woensdag 29 oktober 2025
Door Zweden en Denemarken naar huis
zondag 15 december 2024
Het hart van Frankrijk
Ook deze zomer werd het land door de redactie van Het Ondermaanse weer bezocht en misschien verval ik in herhaling, maar de liefde voor dit op twee na grootste land van Europa blijft groeien. Met de aantekening dat je jezelf kunt afvragen in hoeverre de nummers 1 en 2, qua grootte, tot Europa kunnen worden gerekend. Nummer 1, Rusland, ligt voor het grootste deel in Azië en Oekraïne mag van Rusland niet bij Europa horen.
De Franse arbeiders hebben dat al heel lang door. Bij MacDonalds zie je ze niet, maar in die dorps-restaurants, vaak gevestigd op de kruising van twee D-wegen en in een dorp waar, buiten een bakker, meestal geen enkele winkel meer te vinden is, wèl. Een broodtrommeltje van thuis meenemen doen ze niet.
In Frankrijk kun je eten met een prijs/kwaliteitsverhouding die je doet beseffen dat de Nederlandse restauranthouders voornamelijk mensen zijn die snel rijk willen worden, en dat proberen klaar te spelen door een minimum aan kwaliteit te leveren voor veel geld.
Ooit schreef ik over het dorp Neung-sur-Beuvron en zijn omgeving dat het Franser dan Frans is en dat ik meende het hart van Frankrijk te hebben gevonden. Maar als je het puur meetkundig en geografisch gaat bekijken, ligt het echte hart, zoals dat is bepaald door het Institute Geographipque National, pakweg 120 km. verder naar het zuid-zuidoosten.
De plek is te beschouwen als het punt waaraan je de zeshoek , waarvan hiervoor sprake was, kan optillen, terwijl die horizontaal en keurig in evenwicht blijft hangen.
Maar er is meer dat dit gebied, in Frankrijk bekend als de Berry, heel erg Frans maakt, namelijk het feit dat één van de beroemdste romans uit de Franse literatuur er voor een groot deel speelt.
In Nederland kennen waarschijnlijk alleen universitaire studenten Frans het boek nog, maar in Frankrijk weet iedereen met een klein beetje gevoel voor cultuur, en dat zijn er in Frankrijk aanzienlijk meer dan in Nederland volgens mij, welk boek ik bedoel.
De titel is Le Grand Meaulnes en vooral het eerste deel van het boek is min of meer een verbeelding van een jeugd op het Franse platteland rond 1900.
Wat overigens ook in niet geringe mate heeft bijgedragen aan de status van het boek is het feit dat de schrijver, Henri Alain-Fournier al jong sneuvelde. Hij kwam al bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, in augustus 1914, om het leven. Het boek verscheen een jaar eerder, in 1913. Fournier werd zo en passant ook de verbeelding van de verloren generatie, die niet terugkeerde uit de oorlog.
Zelf heb ik het, door mijn nog immer niet verholpen gebrekkige beheersing van de Franse taal, gelezen in Nederlandse vertaling. Het is, behalve die sfeerbeschrijving van een adolescentie in de Berry anno 1900, een tamelijk wanhopige beschrijving van een gevonden en weer verloren liefde, die zich soms in een droom lijkt af te spelen. Ondanks het feit dat andere literaire grootheden het boek hebben geprezen, vond ik het uiteindelijk niet heel erg boeiend.
In het dorp waar Alain-Fournier zijn jeugd doorbracht, Epineuil le Fleuriel, vijfentwintig km. ten noorden van Montluçon en 15 km. ten oosten van Vesdun, staat het schooltje waar hij lezen en schrijven heeft geleerd. Tegenwoordig is het een museum, waar van alles rond de schrijver van Le Grande Meaulnes te vinden is: foto's, brieven, en andere documenten. Het interieur is ook min of meer teruggebracht in de staat waarin het rond 1900 verkeerde en toont dus een Franse basisschool op het platteland uit die periode. We hebben de school bezocht en voelt als een soort tijdmachine. Het geheel ademt weemoedige nostalgie.
