Posts tonen met het label architectuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label architectuur. Alle posts tonen

vrijdag 6 februari 2026

Your hometown



















Niet zo lang geleden was ik op een crematie. Het betrof één van mijn neven; een zoon van een zus van mijn vader. Geboren in Zwijndrecht, had hij vanaf zijn huwelijk gewoond en gewerkt in Ridderkerk. Desondanks vond de uitvaart plaats in Zwijndrecht, waar aan de rand van het dorp al jaren een relatief nieuwe begraafplaats met crematorium is. 
De ceremonie startte met 'My hometown' van Bruce Springsteen. 
Ik moet bekennen dat ik even vol schoot. Dat gebeurt me vaker bij dit soort gelegenheden, als de muziek op de één of andere manier zó passend is bij de persoon en zijn leven, dat ze sterke emoties oproept. Een paar jaar geleden had ik hetzelfde bij de crematie van de man die ooit mijn zwager was, en die ik in de laatste maanden van zijn leven nog beter had leren kennen dan in de dertig jaar daarvoor al het geval was geweest. Toen was het 'Wild Horses' van de Rolling Stones. Het had in zijn geval niks anders kunnen zijn, en ik zal het nummer nooit meer kunnen horen zonder aan hem te denken. Het lied op zich is er alleen maar mooier op geworden, wat mij betreft.

Mijn neef was dus oorspronkelijk een Zwijndrechter, net als ik. Maar hij was veel meer Zwijndrechter dan ik ooit geweest ben. Dat komt mede door het gegeven dat ik nooit erg ben opgenomen in de Zwijndrechtse gemeenschap. Behalve het lidmaatschap van gymnastiekvereniging O & O (Oefening en Ontspanning), dat mij min of meer werd opgedrongen omdat gymnastiek heilzaam zou zijn tegen de bronchitus, waaraan ik in mijn jeugd leed, ben ik nooit lid geweest van een vereniging die toegang gaf tot het sociale leven in Zwijndrecht. Mijn lidmaatschap van de lokale bibliotheek, waar ik wèl de deur platliep, leverde in sociale zin weinig tot op. De vriendjes van de lagere school verloor ik na het verlaten daarvan al snel uit het oog. Bijna niemand ging naar de L.T.S., en de paar die er wèl naar toe gingen waren op de lagere school al geen vriendjes. Na de L.T.S. volgde de M.T.S., maar die stond in Dordt en gek genoeg kwam een aanzienlijk deel van mijn klasgenoten daar uit de Alblasserwaard. Na schooltijd zag ik de jongens uit mijn klas niet. Eén klasgenoot van de L.T.S, deed ook toelatingsexamen, maar hij zakte. Ik slaagde wel, hoewel ik dacht dat ik gezakt was. Een voor die tijd significant detail. 

Na de militaire dienst ging ik al vrij snel op kamers in Dordt. En hoewel ik begin jaren '80 nog even in een flatje 'op Zwijndrecht' woonde (hoewel Zwijndrecht toen al zo'n 30.000 inwoners moet hebben gehad, woonden autochtone Zwijndrechters nog steeds 'op Zwijndrecht'), vertrok ik rond 1986 naar Delft. Voor het werk en de liefde. Ik had definitief afscheid genomen van mijn geboortedorp. Ik kwam er eigenlijk alleen nog om mijn moeder en mijn goede vriend T. op te zoeken. Maar dat was dan ook de enige vriend die ik aan Zwijndrecht had overgehouden.

Mijn neef heeft de banden met zijn geboortedorp echter nooit ècht doorgesneden. 
Hij was een toegewijd voetballer en voetbalde hij het grootste deel van zijn voetballende leven bij VVGZ (Voetbalvereniging Geluksvogels Zwijndrecht). Daar voetbalde ook een andere neef van me die wèl Valk heette, en sowieso was VVGZ de thuisbasis van alle voetbalminnende Valken. Ook mijn vader is het grootste deel van zijn leven lid geweest; hij was het nog toen hij in 1983 op 64-jarige leeftijd overleed. De eerstgenoemde neef bleef, ook toen hij al jaren in Ridderkerk woonde en werkte, contact onderhouden met de Zwijndrechtse vrienden uit zijn jeugd en de tijd bij VVGZ. In essentie was hij een Zwijndrechter gebleven.
Mijn vader, nog een generatie ouder dan ik en mijn neef, was bij wijze van spreken 'wereldberoemd in Zwijndrecht'. Dat kwam mede doordat hij vanaf 1945 deel uitmaakte van de Zwijndrechtse gemeentepolitie. Maar zijn vader, mijn opa, had nog een tuinderij, en omdat Zwijndrecht van oorsprong een dorp van tuinders is, kun je rustig zeggen hij dat Zwijndrechtser dan Zwijndrecht was. In mijn jeugd werd mij, als een autochtone Zwijndrechter hoorde dat ik 'Valk' heette, regelmatig gevraagd of ik "er één van Janus Valk was" (iemand die door zijn ouders was getooid met de naam 'Adrianus' werd in Zwijndrecht automatisch 'Janus'), Inderdaad, dat was ik; ik was zelfs de enigste 'van Janus'.
Hoe bekend hij was in Zwijndrecht merkte ik pas toen hij was overleden. In het condoleance-register stonden uiteindelijk meer dan vierhonderd namen..

