Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen

woensdag 29 oktober 2025

Door Zweden en Denemarken naar huis




















Het afscheid van de Døvrefjell viel niet ècht zwaar. 
Het weer was na een paar dagen met veel zon, maar van lieverlee dalende temperaturen weer buiïger geworden. Op onze laatste dag aldaar zouden vlakbij, in Dombås,  de eerste sneeuwvlokken van na de zomer zijn gevallen. We hebben ze zelf niet gezien, maar het alwetende Google dacht het te weten. Bovendien wilden we genoeg tijd overhouden voor de thuisreis en tegelijkertijd ook nog wat van Zweden zien.

Eind jaren '90 van de vorige eeuw was ik al eens in Zweden, maar heb toen alleen Stockholm gezien. Het was een studiereis met de studentenvereniging Stylos van de Faculteit Bouwkunde van de TU-Delft, waar ik toen werkte. Veel kan ik me er niet meer van herinneren, maar wèl dat hier en daar lussen van electriciteitsdraden uit regenwaterafvoeren, die op de openbare weg uitkwamen, staken. Het bleek dat die in vorstperiodes met sneeuw de regenpijpen verwarmden, om te voorkomen dat ze verstopt raakten met ijs, waardoor bij de eerste dooi de dakgoten zouden gaan overlopen, waarbij het dooiwater ongecontroleerd op straat zou kletteren.

De reis van Dovrefjell  richting Zweden liep in ons geval via het Gudbrandsdal, Hamar, Elverum en Kongsvinger. Vanaf Elverum loopt de weg door de vallei waardoor de Glomma stroomt . Een rustige rivier, die vanwege de vele zandbanken soms een beetje aan de Loire doet denken. De weg loopt hier hoofdzakelijk door cultuurland, met vrij veel bewoning. De bossen beginnen pas op een enige afstand van de rivier .
We overnachtten, net ten noorden van Kirkenær, op een parkeerplaatsje langs de weg èn naast de rivier, met een keurig onderhouden toilet; de campings op dit deel van de route zijn schaars. 's Morgens bij het eerste ochtendkrieken hoorden we wat gerucht bij het toilet; de schoonmaker (m/v; we hebben hem of haar niet gezien) deed zhaar werk. Toen we eenmaal ècht wakker waren en de zon boven de heuvel aan de andere kant van de weg uitkwam, bleken en op de zandbanken in de rivier groepen van tientallen kraanvogels te bivakkeren. Vrij ver weg, maar met de kijker goed te herkennen.

































Kongsvinger is een oude vestingplaats met een serieus, hooggelegen fort, dat de vallei en de rivier overziet. Waarschijnlijk is de plaats een uitgebreider bezoek waard, maar wij hebben er bij de lokale Circle K slechts onze auto opgeladen en koffie met koek genuttigd.
Na het passeren van Kongsvinger wordt het landschap weer bossiger en minder gecultiveerd. Bij de grens is geen enkele sprake van enige douane-activiteit, ondanks het gegeven dat Noorwegen in economische zin niet bij de de Europese Unie hoort. Wèl valt op dat er direct ná de grens meer Noorse auto's rijden dan Zweedse. Het vermoeden rijst dat veel Noren uit de grensstreek boodschappen doen in Zweden.
Het landschap blijft grotendeel hetzelfde: veel bos, met hier en daar plukjes cultuurland. Wel zijn er nu ook de nodige meren van variërende grootte en weer veel vakantiehuisjes, vooral bij de meren. 
Bij Åmål bereiken we bijna de oever van het Vänernmeer. Het is volgens Wikipedia het grootste meer van de Europese Unie, maar blijft echter voorlopig nog verborgen achter de horizon, omdat de weg naar het zuiden op enkele kilometers van het meer blijft. Die weg leidt vanaf hier weer door uitgebreide graanvelden
Vijftig kilometer verder vinden een aardige landelijke camping aan het meer, met een klein jachthaventje. Vandaar naar het noordoosten kijkend is er inderdaad een strakke horizon met alleen maar water. De overkant van het meer is niet te zien.































Hier is aan de oever van het meer nog het een en ander aan bos. 
Het weer in Zweden is op dat moment een stuk beter dan in Noorwegen. De temperatuur zit hier overdag nog rond de 20 graden en het is zonnig.

De volgende dag rijden we door in de richting van Vänersborg, dat een mooi oud centrum blijkt te hebben, met veel gebouwen die meer dan honderd jaar oud zijn. Ook een uitgebreider bezoek waard, vermoed ik. Wij gaan echter door naar Hunnebergs Gård, een combinatie van een kleine camping en een hostel, waar je een kamer kunt huren en daar overnachten. Men heeft in het hostel ook weer een grote keuken waar we een eenvoudige, doch voedzame maaltijd kunnen bereiden, die we vervolgens nuttigen in de grote 'huiskamer'. Het hostel is gevestigd in statig 19e eeuws landhuis. Slapen doen we in ons campertje. We zijn er een paar dagen gebleven. Een fijne rustige plek, met een paar oude loofbomen, waarin we regelmatig Boomklevers en Spechten horen en zien.

















Het landhuis ligt tussen het stadje Vargön en het natuurreservaat Hunneberg - Halleberg. Aan dat reservaat zit een bijzonder verhaal vast. Het vormt een soort enclave in het omringende, tamelijk grootschalige cultuurland, dat daarnaast wordt gekenmerkt door een paar flinke stedelijke agglomeraties. Naast Vänersborg en Vargön ligt namelijk ook de industriestad Trollhättan, ooit de hoofdvestigingsplaats van SAAB, op minder dan 10 km. van het gebied.
Hunneberg - Halleberg bestaat uit twee plateau's die zich een kleine honderd meter boven het omringende vrij vlakke landschap verheffen. Het zijn een soort tafelbergen die bestaan uit vulkanisch gesteente, het gevolg van een ondergrondse vulcanische eruptie van miljoenen jaren geleden, waarbij de lava zich als een pannekoek in de ondergrond heeft verspreid. Na de stolling daarvan heeft zich, in de miljoenen jaren daarna een proces van bodemdaling en erosie voltrokken, waardoor de pannekoeken van graniet aan de oppervlakte zijn gekomen en uiteindelijk als genoemde tafelbergen boven het omringende gebied uitsteken.
Deze tafelbergen hebben nu een toplaag van veen, begroeid met bos. Sommige delen liggen lager dan andere en daar hebben zich moerassen en meertjes gevormd.





