Frankrijk heeft, veel sterker dan in Nederland het geval was, in de afgelopen eeuw een trek van het platteland naar de stad meegemaakt. Het werd steeds minder een land van boeren, en steeds meer een natie van industrie-arbeiders en bureau-werkers.
Sindsdien is ook een ander fenomeen zichtbaar geworden: veel Franse stedelingen zien het platteland als een verloren Arcadië.
Ik vermoed zo maar, dat de bekendheid en de nog immer voortdurende populariteit van Le Grande Meaulnes een uiting is van die heimwee.
zaterdag 25 mei 2024
Richard Rorty en Philip Larkin
![]() |
| foto: Faye Godwin |
Want wat is dat "goed handelen", waar in de Wikipedia-tekst sprake van is?
Rorty laat in het bovengenoemde boek zien dat hij in de dichter Philip Larkin een geestverwant heeft gevonden; hij gebruikt diens gedicht 'Continuing to live' als motto.
Ik had tot ik Rorty's boek las nog nooit van Larkin gehoord, maar het bewuste gedicht trof me als weinig andere gedichten tot nu hebben gedaan. Later heb ik meer van Larkin gelezen en ook óver hem. Jonathan Raban, op dit blog al eerder genoemd, schilderde in het ook al eerder genoemde 'Coasting' een prachtig portret van hem.
Continuing To Live
Continuing to live — that is, repeat
A habit formed to get necessaries —
Is nearly always losing, or going without.
It varies.
This loss of interest, hair, and enterprise —
Ah, if the game were poker, yes,
You might discard them, draw a full house!
But it's chess.
And once you have walked the length of your mind, what
You command is clear as a lading-list.
Anything else must not, for you, be thought
To exist.
And what's the profit? Only that, in time,
We half-identify the blind impress
All our behavings bear, may trace it home.
But to confess,
On that green evening when our death begins,
Just what it was, is hardly satisfying,
Since it applied only to one man once,
And that one dying.
zondag 12 november 2023
Jonathan Raban
Desondanks is het de afgelopen tien jaar tamelijk stil gebleven rond zijn persoon. Afgezien van enkele essays en interviews heeft Raban nauwelijks meer van zich doen spreken.
Maar eerder dit jaar keek ik ook al op het net of er nieuwe informatie over Raban te vinden was. Dat hij op 17 januari 2023 bleek te zijn overleden kwam, ondanks zijn eerdere aandoening en de daarop volgende stilte, toch als een schok.
donderdag 7 september 2023
Passanten 5: Dirk
maandag 13 februari 2023
Noorwegen en Karl Ove Knausgård
In de titel van dit stukje wordt Karl Ove Knausgård genoemd. En nu denkt u misschien dat ik in mijn inleiding niet voor niks het woord pretentie heb gebruikt. Waarbij ik er (ook al weer ongemerkt) vanuit ga dat u weet wie Knausgård is en, sterker nog, wel eens het één en ander van hem hebt gelezen.
Hoewel zijn naam al een paar jaar rondzingt in de wereld van de literatuur, had ik zelf tot voor kort nog geen letter van hem gelezen. Niet dat ik dat heel bewust heb nagelaten. Ik ben steeds selectiever geworden in wat ik lees en wat niet. Romans lezen doe ik eigenlijk helemaal niet meer.
Het idee om iets van Knausgård te lezen kwam voort uit een andere actualiteit: het gegeven dat we deze zomer onze vakantie zouden doorbrengen in Noorwegen. Knausgård is een Noor en hoewel er in elk reisboekje over Noorwegen wel iets te vinden is over de volksaard, dacht ik met hem een hedendaagse Noor te pakken te hebben. Eentje die midden in het leven staat en waarvan het gedachtengoed misschien iets zou kunnen zeggen over hoe de moderne Noor zijn leven leeft.
Ik besloot bij het begin te beginnen: het eerste deel van zijn cyclus Mijn Strijd, getiteld: Vader.
