Posts tonen met het label nederland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label nederland. Alle posts tonen

vrijdag 4 september 2026

Kunst waarvoor alles moet wijken

























In mijn voorlaatste bericht schreef ik over het eerste deel van de biografie van Gerard Reve, door Nop Maas. Reve's leven was in zijn beginjaren van een dusdanige kommer en kwel dat ik het lezen van het tweede deel, getiteld 'De rampjaren' nog even wilde uitstellen. 
Ik heb me niet aan dat voornemen gehouden. 
Deel twee werd toch in huis gehaald (de lokale bibliotheek is er goed voor) en ik ben diagonaal lezend door het boek gegaan. Tot ik ongeveer op de helft was. Enigszins populair uitgedrukt geloofde ik het toen wel.
Inderdaad: rampjaren. Maar ook grenzeloos opportunisme, gecombineerd met een bepaalde vorm van godsdienstwaanzin, die met en zekere hang naar ophef en publiciteit wordt uitgespeeld  en waarmee Reve zichzelf tot een soort instituut verheft. Een nuchtere denker zou specifiek dit  'instituut' ook de titel 'Dorpsidioot des Vaderlands' kunnen meegeven en iemand Willem Frederik Hermans heeft dit ook min of meer gedaan.
Wat overblijft is een beeld van tot literatuur verheven neurose, die weliswaar niet helemaal gespeend is van een zekere humor, maar in het algemeen, voor mij althans, toch te karikaturaal is om serieus te nemen. Of, om het iets sympathieker uit te drukken: niets toevoegt aan mijn eigen levensvisie.
Desondanks wordt Gerard Reve nog steeds tot de één van de grootste Nederlandse schrijvers gerekend.

Nu ik toch weer eens bezig was met de groten der Nederlandse literatuur en op zoek naar een dik boek om mee te nemen op vakantie, betrok ik, opnieuw uit de onvolprezen Dordtse bibliotheek, 'Een knipperend ogenblik, portret van Remco Campert', geschreven Mirjam van Hengel. 
Ik moet bekennen dat ik Campert vooral kende als de helft van het duo CaMu dat tussen 1996 en 2006 op de voorpagina van de Volkskrant te vonden was; de ene dag Remco Campert; de andere dag Jan Mulder. Ik zal hem ook wel eens bij De Wereld Draait Door gezien hebben. mede omdat Jan Mulder daar ook met enige regelmaat aanschoof. En misschien heb ik heel lang geleden ooit eens 'Het leven is verrukkeluk' gelezen. 
Eerlijk gezegd wilde ik zijn levensverhaal niet zozeer lezen omdat ik zo onder de indruk was van zijn literaire productie, maar meer omdat de persoon Campert, als ik hem wel eens hoorde of zag op radio of televisie, op mij overkwam als een buitengewoon rustige en evenwichtige man. Bijna iemand die, als ie al niet ècht volledig zen was, dit toch in aanzienlijke mate uitstraalde. Een sympathieke man, die rustig over de dingen nadacht voor ie iets zei en ook dan nog de indruk wekte dat ie dat slechts deed omdat hem iets gevraagd werd, Niet omdat hij zo nodig een mening wilde ventileren. 
In dat opzicht leek hij de optimale tegenpool van Jan Mulder, die, hoewel van Groningse oorsprong, het hart veel meer op de tong had.
Zijn CaMu-stukjes, veelal nuchter observerend van aard, maar toch vaak enigszins poëtisch, leken die indruk te bevestigen.

Van Hengel's boek heeft van mijn aanvankelijke beeld van Remco Campert jammer genoeg weinig heel gelaten. 
Remco Campert leefde eigenlijk voor niks anders dan zijn schrijverschap en zelfs dat niet eens met volle overtuiging. Een aanzienlijk deel van zijn leven heeft Campert doorgebracht met niksdoen en feestvieren. Hij was vier keer getrouwd, en nam drie keer definitief afscheid van de vrouw waarmee hij getrouwd was en één keer tijdelijk, waarbij hij het afscheid niet altijd even scrupuleus aanpakte. Hij zette ook twee kinderen op de wereld, maar bleek een belabberde vader. Hij vond kinderen eigenlijk vrij irritant. Nadat hij bevriend raakte met Kees van Kooten en hij eens met Van Kooten's gezin aan tafel zat, blafte hij Kim van Kooten, die uit verlegenheid een liedje begon te neuriën toe: "NIET neuriën!". Zijn eigen dochters kijken niet terug op een warme en beschermde jeugd. Hun ouders waren veel afwezig en lieten hen ook 's avonds vaak alleen om ergens feest te gaan vieren en onder kunstenaars te zijn.
Campert heeft in zijn leven ongelofelijk veel alcohol verstouwd en bij kans nog meer gerookt. Hij moet een ijzeren gestel hebben gehad, want hij werd desondanks twee-en-negentig.

Omdat hij deel uitmaakte van de groep literatoren die zich 'De Vijftigers' noemden, vertelt het boek van Van Hengel ook veel over de andere leden van dit gezelschap. Onder andere dat men met enige regelmaat vrouwen aan elkaar doorgaf. Promiscuïteit was aan de orde van de dag, waarbij het lijkt alsof beide seksen daar in gelijke mate van genoten. Toch vraag ik me af in hoeverre de levensstijl van de toenmalige artistieke kringen in de huidige tijd, en dan vooral door vrouwen, acceptabel zou worden gevonden. De vrouwen van de Vijftigers waren namelijk meestal zelf geen schrijver of anderszins kunstenaar. Aan de gelijkwaardigheid van beide partners in al die relaties kan worden getwijfeld. Alleen Fritzi ten Harmsen van Beek (de tweede vrouw van Campert) heeft als dichteres enige naam gemaakt.
Eén en ander laat ook zien hoever de toenmalige kunstenaarskringen in de jaren vijftig en zestig buiten de normale maatschappij stonden. In de rest van Nederland was, vooral in de jaren vijftig, stijve burgerlijkheid de norm.
Wat als verzachtende omstandigheid kan worden genoemd is het gegeven dat Remco Campert zelf ook niet bepaald een normale jeugd had. Zijn vader Jan Campert, die vooral tijdens de oorlog bekend werd als schrijver van het gedicht 'De achttien dooden', leefde al voor de oorlog als een bohemien en was sinds 1932 gescheiden van Remco's moeder, de actrice Joeki Broedelet. Deze liet de opvoeding van Remco grotendeels over aan zijn grootouders en in laatste instantie zelfs aan een pleeggezin, terwijl ze zelf aan het werk was als actrice.

Hoewel het lezen over de capriolen van de toenmalige artistieke beau monde een zekere amusementswaarde heeft, heb ik ook het boek van Van Hengel niet helemaal uitgelezen. 
De schrijfster zit ook wat te dicht op haar onderwerp, wat mij betreft. 
Het boek werd geschreven terwijl Campert nog in leven was en Van Hengel mag door Camperts archief scharrelen, terwijl hij er zelf vaak bij zit. 
Ik zou niet willen beweren dat een biograaf bij het schrijven zijn onderwerp te allen tijde ook kritisch moet benaderen, maar de manier waarop dit boek tot stand is gekomen, maakte dit al bij voorbaat lastig.

Ja, De Kunst; het weet wat. Zestig jaar geleden moest in Campert's kringen alles ervoor wijken. Kunstenaars  zweefden als God tussen hemel en aarde, ogenschijnlijk met een totaal gebrek aan maatschappelijke betrokkenheid.
Het is me niet duidelijk of dit beeld nu uniek is voor de jaren vijftig en zestig, of dat dit vooral gold voor de groep rond de vijftigers. Het universum van iemand als Reve komt maar zeer ten dele overeen met dat van de laatstgenoemde groep, maar staat op z'n eigen manier geheel buiten de maatschappelijke realiteit.
De periode dat kunstenaars zich verenigden onder een gezamenlijke noemer, of door de kritiek onder één noemer werden gebracht, lijkt achter ons te liggen. Hoewel ik me uit de jaren '80 en '90 nog de 'Maximalen' kan herinneren.
Maar Joost Zwagerman en René Stouten zijn ook al weer jaren dood.





dinsdag 14 juli 2026

Geen oorlogsheld


Het zicht in oostelijke richting vanaf Fort Honswijk. In de verte
de spoorbrug van Culemborg.























