas als schrijver zelf ook wat merkwaardige trekjes vertoont. Zo hecht hij eraan om 'kloeg' te schrijven als hij 'klaagde' bedoelt. Deze schrijf- en zegswijze schijnt hier en daar in Vlaanderen nog voor te komen, maar is in Nederland nauwelijks bekend c.q. uitgestorven. Ook is er bij de biograaf een zekere voorkeur voor het gebruik van moeilijke woorden, ook als er een voor iedereen te begrijpen Nederlands equivalent voor bestaat. Maas schrijft 'irenisch' als hij 'vredelievend' bedoelt, bijvoorbeeld. 
Gelukkig worden de noten direct onderaan de betreffende pagina weergegeven. Ze zijn, om het eufemistisch uit te drukken, nogal talrijk. Steeds naar het eind van het hoofdstuk, of achterin het boek bladeren zou het leesplezier behoorlijk hebben bedorven.
De mate van detail leidde er soms wel toe dat ik regelmatig een paar bladzijden diagonaal las, tot mijn oog weer bleef hangen aan een naam of een zinsnede die mijn aandacht trok.

Wat betreft Reve's eerste veertig levensjaren zijn er twee dingen die er wat mij betreft uitspringen.
Ten eerste is daar het gegeven dat de schrijver, na het succes van zijn eerste boeken ('De avonden' en 'Werther Nieland/ De ondergang van de familie Boslowits') meer dan tien jaar op zoek is geweest naar zichzelf en naar de literaire vorm waarmee hij uiteindelijk pas ècht deel van de eerder genoemde 'grote drie' werd. 
Hoewel Maas het verhaal van deze periode doorspekt met lachwekkende anekdotes, is de algemene indruk van Reve in deze periode toch die van een getormenteerd mens, die bovendien vaker wel dan niet een plaag is voor zijn omgeving. Hij is weinig productief en zijn leven wordt vooral door anderen bekostigd. 'Parasitair is een woord dat opkomt.
Dat parasitaire, en dat is het tweede dat nogal op de voorgrond treedt, geldt vooral voor zijn huwelijk met Hanny Michaelis. Zij heeft nogal wat van Reve moeten verduren en heeft voor de steun die ze hem, gedurende de elf jaar dat ze met hem getrouwd was, gaf betrekkelijk weinig teruggekregen. 
Men kan zich afvragen wat er gebeurd zou zijn als Reve zich eerder had verzoend met zijn homoseksualiteit, en hij de relatie met Michaelis nooit was aangegaan. Er waren dan, naar mijn idee, twee opties geweest: één: Reve had eerder zijn vorm gevonden en was al in een veel eerder stadium een groot schrijver geworden, of twéé: hij was volledig vastgelopen in zijn neuroses, financiële problemen en algemene onaangepastheid, en was daar al ver voor zijn veertigste levensjaar aan ten onder gegaan.

Hoe dan ook, ondanks het gegeven dat het boek uitstekend leesbaar is, is het geen lectuur waar je van opknapt, als je eigen levensvreugde even wat minder is..
Deel 2 van de biografie heeft als ondertitel 'De rampjaren' Ik denk dat ik het lezen daarvan nog maar even uitstel. Het kan, in het geval van Reve, kennelijk allemaal nóg erger.

Van de weeromstuit ging ik aansluitend even op zoek naar wat ik zelf van Reve had staan en het eerste dat ik vond was 'Oud en eenzaam'. 
Daarin komt onder andere de bouw van zijn geheime kasteel 'Notre Reine' op een "platte, 749 m. hoge berg" aan de orde. Reve noemt ook het dorp La Paillette, dat er vlakbij ligt. Mijn fascinatie voor plekken waar iets gebeurd is, al dan niet schuldige landschappen zo u wilt, bracht me ertoe om via GoogleMaps en internet te achterhalen waar 'Notre Reine' precies lag.
Die zoektocht leidde me onder andere naar het blog Keesjemaduraatje
De maker van het blog had Reve's Franse stulpje, ondanks het feit dat hij een zelfbenoemd reviaan is, nooit ècht bereikt, maar in de reacties gaf iemand de coördinaten in lengte- en breedtegraden en zo weet ik nu precies waar het ligt; 5 km. ten zuiden van Vesc, in de Drôme, Frankrijk.