In Delft integreerde ik evenmin. Van mijn directe collega's op de TU woonde slechts een enkeling in Delft en die verloor ik na een paar jaar weer uit het oog, omdat ik bij een andere hoogleraar en een ander werkverband terecht kwam. Mijn kennissen in Delft waren de kennissen van mijn vriendin, die al langer in Delft woonde. Ik ontleende niets aan de stad dat enigszins op een identiteit leek. Sterker nog: ik vond de Delftenaren lichtelijk irritant. Waaraan ze het precies ontleenden is mij nooit volledig duidelijk geworden, maar in het plaatselijke sufferdje, feitelijk niet meer dan een advertentie blaadje, stond zelden of nooit ook maar één negatief woord over de stad of zijn bewoners. Delft was dit en Delft was dat; Delft was geweldig. Zelf vond ik Delft een tikkeltje benauwd. De binnenstad heeft een zekere kwaliteit, maar is eigenlijk maar piepklein en daarbuiten beginnen, na wat dertiger jaren-architectuur, al snel de eenvormige buitenwijken, die in iedere Nederlandse stad precies hetzelfde zijn.

Eigenlijk is dat laatste één van de universele Nederlandse drama's.
Zwijndrecht had, in de tijd dat ik een jochie was nog de Ringdijk, met z'n bebouwing die plaatselijk al honderden jaren oud was. Die bebouwing heeft men begin jaren '70 vakkundig verwijderd. Het was nodig voor een dijkverhoging. Zei men. Het gevolg is, dat Zwijndrecht op wat panden langs de Rotterdamseweg na, nauwelijks nog bebouwing heeft die ouder is dan honderd jaar. Hoewel er al voor de tweede wereldoorlog de nodige industrie in Zwijndrecht was, is het oorspronkelijke karakter van een tuindersdorp al heel lang verleden tijd. Zwijndrecht verschilt in allerlei opzichten eigenlijk niet meer van volledig identiteitsloze oorden als Alphen aan den Rijn en Zoetermeer.

Nu ik min of meer een oud mannetje ben geworden, en ondanks het feit dat ik mijn identiteit nooit erg heb laten bepalen door mijn afkomst, betrap ik mezelf soms op een vage melancholie. Het gevoel dat ik eigenlijk nergens meer ècht thuis ben. Dat ik feitelijk nergens meer wortels heb. Hoewel ik er in mijn jongere jaren nooit over nadacht, zou ik er heden ten dage veel voor over hebben om eens een kijkje te kunnen nemen op de tuinderij van opa Valk. Een tuinderij waar mijn vader en zijn broers nog hebben gewerkt en die eigendom was van een man die ik nooit heb gekend.  Dat alles is verdwenen in de nevelen van het verleden. Niet alleen de mensen, maar ook de tuinderij, die al kort na de oorlog is overspoeld door het uitbreidende Zwijndrecht. Dat gebeurde al voor ik geboren was, waarschijnlijk.
Zelfs het Zwijndrecht dat ik nog heb gekend, bestaat niet meer. Evenals het Eiland IJsselmonde van mijn jeugd.

Ondertussen woon ik al bijna dertig jaar in Dordrecht. En dat al dertig jaar in hetzelfde huis. Dat huis is in de eerste twintig jaar dat ik er woonde helemaal door m'n handen gegaan, om het beeldend uit te drukken. Eigenlijk is dàt wel deel van mijn identiteit geworden. Dat het in Dordrecht staat is mooi meegenomen; het is van alle steden in het westen van Nederland één van aardigste, hoewel de buitenwijken precies dezelfde bloedarmoede hebben als in Delft en Alphen aan den Rijn. De binnenstad ligt aan de rivier; dat maakt ook veel goed. 
Toch zal ik nooit een Dordtenaar worden zoals de broers en zusters van mijn moeder dat waren. Ondanks het gegeven dat ik soms Zwijndrechters (meestal mensen die er ook niet zijn geboren) pest met de opmerking: "het mooiste in Zwijndrecht is het gezicht op Dordt".