Mijn vader was geen prater. En àls hij praatte was er vaak een negatieve ondertoon. Hij maakt zich drukker over dingen die hem dwarszaten, dan dat hij de lof zong van iets dat hem plezier deed. Wat ik er uiteindelijk aan heb overgehouden, was de indruk dat het leven hem in laatste instantie lelijk is tegengevallen. 
Slechts zelden vertelde hij verhalen over wat hij zoal had meegemaakt. Over zijn jeugd, die zich voor een groot deel moet hebben afgespeeld op de tuinderij van zijn vader, sprak hij nooit. En over zijn vier broers evenmin. Soms ontviel hem wat over één van zijn zussen, maar altijd als die hem op de één of andere manier irriteerden.
Mijn vader had, zoals iedereen van zijn generatie, de oorlog meegemaakt. 
Er wordt wel eens beweerd dat die generatie daar een soort collectief wantrouwen tegenover de medemens aan heeft overgehouden. Niet direct regelrechte misantropie, maar voetstoots aannemen dat ieder mens van nature geneigd is tot het goede zat er niet meer in. In het geval van mijn vader heeft  zijn na-oorlogse werk bij de politie daar waarschijnlijk ook geen goed aan gedaan.

Over wat de familie van mijn moeder tijdens de oorlog heeft meegemaakt en doorstaan, heb ik hier al vaker geschreven. In dat kader deze keer een verhaal van de andere kant van mijn familie; die van mijn vader. Nog sterker: een verhaal over hemzelf, dat ik in eerste instantie uit zijn eigen mond vernam. Naar aanleiding waarvan hij ermee op de proppen kwam, weet ik niet meer; het moet meer dan vijftig jaar geleden zijn. Het was een uniek voorval; een verklaring voor het feit dat ik het al die jaren onthouden heb.
Dat het, nog maar een paar jaar terug, een hele nieuwe laag kreeg, die zijn mondeling geventileerde herinnering zwart op wit bevestigde en deze promoveerde van een indrukwekkend, maar mogelijk apocrief verhaal, tot een klein stukje waar gebeurde geschiedenis, was voor mij aanleiding om toch maar even op te schrijven.

Mijn vader, geboren in 1918, was al twee jaar voor de oorlog, in 1938, "opgekomen voor zijn nummer", zoals dat, in de tijd dat de dienstplicht nog bestond, werd genoemd. 
In 1938 was de wereldwijde economische crisis van de jaren dertig in Nederland nog steeds niet achter de rug. Ondanks de oorlogsdreiging, die rond die tijd ook al opspeelde, en in het licht van de nog altijd hoge werkloosheid, ging mijn vader, toen hij afzwaaide als dienstplichtig soldaat, in op een aanbod om voor bepaalde tijd vrijwillig bij het leger dienst te nemen als 'hulp-marechaussee'. Als zodanig werd hij gelegerd in Millingen aan de Rijn; pal aan de Duitse grens.

Op 10 mei 1940 werd in Millingen aan de Rijn geen schot gelost. De twee belangrijkste aanvalsrichtingen van de Wehrmacht liepen in de richting van de Grebbeberg, ten noorden van de Rijn en via Noord-Limburg en Noord-Brabant naar de Moerdijkbruggen en verder. Later tijdens de meidagen bleken de Duitsers echter wel degelijk ook via de Betuwe en het land van Maas en Waal naar het westen op te dringen, maar de Marechaussee-troepen te Millingen merkten daar op de vroege morgen van 10 mei nog niks van.
Mijn vader vertelde dat ze per direct het bevel kregen om Millingen te verlaten en in westelijke richting terug te trekken. Bij Beneden-Leeuwen stak men met de pont de Waal over, waarna de terugtocht door de Betuwe verder ging. 
Onderweg  had mijn vader gezien hoe een vliegtuig door luchtafweer brandend werd neergeschoten. Dat had al grote indruk op hem gemaakt. Maar wat daarop volgde had zich nog dieper in zijn geheugen genesteld.. 
Hij vertelde hoe zijn troep ergens werd opgevangen door een Nederlandse officier, die wilde dat zij zich zouden aansluiten bij een groep, die onder zijn bevel zou optrekken naar de spoorbrug van Culemborg. Die brug was nog intact en de officier vond dat ie moest worden opgeblazen.
Tijdens de tocht naar de brug kwam deze groep echter onder artillerievuur te liggen. Volgens mijn vader had ie een tijdlang plat op z'n buik gelegen, terwijl om hem heen de granaten ontploften. Van het opblazen van de brug was niks meer gekomen. 
Heel veel woorden besteedde hij niet aan de ervaring, maar dat het geen pretje was geweest leed geen twijfel. De angst van toen voelde hij tientallen jaren later nog steeds.

Het verhaal zat jaren in mijn achterhoofd, totdat ik, een paar jaar geleden, stuitte op een boek dat de titel 'De geschiedenis van het Wapen de Koninklijke Marechaussee' droeg.  Het voorwoord van de schrijver, mr. W. van den Hoek, is gedateerd: mei 1963. Ik herinnerde me wat mijn vader me had verteld en begon te bladeren. Tot mijn niet geringe verbazing trof ik vanaf pagina 399 het verhaal van mijn vader, maar nu in z'n volledige context en met veel meer details.
Een en ander bleek zich te hebben afgespeeld op 14 mei 1940. Het initiatief voor de actie kwam van een officier van brigade B, een legereenheid die aanvankelijk een stelling in het Land van Maas en Waal bezet had gehouden, maar zich op 14 mei al had teruggetrokken in Vreeswijk. Een kapitein van deze brigade B had binnen de Marechaussee-eenheid van mijn vader, die zich op dat moment kennelijk ook al in Vreeswijk bevond, vrijwilligers geronseld voor het innemen van de brug bij Culemborg, waaronder 14 "zogenaamde hulpmarechaussees". Daarna vervolgt het verhaal van de operatie, inclusief het gegeven dat er tijdens de artilleriebeschieting enige gewonden vielen. Voor het bereiken van de brug werd de terugtocht aanvaard, omdat vanuit de richting van de brug Duitsers op motorfietsen met zijspan, met daarop een mitrailleur naderden, die de Nederlandse soldaten onder vuur namen.

Ik wist uit eerder onderzoek naar andere onderwerpen dat het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) zo ongeveer alle beschikbare gevechtsrapporten van het Nederlandse leger uit de meidagen van 1940 heeft gedigitaliseerd. Je kunt ze gewoon thuis, achter je computer, doornemen.
Ik vond zonder veel moeite het rapport dat Kapitein Luchsinger van Brigade B op 19 mei 1940 schreef, en dat de actie in zo mogelijk nog meer detail beschrijft.