Uit de kop van het blog ("0ver Palestijnen, terrorisme, islam, Israël misstanden en persoonlijke belevenissen") bleek echter dat het reviaanse verhaal een uitzondering op de regel was. De schrijver, die in het echt ook Kees heet, put zich al sinds december 2005 voornamelijk uit in agitprop tegen de Palestijnse zaak en de Islam, en vóór Israël. Zeker in de eerste jaren scheef hij honderden berichten per jaar. Na het lezen van een paar van die berichten kom je tot de conclusie dat het woord 'rabiaat' hier op z'n plaats is; elke nuance ontbreekt. Kees ziet slechts één kant van de zaak; de tienduizenden doden in Gaza spelen in zijn overwegingen geen enkele rol.
Eén en ander was dusdanig intrigerend, dat ik nog even verder zocht op 'keesjemaduraatje'. Uiteindelijk vind je dan dat Kees ook actief was in de krakersbeweging van de jaren tachtig.

Het kan verkeren.
 
Ooit stuitte ik op de theorie dat links en rechts extremisme, naarmate ze extremistischer worden, zich soms in een soort tegenstelde cirkelbeweging bewegen, waardoor ze uiteindelijk elkaar naderden en links-extremisme bij individuen soms vrij abrupt kan omslaan in rechts-extremisme.  
Hoewel het misschien te ver gaat om Pim Fortuyn een extremist te noemen, zijn er wel mensen geweest die zijn omslag van radicaal links naar radicaal rechts op deze manier hebben verklaard. Ook Reve maakte een dergelijke omwenteling in denken door en om bij mezelf te blijven: zonder dat ik het toen in de gaten had was ik lang geleden zelf ook 'rechts', waarna ik van lieverlee steeds 'linkser' ben geworden. Maar ik geloof dat ik er redelijk in ben geslaagd om weg te blijven van extremisme.

Hoe een vrij onschuldige obsessie met 'plekken', na het lezen van een biografie waarin verloren tijd een grote rol speelt, uiteindelijk leidt tot het opduikelen van nòg iemand die zijn tijd en energie op grote schaal verspilt met bezigheden die uiteindelijk tot niets positiefs leiden.

Ook Kees, die waarschijnlijk niet veel jonger is dan ik, is op weg naar einde.  
Soms probeer ik me wel eens een voorstelling te maken van waar je aan zou kunnen denken als je laatste uur geslagen heeft. Dat je dan hopelijk het idee hebt dat je, ondanks alles, je leven niet verspild hebt, bijvoorbeeld
In de biografie van Reve komt ergens, eind jaren vijftig, ook nog een brief van W.F. Hermans aan Reve aan de orde, waarin hij aangeeft ten aanzien van laatstgenoemde "agressief medelijden" te voelen. Hij was  het geklaag en de vruchteloze pogingen van Reve om een  Engelstalige schrijver te worden een beetje zat, en zei om die reden de aanvankelijke vriendschap min of meer op.
Zelf ben ik het totaal niet eens met de politieke stellingname van Keesjemaduraatje, maar meer nog ben ik ontdaan door de zinloosheid van zijn al twintig jaar voortdurende fanatisme. Naast wrevel met betrekking tot zijn politieke standpunt, voel ik een zekere medelijden. Ik heb, bij wijze van spreken, met hem te doen.
Agressief medelijden; ik begrijp nu pas goed wat Hermans daarmee bedoelde, denk ik.

woensdag 29 oktober 2025

Door Zweden en Denemarken naar huis




















Het afscheid van de Døvrefjell viel niet ècht zwaar. 
Het weer was na een paar dagen met veel zon, maar van lieverlee dalende temperaturen weer buiïger geworden. Op onze laatste dag aldaar zouden vlakbij, in Dombås,  de eerste sneeuwvlokken van na de zomer zijn gevallen. We hebben ze zelf niet gezien, maar het alwetende Google dacht het te weten. Bovendien wilden we genoeg tijd overhouden voor de thuisreis en tegelijkertijd ook nog wat van Zweden zien.