My hometown.. Is dat de plaats waar ik ben geboren? Ooit, heel lang geleden, was dat zo. De herinnering kwam even boven op die crematie, door toedoen van Bruce Springsteen.




maandag 5 januari 2026

Sporen naar Berlijn

























In 1936, toen zo langzaamaan het ware karakter van de nieuwe Duitse werkelijkheid zichtbaar werd, schreef Ed Hoornik het gedicht 'Het is maar tien uur sporen naar Berlijn'. Hij leek toen al te voorzien dat deze Duitse werkelijkheid vroeg of laat ook in Nederland de status quo zou worden.
Toen wij in de week na Kerstmis naar Berlijn spoorden, heb ik nog wel een paar keer aan die tien uur van Hoornik gedacht. We reisden weliswaar grotendeels met een snelle Duitse trein, maar kwamen redelijk dichtbij een reistijd van tien uur. Op de heenweg hadden we ruim een uur vertraging en op de terugweg bijna twee uur. Bij de laatste gelegenheid hadden we om 12.06 uur moeten vertrekken vanaf Berlin Hauptbahnhof. Dat werd een ruim een uur later, en tijdens de rit zelf wist de Deutsche Bundesbahn er nog eens bijna een uur extra vertraging aan toe te voegen. Inclusief de reistijd in Nederland, waar de NS ondanks het winterweer goed presteerde (de vertraging bleef beperkt tot enkele minuten), waren we van Berlijn tot Dordrecht bijna negen uur onderweg.

Berlijn is onder de wereldsteden nog steeds een unicum. Nergens drukt de geschiedenis zó zwaar op een stad als in Berlijn. 
Al vele jaren geleden las ik de stukken die Armando, die in de jaren '80 een tijd in Berlijn woonde en werkte, over de stad schreef. De "grote hoop zand", waar de muur langs liep en waar ooit "het statige gebouw van de Gestapo" stond is er niet meer. Het "restant van het Reichsluftfahrtministerium" dat aan de andere kant van de muur stond "drüben, dus" is er nog, maar ik heb er niet naar gezocht.. 
Armando schreef zijn verhalen over Berlijn nog voor de Wende. Na het verdwijnen van de muur zijn veel sporen van het verleden die min of meer in het niemandsland tussen oost en west lagen waarschijnlijk in hoog tempo verdwenen. Overigens is niet de hele muur verdwenen; langs de Mühlenstrasze in de wijk Friedrichshain, die parallel loopt aan de Spree, is nog een flink stuk bewaard gebleven. Het is over de volle lengte voorzien van muurschilderingen, die moeten worden beschouwd als kunstwerken, geloof ik. De lokale autoriteit heeft bepaalde kunstenaars toestemming toestemming verleend voor het aanbrengen ervan, zo te zien. Zonder toestemming aangebracht 'wild' geklieder wordt zonder mankeren overgeschilderd met witte verf. Ook daar zagen we wat bewijzen van.
Normaal zijn er in dit deel van Berlijn weinig toeristen, maar hier liepen ze met drommen.


















De meeste braakliggende stukken, erfenissen van de bombardementen en de slag om de stad in 1945, zijn ondertussen zo'n beetje verdwenen, maar toch kent de stad in de zone net buiten het echte centrum nog steeds veel lege plekken. of plekken die ooit leeg waren maar nu, al dan niet met goedkeuring van de overheid, zijn ingevuld met marginale bedrijfjes of kleine vrijstaatjes, die bewoond worden door mensen die met het nodige sloophout en golfplaten hun eigen woonomgeving hebben geschapen. Die overigens vaak door meer dan manshoge schuttingen is gescheiden van de openbare weg; reclame maken voor hun alternatieve mini-maatschappij vinden de bewoners kennelijk niet nodig, of men wil geen pottenkijkers. Daardoor doet het vaak wel een beetje unheimisch aan.
Heb je eenmaal het centrum bereikt, dan is elke vierkante meter ingericht. Vooral met grote, tamelijk anonieme gebouwen, die vaak tientallen verdiepingen de lucht in reiken. Ook op straatniveau is alles keurig ingericht, hoewel ook hier vaak stukken straat zijn opgebroken, omdat er weer voor het één of ander in de grond moeten worden gewroet. Hier wordt nog wel gewoond, maar in het beeld zijn de winkels en het zakenleven dominant. Het kapitalisme in één van zijn meest ultieme vormen grijnst je continue aan.
Ons hotel stond in voormalig Oost-Berlijn, vlak bij het S+U Bahnhof Frankfurter Allee. De directe omgeving was een rustige, nette woonomgeving, maar tussen de Frankfurter Allee en de Spree zijn de nodige rommelhoekjes van de hierboven genoemde soort te vinden. Een groot contrast met het centrum, waar de grond inmiddels heel duur is en het grote geld de broek aan heeft.
Vergeleken met Parijs ontbeert Berlijn veel charme en eerlijk gezegd vind ik Rotterdam (ook een stad die zijn Stunde 0 gekend heeft), in veel opzichten gemutlicher.