Het gebied is klein; Hunneberg en Halleberg zijn samen pakweg 70 vierkante kilometers groot, desondanks herbergt het gebied ongeveer 90 elanden. Beide plateaus worden gescheiden door een vijfhonderd meter brede vallei, die ruwweg van zuidwest naar noordoost loopt.
We hebben er een paar wandelingen gemaakt. Onder andere naar de noordelijk punt van Halleberg, die steil afdaalt in het Vänernmeer en een wijds uitzicht over dat meer biedt. Zie het plaatje waarmee dit bericht opent.
Helaas hebben we opnieuw geen eland gezien.

Door dit deel van Zweden loopt ook het Götakanaal, dat zuid Zweden doorsnijdt van Söderköping aan de Baltische Zee tot Gotenburg aan de Skagerak/Noordzee. Het kanaal maakt daarbij zoveel mogelijk gebruik van bestaande meren en rivieren en passeert ook het Vänernmeer. Omdat het Vänernmeer enkele tientallen meters boven zeeniveau ligt is onder andere bij Trollhättan een sluizentrap aangelegd met kolken die per stuk een verval van om en nabij de tien meter hebben. Wat meer dan we in Nederland gewend zijn; hier is dat zelden meer dan 2 m. We zijn er natuurlijk even gaan kijken. Het heeft nog steeds enige economische betekenis, maar meeste gebruikers zijn plezierboten.





































De verdere reis verliep, om een beetje op te schieten, voornamelijk over autosnelwegen. Eerst langs Gotenburg naar Malmö, waar we nog een korte stop hebben ingelast in Falsterbo, net ten zuiden van Malmö. 
Het was inmiddels eind augustus en we hadden enige hoop dat er misschien al wat van de vogeltrek te zien zou zijn. Want om dat laatste staat Falsterbo bekend. Omdat de Sont, de zeestraat tussen Zweden en Denemarken hier op z'n smalst is, kiezen veel vogels die vanuit Scandinavië naar het zuiden willen deze plek om over te steken naar Denemarken. 
Onderweg, tussen Gotenburg en Malmö zagen we vanuit de auto regelmatig één of meerdere Rode Wouwen; mogelijk waren ze op weg naar Falsterbo.
Het dorp Falsterbo zelf doet denken aan de dorpen op de Nederlandse en Duitse Waddeneilanden. Er staan veel huizen en huisjes van rond de eeuwwisseling 1900 en ik vermoed dat het van oudsher populair is als badplaats.
Wij hebben een half uurtje rondgewandeld over de golfbaan die het dorp scheidt van de zee en even gepost bij het pittoreske vuurtorentje, maar de enige vogel die zich, buiten enkele kokmeeuwen, vertoonde was een havik. En dat is, bij mijn weten, niet eens een trekvogel.



















Zweden beviel ons wel. 
De natuur in Zuid Zweden is minder groots dan op de Lofoten, op de Noorse hoogvlakten en bij de Noorse fjorden, maar in vergelijking met Nederland nog steeds heel uitgestrekt en oorsppronkelijk. Ook vanaf de snelweg tussen Trollhättan en Malmö was er landschappelijk nog genoeg te genieten. Het lijkt erop dat Zweedse horeca wat betaalbaarder is dan die in Noorwegen. Bij het bezoekerscentrum van Hunneberg genoten we van een uitstekende warme lunch tegen een heel redelijk bedrag. De Zweden zelf zijn ook wat toeschietelijker dan de Noren, lijkt het. Misschien moeten we het land in de toekomst nog eens wat uitgebreider bekijken.



















Over de snelweg op weg naar de brug over de Sont zie je weinig van Malmö, hoewel de stad vlak naast de brug ligt. Hetzelfde geldt voor Kopenhagen, dat eveneens net te noorden van de brug ligt. De brug zelf is een imposant ding, net als de brug over de Grote Belt, anderhalf uur rijden verderop.
Na Noorwegen en Zweden is het Deense landschap nogal gewoontjes; Zuid Limburg is op veel plekken mooier.
We overnachten wederom op een parkeerplaats, waar zomaar een heel troepje Roeken zit, een vogel die we in Nederland betrekkelijk zelden zien.



















Na nog een laatste brug, over de Kleine Belt, zijn we op het vasteland van Jutland en slaan we af richting Duitsland.

Het noorden van Duitsland confronteerde ons met de nodige files rond Hamburg en tussen Hamburg en Bremen. Men is daar al een aantal jaren met nogal ingrijpende wegwerkzaamheden bezig, waar we al eerder, en nog veel erger dan nu het geval was, mee te maken hebben gehad. We gaan binnenkort graag nog eens terug naar Scandinavië, maar beginnen het te betreuren dat alle routes er naar toe door Duitsland lopen.

Thuisgekomen blijkt dat de auto sinds vertrek uit Nederland zo'n 7000 km. heeft afgelegd. Ik heb daarvan maar ongeveer de helft meegemaakt. Mijn vrouw heeft elke kilometer gereden. Dat was haar wens en ze heeft er eveneens van genoten. 
Het was een road trip in z'n meest genietbare vorm.











zondag 15 december 2024

Het hart van Frankrijk

 


















Frankrijk is een regelmatig terugkerend thema op dit blog.