Eind jaren '90 van de vorige eeuw was ik al eens in Zweden, maar heb toen alleen Stockholm gezien. Het was een studiereis met de studentenvereniging Stylos van de Faculteit Bouwkunde van de TU-Delft, waar ik toen werkte. Veel kan ik me er niet meer van herinneren, maar wèl dat hier en daar lussen van electriciteitsdraden uit regenwaterafvoeren, die op de openbare weg uitkwamen, staken. Het bleek dat die in vorstperiodes met sneeuw de regenpijpen verwarmden, om te voorkomen dat ze verstopt raakten met ijs, waardoor bij de eerste dooi de dakgoten zouden gaan overlopen, waarbij het dooiwater ongecontroleerd op straat zou kletteren.

De reis van Dovrefjell  richting Zweden liep in ons geval via het Gudbrandsdal, Hamar, Elverum en Kongsvinger. Vanaf Elverum loopt de weg door de vallei waardoor de Glomma stroomt . Een rustige rivier, die vanwege de vele zandbanken soms een beetje aan de Loire doet denken. De weg loopt hier hoofdzakelijk door cultuurland, met vrij veel bewoning. De bossen beginnen pas op een enige afstand van de rivier .
We overnachtten, net ten noorden van Kirkenær, op een parkeerplaatsje langs de weg èn naast de rivier, met een keurig onderhouden toilet; de campings op dit deel van de route zijn schaars. 's Morgens bij het eerste ochtendkrieken hoorden we wat gerucht bij het toilet; de schoonmaker (m/v; we hebben hem of haar niet gezien) deed zhaar werk. Toen we eenmaal ècht wakker waren en de zon boven de heuvel aan de andere kant van de weg uitkwam, bleken en op de zandbanken in de rivier groepen van tientallen kraanvogels te bivakkeren. Vrij ver weg, maar met de kijker goed te herkennen.

































Kongsvinger is een oude vestingplaats met een serieus, hooggelegen fort, dat de vallei en de rivier overziet. Waarschijnlijk is de plaats een uitgebreider bezoek waard, maar wij hebben er bij de lokale Circle K slechts onze auto opgeladen en koffie met koek genuttigd.
Na het passeren van Kongsvinger wordt het landschap weer bossiger en minder gecultiveerd. Bij de grens is geen enkele sprake van enige douane-activiteit, ondanks het gegeven dat Noorwegen in economische zin niet bij de de Europese Unie hoort. Wèl valt op dat er direct ná de grens meer Noorse auto's rijden dan Zweedse. Het vermoeden rijst dat veel Noren uit de grensstreek boodschappen doen in Zweden.
Het landschap blijft grotendeel hetzelfde: veel bos, met hier en daar plukjes cultuurland. Wel zijn er nu ook de nodige meren van variërende grootte en weer veel vakantiehuisjes, vooral bij de meren. 
Bij Åmål bereiken we bijna de oever van het Vänernmeer. Het is volgens Wikipedia het grootste meer van de Europese Unie, maar blijft echter voorlopig nog verborgen achter de horizon, omdat de weg naar het zuiden op enkele kilometers van het meer blijft. Die weg leidt vanaf hier weer door uitgebreide graanvelden
Vijftig kilometer verder vinden een aardige landelijke camping aan het meer, met een klein jachthaventje. Vandaar naar het noordoosten kijkend is er inderdaad een strakke horizon met alleen maar water. De overkant van het meer is niet te zien.































Hier is aan de oever van het meer nog het een en ander aan bos. 
Het weer in Zweden is op dat moment een stuk beter dan in Noorwegen. De temperatuur zit hier overdag nog rond de 20 graden en het is zonnig.

De volgende dag rijden we door in de richting van Vänersborg, dat een mooi oud centrum blijkt te hebben, met veel gebouwen die meer dan honderd jaar oud zijn. Ook een uitgebreider bezoek waard, vermoed ik. Wij gaan echter door naar Hunnebergs Gård, een combinatie van een kleine camping en een hostel, waar je een kamer kunt huren en daar overnachten. Men heeft in het hostel ook weer een grote keuken waar we een eenvoudige, doch voedzame maaltijd kunnen bereiden, die we vervolgens nuttigen in de grote 'huiskamer'. Het hostel is gevestigd in statig 19e eeuws landhuis. Slapen doen we in ons campertje. We zijn er een paar dagen gebleven. Een fijne rustige plek, met een paar oude loofbomen, waarin we regelmatig Boomklevers en Spechten horen en zien.

