Was het bezoek aan de stad dan verloren moeite? Nee; integendeel. 
Want hoe je het ook wendt of keert, de Duitse cultuur is, samen met de Franse, de Britse en de Italiaanse één van de grote steunpilaren van de cultuur van Europa als geheel. Duitsland als natie ontstond pas in de tweede helft van de 19e eeuw, maar de Duitse cultuur is veel ouder.
Het slot Charlottenburg, dat als gebouw, vergeleken met Versailles of de paleizen in Potsdam niet buitengewoon indrukwekkend is, herbergt wèl een interessante expositie over het Pruisische Huis van de Höhenzollern, dat z'n wortels heeft in de vroege middeleeuwen en dat in 1701 een koninkrijk stichtte, dat in feite de basis vormde van het latere Duitsland.
In Nederland heeft het Pruisische een slechte naam, maar in de praktijk traden de Pruisische koningen vaak op als mecenas ten gunste van allerlei vormen van wetenschap en kunst. Binnen die cultuur konden grote geesten als Goethe en dichters als Wilhelm Müller zich ontwikkelen.

































Daarnaast bood een bezoek aan de Alte Nationalgalerie op het Museuminsel de gelegenheid om eindelijk eens wat schilderijen van Caspar David Friedrich in het echt te zien. 
Sinds ik, lang geleden, een CD met Schubert's Winterreise kocht, heeft Friedrich me geïntrigeerd. Op de voorpagina van het boekje bij de CD stond namelijk een afbeelding van Friedrich's schilderij Winterlandschaft. Een desolaat beeld van een besneeuwd landschap met grotendeels dode bomen. Als je iets beter kijkt, zie je tussen de bomen ook nog een kromgebogen Wanderer. 
Want dat is natuurlijk ook ontzettend Duits; de Romantiek als kunststroming in allerlei vormen.
De Alte Nationalgalerie is geheel gewijd aan de schilderkunst van de 19e eeuw en een groot deel van wat er te zien is valt zonder meer in de categorie Romantiek. 
Winterlandschaft van Friedrich hangt er jammer genoeg niet, daarvoor moet je naar het Staatliches Museum te Schwerin, maar er zijn wel 16 andere Friedrichs te zien, waaronder  Abtei im Eichwald en Eichbaum im Schnee. De eerstgenoemde heeft een sfeer van verlatenheid die de uitstraling van Winterlandschaft nog overtreft. En daar hebben we de eik ook weer; het Europese cultuursymbool bij uitstek. Friedrich laat deze ontbladerde bomen wanhopig naar de hemel grijpen, zoals alleen een eik dat kan.
















En natuurlijk is er ook het Waldgefühl; landschappen waar de bomen nu eens geen eenling zijn. Ze zijn een bos, met hoge, dicht opeenstaande sparren. Vaak lopen er ook nog wel één of meer mensen rond. Maar de mens is hier klein ten opzichte van het bos. Een detail, niet belangrijker dan een vos of een ree.

























Jammer genoeg kwamen we wat tijd te kort in de Alte Nationalgalerie, want we waren er op oudejaarsdag en het museum sloot al om 16.00 uur. Daardoor misten we een tijdelijke tentoonstelling met een particuliere collectie impressionistische schilderkunst.
Om dezelfde reden kreeg ik een ander schilderij dat in dit museum hangt, en dat voor mij een bijzondere betekenis heeft, niet te zien. 
De oudste zus van mijn moeder had thuis een reproductie hangen van Die Toteninsel van Arnold Böcklin. Tante heeft me nooit verteld wat het voorstelde, maar die grote rots met cypressen en de in het wit geklede figuur in z'n bootje, die er naartoe vaart, was iets uit een andere wereld dan de mijne van dat moment. Het beeld van het schilderij heeft tientallen jaren in mijn geheugen gezeten voor ik er, minder dan tien jaar geleden, achter kwam dat het niet zomaar een niemanddalletje was, maar iets van kunsthistorische betekenis.
