Op 14 mei bevond Brigade B zich inderdaad in Vreeswijk. Luchsinger beschrijft hoe zijn eigen eenheid daar in de nacht van 13 op 14 mei was gearriveerd. Die troepen waren als gevolg daarvan "alle zeer vermoeid en bovendien geheel incompleet (sic)". Rond de middag van 14 mei werd van de commandant van het Tweede Legerkorps bevel ontvangen om "met een compagnie de spoorbrug van Culemborg, die door parachutisten was bezet, te hernemen en daarna te doen opblazen." 
Kennelijk achtte Luchsinger de manschappen van zijn Brigade B daar niet toe in staat. Hij wendde zich tot een groep "marechaussees van de brigades Groesbeek, Nijmegen en Millingen", waarmee een detachement van 25 man werd samengesteld, dat met twee vrachtwagens naar fort Honswijk werd gebracht. Dit fort ligt ongeveer 7 km. ten zuidoosten van Vreeswijk, aan de Lek. Het maakte destijds deel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Na het ineenstorten van de Nederlandse weerstand op de Grebbeberg op 13 mei, was het Nederlandse leger begonnen aan een tamelijk wanordelijke terugtrekking op deze waterlinie. Men hoopte van daaruit de strijd nog enig tijd te kunnen volhouden. Onderweg naar het fort kwam men derhalve al veel, in Luchsingers woorden "groote ongeordende afdeelingen artillerie en infanterie" tegen en ook bij het fort bevonden zich Nederlandse troepen die zich uit het terrein tussen Honswijk en de brug hadden teruggetrokken, nadat, naar eigen zeggen, een deel van hun onderdeel door de Duitsers krijgsgevangen was gemaakt. Deze ontmoetingen deden het moreel van Luchsingers troep geen goed.
















Restand van een loopgraaf, ongeveer halverwege Fort Honswijk
en de Spoorbrug Culemborg.






















Vanaf Fort Honswijk ging het detachement te voet verder in de richting van de Culemborgse brug, die pakweg 4 km. verder naar het oosten ligt. Onderweg ontstond in de groep enig gemor; Luchsinger schrijft: "Er waren marechaussees die openlijk verklaarden dat het toch waanzin was om met enkele menschen voorwaarts te trekken, terwijl er duizenden wegliepen".
Als men de brug tot iets meer dan een kilometer is genaderd beginnen er in de nabijheid van de groep granaten te vallen. "Het resultaat dezer verschillende factoren was, dat, niettegenstaande herhaaldelijk halt gehouden werd om de menschen aan te sporen niet achter te blijven, bij het passeren van Hp.159 aan den Lekdijk nog slechts de volgende militairen zich bij mij bevonden:", waarop Luchsinger zeven namen noemt. Mijn vader is daar niet bij.
Enkele minuten daarna arriveren de eerder genoemde Duitsers op motorfietsen met zijspan. De troep van Luchsinger trekt zich terug in een boomgaard en levert van daaruit nog enige weerstand, maar omdat de granaten blijven vallen en de Duitsers over mitrailleurs en machinepistolen beschikken, trekt de troep zich onder voortdurend vuur terug. 
Uiteindelijk vallen er drie zwaar gewonden, waarvan er één, de marechaussee P.C. Teekens, wordt achtergelaten. Hij kreeg waarschijnlijk medische hulp van Duitse zijde.

Op het moment dat de hierboven beschreven gebeurtenissen plaatsvonden was Rotterdam al gebombardeerd en in de loop van dezelfde middag nam generaal Winkelman het besluit tot capitulatie. Kapitein Luchsinger en mijn vader waren daarvan niet op de hoogte; pas 's avonds, even na half zeven meldde de radio dat Nederland had gecapituleerd. Daarmee werd in tweede instantie duidelijk dat de actie tegen de Culemborgse brug, ook als ie was geslaagd, totaal zinloos was. 

Mijn vader maakte tijdens zijn latere leven ook nog wel een paar gevaarlijke situaties mee; hij schijnt als politieagent ooit een baksteen tegen zijn hoofd te hebben gekregen. Maar vermoedelijk kwam hij nooit dichter bij een voortijdig levenseinde dan op de middag van 14 mei 1940.
Ik heb ook nooit de indruk gekregen dat hij erg heeft geleden onder het gegeven dat hij zijn kans om een oorlogsheld te worden glansrijk heeft gemist.







dinsdag 30 juni 2026

Je leest weer 's een boek, of: op weg naar het einde

























Herstellende van een operatie, waarover ik voor dit moment even niet in detail wil treden, heb ik ongeveer zes weken in depressief makende inertie doorgebracht. Ook met dat laatste zal ik de lezer niet teveel vermoeien, maar één en ander nam, onder andere, de vorm aan van veel nutteloze uren op internet. Vooral die zogenaamde 'shorts' van YouTube zijn, ondanks het vaak volslagen debiele gehalte van de filmpjes, zonder meer verslavend. Je blijft klikken tot er weer een halve dag is verstrekken, om vervolgens te constateren dat het werkelijk niets anders heeft opgeleverd dan verbeuzelde tijd. En als je, om met Reve te spreken, op weg bent naar het einde, is dat een tamelijke sneue constatering. De laatste fase van het leven moet met iets beters te vullen zijn. 
Voor  u nu van alles gaat denken: ik ben niet méér of sneller op weg naar het einde dan elk willekeurig ander mens, maar soms is het besef dat vroeg of laat de koek op is wat sterker aanwezig dan op andere momenten.
Een weekje geleden had ik qua YouTube-verslaving kennelijk mijn tax bereikt; ik besloot naar de bibliotheek te wandelen om een paar boeken te lenen. Geen romans, natuurlijk. Ik heb hier al vaker betoogd dat als ik lees, ik liever over èchte levens lees. 

Over Hermans en Mulisch heb ik op dit blog al eens geschreven, Aan Reve, volgens de canon eveneens behorend tot de zogenaamde 'grote drie' van de Nederlandse literatuur uit de tweede helft van 20e eeuw, heb ik tot nu toe nooit veel woorden besteed. 
Vanzelfsprekend heb ik in de loop der jaren wel het nodige meegekregen over zijn kleurrijke levensloop. En ik heb een paar boeken van hem gelezen. Ook was ik mezelf ervan bewust dat geen enkele andere Nederlandse schrijver een fanbase had, en heeft, die vergelijkbaar is met die van Reve. De 'reviaan' is een bestaand type mens, en ik vermoed dat de revianen er tot in lengte van jaren voor zullen zorgen dat Reve voorlopig niet vergeten wordt.

Derhalve was één van de boeken waarmee ik thuiskwam het eerste deel van de Reve-biografie van Nop Maas 'De vroege jaren 1923 - 1962'.
Snel samengevat was het lezen daarvan een tamelijk bevredigende ervaring, hoewel Maas als schrijver zelf ook wat merkwaardige trekjes vertoont. Zo hecht hij eraan om 'kloeg' te schrijven als hij 'klaagde' bedoelt. Deze schrijf- en zegswijze schijnt hier en daar in Vlaanderen nog voor te komen, maar is in Nederland nauwelijks bekend c.q. uitgestorven. Ook is er bij de biograaf een zekere voorkeur voor het gebruik van moeilijke woorden, ook als er een voor iedereen te begrijpen Nederlands equivalent voor bestaat. Maas schrijft 'irenisch' als hij 'vredelievend' bedoelt, bijvoorbeeld. 
Gelukkig worden de noten direct onderaan de betreffende pagina weergegeven. Ze zijn, om het eufemistisch uit te drukken, nogal talrijk. Steeds naar het eind van het hoofdstuk, of achterin het boek bladeren zou het leesplezier behoorlijk hebben bedorven.
De mate van detail leidde er soms wel toe dat ik regelmatig een paar bladzijden diagonaal las, tot mijn oog weer bleef hangen aan een naam of een zinsnede die mijn aandacht trok.