Ook deze zomer werd het land door de redactie van Het Ondermaanse weer bezocht en misschien verval ik in herhaling, maar de liefde voor dit op twee na grootste land van Europa blijft groeien. Met de aantekening dat je jezelf kunt afvragen in hoeverre de nummers 1 en 2, qua grootte, tot Europa kunnen worden gerekend. Nummer 1, Rusland, ligt voor het grootste deel in Azië en Oekraïne mag van Rusland niet bij Europa horen.
Frankrijk is ook zo'n land waarvan veel mensen het silhouet, dat de buitengrenzen vormen, wel herkennen. Als je het bij de grote lijnen houdt, kun je constateren dat dit silhouet zes hoeken heeft, reden waarom de Fransen zichzelf wel Les Hexagones noemden. 


























Die bijnaam is vooral bij oudere Fransen nog bekend, denk ik.
 
De Franse cultuur in zijn algemeenheid is wat aan slijtage onderhevig. 
Door een speling van het lot kwamen we in zes weken tijd één keer in een Nederlandse en wel twee keer in een Franse vestiging van MacDonalds terecht, waar we konden constateren dat aan het interieur en de manier waarop je tegenwoordig bij deze keten geacht wordt je bestelling te plaatsen (via een groot touchscreen) niet was te zien in welk land je was. Het interieur in Nederland en Frankrijk is exact gelijk. De taal waarin de etenswaar op het scherm werd gepresenteerd was weliswaar nog die van het land in kwestie, maar het is waarschijnlijk een kwestie van tijd voor in elke MacDonalds, waar ook ter wereld, Engels de voertaal wordt. 

Gelukkig verkeren wij in Frankrijk meestal en campagne
Bijna schreef ik: 'platteland', maar dit woord is in deze zeshoek zelden op z'n plaats. Hoe dan ook; in dit al dan niet golvende, of zelfs regelrecht bergachtige buitengebied zijn tendenzen als de bovengenoemde nog nauwelijks merkbaar.
Gelukkig niet, want waarom zou je genoegen nemen met de prijs/kwaliteitverhouding van MacDonalds, als je rond het middaguur in het eerste dorpsrestaurant dat je tegenkomt een menu kunt eten  voor iets tussen de vijftien en twintig euro, waarna je 's avonds aan een stuk stokbrood en een kop soep voldoende hebt? 
De Franse arbeiders hebben dat al heel lang door. Bij MacDonalds zie je ze niet, maar in die dorps-restaurants, vaak gevestigd op de kruising van twee D-wegen en in een dorp waar, buiten een bakker, meestal geen enkele winkel meer te vinden is, wèl. Een broodtrommeltje van thuis meenemen doen ze niet. 
En omdat een exotisch spreekwoord luidt: Sī fuerīs Rōmae, Rōmānō vīvitō mōre; sī fuerīs alibī, vīvitō sīcut ibī, wat je meestal ziet in de Engelse uitvoering als: When in Rome, do as the Romans do, is voor ons de keus niet moeilijk. Het is niet alleen eten, maar ook sfeer snuiven.
In Frankrijk kun je eten met een prijs/kwaliteitsverhouding die je doet beseffen dat de Nederlandse restauranthouders voornamelijk mensen zijn die snel rijk willen worden, en dat proberen klaar te spelen door een minimum aan kwaliteit te leveren voor veel geld. 
Sinds we daarachter zijn laten wij ons in het land van de zeshoekigen graag het één en ander voorzetten.

We waren dit jaar achtereenvolgens in de Savoie (Saint-Jean-de-Sixt, om precies te zijn), De Doubs (Saint-Hippolyte), de Berry (Vesdun en La Minat, de plek waar onze katten geboren zijn) en de Brenne (Rosnay). Eén en ander gespreid over één keer twee weken en na een paar weken thuis nogmaals een week..
Tijdens de eerste reis waren we eigenlijk al na België achter ons te hebben gelaten in de campagne
Vanaf Charleville-Mèzieres lieten we de snelwegen voor wat ze waren en hebben we, zowel heen als terug de Franse D-wegen, en de enkele Routes Nationales die er nog zijn, gevolgd. Dat schiet vanzelfsprekend minder snel op dan de pèage, maar je bent al ècht in Frankrijk, je ziet veel meer, èn je komt die dorpsrestaurants tegen, waar ik het hiervoor over had. Langs de pèage heb je die niet.

Ooit schreef ik over het dorp Neung-sur-Beuvron en zijn omgeving dat het Franser dan Frans is en dat ik meende het hart van Frankrijk te hebben gevonden. Maar als je het puur meetkundig en geografisch gaat bekijken, ligt het echte hart, zoals dat is bepaald door het Institute Geographipque National, pakweg 120 km. verder naar het zuid-zuidoosten. 
De plek is te beschouwen als het punt waaraan je de zeshoek , waarvan hiervoor sprake was, kan optillen, terwijl die horizontaal en keurig in evenwicht blijft hangen.
Net gearriveerd op de camping te Vesdun keek ik op de 1 : 25.000 kaart van het gebied en daar stond het, ongeveer 2,5 km. ten noordwesten van het dorp; een vierkantje, omgeven door een rode ster: Centre de la France continentale.


























Vanzelfsprekend zijn we op de plek gaan kijken. 
Alsof God zelf het zo heeft bedacht, ligt het middelpunt op de top van een laag heuveltje, de Peu de Vesdun. Naderend vanuit het zuiden stelt het niet veel voor. Het is aan de zuidkant bebost, maar naar het noorden ligt een lange, flauwe helling. In die richting heb je tientallen km's vrij uitzicht.


















Op de heuvel aangekomen denk je even dat het middelpunt in het terrein geen markering heeft gekregen, maar als je even wat verder doorloopt blijkt die er wel degelijk te staan. Half verscholen in een bosrandje staat een uit houten balken en planken samengestelde piramide op een betonnen voetstuk. Het monumentale ding, dat pakweg een meter of zes hoog is, ontbeert verder elke aanduiding van wat het markeert, maar de kaart op de telefoon, die ook onze positie laat zien, maakt het zonneklaar dat we hier bij het middelpunt van Frankrijk zijn aangekomen.

























Dat die ontbrekende verklaring van wat die piramide voorstelt heel merkwaardig is, wordt mede geïllustreerd door het feit dat diverse dorpen in de directe omgeving claimen dat het middelpunt van Frankrijk in hun gemeente ligt. Vesdun, bijvoorbeeld, heeft z'n eigen monumentje waarvan het beweert dat dit het hart van Frankijk markeert.