Tante Bets, want zo heette ze voor mij, liet zich er altijd wel een beetje op voorstaan dat ze binnen de familie (zeven zussen en vier broers) degene was met het meeste gevoel voor cultuur. Ze zong bij Kunst na Arbeid in Dordrecht, een aan de arbeidersbeweging gelieerd amateurkoor en werkte voor haar huwelijk bij de Co-Op, een winkel die uit dezelfde bron voortkwam.
Tante Bets had kennelijk zekere idealen, maar in laatste instantie heb ik het Toteninsel van Böcklin daarin niet kunnen plaatsen. 

Ook erg Duits maar niet Berlijns is Potsdam. Je komt en vanuit centrum Berlijn in drie kwartier met de onvolprezen S-Bahn. Waarbij je overigens kilometers ver door de bossen rijdt, want Berlijn heeft een heel groene omgeving.
Eigenlijk is Potsdam het Duitse Versailles, de plaats waar de Pruisische vorsten hun paleizen bouwden. Die paleizen, Sanssouci, het Orangerieschlosz en het Neues Palais liggen aan de randen van een groot park. Bij de oostelijke ingang daarvan staat ook nog een mooie imitatie van een vroeg-christelijke Italiaanse basilica uit 1848, met zo'n typische campanile, zoals je ze ook in Siena kunt zien.

















Ook bekeken we de Einsteinturm, een zonneobservatorium uit de jaren twintig. Hij staat in het eveneens naar Einstein vernoemde wetenschapspark net ten zuiden van het Hauptbahnhof van Potsdam. Je moet wel langs een slagboom om het park binnen te komen, maar de portier geeft je zeer bereidwillig een kaartje van het park waarop hij je de toren aanwijst.
De ontwerper van de Einsteinturm was Erich Mendelsohn. Hij tekende een ontwerp in een expressionistische stijl, die enige verwantschap vertoont met de Amsterdamse School. In de jaren dertig week Mendelsohn, die Joods was, uit. Eerst naar Engeland en in tweede instantie naar de Verenigde Staten. Daar ontwierp hij gebouwen die meer aansloten bij de stijl van het Bauhaus. Strakkere, zakelijke architectuur.

















Van de meer bekende sights noem ik slechts de Gedachtniskirche, die we zagen staan vanuit de S-Bahn, toen we station Zooöligischen Garten binnenreden. In een impuls besloten we er even heen te lopen. 
Van de oorspronkelijke kerk staat alleen de ingangspartij en de toren er nog. Het schip van de neo-gothische kerk werd in 1943 bij een bombardement verwoest. Ook de toren werd beschadigd en de gerafelde spits bleef behouden als Mahnmal.
Naast dit restant werd in 1954 een van buiten nogal sobere achthoekige kerk gebouwd, evenals een nieuwe klokkentoren. Van binnen werkt de nieuwe kerk echter heel goed. Het blauwe figuurglas, waaruit de gevels bestaan, gaat in het interieur pas spreken. Toen wij er waren zat er net een jonge pianist op een forte-piano Mozart te repeteren, waarschijnlijk voor een concert dat er op oudejaarsavond zou plaatsvinden.





 











We hebben een tijdje naar hem geluisterd en de sfeer op ons laten inwerken. We waren in Berlijn, maar de stad was eventjes ver weg.





vrijdag 16 mei 2025

Twee weken Frankrijk (vervolg)





















In het eerste deel van deze reisbeschrijving viel het begrip la France profonde. Het 'diepe' Frankijk. Het Frankrijk dat Franser is dan Frans, dat nog niet is aangetast door de moderne westerse cultuur, waar de voertaal nog steeds geen Engels is en internet en apps nog niet de allesoverheersende elementen zijn.
We hebben moeten erkennen dat de departementen Pas-de-Calais, Seine-Maritime, Calvados, Seine-Maritime en Manche toch wat minder 'Frans' zijn dan binnenlandse streken zoals de Berry, waarover ik een paar berichten terug schreef.
Waarschijnlijk is de aantrekkingskracht van de kust voor veel Fransen net zo groot als dat bijvoorbeeld voor de Duitsers het geval is. Frankrijk is een groot land, en hoewel de Fransen over veel meer kilometers kustlijn beschikken dan de Duitsers, is de zee voor veel Fransen in het binnenland een magisch gegeven. 
In deel 1 van dit epistel schreef ik al over de talrijke stacaravan-terreinen die op google nog voor campings doorgaan en die je in het binnenland in veel mindere mate aantreft.
Wat je bij de dorpen in het binnenland ook veel minder, en in de dorpen langs de kust veel meer tegenkomt, is het verschijnsel witte schimmel. Misschien heeft het Frans er een eigen woord voor, dat ik echter tot nog toe niet heb kunnen achterhalen. 
Witte schimmel is de cirkel van recent gebouwde woonhuizen en bungalows rond een veel ouder dorp. Vaak een vorm van catalogusbouw, zonder veel eigen identiteit, die sterk contrasteert met de oorspronkelijke bebouwing. In Frankrijk zijn de gevels van dat soort huizen meestal gepleisterd en inderdaad wit, lichtgeel of beige. De dorpen langs de Franse noordwestkust hebben vrijwel allemaal zo'n schil of een apart wijkje in die sfeer, dat in de afgelopen twintig jaar uit de grond is gestampt. 
De identiteit van de mensen die er wonen is onduidelijk. Maar omdat de huizen ook nogal eens zijn omgeven door hoge, dichte schuttingen, of, iets minder erg: stevige, manshoge gaashekken, rijst het vermoeden dat dit geen omhooggevallen oorspronkelijke dorpsbewoners zijn, maar import uit meer stedelijke regionen elders. Men wil met z'n directe omgeving en zijn bewoners liefst zo min mogelijk te maken hebben.