Wat betreft Reve's eerste veertig levensjaren zijn er twee dingen die er wat mij betreft uitspringen.
Ten eerste is daar het gegeven dat de schrijver, na het succes van zijn eerste boeken ('De avonden' en 'Werther Nieland/ De ondergang van de familie Boslowits') meer dan tien jaar op zoek is geweest naar zichzelf en naar de literaire vorm waarmee hij uiteindelijk pas ècht deel van de eerder genoemde 'grote drie' werd. 
Hoewel Maas het verhaal van deze periode doorspekt met lachwekkende anekdotes, is de algemene indruk van Reve in deze periode toch die van een getormenteerd mens, die bovendien vaker wel dan niet een plaag is voor zijn omgeving. Hij is weinig productief en zijn leven wordt vooral door anderen bekostigd. 'Parasitair is een woord dat opkomt.
Dat parasitaire, en dat is het tweede dat nogal op de voorgrond treedt, geldt vooral voor zijn huwelijk met Hanny Michaelis. Zij heeft nogal wat van Reve moeten verduren en heeft voor de steun die ze hem, gedurende de elf jaar dat ze met hem getrouwd was, gaf betrekkelijk weinig teruggekregen. 
Men kan zich afvragen wat er gebeurd zou zijn als Reve zich eerder had verzoend met zijn homoseksualiteit, en hij de relatie met Michaelis nooit was aangegaan. Er waren dan, naar mijn idee, twee opties geweest: één: Reve had eerder zijn vorm gevonden en was al in een veel eerder stadium een groot schrijver geworden, of twéé: hij was volledig vastgelopen in zijn neuroses, financiële problemen en algemene onaangepastheid, en was daar al ver voor zijn veertigste levensjaar aan ten onder gegaan.

Hoe dan ook, ondanks het gegeven dat het boek uitstekend leesbaar is, is het geen lectuur waar je van opknapt, als je eigen levensvreugde even wat minder is..
Deel 2 van de biografie heeft als ondertitel 'De rampjaren' Ik denk dat ik het lezen daarvan nog maar even uitstel. Het kan, in het geval van Reve, kennelijk allemaal nóg erger.

Van de weeromstuit ging ik aansluitend even op zoek naar wat ik zelf van Reve had staan en het eerste dat ik vond was 'Oud en eenzaam'. 
Daarin komt onder andere de bouw van zijn geheime kasteel 'Notre Reine' op een "platte, 749 m. hoge berg" aan de orde. Reve noemt ook het dorp La Paillette, dat er vlakbij ligt. Mijn fascinatie voor plekken waar iets gebeurd is, al dan niet schuldige landschappen zo u wilt, bracht me ertoe om via GoogleMaps en internet te achterhalen waar 'Notre Reine' precies lag.
Die zoektocht leidde me onder andere naar het blog Keesjemaduraatje
De maker van het blog had Reve's Franse stulpje, ondanks het feit dat hij een zelfbenoemd reviaan is, nooit ècht bereikt, maar in de reacties gaf iemand de coördinaten in lengte- en breedtegraden en zo weet ik nu precies waar het ligt; 5 km. ten zuiden van Vesc, in de Drôme, Frankrijk.

Uit de kop van het blog ("0ver Palestijnen, terrorisme, islam, Israël misstanden en persoonlijke belevenissen") bleek echter dat het reviaanse verhaal een uitzondering op de regel was. De schrijver, die in het echt ook Kees heet, put zich al sinds december 2005 voornamelijk uit in agitprop tegen de Palestijnse zaak en de Islam, en vóór Israël. Zeker in de eerste jaren scheef hij honderden berichten per jaar. Na het lezen van een paar van die berichten kom je tot de conclusie dat het woord 'rabiaat' hier op z'n plaats is; elke nuance ontbreekt. Kees ziet slechts één kant van de zaak; de tienduizenden doden in Gaza spelen in zijn overwegingen geen enkele rol.
Eén en ander was dusdanig intrigerend, dat ik nog even verder zocht op 'keesjemaduraatje'. Uiteindelijk vind je dan dat Kees ook actief was in de krakersbeweging van de jaren tachtig.

Het kan verkeren.
 
Ooit stuitte ik op de theorie dat links en rechts extremisme, naarmate ze extremistischer worden, zich soms in een soort tegenstelde cirkelbeweging bewegen, waardoor ze uiteindelijk elkaar naderden en links-extremisme bij individuen soms vrij abrupt kan omslaan in rechts-extremisme.  
Hoewel het misschien te ver gaat om Pim Fortuyn een extremist te noemen, zijn er wel mensen geweest die zijn omslag van radicaal links naar radicaal rechts op deze manier hebben verklaard. Ook Reve maakte een dergelijke omwenteling in denken door en om bij mezelf te blijven: zonder dat ik het toen in de gaten had was ik lang geleden zelf ook 'rechts', waarna ik van lieverlee steeds 'linkser' ben geworden. Maar ik geloof dat ik er redelijk in ben geslaagd om weg te blijven van extremisme.

Hoe een vrij onschuldige obsessie met 'plekken', na het lezen van een biografie waarin verloren tijd een grote rol speelt, uiteindelijk leidt tot het opduikelen van nòg iemand die zijn tijd en energie op grote schaal verspilt met bezigheden die uiteindelijk tot niets positiefs leiden.

Ook Kees, die waarschijnlijk niet veel jonger is dan ik, is op weg naar einde.  
Soms probeer ik me wel eens een voorstelling te maken van waar je aan zou kunnen denken als je laatste uur geslagen heeft. Dat je dan hopelijk het idee hebt dat je, ondanks alles, je leven niet verspild hebt, bijvoorbeeld
In de biografie van Reve komt ergens, eind jaren vijftig, ook nog een brief van W.F. Hermans aan Reve aan de orde, waarin hij aangeeft ten aanzien van laatstgenoemde "agressief medelijden" te voelen. Hij was  het geklaag en de vruchteloze pogingen van Reve om een  Engelstalige schrijver te worden een beetje zat, en zei om die reden de aanvankelijke vriendschap min of meer op.
Zelf ben ik het totaal niet eens met de politieke stellingname van Keesjemaduraatje, maar meer nog ben ik ontdaan door de zinloosheid van zijn al twintig jaar voortdurende fanatisme. Naast wrevel met betrekking tot zijn politieke standpunt, voel ik een zekere medelijden. Ik heb, bij wijze van spreken, met hem te doen.
Agressief medelijden; ik begrijp nu pas goed wat Hermans daarmee bedoelde, denk ik.

zondag 14 juni 2026

There's something in the water!





















Afgelopen vrijdagavond, rond half negen, werden de inwoners van Dordrecht, Zwijndrecht en Hendrik-Ido-Ambacht verrast met een mailtje van Evides, het lokale waterleidingbedrijf. De E-coli bacterie was aangetroffen in het drinkwater en Evides adviseerde voor de eerstkomende 72 uur het water voor consumptie 3 minuten te koken.
Ongeveer twee uur volgde een NL-Alert van dezelfde strekking, via de telefoon. Toch goed dat de vanouds vertrouwde luchtalarm-sirenes voorlopig niet door het NL-alert worden vervangen, dacht ik.
Nu had mijn vrouw, die altijd wat gevoeliger is voor de mogelijkheid van allerlei calamiteiten, al paar 2-liter pakken bronwater klaar staan; nog niet zo lang geleden aangeschaft toen de burgers van Nederland werd aangeraden een noodpakket in huis te nemen. Bovendien kookte ze meteen het nodige water en vulde daarmee een verzameling doppers en thermosflessen die uit alle hoeken en gaten werden verzameld.
In de loop van de volgende dag bleken we daar als dagvoorraad ruim voldoende aan te hebben. Extra bronwater werd dus niet aangeschaft en de pakken die we wel hadden bleven voorlopig dicht.
Gisterenavond (zaterdag) kwam er om kwart voor acht een nieuw mailtje met de boodschap dat het eerdere kookadvies was opgeheven. Nadere onderzoeken hadden uitgewezen dat er van besmet leidingwater geen sprake was. Een vals alarm dus waarschijnlijk. NL-Alert was dit keer wat meer bij de tijd; enkele minuten na de mail gaf dat dezelfde melding.