Het landhuis ligt tussen het stadje Vargön en het natuurreservaat Hunneberg - Halleberg. Aan dat reservaat zit een bijzonder verhaal vast. Het vormt een soort enclave in het omringende, tamelijk grootschalige cultuurland, dat daarnaast wordt gekenmerkt door een paar flinke stedelijke agglomeraties. Naast Vänersborg en Vargön ligt namelijk ook de industriestad Trollhättan, ooit de hoofdvestigingsplaats van SAAB, op minder dan 10 km. van het gebied.
Hunneberg - Halleberg bestaat uit twee plateau's die zich een kleine honderd meter boven het omringende vrij vlakke landschap verheffen. Het zijn een soort tafelbergen die bestaan uit vulkanisch gesteente, het gevolg van een ondergrondse vulcanische eruptie van miljoenen jaren geleden, waarbij de lava zich als een pannekoek in de ondergrond heeft verspreid. Na de stolling daarvan heeft zich, in de miljoenen jaren daarna een proces van bodemdaling en erosie voltrokken, waardoor de pannekoeken van graniet aan de oppervlakte zijn gekomen en uiteindelijk als genoemde tafelbergen boven het omringende gebied uitsteken.
Deze tafelbergen hebben nu een toplaag van veen, begroeid met bos. Sommige delen liggen lager dan andere en daar hebben zich moerassen en meertjes gevormd.





































Het gebied is klein; Hunneberg en Halleberg zijn samen pakweg 70 vierkante kilometers groot, desondanks herbergt het gebied ongeveer 90 elanden. Beide plateaus worden gescheiden door een vijfhonderd meter brede vallei, die ruwweg van zuidwest naar noordoost loopt.
We hebben er een paar wandelingen gemaakt. Onder andere naar de noordelijk punt van Halleberg, die steil afdaalt in het Vänernmeer en een wijds uitzicht over dat meer biedt. Zie het plaatje waarmee dit bericht opent.
Helaas hebben we opnieuw geen eland gezien.

Door dit deel van Zweden loopt ook het Götakanaal, dat zuid Zweden doorsnijdt van Söderköping aan de Baltische Zee tot Gotenburg aan de Skagerak/Noordzee. Het kanaal maakt daarbij zoveel mogelijk gebruik van bestaande meren en rivieren en passeert ook het Vänernmeer. Omdat het Vänernmeer enkele tientallen meters boven zeeniveau ligt is onder andere bij Trollhättan een sluizentrap aangelegd met kolken die per stuk een verval van om en nabij de tien meter hebben. Wat meer dan we in Nederland gewend zijn; hier is dat zelden meer dan 2 m. We zijn er natuurlijk even gaan kijken. Het heeft nog steeds enige economische betekenis, maar meeste gebruikers zijn plezierboten.





































De verdere reis verliep, om een beetje op te schieten, voornamelijk over autosnelwegen. Eerst langs Gotenburg naar Malmö, waar we nog een korte stop hebben ingelast in Falsterbo, net ten zuiden van Malmö. 
Het was inmiddels eind augustus en we hadden enige hoop dat er misschien al wat van de vogeltrek te zien zou zijn. Want om dat laatste staat Falsterbo bekend. Omdat de Sont, de zeestraat tussen Zweden en Denemarken hier op z'n smalst is, kiezen veel vogels die vanuit Scandinavië naar het zuiden willen deze plek om over te steken naar Denemarken. 
Onderweg, tussen Gotenburg en Malmö zagen we vanuit de auto regelmatig één of meerdere Rode Wouwen; mogelijk waren ze op weg naar Falsterbo.
Het dorp Falsterbo zelf doet denken aan de dorpen op de Nederlandse en Duitse Waddeneilanden. Er staan veel huizen en huisjes van rond de eeuwwisseling 1900 en ik vermoed dat het van oudsher populair is als badplaats.
Wij hebben een half uurtje rondgewandeld over de golfbaan die het dorp scheidt van de zee en even gepost bij het pittoreske vuurtorentje, maar de enige vogel die zich, buiten enkele kokmeeuwen, vertoonde was een havik. En dat is, bij mijn weten, niet eens een trekvogel.



