Maar er is meer dat dit gebied, in Frankrijk bekend als de Berry, heel erg Frans maakt, namelijk het feit dat één van de beroemdste romans uit de Franse literatuur er voor een groot deel speelt. 
In Nederland kennen waarschijnlijk alleen universitaire studenten Frans het boek nog, maar in Frankrijk weet iedereen met een klein beetje gevoel voor cultuur, en dat zijn er in Frankrijk aanzienlijk meer dan in Nederland volgens mij, welk boek ik bedoel.
De titel is Le Grand Meaulnes en vooral het eerste deel van het boek is min of meer een verbeelding van een jeugd op het Franse platteland rond 1900. 
Wat overigens ook in niet geringe mate heeft bijgedragen aan de status van het boek is het feit dat de schrijver, Henri Alain-Fournier al jong sneuvelde. Hij kwam al bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, in augustus 1914, om het leven. Het boek verscheen een jaar eerder, in 1913. Fournier werd zo en passant ook de verbeelding van de verloren generatie, die niet terugkeerde uit de oorlog.
Zelf heb ik het, door mijn nog immer niet verholpen gebrekkige beheersing van de Franse taal, gelezen in Nederlandse vertaling. Het is, behalve die sfeerbeschrijving van een adolescentie in de Berry anno 1900, een tamelijk wanhopige beschrijving van een gevonden en weer verloren liefde, die zich soms in een droom lijkt af te spelen. Ondanks het feit dat andere literaire grootheden het boek hebben geprezen, vond ik het uiteindelijk niet heel erg boeiend. 

In het dorp waar Alain-Fournier zijn jeugd doorbracht, Epineuil le Fleuriel, vijfentwintig km. ten noorden van Montluçon en 15 km. ten oosten van Vesdun, staat het schooltje waar hij lezen en schrijven heeft geleerd. Tegenwoordig is het een museum, waar van alles rond de schrijver van Le Grande Meaulnes te vinden is: foto's, brieven, en andere documenten. Het interieur is ook min of meer teruggebracht in de staat waarin het rond 1900 verkeerde en toont dus een Franse basisschool op het platteland uit die periode. We hebben de school bezocht en voelt als een soort tijdmachine. Het geheel ademt weemoedige nostalgie.

Frankrijk heeft, veel sterker dan in Nederland het geval was, in de afgelopen eeuw een trek van het platteland naar de stad  meegemaakt. Het werd steeds minder een land van boeren, en steeds meer een natie van industrie-arbeiders en bureau-werkers.
Sindsdien is ook een ander fenomeen zichtbaar geworden: veel Franse stedelingen zien het platteland als een verloren Arcadië. 
Misschien hebben ze een opa of oma, die er nog steeds woont en die soms, als de afstand niet te groot is, op een zomerse zondag wordt opgezocht. Maar ook als dat niet het geval is kennen veel stadsbewoners dat gevoel van een verloren paradijs. Hun voorouders woonden een eeuw geleden in veel gevallen nog in een klein dorp of op een boerderij. 
Zonder er zelf ooit gewoond te hebben, ervaren ze een vage heimwee naar de kleinschalige eenvoud van la campagne.

Ik vermoed zo maar, dat de bekendheid en de nog immer voortdurende populariteit van Le Grande Meaulnes een uiting is van die heimwee.



zaterdag 25 mei 2024

Richard Rorty en Philip Larkin

foto: Sohu.com
foto: Faye Godwin


Na het schrijven van mijn vorige stukje, over het wereldbeeld dat een mens bewust of onbewust ontwikkelt, schoten me ineens twee andere namen te binnen die het één en ander aan mijn wereldbeeld hebben bijgedragen.

Lang geleden, nog in de tijd dat ik bezig was met filosofen als Nietzsche en Wittgenstein, las ik een boek van Richard Rorty. Ik heb de titel moeten terugzoeken; waarschijnlijk was het 'Contingentie, ironie en solidariteit'
Nu ik in tweede instantie wat hedendaagse teksten over Rorty  lees, zie ik dat hij tegenwoordig wordt beschouwd als de godfather of postmodernism. 
Over het algemeen moet ik niet veel hebben van postmodernistische filosofie; het komt mij te vaak neer op zo goed als onleesbare teksten, die geen ander doel lijken hebben dan aantonen dat de waarheid niet bestaat en, erger nog, dat elke moraliteit ook maar een tijd- en plaatsbepaalde constructie is, en als zodanig eigenlijk niet ter zake doet. Rorty, daarentegen, schreef in vrij begrijpelijke taal dingen die wèl bij mij aankwamen als te overwegen inzichten. 

Eén van de zaken die Rorty handen en voeten gaf op individueel en daarnaast op gemeenschappelijk niveau, was het begrip contingentie, het idee dat iets waar kan zijn, maar niet noodzakelijkerwijs waar. Ook het toeval en de context spelen een rol. Rorty vertaalt "contextl"  hier als persoonlijk en cultureel bepaald. Absolute waarheid is in praktische zin en in het dagelijkse leven volgens hem een onbruikbaar iets. 
Het lemma 'Contingentie' op Wikipedia legt Rorty's visie op het begrip min of meer uit zoals ik het me herinner uit het boek. Om het mezelf niet te moeilijk te maken citeer ik het hier onverkort:

De Amerikaanse postmodernistische en pragmatische filosoof Richard Rorty voert deze tendens tot de uiterste consequentie door in zijn filosofie: volgens hem zou de filosofie zich überhaupt niet langer moeten bekommeren om de vraag of iets een universele waarheid is of contingent. Alle ideeën zijn immers contingent en cultureel bepaald; de filosofie kan zich bijgevolg beter bezighouden met de interpretatie van ideeën als cultureel product en ondergeschikt zijn aan de morele praxis: het is beter gewoon goed te handelen in plaats van zich druk te maken over de universele gelding van de algemene norm die aan dat handelen ten grondslag zou liggen. Ook zijn eigen opvatting is volgens Rorty slechts contingent waar: het is een levensleer waarmee hijzelf praktisch leven kan en die hij slechts wil suggereren aan de lezer. Enige pretentie een noodzakelijke waarheid te verkondigen, zou ontbreken.