Vanmorgen keek ik even bij AD-De Dordtenaar, waar ik, voornamelijk om ook enigszins op de hoogte blijven van het lokale nieuws, een digitaal abonnementje heb lopen.
Vanzelfsprekend was ook het afgegeven en weer snel ingetrokken kookadvies nieuws waaraan de krant niet voorbij kon gaan. 
‘Valse’ melding van poepbacterie in drinkwater, hoe kon dat gebeuren? luidde één de koppen. Want gewoontegetrouw moet er een schuldige worden gevonden voor het leed dat de burger is aangedaan.
Het voornaamste leed deden burgers echter zichzelf aan.
Onder de kop Massale run op waterflessen na besmet drinkwater in Drechtsteden: ‘Mensen denken alleen aan zichzelf’ berichtte AD-De Dordtenaar over de taferelen die zich bij de Dordtse supermarkten hadden afgespeeld. Het hamsteren had tamelijk hysterische vormen aangenomen; sommige klanten namen in één keer bijna100 liter bronwater mee. Bij de Jumbo in Sterrenburg liep het hamsteren vrijdagavond zó uit de hand dat de politie eraan te pas moest komen.
Aangezien de meeste supermarkten op vrijdag om 21.00 u. sluiten en het nieuws om ongeveer 20.30 u. bekend werd, zijn hele volksstammen dus in het laatste halfuurtje dat de supermarkten open waren direct in actie gekomen, om toch maar vooral niks tekort te komen. Of zouden er andere motieven aan de orde zijn geweest, zoals speculeren op een langdurig tekort en zwarthandel? Of was het een combinatie van het één en het ander?

Ik vraag me af hoe snel de vlam in de pan gaat, als zich in de nabije toekomst een ècht serieus probleem voordoet. Het lijkt er wel eens op dat er in meer dan één opzicht sprake is van something in the water.
Het menselijk tekort was hier en daar weer eens vrij onontkoombaar aanwezig.








vrijdag 6 februari 2026

Your hometown



















Niet zo lang geleden was ik op een crematie. Het betrof één van mijn neven; een zoon van een zus van mijn vader. Geboren in Zwijndrecht, had hij vanaf zijn huwelijk gewoond en gewerkt in Ridderkerk. Desondanks vond de uitvaart plaats in Zwijndrecht, waar aan de rand van het dorp al jaren een relatief nieuwe begraafplaats met crematorium is. 
De ceremonie startte met 'My hometown' van Bruce Springsteen. 
Ik moet bekennen dat ik even vol schoot. Dat gebeurt me vaker bij dit soort gelegenheden, als de muziek op de één of andere manier zó passend is bij de persoon en zijn leven, dat ze sterke emoties oproept. Een paar jaar geleden had ik hetzelfde bij de crematie van de man die ooit mijn zwager was, en die ik in de laatste maanden van zijn leven nog beter had leren kennen dan in de dertig jaar daarvoor al het geval was geweest. Toen was het 'Wild Horses' van de Rolling Stones. Het had in zijn geval niks anders kunnen zijn, en ik zal het nummer nooit meer kunnen horen zonder aan hem te denken. Het lied op zich is er alleen maar mooier op geworden, wat mij betreft.

Mijn neef was dus oorspronkelijk een Zwijndrechter, net als ik. Maar hij was veel meer Zwijndrechter dan ik ooit geweest ben. Dat komt mede door het gegeven dat ik nooit erg ben opgenomen in de Zwijndrechtse gemeenschap. Behalve het lidmaatschap van gymnastiekvereniging O & O (Oefening en Ontspanning), dat mij min of meer werd opgedrongen omdat gymnastiek heilzaam zou zijn tegen de bronchitus, waaraan ik in mijn jeugd leed, ben ik nooit lid geweest van een vereniging die toegang gaf tot het sociale leven in Zwijndrecht. Mijn lidmaatschap van de lokale bibliotheek, waar ik wèl de deur platliep, leverde in sociale zin weinig tot niks op. De vriendjes van de lagere school verloor ik na het verlaten daarvan al snel uit het oog. Bijna niemand ging naar de L.T.S., en de paar die er wèl naar toe gingen waren op de lagere school al geen vriendjes. Na de L.T.S. volgde de M.T.S., maar die stond in Dordt, en gek genoeg kwam een aanzienlijk deel van mijn klasgenoten daar uit de Alblasserwaard. Na schooltijd zag ik de jongens uit mijn klas niet. Eén klasgenoot van de L.T.S, deed ook toelatingsexamen, maar hij zakte. Ik slaagde wel, hoewel ik dacht dat ik gezakt was. Een voor die tijd significant detail. 

Na de militaire dienst ging ik al vrij snel op kamers in Dordt. Begin jaren '80 woonde ik nog even in een flatje 'op Zwijndrecht'. Hoewel Zwijndrecht toen al zo'n 30.000 inwoners moet hebben gehad, woonden autochtone Zwijndrechters nog steeds 'op Zwijndrecht'. 
Rond 1986 vertrok ik naar Delft. Voor het werk en de liefde. Ik had definitief afscheid genomen van mijn geboortedorp. Ik kwam er eigenlijk alleen nog om mijn moeder en mijn goede vriend T. op te zoeken. Maar dat was dan ook de enige vriend die ik aan Zwijndrecht had overgehouden.

Mijn neef heeft de banden met zijn geboortedorp echter nooit ècht doorgesneden. 
Hij was een toegewijd voetballer en voetbalde hij het grootste deel van zijn voetballende leven bij VVGZ (Voetbalvereniging Geluksvogels Zwijndrecht). Daar voetbalde ook een andere neef van me die wèl Valk heette, en sowieso was VVGZ de thuisbasis van alle voetbalminnende Valken. Ook mijn vader is het grootste deel van zijn leven lid geweest. Hij was het nog toen hij in 1983 op 64-jarige leeftijd overleed. De eerstgenoemde neef bleef, ook toen hij al jaren in Ridderkerk woonde en werkte, contact onderhouden met de Zwijndrechtse vrienden uit zijn jeugd en de tijd bij VVGZ. In essentie was hij een Zwijndrechter gebleven.
Mijn vader, nog een generatie ouder dan ik en mijn neef, was bij wijze van spreken 'wereldberoemd in Zwijndrecht'. Dat kwam mede doordat hij vanaf 1945 deel uitmaakte van de Zwijndrechtse gemeentepolitie. Maar zijn vader, mijn opa, had nog een tuinderij, en omdat Zwijndrecht van oorsprong een dorp van tuinders is, kun je rustig zeggen dat hij Zwijndrechtser dan Zwijndrecht was. In mijn jeugd werd mij, als een autochtone Zwijndrechter hoorde dat ik 'Valk' heette, regelmatig gevraagd of ik "er één van Janus Valk was" (iemand die door zijn ouders was getooid met de naam 'Adrianus' werd in Zwijndrecht automatisch 'Janus'), Inderdaad, dat was ik; ik was zelfs de enigste 'van Janus'.
Hoe bekend hij was in Zwijndrecht merkte ik pas ècht toen hij was overleden. In het condoleance-register stonden uiteindelijk meer dan vierhonderd namen..

In Delft integreerde ik evenmin. Van mijn directe collega's op de TU woonde slechts een enkeling in Delft en die verloor ik na een paar jaar weer uit het oog, omdat ik bij een andere hoogleraar en een ander werkverband terecht kwam. Mijn kennissen in Delft waren de kennissen van mijn vriendin, die al langer in Delft woonde. Ik ontleende niets aan de stad dat enigszins op een identiteit leek. Sterker nog: ik vond de Delftenaren lichtelijk irritant. Waaraan ze het precies ontleenden is mij nooit volledig duidelijk geworden, maar in het plaatselijke sufferdje, feitelijk niet meer dan een advertentie blaadje, stond zelden of nooit ook maar één negatief woord over de stad of zijn bewoners. Delft was dit en Delft was dat; Delft was geweldig. Zelf vond ik Delft een tikkeltje benauwd. De binnenstad heeft een zekere kwaliteit, maar is eigenlijk maar piepklein en daarbuiten beginnen, na wat dertiger jaren-architectuur, al snel de eenvormige buitenwijken, die in iedere Nederlandse stad precies hetzelfde zijn.