Toch hebben we nog wel enkele dingen aangetroffen, waar we nog niet eerder mee hadden kennisgemaakt en die iets hebben toegevoegd aan onze kennis van het Franse.
Na Ouistreham hebben we de Calvados en z'n invasiestranden rechts laten liggen en zijn we in één keer doorgereden naar de grens van Normandië en Bretagne. 
We wilden nu eindelijk eens de Mont-Saint-Michel bekijken en misschien nog even een stukje Bretagne doen.
Heel lang geleden, misschien was het tijdens onze eerste gezamenlijke  reis naar Frankrijk, zo'n veertig jaar geleden, hadden we de Mont al eens zien liggen, maar hadden we om nu niet meer helemaal duidelijke redenen afgezien van een daadwerkelijk bezoek. 
Komend vanuit de Calvados, en rijdend over D-wegen, passeer je op weg naar deze tourist trap nog een plek die een bezoek waard is: Avranches.
Hoewel er maar ongeveer 10.000 mensen wonen, heeft het een toch enige stedelijke allure. De geschiedenis van de stad begint bij de Romeinen en de plek is daarna eeuwenlang van strategisch belang gebleven, tot aan de Tweede Wereldoorlog toe. 
Eenmaal in het centrum blijkt ook waarom; de stad ligt op een hoogte die ruim 100 m. boven de twee aangrenzende riviermonden uitstijgt en de baai van Saint-Michel overziet.
Wikipedia schrijft dat de stad in de tweede Wereldoorlog nogal te lijden heeft gehad, maar het middeleeuwse centrum mag er nog steeds wezen. De zogenaamde Donjon, het restant van een Normandisch kasteel van rond het jaar 1000, dat volgens een lokale bron model zou hebben gestaan voor de Tower van Londen, biedt een weids uitzicht over de omgeving. 





































Bij goed zicht zou de Mont-Saint-Michel vanaf hier zichtbaar moeten zijn, maar ondanks het gegeven dat het prima weer was bij ons bezoek, verborg de Mont zich in de nevel op de horizon. De kasteelruïne omvat een aardige tuin, waar op dat moment Franse padvindsters picknickten. De ruïne gaat naadloos over in eveneens middeleeuwse woonhuizen die er tegenaan en gedeeltelijk waarschijnlijk overheen gebouwd zijn. Het zogenaamde Scriptorial grenst eveneens aan de kasteelruïne. Hier bewaart men door de monniken van de abdij op de Mont-Saint-Michel geproduceerde manuscripten en daarmee verbonden voorwerpen uit de middeleeuwen. De stad kent voorts nog een neo-gothische kathedraal, die qua maat en uitstraling niet veel onderdoet voor een ècht middeleeuwse versie.



















Ondanks het gegeven dat de Mont-Saint-Michel een toeristische trekpleister is van het type Venetië, valt niet te ontkennen dat hij, als Venetië, net zo enig in z'n soort is. Hoewel er een pendant is, die er sterk op lijkt: Saint Michaels Mount in Cornwall. Daar zijn we overigens nog nooit geweest, maar kijkend naar de plaatjes op internet, zien we inderdaad een kasteel op een berg in zee. Het lijkt allemaal wat kleiner dan de Mont-Saint-Michel, maar het is vooral de context die heel anders is dan die van de laatstgenoemde.
Het merkwaardig van de Mont is dat ie oprijst aan de rand van een volledig vlak en laaggelegen landschap. Lopend vanaf het dichtsbijzijnde dorp Beauvoir, langs een kaarsrechte waterloop, aan het eind waarvan de dam-met-brug naar de Mont begint, lijkt de omgeving op een Zeeuws polderlandschap. Het pad langs die waterloop ligt op een dijk, bijvoorbeeld. Nergens een hint van gesteente of rotsen. Maar op de horizon ligt daar dan ineens een rots van pakweg honderd meter hoog. Die overigens vrijwel geheel is bedekt door bebouwing. De top wordt gevormd door de abdij en daaronder wordt het beeld grotendeels bepaald door middeleeuwse woonbebouwing en stadsmuren.



