De oplettende lezer ziet hier meteen de relatie met de begrippen bubble en wereldbeeld, waar mijn vorige stukje over ging, en ook met de laatste zin van dat stukje: het gegeven dat het uiteindelijk een persoonlijke keuze is waar de grens tussen goed en kwaad wordt gelegd. Of, om het nog iets meer in de geest van Rorty uit te drukken, waar het grijze gebied tussen goed en kwaad onmiskenbaar overgaat in zwart.
Want wat is dat "goed handelen", waar in de Wikipedia-tekst sprake van is?

Van het één komt het ander.
Rorty laat in het bovengenoemde boek zien dat hij in de dichter Philip Larkin een geestverwant heeft gevonden; hij gebruikt diens gedicht 'Continuing to live' als motto.
Ik had tot ik Rorty's boek las nog nooit van Larkin gehoord, maar het bewuste gedicht trof me als weinig andere gedichten tot nu hebben gedaan. Later heb ik meer van Larkin gelezen en ook óver hem. Jonathan Raban, op dit blog al eerder  genoemd, schilderde in het ook al eerder genoemde 'Coasting' een prachtig portret van hem. 
Omdat het gedicht zo mooi aansluit bij gedachten over het fenomeen wereldbeeld, citeer in ook dat maar onverkort:

Continuing To Live


Continuing to live — that is, repeat

A habit formed to get necessaries —

Is nearly always losing, or going without.

   It varies.


This loss of interest, hair, and enterprise —

Ah, if the game were poker, yes,

You might discard them, draw a full house!

   But it's chess.


And once you have walked the length of your mind, what

You command is clear as a lading-list.

Anything else must not, for you, be thought

   To exist.


And what's the profit? Only that, in time,

We half-identify the blind impress

All our behavings bear, may trace it home.

   But to confess,


On that green evening when our death begins,

Just what it was, is hardly satisfying,

Since it applied only to one man once,

   And that one dying.



zondag 12 november 2023

Jonathan Raban

Foto: Murdo Macleod/The Guardian
















Iets meer dan twee jaar geleden schreef ik op dit blog een stuk over Zeilende schrijvers.
Daarin refereerde ik onder meer aan Jonathan Raban (uit te spreken als Rébèn).

Ik kwam Raban op het spoor door een boekrecensie in de Volkskrant. 
Dat moet ergens in de tweede helft van de jaren tachtig zijn geweest. De recensie handelde over de Nederlandse vertaling van zijn boek Coasting. Dat bleek over het Verenigd Koninkrijk en zeilen te gaan. Voor mij een onweerstaanbare combinatie en kort na het lezen van die recensie heb ik de oorspronkelijke versie (in het Engels) aangeschaft. 
Het boek bleek niet veel minder dan een openbaring. 
Het was een combinatie van persoonlijke observaties, gesprekken met al dan niet toevallige passanten en geschiedkundige feiten. En dat alles van een kwaliteit die ik eigenlijk nooit eerder had gezien.

Wat nog mooier was: Coasting was niet Raban's eerste boek, noch was het, zoals in de jaren daarna zou blijken, zijn laatste. 
Ik raakte, bij wijze van spreken, verslaafd aan zijn boeken. Om de zoveel maanden controleerde ik de mij ter beschikking staande bronnen om erachter te komen of er al weer een nieuw boek van hem was verschenen. Zeker toen halverwege de jaren '90 internet van de grond kwam, was dat een fluitje van een cent.
Hoewel Brit van geboorte, spelen de meeste boeken die hij na Coasting schreef in de Verenigde Staten. Aan het eind van Hunting Mr. Heartbreak, dat emigreren naar de Nieuwe Wereld en Raban's eigen ervaringen als vreemdeling in de VS als thema heeft, belandt hij in Seatlle, aan de Amerikaanse noordwestkust. De stad en haar culturele klimaat bevallen hem en hij besluit er zich te vestigen. Niet in het minst omdat hij er ook een vrouw vindt en de stad aan zeilwater blijkt te liggen. De liefde voor boten en het water heeft Raban na Coasting nooit meer verlaten.
De fascinatie voor Amerika was er overigens al eerder.
Voor Coasting schreef Raban Old Glory, waarin hij in een klein open bootje met een buitenboordmotor de Mississippi afzakt, van Saint Louis naar de mond van de rivier aan de Golf van Mexico. Ook dat boek heeft die unieke afwisseling van dingen die Raban onderweg ziet en de gesprekken die hij voert met mensen die hij ontmoet, met af en toe intermezzo's over de geschiedenis van de plek. De lezer krijgt een sfeervol beeld voorgeschoteld van het Amerika van de kleine dorpen. Wat de mensen langs de Mississippi zoal zeggen blijkt een afwisseling van boerenwijsheid en regelrechte achterlijkheid. De confrontatie met Raban's Britse gereserveerdheid leidt niet zelden tot hilarische situaties.