Zweden beviel ons wel. 
De natuur in Zuid Zweden is minder groots dan op de Lofoten, op de Noorse hoogvlakten en bij de Noorse fjorden, maar in vergelijking met Nederland nog steeds heel uitgestrekt en oorsppronkelijk. Ook vanaf de snelweg tussen Trollhättan en Malmö was er landschappelijk nog genoeg te genieten. Het lijkt erop dat Zweedse horeca wat betaalbaarder is dan die in Noorwegen. Bij het bezoekerscentrum van Hunneberg genoten we van een uitstekende warme lunch tegen een heel redelijk bedrag. De Zweden zelf zijn ook wat toeschietelijker dan de Noren, lijkt het. Misschien moeten we het land in de toekomst nog eens wat uitgebreider bekijken.



















Over de snelweg op weg naar de brug over de Sont zie je weinig van Malmö, hoewel de stad vlak naast de brug ligt. Hetzelfde geldt voor Kopenhagen, dat eveneens net te noorden van de brug ligt. De brug zelf is een imposant ding, net als de brug over de Grote Belt, anderhalf uur rijden verderop.
Na Noorwegen en Zweden is het Deense landschap nogal gewoontjes; Zuid Limburg is op veel plekken mooier.
We overnachten wederom op een parkeerplaats, waar zomaar een heel troepje Roeken zit, een vogel die we in Nederland betrekkelijk zelden zien.



















Na nog een laatste brug, over de Kleine Belt, zijn we op het vasteland van Jutland en slaan we af richting Duitsland.

Het noorden van Duitsland confronteerde ons met de nodige files rond Hamburg en tussen Hamburg en Bremen. Men is daar al een aantal jaren met nogal ingrijpende wegwerkzaamheden bezig, waar we al eerder, en nog veel erger dan nu het geval was, mee te maken hebben gehad. We gaan binnenkort graag nog eens terug naar Scandinavië, maar beginnen het te betreuren dat alle routes er naar toe door Duitsland lopen.

Thuisgekomen blijkt dat de auto sinds vertrek uit Nederland zo'n 7000 km. heeft afgelegd. Ik heb daarvan maar ongeveer de helft meegemaakt. Mijn vrouw heeft elke kilometer gereden. Dat was haar wens en ze heeft er eveneens van genoten. 
Het was een road trip in z'n meest genietbare vorm.











zondag 15 december 2024

Het hart van Frankrijk

 


















Frankrijk is een regelmatig terugkerend thema op dit blog.

Ook deze zomer werd het land door de redactie van Het Ondermaanse weer bezocht en misschien verval ik in herhaling, maar de liefde voor dit op twee na grootste land van Europa blijft groeien. Met de aantekening dat je jezelf kunt afvragen in hoeverre de nummers 1 en 2, qua grootte, tot Europa kunnen worden gerekend. Nummer 1, Rusland, ligt voor het grootste deel in Azië en Oekraïne mag van Rusland niet bij Europa horen.
Frankrijk is ook zo'n land waarvan veel mensen het silhouet, dat de buitengrenzen vormen, wel herkennen. Als je het bij de grote lijnen houdt, kun je constateren dat dit silhouet zes hoeken heeft, reden waarom de Fransen zichzelf wel Les Hexagones noemden. 


























Die bijnaam is vooral bij oudere Fransen nog bekend, denk ik.
 
De Franse cultuur in zijn algemeenheid is wat aan slijtage onderhevig. 
Door een speling van het lot kwamen we in zes weken tijd één keer in een Nederlandse en wel twee keer in een Franse vestiging van MacDonalds terecht, waar we konden constateren dat aan het interieur en de manier waarop je tegenwoordig bij deze keten geacht wordt je bestelling te plaatsen (via een groot touchscreen) niet was te zien in welk land je was. Het interieur in Nederland en Frankrijk is exact gelijk. De taal waarin de etenswaar op het scherm werd gepresenteerd was weliswaar nog die van het land in kwestie, maar het is waarschijnlijk een kwestie van tijd voor in elke MacDonalds, waar ook ter wereld, Engels de voertaal wordt. 