Een deel van de oorspronkelijk magie van de plek is rond 1900 al teloor gegaan. Was de Mont aanvankelijk alleen met laag water te bereiken; rond bovenstaande eeuwwisseling werd er een spoorlijn aangelegd, die hem permanent verbond met het vasteland. Vervolgens kwam er een dam waarover voetgangers en auto's zich naar de Mont konden begeven.
Ruim tien jaar geleden is een nieuwe toegang aangelegd; niet recht, maar met een slinger en gedeeltelijk dam, gedeeltelijk brug. De zee kan daardoor de Mont weer volledig omspoelen.
We bezochten de berg op een nogal mistige namiddag. Weinig zon en beperkt zicht. Desondanks was het druk. Vermoedelijk is het er nooit rustig, hoewel de jaarlijkse bezoekersaantallen een dalende trend schijnen te tonen. We waren helaas te laat om de abdij te kunnen bekijken; die was al gesloten.





































Het is ongetwijfeld een indrukwekkend geheel en het zou buitengewoon sfeervol kunnen zijn als je op de remparts en in de nauwe steegjes niet continue het menselijk verkeer c.q. gedrang zou moeten ontwijken. De Mont was de enige plek van deze reis waar we struikelden over zichzelf fotograferende Chinezen, Japanners, en als fotomodellen uitgedoste influencer-achtige types, compleet met botox-lippen.
Maar zo'n grote rots in een mistig, vlak waddenlandschap blijft een bijzonder gezicht.

We hebben een hernieuwd bezoek aan Bretagne uiteindelijk bewaard voor een volgende reis.
Inplaats daarvan zijn we weer noordwaarts gegaan, langs de westkust van Cotentin, die we tot op heden nog niet hadden gezien. 
We vonden een wijdse camping bij Hattainville, nèt ten noorden van Carteret, waar we een veld van pakweg 10.000 m2, met uitzicht op zee, deelden met welgeteld vier andere kampeerders. Toen het zicht een paar dagen later beter werd en de temperaturen zomerse waarden bereikten, konden we aan de horizon Guernsey zien liggen.



















De kust is hier een merkwaardige afwisseling van hoge, rotsige kapen met daartussen duingebieden, waarvan de hoogste plekken evengoed tot bijna 70 m. boven zeeniveau reiken.
Meijendel, of de Kennemerduinen, maar dan van een iets andere schaal. Hetzelfde geldt voor de stranden. Door de grote getijslag in deze omgeving (tussen hoog- en laagwater zit tussen de tien en vijftien meter verschil) zijn ze bij laagwater van een enorme breedte. Bij laagwater is het bij Hattainville ruim een kilometer vanaf de voet der duinen naar de waterlijn.





































Carteret is een kleine havenplaats met een haven die bij laagwater niet bereikbaar is vanaf zee. Het dorp zelf is niet heel bijzonder, maar de rotsige kaap aan de westkant ervan, getooid met een vuurtorentje, is wel weer een mooie plek met een prachtig uitzicht richting Guernsey en de baai ten zuiden van het dorp. We hebben een paar fraaie wandelingen  in de omgeving gemaakt.



















Tot slot had mijn vrouw nog een wens: ze wilde nog een keer een kliffenwandeling langs de krijtrotsen maken en voor krijtrotsen moet je richting Etretat. Er zijn krijtrotsen langs de hele kust van Sainte-Adresse bij Le Havre tot Ault, vlakbij de mond van de Somme. Maar Etretat heeft de mooiste.
We reden van Hattainville over de Pont de Brotonne weer naar Seine-Maritime en vonden een bijzondere camping bij het gehucht La Roussie, een paar kilometer ten zuidoosten van Fécamp. Voor de helft een restant van een oud landgoed met voormalige stallen en een eendenvijver, voor de andere helft weer een, voor deze omgeving bijna klassiek te noemen sta-caravandorp.



