Eigenlijk is dat laatste één van de universele Nederlandse drama's.
Zwijndrecht had, in de tijd dat ik een jochie was nog de Ringdijk, met z'n bebouwing die plaatselijk al honderden jaren oud was. Die bebouwing heeft men begin jaren '70 vakkundig verwijderd. Het was nodig voor een dijkverhoging. Zei men. Het gevolg is, dat Zwijndrecht op wat panden langs de Rotterdamseweg na, nauwelijks nog bebouwing heeft die ouder is dan honderd jaar. Hoewel er al voor de tweede wereldoorlog de nodige industrie in Zwijndrecht was, is het oorspronkelijke karakter van een tuindersdorp al heel lang verleden tijd. Zwijndrecht verschilt in allerlei opzichten eigenlijk niet meer van volledig identiteitsloze oorden als Alphen aan den Rijn en Zoetermeer.

Nu ik min of meer een oud mannetje ben geworden, en ondanks het feit dat ik mijn identiteit nooit erg heb laten bepalen door mijn afkomst, betrap ik mezelf soms op een vage melancholie. Het gevoel dat ik eigenlijk nergens meer ècht thuis ben. Dat ik feitelijk nergens meer wortels heb. Hoewel ik er in mijn jongere jaren nooit over nadacht, zou ik er heden ten dage veel voor over hebben om eens een kijkje te kunnen nemen op de tuinderij van opa Valk. Een tuinderij waar mijn vader en zijn broers nog hebben gewerkt en die eigendom was van een man die ik nooit heb gekend. Dat alles is verdwenen in de nevelen van het verleden. Niet alleen de mensen, maar ook de tuinderij, die al kort na de oorlog is overspoeld door het uitbreidende Zwijndrecht. Dat gebeurde al voor ik geboren was, waarschijnlijk.
Zelfs het Zwijndrecht dat ik nog heb gekend, bestaat niet meer. Evenals het Eiland IJsselmonde van mijn jeugd.

Ondertussen woon ik al bijna dertig jaar in Dordrecht. En dat al dertig jaar in hetzelfde huis. Dat huis is in de eerste twintig jaar dat ik er woonde helemaal door m'n handen gegaan, om het beeldend uit te drukken. Eigenlijk is dàt wel deel van mijn identiteit geworden. Dat het in Dordrecht staat is mooi meegenomen; het is van alle steden in het westen van Nederland één van aardigste, hoewel de buitenwijken precies dezelfde bloedarmoede hebben als in Delft en Alphen aan den Rijn. De binnenstad ligt aan de rivier; dat maakt ook veel goed. 
Toch zal ik nooit een Dordtenaar worden zoals de broers en zusters van mijn moeder dat waren. Ondanks het gegeven dat ik soms Zwijndrechters (meestal mensen die er ook niet zijn geboren) pest met de opmerking: "het mooiste in Zwijndrecht is het gezicht op Dordt".

My hometown.. Is dat de plaats waar ik ben geboren? Ooit, heel lang geleden, was dat zo. De herinnering kwam even boven op die crematie, door toedoen van Bruce Springsteen.




zondag 11 januari 2026

Passanten 6: Willem

























Net als Gerrit was Willem min of meer een collega. Eentje uit de laatste periode van mijn werkzame leven.
Hij werkte bij Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Dordrecht. Ik was vanaf november 2001 min of meer bij die dienst ingehuisd, omdat ik secretaris va de Welstandscommissie was. Tussen mij en de plantoetsers van die dienst was regelmatig overleg over ingediende bouwaanvragen. 'Redelijke eisen van welstand' was tenslotte een onderdeel van de 'heilige drie-eenheid' bestemmingsplan - bouwbesluit - redelijke eisen van welstand, waaraan een bouwplan moet voldoen om een bouwvergunning te krijgen. 
Bouw- en Woningtoezicht als zodanig bestaat inmiddels niet meer; een kleine twintig jaar geleden werd deze diensten landelijk samengevoegd met de milieudiensten en de daaruit resulterende dienst heet sindsdien 'Omgevingsdienst'.
In deze context was Willem gedurende veertien jaar mijn collega.

Bouw- en woningtoezicht van de gemeente Dordrecht maakte in de periode vóór de vorming van de Omgevingsdienst deel uit van de dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Dordrecht. Dit destijds vrij omvangrijke gezelschap was van een bonte pluimage. Zowel Monumentenzorg (Dordt heeft meer dan 1000 monumentale panden) als Stedenbouw maakten er deel van uit, evenals Vastgoedbeheer en Grondzaken.
Stadsontwikkeling had bovendien, binnen het gemeentelijke apparaat als geheel, ook een reputatie als zijnde een verzameling feestnummers en bonte honden. 
Dat gold in zekere mate ook voor het toenmalige Bouw- en Woningtoezicht. De dienst had een hoofd, maar een deel van de werknemers vulde de hun toegewezen taken geheel naar eigen inzicht in en maakte het zichzelf daarbij niet moeilijker dan strikt nodig was. Bij de dienst leerde ik bijvoorbeeld het begrip 'artikel 5' kennen. De toepassing daarvan kwam neer op het door de vingers zien van allerlei zaken die enerzijds niet helemaal in overstemming waren met de voorschriften, maar anderzijds niet zó schadelijk werden geacht dat er 'moeilijk' over moest worden gedaan.

Dit laatste is meteen een mooi aanknopingspunt om wat meer te vertellen over passant Willem.
Voor Willem bestond 'artikel 5' namelijk niet. Hij deed alles volgens het boekje. Een standaard ambtenaar zoals die leeft in de voorstelling van de gemiddelde niet-ambtenaar. Binnen het gezelschap van plantoetsers was hij één van de hoger opgeleiden; als ik me niet vergis had hij de HTS voltooid. Willem was een peuteraar, niet alleen in zijn werk, maar, zoals  bleek toen ik hem wat beter leerde kennen, ook op andere fronten.
Dat hij van wijn bleek te houden zou wat mij betreft weer in zijn voordeel kunnen spreken. Kennelijk was hij in bepaalde opzichten toch een levensgenieter. Maar dat hij regelmatig wijn dronk werd pas duidelijk toen hij me op een onbewaakt ogenblik vertelde dat hij de bezitter was van een klimaatkast voor zijn wijnvoorraad. Ook hier had de hang naar perfectie toegeslagen. 
Van lieverlee werd duidelijk dat Willem ook door zijn directe collega's als een wat wereldvreemd buitenbeentje werd beschouwd. Toen Bouw- en woningtoezicht eenmaal was opgegaan in de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid en we waren verhuisd naar een ander gebouw in de stad, leidde deze verandering tot aanzienlijke problemen met zijn werkplek. Willem maakte melding van lichamelijk ongemak dat hij weet aan straling die volgens hem uit het plafond kwam. De bron zou, dacht hij, leidingwerk zijn dat electro-magnetische golven uitzond. Tot welke lichamelijke klachten dit bij hem leidde, is mij nooit helemaal duidelijk geworden. 
Zijn klachten werden door de leiding in zoverre serieus genomen dat er binnen de grote ruimte waar de plantoetsers zaten, met zijn persoonlijke werkplek werd geschoven. Uiteindelijk werd er een plek gevonden waar hij minder last had van de door hem ervaren negatieve effecten, maar helemaal tevreden is hij na de transitie van de dienst nooit meer geworden, geloof ik.
Cynisme kreeg bij Willem de overhand.  
Toen, al vrij kort na de vorming van de Omgevingsdienst, de Tweede Kamer besloot dat plantoetsing en bouwtoezicht op termijn bij marktpartijen zouden worden ondergebracht en plantoetsers en inspecteurs een mogelijk ontslag zagen opdoemen, was Willem steevast degene die het meest zwarte scenario schilderde. 