Gelukkig verkeren wij in Frankrijk meestal en campagne
Bijna schreef ik: 'platteland', maar dit woord is in deze zeshoek zelden op z'n plaats. Hoe dan ook; in dit al dan niet golvende, of zelfs regelrecht bergachtige buitengebied zijn tendenzen als de bovengenoemde nog nauwelijks merkbaar.
Gelukkig niet, want waarom zou je genoegen nemen met de prijs/kwaliteitverhouding van MacDonalds, als je rond het middaguur in het eerste dorpsrestaurant dat je tegenkomt een menu kunt eten  voor iets tussen de vijftien en twintig euro, waarna je 's avonds aan een stuk stokbrood en een kop soep voldoende hebt? 
De Franse arbeiders hebben dat al heel lang door. Bij MacDonalds zie je ze niet, maar in die dorps-restaurants, vaak gevestigd op de kruising van twee D-wegen en in een dorp waar, buiten een bakker, meestal geen enkele winkel meer te vinden is, wèl. Een broodtrommeltje van thuis meenemen doen ze niet. 
En omdat een exotisch spreekwoord luidt: Sī fuerīs Rōmae, Rōmānō vīvitō mōre; sī fuerīs alibī, vīvitō sīcut ibī, wat je meestal ziet in de Engelse uitvoering als: When in Rome, do as the Romans do, is voor ons de keus niet moeilijk. Het is niet alleen eten, maar ook sfeer snuiven.
In Frankrijk kun je eten met een prijs/kwaliteitsverhouding die je doet beseffen dat de Nederlandse restauranthouders voornamelijk mensen zijn die snel rijk willen worden, en dat proberen klaar te spelen door een minimum aan kwaliteit te leveren voor veel geld. 
Sinds we daarachter zijn laten wij ons in het land van de zeshoekigen graag het één en ander voorzetten.

We waren dit jaar achtereenvolgens in de Savoie (Saint-Jean-de-Sixt, om precies te zijn), De Doubs (Saint-Hippolyte), de Berry (Vesdun en La Minat, de plek waar onze katten geboren zijn) en de Brenne (Rosnay). Eén en ander gespreid over één keer twee weken en na een paar weken thuis nogmaals een week..
Tijdens de eerste reis waren we eigenlijk al na België achter ons te hebben gelaten in de campagne
Vanaf Charleville-Mèzieres lieten we de snelwegen voor wat ze waren en hebben we, zowel heen als terug de Franse D-wegen, en de enkele Routes Nationales die er nog zijn, gevolgd. Dat schiet vanzelfsprekend minder snel op dan de pèage, maar je bent al ècht in Frankrijk, je ziet veel meer, èn je komt die dorpsrestaurants tegen, waar ik het hiervoor over had. Langs de pèage heb je die niet.

Ooit schreef ik over het dorp Neung-sur-Beuvron en zijn omgeving dat het Franser dan Frans is en dat ik meende het hart van Frankrijk te hebben gevonden. Maar als je het puur meetkundig en geografisch gaat bekijken, ligt het echte hart, zoals dat is bepaald door het Institute Geographipque National, pakweg 120 km. verder naar het zuid-zuidoosten. 
De plek is te beschouwen als het punt waaraan je de zeshoek , waarvan hiervoor sprake was, kan optillen, terwijl die horizontaal en keurig in evenwicht blijft hangen.
Net gearriveerd op de camping te Vesdun keek ik op de 1 : 25.000 kaart van het gebied en daar stond het, ongeveer 2,5 km. ten noordwesten van het dorp; een vierkantje, omgeven door een rode ster: Centre de la France continentale.


























Vanzelfsprekend zijn we op de plek gaan kijken. 
Alsof God zelf het zo heeft bedacht, ligt het middelpunt op de top van een laag heuveltje, de Peu de Vesdun. Naderend vanuit het zuiden stelt het niet veel voor. Het is aan de zuidkant bebost, maar naar het noorden ligt een lange, flauwe helling. In die richting heb je tientallen km's vrij uitzicht.


















Op de heuvel aangekomen denk je even dat het middelpunt in het terrein geen markering heeft gekregen, maar als je even wat verder doorloopt blijkt die er wel degelijk te staan. Half verscholen in een bosrandje staat een uit houten balken en planken samengestelde piramide op een betonnen voetstuk. Het monumentale ding, dat pakweg een meter of zes hoog is, ontbeert verder elke aanduiding van wat het markeert, maar de kaart op de telefoon, die ook onze positie laat zien, maakt het zonneklaar dat we hier bij het middelpunt van Frankrijk zijn aangekomen.

