Ik gebruikte hierboven het woord 'roman', maar een paar gelezen regels zijn genoeg om duidelijk te maken dat Vader helemaal geen roman is. Het is een geromantiseerde biografie. Ik lees graag biografieën, maar in dit geval is het feit, dat het een geromantiseerde biografie is, de redding van het boek. Knausgård leidt namelijk helemaal niet zo'n interessant leven. Zijn jeugd is tamelijk doorsnee (welke millennial heeft geen gescheiden ouders?) en ook zijn latere jaren, waarin de worsteling wordt beschreven die hem uiteindelijk tot schrijver maakt, is niet zo héél bijzonder. Het verhaal daarover zit zo nu en dan zelfs aan de larmoyante kant.
Hoewel zijn vader steeds in het boek aanwezig is, wordt pas in de tweede helft van het boek, als hij dood is, duidelijk waarom het die titel heeft gekregen. Tot dat punt is het vooral Karl Ove's biografie.
In een recensie die ik ergens op internet las, schreef de recensent dat hij bij lezing van het boek gaandeweg de neiging tot diagonaal lezen ontwikkelde. Knausgård heeft inderdaad veel woorden nodig, lijkt nodeloos uit te weiden over zaken die het verhaal niet echt ondersteunen, en heeft ook een neiging om extra gewicht aan te brengen in de vorm van filosofische bespiegelingen, waarvan het doel mij evenmin duidelijk werd.
Maar vreemd genoeg had het boek me op zeker moment toch in z'n greep. Ik las het terwijl we in Noorwegen waren. Na een lange wandeling, of na het ontbijt 's morgens, als er even niks anders te doen was, pakte ik het boek steeds weer op.
Tussen die leessessies door zagen we Noorwegen zoals we het tot nu nog niet hadden gezien. In 2000 waren al eerder een paar weken in het land, maar zoals de natuur zich nu toonde was indrukwekkender dan die eerste keer.
We troffen verhoudingsgewijs goed weer. Hoewel de Noren daar hele andere ideeën over hebben dan wij Nederlanders. Op een camping in Bismo, dat in west - oost richting ongeveer halverwege de fjordenkust en Zweden ligt, en derhalve in wat de Noren "het binnenland" noemen, vertelde de mevrouw van de receptie ons dat het vaak druk was bij haar. De mensen uit de kustgebieden vierden graag in het binnenland vakantie, want "hier regent het nooit". Gedurende de dagen dat we op haar camping stonden, kwamen er diverse buitjes voorbij, maar voor de lokale bewoners was dat te verwaarlozen. Aan de fjordenkust maakten we inderdaad één dag mee, waarop het een groot deel van een nacht en een dag regende.
Er zijn dus wel wat verschillen, maar drie weken droog aan één stuk komt in Noorwegen niet voor.
Wat ons ook trof in Bismo en op veel meer plaatsen in Noorwegen: de luxe van de openbare voorzieningen. Het dorp in kwestie kan niet veel meer dan een paar duizend inwoners tellen, maar het had wel een serieuze atletiekbaan met tribune en allerlei andere kostbare sport-accomodaties. Die zagen we overigens op meerdere plaatsen tijdens onze reis, naast enorme buurtcentra, nagelnieuwe scholen en ongelofelijke infrastructurele voorzieningen. Om een indruk te geven van dit laatste: op zeker moment reden we vanaf de rand van de Hardangervida, een hoogvlakte, een tunnel in. Deze schroefde zich op zeker moment in wijde kringen een paar honderd meter naar beneden, om uit te komen in een smalle kloof van onmetelijke diepte. Dat laatste mag u letterlijk nemen: de wolken hingen lager dan de bovenrand van de kloof.
Het aantal electrische auto's in Noorwegen ligt verhoudingsgewijs vele malen hoger dan op dit moment in Nederland en overal zijn dan ook laadpalen in overvloed. Meestal is nog niet helft op een bepaalde plek bezet.