Raban's thematiek is door recensenten wel beschreven als een zoektocht naar the concept of home. In veel van zijn boeken duikt bij de schrijver de overweging op of hij misschien zou willen wonen in de plaatsen die hij tijdens zijn reizen passeert. In Coasting komt al aan de orde dat de relatie met zijn geboorteland op de proef werd gesteld door de opkomst van Thatcher en de Falkland-oorlog. Engeland was niet langer 'zijn' Engeland.
In Seattle heeft Raban uiteindelijk toch min of meer zijn thuis gevonden, ondanks het gegeven dat zijn huwelijk geen stand hield. Passage to Juneau handelt daar, tegen het decor van een zeilreis naar Alaska, deels over. Uit dat huwelijk was overigens wel een dochter geboren; waarschijnlijk één van de dingen die hem in Seattle hebben gehouden.
Toch werd de band met Engeland niet helemaal verbroken. 
Zijn ouders, van oorsprong tamelijk conservatieve Britten; zijn vader was dominee en vertegenwoordigd in Raban's jeugd vooral 'God, King and Country', moeten in laatste instantie ook niks van Thatcher hebben en blijken halverwege de jaren tachtig veranderd in tamelijk linkse activisten, die zich vol overgave inzetten voor de onderkant van de samenleving. Ze accepteren Raban's keuze voor de VS, maar vragen zich af waarom hij zich in vredesnaam heeft gevestigd in dit neo-liberale land, waar ook toen al godsdienstwaanzin en andere gekkigheid van zich deden spreken. 
Maar Raban zag ook andere dingen in de Amerikaanse volksaard, zoals hun naïeve maar vriendelijke benadering van wildvreemden en de bereidheid om bij acute nood hulp te bieden. Hij is van de Amerikanen gaan houden, ondanks hun gektes.
In latere jaren, toen conservatisme en complottheorieën in de VS steeds meer invloed kregen, heeft Raban niettemin tegen dergelijke uitwassen in de Amerikaanse samenleving geageerd. 

Omdat ik Raban's naam om de paar maanden bleef Googelen, kwam ik er in 2011 achter dat hij was getroffen door een beroerte. 
Hoewel hij ogenschijnlijk goed herstelde, bleek het achteraf zo niet het einde, dan toch een breuk in zijn literaire carrière. Zelf bleef hij, onder het noodlot dat hem had getroffen, de typisch laconieke Engelsman. Toen hij door zijn behandelend arts werd aangesproken met de woorden: “You’re the one who used to be a writer.”, had hij geantwoord: “I very much hope that I’m still a writer.”
Desondanks is het de afgelopen tien jaar tamelijk stil gebleven rond zijn persoon. Afgezien van enkele essays en interviews heeft Raban nauwelijks meer van zich doen spreken.
Hoewel.. Zojuist googelde ik weer en kwam ik erachter dat in september j.l. zijn laatste boek Father and Son is verschenen. Hij heeft toch niet ècht stilgezeten.

Maar eerder dit jaar keek ik ook al op het net of er nieuwe informatie over Raban te vinden was. Dat hij op 17 januari 2023 bleek te zijn overleden kwam, ondanks zijn eerdere aandoening en de daarop volgende stilte, toch als een schok.

Het oeuvre dat Raban nalaat is niet bijzonder groot: acht reisboeken en drie romans. Maar buiten dat schreef hij negen hoorspelen en toneelstukken en zes boeken over literaire en politieke onderwerpen. Hij was ook actief als boekenrecensent.
Binnen de groep van reisboekenschrijvers was zijn bekendheid bij het publiek naar mijn idee niet evenredig met de kwaliteit van zijn werk.  Paul Theroux en Bruce Chatwin zijn veel bekender, maar niet per definitie beter dan Raban. Integendeel, wat mij betreft.

Zojuist heb ik Father en Son besteld. Volgens Bol.com wordt het over tien dagen bij me afgeleverd. 
Het boek is naar verluid puur autobiografisch.
Het zou me niks verbazen als het, met de voorkennis over zijn leven en zijn ouders die ik al heb uit zijn andere boeken, nog een paar emotionele momenten gaat opleveren.

donderdag 7 september 2023

Passanten 5: Dirk





















Mijn LP's, die ik nog steeds heb, zijn grotendeels binnen een spanne van enkele jaren, ongeveer vier decennia geleden, aangeschaft. De tijd waarin ik mijn dienstplicht vervulde viel ook in die periode, en ik kan me herinneren dat mijn soldij, die destijds ongeveer gelijk was aan het minimumloon voor een jongere van mijn leeftijd, bijna helemaal op ging aan bier en grammofoonplaten.
Het was de tijd dat allerlei alternatieve platenzaken hun deuren openden. De eigenaren betrokken hun platen niet meer van de gevestigde distributeurs en importeurs, maar importeerden ze zelf, al dan niet via buitenlandse grossiers . Door het uitschakelen van wat tussenhandel waren hun platen ongeveer 25 % goedkoper dan die van de 'normale' muziekwinkels.
Destijds woonde ik nog in Zwijndrecht, mijn geboorteplaats, maar platen kocht ik in Dordt, aan de andere kant van de Oude Maas. Aanvankelijk bij De Bengel op de Voorstraat. Dat was een combinatie van een boekhandel en een platenzaak. Ik kocht er bijvoorbeeld ook De Hobbit en In de ban van de Ring, boeken die je in de jaren zeventig gelezen moest hebben.
De Bengel bestaat nog steeds, hoewel ie is verhuisd naar de Vriesestraat en het nu alleen een boekhandel is.

Kort na De Bengel opende in Dordt een andere alternatieve platenwinkel zijn deuren; in de Spuistraat vestigde zich Simpele Fons. De naam was ontleend aan de dorpsgek die figureert in Merijntje Gijzen van A.M. de Jong. De televisieserie naar het boek speelde in dezelfde tijd. De uitbater van de winkel was Dirk van der Lee. 
Dirk was quite a character. Hij had een permanent air van nonchalance om zich heen hangen. In één van zijn mondhoeken hing meestal een sigaret. Geen sjekkie maar een Benson&Hedges. Hij monteerde platenspelers op hun kant tegen de muur en manipuleerde de instelling van het contragewicht aan de arm met het element net zo lang totdat de platenspeler normaal zijn werk deed, ook al stond ie op z'n kant. 
Dirk had had een zekere aantrekkingskracht op jonge jongens, waarvan er altijd als ik er kwam wel één of twee rondliepen. Ze verrichten allerlei hand- en spandiensten voor hem. Hoe ver dat ging is mij nooit duidelijk geworden. Achteraf denk ik dat Dirk misschien ook pedofiel was. Maar in die tijd maakte nog niemand zich daar erg druk om.