In 2016 ging ik met pensioen. De Omgevingsdienst huisde inmiddels in het oude (en eigenlijke ook meteen het laatste) postkantoor van Dordrecht, dat op loopafstand van mijn huis ligt. Sommige jongens van de Omgevingsdienst liepen bij mooi weer en rond lunchtijd graag een rondje door de binnenstad, terwijl ze ondertussen de meegebrachte boterhammen oppeuzelden. Zo kwam ik Willem, meestal in het gezelschap van één of meerdere anderen, nog diverse keren tegen.
De laatste keer dat dit gebeurde moet in de periode 2020 - 2022 zijn geweest. Het was Corona-tijd. Willem was alleen en misschien was dat de reden dat we even de tijd namen voor een praatje.
Als ik het me goed herinner was het ergste van de Corona-epidemie al achter de rug; in ieder geval werd er bij Omgevingsdienst weer op kantoor gewerkt. Vanzelfsprekend was de achterliggende periode vrijwel direct onderwerp van gesprek. Al heel snel bleek hoe Willem daar naar keek; Corona was een complot. Het was niet gewoon een epidemie van een tot dan toe onbekend virus. Er waren duistere krachten de gang geweest en ze waren nog lang niet klaar met ons, onwetende burgers.
In een poging om het gesprek in andere vaarwater te leiden, probeerde ik van onderwerp te veranderen en begon ik over een ander maatschappelijk fenomeen. Wat dat precies was weet ik niet meer, maar ook hier zag Willem allerlei geheime manipulaties van de overheid of andere machten.
Eén en ander leidde tot een versneld afscheid. Daarna heb ik Willem niet meer gezien.

De hele traditie van het rondje rond het middaguur schijnt sowieso te zijn afgeschaft, want ook de andere collega's kom ik tegenwoordig nooit meer tegen. 

zondag 21 september 2025

Het politieke landschap wordt een slagveld



















U zag het al aan de titel; dit wordt weer een politiek stukje. 
Kan ook bijna niet anders, met verkiezingen die nog maar iets meer dan een maand in de toekomst liggen en het algemeen gevoelde grote belang van die verkiezingen. 
De directe aanleiding was een opmerking van de hoofdredacteur van Vrij Nederland, die ik gisteren in de Volkskrant las.
Sander Heijne, want zo heet die hoofdredacteur, stelde het volgende: "We leven ook in een tijd waarin links-rechts niet meer de belangrijkste tegenstelling is in het politieke debat. We kunnen de partijen nu ook verdelen langs de as van democratisch en anti-democratisch".
Het laatste lijkt mij zonder meer een feit. Op de mening dat die onderverdeling daarmee ook belangrijker is dan het onderscheid links-rechts valt nog wel wat af te dingen, denk ik. Kenmerkend is namelijk wèl dat Heijne vervolgens PVV en Forum voor Democratie ondemocratisch noemt en BBB, JA21 en de VVD bestempelt als partijen, die als het hen zo uitkomt, ook wel 's ondemocratische praatjes verkopen. Daarmee heeft ie wel zo'n beetje alle serieus rechtse partijen genoemd.
 
Nu zijn er ter linkerzijde ook wel wat clubs waarvan je het democratische gehalte kunt betwijfelen. De SP, bijvoorbeeld, lijkt zijn Maoïstische verleden nog steeds niet helemaal te zijn ontgroeid. Maar verder kan ik aan de linkerkant van het politieke spectrum geen partij of andere organisatie noemen die wel eens twijfels oproept over haar houding tegenover de democratie.

Wat zou dus de conclusie kunnen zijn? 
Naar mijn idee dat de meest serieuze bedreiging voor de democratie inmiddels toch van rechts komt. Sander Heijne kan wel net doen alsof hij een nieuwe scheidslijn heeft ontdekt, die afwijkt van de traditionele links-rechts tegenstelling, maar in werkelijkheid is er, zeker sinds het communisme in de Nederlandse en zelfs in de internationale politiek geen factor van betekenis meer is, niks nieuws onder zon. Anti-democratisch is zo'n beetje synoniem met extreem rechts. 

Toen ik begon te schrijven aan dit stukje was op het Malieveld in Den Haag nèt de demonstratie begonnen die Els Rechts had georganiseerd tegen massa-immigratie in het bijzonder en alles wat links, woke en afwijkend is in het algemeen. Dit overigens zonder dat ik daarvan op de hoogte was. Pas gisterenavond, toen ik de bovenstaande regels al had geschreven, kwam het nieuws over Els, haar demonstratie en hoe die was geëindigd, tot mij.
Ik had eerlijk gezegd nog nooit van Els Rechts gehoord, maar wie haar website bezoekt, komt erachter dat Els een soort christelijke uitvoering is van andere extreem rechtse dames als Eva Vlaardingerbroek en Raïsa Blommensteijn. 
Ze was erin geslaagd om onder haar volgers enkele tienduizenden Euro's bij elkaar te scharrelen, waarmee ze de demonstratie had georganiseerd. Want de mensen die een podium met geluidsinstallatie voor je bouwen doen dat natuurlijk niet gratis.
 
Zo stond Els, die op dat moment eigenlijk niet veel meer vertegenwoordigde dan zichzelf, heel vredelievend op het Malieveld haar mening uit te dragen. Ik heb er wat video's van gezien en behalve veel Nederlandse vlaggen, een enkele oranje-blanje-bleu vlag (eertijds de vlag van de NSB) en een paar van BV-NL, de partij van meester-opportunist  Wybren van Haga, die er ook het woord voerde, waren er niet er niet veel uitingen van andere extreem rechtse partijen te zien. Geen vlaggen of andere reclame voor de PVV of FvD, bijvoorbeeld. Hoewel Geert Wilders de grote held van Els is en zij ook op de PVV zegt te stemmen.
Wel waren er wat christelijke uitingen, zoals mensen die met een geheven kruis rondliepen.

Vervolgens werd het hele gebeuren overgenomen door een legertje extreem rechtse relschoppers van clubjes als White Power Scheveningen en Netherlands Freedom Fighters, die de omgeving in een slagveld veranderen, twee politieauto's in brand staken en, na het ingooien van de ruiten, een poging deden het partijkantoor van D'66 in brand te steken.
Els was in tranen; dit was natuurlijk helemaal nooit de bedoeling geweest! 

Ik ben ervan overtuigd dat het geen krokodillentranen waren. 
Els is nog maar 26 jaar oud en heeft nog niet helemaal door wie er allemaal op een manifestatie als de hare afkomen. Els denkt dat zij christelijke waarden en extreem-rechts gedachtengoed, zoals geloof in de islamisering van Nederland, kan combineren. 
Bij alle christelijke waarden die Els zegt te verdedigen, kun je jezelf afvragen of zij daar niet een beetje selectief mee omgaat. 
Ik heb zelf ongeveer 12 jaar op christelijke scholen gezeten en hoewel ik inmiddels niet meer geloof in een hemel of een hel, onderschrijf ik in grote lijnen nog steeds de waarden die naar voren komen uit het Nieuwe Testament. 
Jezus brak een lans voor het helpen van de zwakken en behoeftigen en maakte ondubbelzinnig duidelijk dat men zijn welvaart moest delen met hen die minder welvarend waren. 
Naar mijn smaak strookt dat niet helemaal met de leus: 'Nederland voor de Nederlanders', die Els op haar website voert.