Dat Noorwegen door zijn olie, gas en waterkrachtstroom stinkend rijk is, was ons al bekend. Maar het is ondertussen, in tegenstelling tot twintig jaar terug, ook echt te zien. Ik denk dat de welvaart die Nederland jarenlang te danken had aan de Groningse gasbel, klein bier is bij de huidige Noorse welvaart.
![]() |
De bijdrage van Bismo aan het Noorse trekkershutten-bestand. Op maar een uur lopen van de bewoonde wereld, maar voorzien van een houtkachel en een panoramisch uitzicht. |
Misschien waren Noren altijd al wat in zichzelf gekeerd en weinig geneigd tot extravert gedrag, maar wij kregen soms ook het idee dat men niet echt op buitenlandse toeristen zit te wachten. De Noor straalt niet altijd uit dat je welkom bent als klant; men heeft je klandizie niet echt nodig.
We hebben dan ook niet veel aardige gesprekjes met Noren kunnen voeren, hoewel vrijwel elke Noor die jonger is dan vijftig redelijk Engels spreekt . Een uitzondering op de regel was het meisje waarmee ik een tijdje praatte in een bezoekerscentrum van een natuurgebied. Ze vertelde over de schaduwkanten van de goedkope Noorse electriciteit. Er werd, volgens haar, nogal verspillend mee omgegaan en ook aan waterkracht zaten de nodige ecologische nadelen. Een andere jonge Noor wees ons een van de weinige toegangswegen tot het interieur van de Hardangervida (30 km. over een onverharde weg, een aparte ervaring), waar we de genoemde ecologische nadelen van de stroomopwekking zelf konden zien.
'
![]() |
Wat de Noren nog als 'wildernis' beschouwen. Volgens hun definitie is er in Nederland geen m2 natuur meer over. |
Ik heb daarna nog geprobeerd een bundel essays van Knausgard te lezen (Het Amerika van ziel), maar dat was toch een beetje boven mijn macht. Of misschien was het schrijven van dat boek boven de macht van Knausgård; daar wil ik vanaf zijn. Veel pretentie maar nauwelijks inzichten die bij mij aankwamen.
Misschien moet ik als volgende Noorse schrijver 's iemand lezen die een klassieker schreef die al meer dan honderd jaar tot de canon van internationale literatuur behoort. Honger van Knut Hamsun, bijvoorbeeld. Of Knausgård over honderd jaar nog wordt gelezen, zal nog moeten blijken.
De laatste nacht in Noorwegen brachten we door op een camping vlak bij Oslo. Eigenlijk was het meer een camping met vaste staanplaatsen voor caravans van het type dat in Nederland een chalet wordt genoemd. Waardoor we wel min of meer tussen de Noren zaten en dan Noren van het, laat ik maar zeggen, 'volkse' type. Je komt er dan achter, dat zeker in de omgeving van Oslo, de bevolking qua mentaliteit niet heel veel verschilt van die in de Nederlandse grote steden.
Op weg naar de veerboot zagen we in de verte nog een glimp van het eilandje Utoya, waar Anders Breivik elf jaar eerder had huisgehouden.
Alles bij elkaar vroeg ik me af hoe gelukkig de Noren gemiddeld genomen zijn en of het een land is waarnaar ik zou willen emigreren. Misschien is het een kwestie van er vaker komen. Van Frankrijk dacht ik lang geleden, net als vele Nederlanders, ook: "mooi land, maar jammer dat er Fransen wonen".
Maar daar ben ik, na vele reizen in dat land, toch anders over gaan denken.
Noot: dit stukje werd in grote lijnen eigenlijk al maanden geleden geschreven. Het heeft wat liggen sudderen en na wat bijschaven heb ik het uiteindelijk toch op dit blog gezet. Dat moment viel vrijwel samen met het verschijnen van een column van Sander Schimmelpenninck in de Volkskrant. Hij komt ook wel eens in Noorwegen. Zijn observaties en de mijne kennen overeenkomsten.