Dirk voedde zijn jonge klanten echter ook op. Hij had een brede, maar wel uitgesproken smaak, als het om muziek ging. Muziek die hem niet beviel werd afgedaan met: "je moet niet naar die teringzooi luisteren; daar word je doof van!" of: "wil je dat ècht kopen? Ik heb ook èchte muziek, hoor!" Wie na lang zoeken uiteindelijk niks kocht, kreeg bij het verlaten van de winkel meestal ook een veeg uit de pan.

Anderzijds was Dirk goed op de hoogte van de smaak van zijn vaste klanten. Zelf was ik destijds vooral een folk-liefhebber en hoewel ik vermoedde dat dit genre enigszins buiten Dirk's persoonlijke scope viel, zei hij elke keer als ik er binnenkwam: "Je moet even in die doos kijken, dat is nieuw, misschien staat er nog wat voor je tussen". En vaak was dat dan ook het geval.
Het schijnt dat zelfs Ruud Gullit, die toen nog bij Feyenoord voetbalde en een groot liefhebber van reggae was, naar Simpele Fons kwam omdat Dirk weer wat bijzonders had.

Ik weet niet meer precies hoe en wanneer ik Dirk uit het oog verloor. 
In de tweede helft van de jaren tachtig verhuisde ik naar Delft  en kocht ik sowieso veel minder platen dan daarvoor.
Toen ik tien jaar later in Dordrecht kwam wonen, bestond Simpele Fons niet meer en pas veel later kwam ik erachter dat Dirk niet meer onder de levenden was. Hij had vanwege gezondheidsproblemen zijn zaak verkocht en was, wanneer precies heb ik nooit kunnen achterhalen, overleden.
 
Waarmee ook Dirk een passant in mijn leven was geworden.

maandag 13 februari 2023

Noorwegen en Karl Ove Knausgård

















Dit blog is geen kwestie van heilig moeten. Dat zal de regelmatige lezers ondertussen wel duidelijk zijn. Het bestaat voornamelijk omdat ik, als ik er de tijd voor heb, graag schrijf. De lezer zou kunnen denken dat ik er desondanks een zekere pretentie mee heb. Welke dat zou kunnen zijn weet ik eerlijk gezegd ook niet. Ik denk dat dit wordt gelezen door enkele anderen dan ikzelf, maar eigenlijk weet ik zelfs dat niet helemaal zeker. 

In de titel van dit stukje wordt Karl Ove Knausgård genoemd. En nu denkt u misschien dat ik in mijn inleiding niet voor niks het woord pretentie heb gebruikt. Waarbij ik er (ook al weer ongemerkt) vanuit ga dat u weet wie Knausgård is en, sterker nog, wel eens het één en ander van hem hebt gelezen.
Hoewel zijn naam al een paar jaar rondzingt in de wereld van de literatuur, had ik zelf tot voor kort nog geen letter van hem gelezen. Niet dat ik dat heel bewust heb nagelaten. Ik ben steeds selectiever geworden in wat ik lees en wat niet. Romans lezen doe ik eigenlijk helemaal niet meer.
Het idee om iets van Knausgård te lezen kwam voort uit een andere actualiteit: het gegeven dat we deze zomer onze vakantie zouden doorbrengen in Noorwegen. Knausgård is een Noor en hoewel er in elk reisboekje over Noorwegen wel iets te vinden is over de volksaard, dacht ik met hem een hedendaagse Noor te pakken te hebben. Eentje die midden in het leven staat en waarvan het gedachtengoed misschien iets zou kunnen zeggen over hoe de moderne Noor zijn leven leeft.
Ik besloot bij het begin te beginnen: het eerste deel van zijn cyclus Mijn Strijd, getiteld: Vader.

Ik gebruikte hierboven het woord 'roman', maar een paar gelezen regels zijn genoeg om duidelijk te maken dat Vader helemaal geen roman is. Het is een geromantiseerde biografie. Ik lees graag biografieën, maar in dit geval is het feit, dat het een geromantiseerde biografie is, de redding van het boek. Knausgård leidt namelijk helemaal niet zo'n interessant leven. Zijn jeugd is tamelijk doorsnee (welke millennial heeft geen gescheiden ouders?) en ook zijn latere jaren, waarin de worsteling wordt beschreven die hem uiteindelijk tot schrijver maakt, is niet zo héél bijzonder. Het verhaal daarover zit zo nu en dan zelfs aan de larmoyante kant.
Hoewel zijn vader steeds in het boek aanwezig is, wordt pas in de tweede helft van het boek, als hij dood is, duidelijk waarom het die titel heeft gekregen. Tot dat punt is het vooral Karl Ove's biografie.
In een recensie die ik ergens op internet las, schreef de recensent dat hij bij lezing van het boek gaandeweg de neiging tot diagonaal lezen ontwikkelde. Knausgård heeft inderdaad veel woorden nodig, lijkt nodeloos uit te weiden over zaken die het verhaal niet echt ondersteunen, en heeft ook een neiging om extra gewicht aan te brengen in de vorm van filosofische bespiegelingen, waarvan het doel mij evenmin duidelijk werd.
Maar vreemd genoeg had het boek me op zeker moment toch in z'n greep. Ik las het terwijl we in Noorwegen waren. Na een lange wandeling, of na het ontbijt 's morgens, als er even niks anders te doen was, pakte ik het boek steeds weer op.