Dat die ontbrekende verklaring van wat die piramide voorstelt heel merkwaardig is, wordt mede geïllustreerd door het feit dat diverse dorpen in de directe omgeving claimen dat het middelpunt van Frankrijk in hun gemeente ligt. Vesdun, bijvoorbeeld, heeft z'n eigen monumentje waarvan het beweert dat dit het hart van Frankijk markeert.

Maar er is meer dat dit gebied, in Frankrijk bekend als de Berry, heel erg Frans maakt, namelijk het feit dat één van de beroemdste romans uit de Franse literatuur er voor een groot deel speelt. 
In Nederland kennen waarschijnlijk alleen universitaire studenten Frans het boek nog, maar in Frankrijk weet iedereen met een klein beetje gevoel voor cultuur, en dat zijn er in Frankrijk aanzienlijk meer dan in Nederland volgens mij, welk boek ik bedoel.
De titel is Le Grand Meaulnes en vooral het eerste deel van het boek is min of meer een verbeelding van een jeugd op het Franse platteland rond 1900. 
Wat overigens ook in niet geringe mate heeft bijgedragen aan de status van het boek is het feit dat de schrijver, Henri Alain-Fournier al jong sneuvelde. Hij kwam al bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, in augustus 1914, om het leven. Het boek verscheen een jaar eerder, in 1913. Fournier werd zo en passant ook de verbeelding van de verloren generatie, die niet terugkeerde uit de oorlog.
Zelf heb ik het, door mijn nog immer niet verholpen gebrekkige beheersing van de Franse taal, gelezen in Nederlandse vertaling. Het is, behalve die sfeerbeschrijving van een adolescentie in de Berry anno 1900, een tamelijk wanhopige beschrijving van een gevonden en weer verloren liefde, die zich soms in een droom lijkt af te spelen. Ondanks het feit dat andere literaire grootheden het boek hebben geprezen, vond ik het uiteindelijk niet heel erg boeiend. 

In het dorp waar Alain-Fournier zijn jeugd doorbracht, Epineuil le Fleuriel, vijfentwintig km. ten noorden van Montluçon en 15 km. ten oosten van Vesdun, staat het schooltje waar hij lezen en schrijven heeft geleerd. Tegenwoordig is het een museum, waar van alles rond de schrijver van Le Grande Meaulnes te vinden is: foto's, brieven, en andere documenten. Het interieur is ook min of meer teruggebracht in de staat waarin het rond 1900 verkeerde en toont dus een Franse basisschool op het platteland uit die periode. We hebben de school bezocht en voelt als een soort tijdmachine. Het geheel ademt weemoedige nostalgie.

Frankrijk heeft, veel sterker dan in Nederland het geval was, in de afgelopen eeuw een trek van het platteland naar de stad  meegemaakt. Het werd steeds minder een land van boeren, en steeds meer een natie van industrie-arbeiders en bureau-werkers.
Sindsdien is ook een ander fenomeen zichtbaar geworden: veel Franse stedelingen zien het platteland als een verloren Arcadië. 
Misschien hebben ze een opa of oma, die er nog steeds woont en die soms, als de afstand niet te groot is, op een zomerse zondag wordt opgezocht. Maar ook als dat niet het geval is kennen veel stadsbewoners dat gevoel van een verloren paradijs. Hun voorouders woonden een eeuw geleden in veel gevallen nog in een klein dorp of op een boerderij. 
Zonder er zelf ooit gewoond te hebben, ervaren ze een vage heimwee naar de kleinschalige eenvoud van la campagne.

Ik vermoed zo maar, dat de bekendheid en de nog immer voortdurende populariteit van Le Grande Meaulnes een uiting is van die heimwee.



zaterdag 25 mei 2024

Richard Rorty en Philip Larkin

foto: Sohu.com
foto: Faye Godwin


Na het schrijven van mijn vorige stukje, over het wereldbeeld dat een mens bewust of onbewust ontwikkelt, schoten me ineens twee andere namen te binnen die het één en ander aan mijn wereldbeeld hebben bijgedragen.