Rond die eendenvijver waren nog een paar plekjes waar een tent of een camper kon worden geplaatst. Als je de goede kant op keek een vrij rustieke plek.
We waren eerder al eens van Etretat naar Fécamp gelopen. Deze keer parkeerden we aan de rand van het dorp Le Tilleul, een paar kilometer ten zuiden van Etretat. Vandaar loopt een pad, door het groen, al dalend richting zee.
Het was inmiddels 1 mei, een dag waarop heel Frankrijk een vrije dag heeft, en het was bovendien een donderdag. Veel Fransen hadden waarschijnlijk ook de vrijdag erna vrij genomen. Bijgevolg liepen we in een lange optocht met vele anderen richting zee. Nèt voor het strand loopt een ander, veel smaller paadje weer uit het dal omhoog naar het niveau van het pad langs de krijtrotsen, ongeveer 100 m. hoger.



















Het werd zonder meer de mooiste krijtrotsenwandeling die we ooit gemaakt hebben, ook al deden we dat met honderden anderen, want ook op het krijtrotsenpad zag het zwart van de mensen. Zelfs op zee vóór de krijtrotsen was het druk. Er was nauwelijks wind, het was warm en de zee bijna rimpelloos. Een bonte mengeling van speedboten, jetski's en kano's roste, c.q. dobberende heen-en-weer.























































Eenmaal gearriveerd in Etretat troffen we een badplaats die geheel opging in de zomerse activiteiten zoals die domineren in een badplaats op mooie dag. De meeste strandgangers hielden het bij pootjebaden, maar verder was er alle drukte er herrie die je kan verwachten  op een plek als deze. 
Een eindje achter het strand, dat hier overigens uit grind bestaat, vonden we in het dorp een terras waar we even wat wilden drinken. Mijn vrouw drinkt dan meestal een diabolo-citron. Zelf wilde ik vooral een niet te kleine pils. Onder de bières op de kaart vond ik een picon bière, waarachter tussen haakjes "37 cl." stond. Ik meende me vaag te herinneren dat een picon een inhoudsmaat was. Dat laatste bleek een onverklaarbaar gedachtenspinsel. 
Wat enkele minuten ná de bestelling voor me werd neergezet, was een kelk met daarin en flinke bodem donkere, goudbruine vloeistof, en daarnaast een flesje blond speciaalbier van 6% van een lokale brouwerij. 
Toen ik nipte van de bruine vloeistof, bleek dat een soort aperitief te zijn dat vaag aan Campari deed denken. Geen onaangename smaak, maar met aardig wat alcohol. Na een paar kleine slokjes heb ik het bier erbij gedaan. 



















Geen idee waar het alcoholpercentage van dit mengsel op uit kwam, maar het was wel wat meer dan van de 37 cl. pils die ik eigenlijk in gedachten had. 
Het lukte na het consumeren overigens nog heel goed om de resterende kilometers naar de auto te lopen. Tegen de tijd dat we daar waren had ik de alcohol er wel weer uit gelopen, en als we samen op pad gaan, rijdt tegenwoordig trouwens bijna altijd mijn vrouw.
Natuurlijk wist Wikipedia wèl wat een picon bière is.
Picon is inderdaad een aperitief. Eentje met een al behoorlijk lange geschiedenis; het recept werd al in de eerste helft van de 19e eeuw door Gaétan Picon bedacht. Sinaasappelschillen, cinchona en gentiaan, geweekt in alcohol vormen de basis. Het bevat 21% alcohol. Hoewel Picon zelf afkomstig was uit het zuiden van Frankrijk, is het drankje en de combinatie met bier vooral in Noord-Frankrijk en België deel gaan uitmaken van de traditie.

Op onze laatste èchte vakantiedag deden we nog een wandeling in de omgeving van Fécamp, waarover niet veel meer te melden valt dan dat we opnieuw werden geconfronteerd met een flink aantal restanten van de erfenis die de Wehrmacht in de vorm van bunkers op deze kust heeft achtergelaten, waaronder de fundamenten van een een zogenaamde Mammut, een lange-afstandsradar, waarmee de Duitsers geallieerde vliegtuigen konden zien als ze nog op 300 km. afstand waren.











































Het weer was aan het veranderen. Een groot deel van de dag liepen we in de mist, die weliswaar niet héél dik was, maar dicht genoeg om mooie vergezichten uit te sluiten.

De dag erop reden we in de regen naar huis. 
Rond de middag maakten we nog een stop in Abbeville voor het déjeuner. De binnenstad bleek een merkwaardige gelijkenis te vertonen met het gebied rond de Blaak in Rotterdam. Een grote middeleeuwse kerk, omgeven door wederopbouw-architectuur. Weer de oorlog.



















De rest van de middag reden we door een regenachtig, maar nooit vervelend landschap.
Pas in de buurt van de Belgische grens werd het droog.