Tussen die leessessies door zagen we Noorwegen zoals we het tot nu nog niet hadden gezien. In 2000 waren al eerder een paar weken in het land, maar zoals de natuur zich nu toonde was indrukwekkender dan die eerste keer.
We troffen verhoudingsgewijs goed weer. Hoewel de Noren daar hele andere ideeën over hebben dan wij Nederlanders. Op een camping in Bismo, dat in west - oost richting ongeveer halverwege de fjordenkust en Zweden ligt, en derhalve in wat de Noren "het binnenland" noemen, vertelde de mevrouw van de receptie ons dat het vaak druk was bij haar. De mensen uit de kustgebieden vierden graag in het binnenland vakantie, want "hier regent het nooit". Gedurende de dagen dat we op haar camping stonden, kwamen er diverse buitjes voorbij, maar voor de lokale bewoners was dat te verwaarlozen. Aan de fjordenkust maakten we inderdaad één dag mee, waarop het een groot deel van een nacht en een dag regende.
Er zijn dus wel wat verschillen, maar drie weken droog aan één stuk komt in Noorwegen niet voor.
Wat ons ook trof in Bismo en op veel meer plaatsen in Noorwegen: de luxe van de openbare voorzieningen. Het dorp in kwestie kan niet veel meer dan een paar duizend inwoners tellen, maar het had wel een serieuze atletiekbaan met tribune en allerlei andere kostbare sport-accomodaties. Die zagen we overigens op meerdere plaatsen tijdens onze reis, naast enorme buurtcentra, nagelnieuwe scholen en ongelofelijke infrastructurele voorzieningen. Om een indruk te geven van dit laatste: op zeker moment reden we vanaf de rand van de Hardangervida, een hoogvlakte, een tunnel in. Deze schroefde zich op zeker moment in wijde kringen een paar honderd meter naar beneden, om uit te komen in een smalle kloof van onmetelijke diepte. Dat laatste mag u letterlijk nemen: de wolken hingen lager dan de bovenrand van de kloof.
Het aantal electrische auto's in Noorwegen ligt verhoudingsgewijs vele malen hoger dan op dit moment in Nederland en overal zijn dan ook laadpalen in overvloed. Meestal is nog niet helft op een bepaalde plek bezet.
Dat Noorwegen door zijn olie, gas en waterkrachtstroom stinkend rijk is, was ons al bekend. Maar het is ondertussen, in tegenstelling tot twintig jaar terug, ook echt te zien. Ik denk dat de welvaart die Nederland jarenlang te danken had aan de Groningse gasbel, klein bier is bij de huidige Noorse welvaart.



De bijdrage van Bismo aan het Noorse trekkershutten-bestand.
Op maar een uur lopen van de bewoonde wereld,
maar voorzien van een houtkachel en een panoramisch uitzicht.



















Jammer genoeg lijkt er ook een negatief kantje aan die welvaart te zitten.
Misschien waren Noren altijd al wat in zichzelf gekeerd en weinig geneigd tot extravert gedrag, maar wij kregen soms ook het idee dat men niet echt op buitenlandse toeristen zit te wachten. De Noor straalt niet altijd uit dat je welkom bent als klant; men heeft je klandizie niet echt nodig.
We hebben dan ook niet veel aardige gesprekjes met Noren kunnen voeren, hoewel vrijwel elke Noor die jonger is dan vijftig redelijk Engels spreekt . Een uitzondering op de regel was het meisje waarmee ik een tijdje praatte in een bezoekerscentrum van een natuurgebied. Ze vertelde over de schaduwkanten van de goedkope Noorse electriciteit. Er werd, volgens haar, nogal verspillend mee omgegaan en ook aan waterkracht zaten de nodige ecologische nadelen. Een andere jonge Noor wees ons een van de weinige toegangswegen tot het interieur van de Hardangervida (30 km. over een onverharde weg, een aparte ervaring), waar we de genoemde ecologische nadelen van de stroomopwekking zelf konden zien.




'









Wat de Noren nog als 'wildernis' beschouwen.
Volgens hun definitie is er in Nederland geen m2 natuur meer over.
















Vader heb ik uiteindelijk in een paar weken tijd uitgelezen.
Ik heb daarna nog geprobeerd een bundel essays van Knausgard te lezen (Het Amerika van ziel), maar dat was toch een beetje boven mijn macht. Of misschien was het schrijven van dat boek boven de macht van Knausgård; daar wil ik vanaf zijn. Veel pretentie maar nauwelijks inzichten die bij mij aankwamen.
Misschien moet ik als volgende Noorse schrijver 's iemand lezen die een klassieker schreef die al meer dan honderd jaar tot de canon van internationale literatuur behoort. Honger van Knut Hamsun, bijvoorbeeld. Of Knausgård over honderd jaar nog wordt gelezen, zal nog moeten blijken. 
Ik sluit desondanks niet uit dat de schrijver een indruk geeft van de geestesgesteldheid van de moderne Noor: in zichzelf gekeerd  en overmand door luxe-problemen.

De laatste nacht in Noorwegen brachten we door op een camping vlak bij Oslo. Eigenlijk was het meer een camping met vaste staanplaatsen voor caravans van het type dat in Nederland een chalet wordt genoemd. Waardoor we wel min of meer tussen de Noren zaten en dan Noren van het, laat ik maar zeggen, 'volkse' type. Je komt er dan achter, dat zeker in de omgeving van Oslo, de bevolking qua mentaliteit niet heel veel verschilt van die in de Nederlandse grote steden.
Op weg naar de veerboot zagen we in de verte nog een glimp van het eilandje Utoya, waar Anders Breivik elf jaar eerder had huisgehouden.

Alles bij elkaar vroeg ik me af hoe gelukkig de Noren gemiddeld genomen zijn en of het een land is waarnaar ik zou willen emigreren. Misschien is het een kwestie van er vaker komen. Van Frankrijk dacht ik lang geleden, net als vele Nederlanders, ook: "mooi land, maar jammer dat er Fransen wonen".
Maar daar ben ik, na vele reizen in dat land, toch anders over gaan denken.


Noot: dit stukje werd in grote lijnen eigenlijk al maanden geleden geschreven. Het heeft wat liggen sudderen en na wat bijschaven heb ik het uiteindelijk toch op dit blog gezet. Dat moment viel vrijwel samen met het verschijnen van een column van Sander Schimmelpenninck in de Volkskrant. Hij komt ook wel eens in Noorwegen. Zijn observaties en de mijne kennen overeenkomsten.

Naschrift, 15 september 2023: ergens in het bovenstaande epistel schat ik dat het dorp Bismo, met zijn prachtige atletiekbaan, een paar duizend inwoners heeft. Vandaag zocht ik het even op in Wikipedia. In 2021 telde het 634 inwoners.