Lang geleden, nog in de tijd dat ik bezig was met filosofen als Nietzsche en Wittgenstein, las ik een boek van Richard Rorty. Ik heb de titel moeten terugzoeken; waarschijnlijk was het 'Contingentie, ironie en solidariteit'
Nu ik in tweede instantie wat hedendaagse teksten over Rorty  lees, zie ik dat hij tegenwoordig wordt beschouwd als de godfather of postmodernism. 
Over het algemeen moet ik niet veel hebben van postmodernistische filosofie; het komt mij te vaak neer op zo goed als onleesbare teksten, die geen ander doel lijken hebben dan aantonen dat de waarheid niet bestaat en, erger nog, dat elke moraliteit ook maar een tijd- en plaatsbepaalde constructie is, en als zodanig eigenlijk niet ter zake doet. Rorty, daarentegen, schreef in vrij begrijpelijke taal dingen die wèl bij mij aankwamen als te overwegen inzichten. 

Eén van de zaken die Rorty handen en voeten gaf op individueel en daarnaast op gemeenschappelijk niveau, was het begrip contingentie, het idee dat iets waar kan zijn, maar niet noodzakelijkerwijs waar. Ook het toeval en de context spelen een rol. Rorty vertaalt "contextl"  hier als persoonlijk en cultureel bepaald. Absolute waarheid is in praktische zin en in het dagelijkse leven volgens hem een onbruikbaar iets. 
Het lemma 'Contingentie' op Wikipedia legt Rorty's visie op het begrip min of meer uit zoals ik het me herinner uit het boek. Om het mezelf niet te moeilijk te maken citeer ik het hier onverkort:

De Amerikaanse postmodernistische en pragmatische filosoof Richard Rorty voert deze tendens tot de uiterste consequentie door in zijn filosofie: volgens hem zou de filosofie zich überhaupt niet langer moeten bekommeren om de vraag of iets een universele waarheid is of contingent. Alle ideeën zijn immers contingent en cultureel bepaald; de filosofie kan zich bijgevolg beter bezighouden met de interpretatie van ideeën als cultureel product en ondergeschikt zijn aan de morele praxis: het is beter gewoon goed te handelen in plaats van zich druk te maken over de universele gelding van de algemene norm die aan dat handelen ten grondslag zou liggen. Ook zijn eigen opvatting is volgens Rorty slechts contingent waar: het is een levensleer waarmee hijzelf praktisch leven kan en die hij slechts wil suggereren aan de lezer. Enige pretentie een noodzakelijke waarheid te verkondigen, zou ontbreken.

De oplettende lezer ziet hier meteen de relatie met de begrippen bubble en wereldbeeld, waar mijn vorige stukje over ging, en ook met de laatste zin van dat stukje: het gegeven dat het uiteindelijk een persoonlijke keuze is waar de grens tussen goed en kwaad wordt gelegd. Of, om het nog iets meer in de geest van Rorty uit te drukken, waar het grijze gebied tussen goed en kwaad onmiskenbaar overgaat in zwart.
Want wat is dat "goed handelen", waar in de Wikipedia-tekst sprake van is?

Van het één komt het ander.
Rorty laat in het bovengenoemde boek zien dat hij in de dichter Philip Larkin een geestverwant heeft gevonden; hij gebruikt diens gedicht 'Continuing to live' als motto.
Ik had tot ik Rorty's boek las nog nooit van Larkin gehoord, maar het bewuste gedicht trof me als weinig andere gedichten tot nu hebben gedaan. Later heb ik meer van Larkin gelezen en ook óver hem. Jonathan Raban, op dit blog al eerder  genoemd, schilderde in het ook al eerder genoemde 'Coasting' een prachtig portret van hem. 
Omdat het gedicht zo mooi aansluit bij gedachten over het fenomeen wereldbeeld, citeer in ook dat maar onverkort:

Continuing To Live


Continuing to live — that is, repeat

A habit formed to get necessaries —

Is nearly always losing, or going without.

   It varies.


This loss of interest, hair, and enterprise —

Ah, if the game were poker, yes,

You might discard them, draw a full house!

   But it's chess.


And once you have walked the length of your mind, what

You command is clear as a lading-list.

Anything else must not, for you, be thought

   To exist.


And what's the profit? Only that, in time,

We half-identify the blind impress

All our behavings bear, may trace it home.

   But to confess,


On that green evening when our death begins,

Just what it was, is hardly satisfying,

Since it applied only to one man once,

   And that one dying.