Wat Els zich kennelijk nooit heeft gerealiseerd, is dat er ook héél veel Nederlanders zijn die niet eens weten wat een christelijke moraal zoal zou moeten of kunnen inhouden, òf, als ze dat wèl weten dat aan hun laars lappen, maar de wèl haar rechtse denkbeelden delen En dat in nog veel extremere mate dan zij zelf. Een deel daarvan schroomt ook niet om hun mening met geweld over het voetlicht te brengen.

Nu is een verbond tussen extreem-rechts en bepaalde christenen niks nieuws.
In de Verenigde Staten bestaat het al jaren. Trump is daar mede aan de macht gekomen omdat veel orthodoxe christenen op hem hebben gestemd, nadat Trump dat kiezerspotentieel bewust had aangeboord door zich tegen abortus en anti-lhbti uit te spreken. En hoewel Trump, gezien zijn daden, helemaal niet gelooft in de hel, maakt hij wel degelijk zijn beloftes in dit opzicht waar. Dat dit zomaar blijkt te kunnen had niemand een paar jaar geleden voor mogelijk gehouden, maar het gebeurt gewoon en heel Amerika staat erbij en kijkt ernaar.
Ook hier in Nederland zien we de SGP al opschuiven richting extreem rechts.

Ik ben benieuwd wat het bovengenoemde gedoe op het Malieveld zal betekenen voor de komende verkiezingen.
Mogelijk zullen allerlei talking heads ter rechterzijde ook wat tranen plengen naar aanleiding van het gebeurde. Maar in tegenstelling tot de tranen van Els zullen dat wel in meer of mindere mate krokodillentranen zijn, ben ik bang. Mensen als Geert Wilders en Thierry Baudet hebben de geesten van de Nederlandse rechts-extremisten rijp gemaakt voor wat er gisteren gebeurde. En hoewel de volgende uitspraak op internet direct een Godwin zou worden genoemd, roept één en ander toch wel wat herinneringen op aan de bruinhemden die Hitler's machtsovername voorbereidden.

Het is nu wel duidelijk uit welke hoek de wind, ook in Nederland, inmiddels waait, denk ik.


maandag 23 december 2024

Mijn Nieuwjaarswens voor Nederland en de wereld

 

bron: someecards.com









Lezers die de titel van dit stukje vinden getuigen van misplaatste hoogmoed kan ik geruststellen; u mag die titel rustig beschouwen als een met ironie doordrenkte bon mot.

De inspiratie voor dit epistel borrelde op na het zien, gisteren, van het televisieprogramma BuitenhofDat zat deze keer, vond ik, vol met boeiende onderwerpen. 
Zo was er onder meer iemand die een Gedichtenapotheek had gepubliceerd. Als u wilt weten wat dat precies inhoudt, moet u maar maar even 'terugkijken' op uw interactieve televisie. Waarvan ik dan maar even aanneem dat u die heeft.

De echte inspiratie echter, kwam van Beatrice de Graaf, die onlangs de jaarlijkse Huizinga-lezing van de Universiteit Leiden voor haar rekening nam. 
In Buitenhof gaf ze, tijdens een interview door Pieter Jan Hagens, een soort samenvatting van die lezing. Het uitgangspunt was dat de visie van Johan Huizinga, eertijds hoogleraar in Leiden, met betrekking tot dingen als crisis, politieke mores en succesvol leiderschap nog steeds niet verouderd is.
De Graaf stak een gloedvol betoog af van een helderheid die tegenwoordig bij veel mensen die over ingewikkelde dingen praten nog wel eens ver te zoeken is. Ze produceerde niet alleen maar veel woorden, maar vooral woorden die iets betekenden en de visie van Huizinga glashelder over het voetlicht brachten.

Zo maakte ze onder andere duidelijk wat, volgens Huizinga, een politiek leider tot een succesvolle leider maakte. Daarbij ging het volgens hem in eerste instantie om deugden in de definitie van Aristoteles. Zo'n leider moest niet alleen slim zijn, maar vooral zó slim dat hij daarbij het hogere doel nooit uit het oog verloor, en dat op een zodanige manier dat er recht werd gedaan het belang van land en volk in de breedst mogelijke zin. Die deugden worden ook benoemd: beheersing, rechtvaardigheid, wijsheid en moed. De latere kerkvader Augustinus heeft daar nog geloof, hoop en liefde aan toegevoegd. Volgens Beatrice waren die zeven begrippen sinds de vroege middeleeuwen "het scharnierpunt" voor mensen die geacht werden te handelen in het publieke belang.

Pieter Jan Hagens trok vervolgens de vergelijking tussen de conflicten in het huidige kabinet, het gedrag van sommige kamerleden en deze deugden. Die waren, volgens hem, vaak niet bepaald in overeenstemming daarmee. Te vaak ging het om populistisch geschreeuw en electorale winst. 
Dat vond Beatrice ook; Huizinga zou één en ander hebben bestempeld als puerilisme. De term is door hem bedacht en werd voor het eerst gebruikt in zijn boek In de schaduwen van morgen. Kort gezegd laat het zich vertalen als 'kinderachtig gedrag'.

Huizinga schrijft in het genoemde boek onder meer: de gemakkelijk bevredigde maar nooit verzadigde behoefte aan banale verstrooiing, de zucht tot grove sensatie, de lust aan massavertoon. (...........) Een aantal eigenschappen, die psychologisch dieper geworteld liggen dan de genoemde, en die men eveneens het best onder den term puerilisme kan begrijpen, zijn het ontbreken van gevoel voor humor, het warmloopen op een woord, de verregaande engdenkendheid en onverdraagzaamheid tegenover nietgroepsgenooten, de matelooze overdrijving in lof en blaam, de toegankelijkheid voor elke illusie die de eigenliefde of het beroepsbesef vleit. 

De taal is misschien, evenals de genoemde deugden, een beetje archaïsch, maar het kan niet worden ontkend dat het hierboven beschreven gedrag ook vandaag weer volop aanwezig is in het publieke domein en zelfs in de tweede kamer en de regering opgang maakt.

Beatrice was van mening dat de deugden van Aristoteles, Augustinus en Huizinga bij veel van de huidige (wereld)leiders nogal op de achtergrond zijn geraakt. Dat valt ook niet te ontkennen, lijkt me. Mensen als Trump en Wilders zouden niet door de ballotage van het bovengenoemde drietal komen.

Het kwam er volgens de Graaf voor de leiders van nu op aan om hoop op vooruitgang te bieden. Dat houdt in dat leiders ook bereid moeten zijn om eerder gemaakte fouten te erkennen, en dat die erkenning eventueel tot een bijstelling van het beleid zal moeten leiden. Het 'benoemen' van problemen moet gepaard gaan met het bieden van perspectief. 
Van de bevolking mag worden gevraagd dat ze niet alleen maar vragen wat de leiding voor hen kan doen, maar ook of zij wat kunnen doen voor het land of de maatschappij.
De Graaf noemde ook het voorbeeld van Franklin D. Roosevelt, die in zijn jaren als president van de Verenigde Staten in staat bleek om het Amerikaanse volk een hart onder de riem te steken tijdens zijn zogenaamde fireside chats, waarin hij vrijelijk sprak over de problemen waar de VS voor stonden, maar zijn volk tevens voorhield hoe zij óók moed en wijsheid konden tonen. Zelf schiet me hier en nu Churchill te binnen, die er bij het begin van de Tweede Wereldoorlog er niet omheen draaide en meldde dat hij voorlopig niks anders te bieden had dan blood, sweat and tears, maar dat de wereld uiteindelijk zou moeten inzien dat this was their finest hour. 
Hij toonde de moed om de waarheid te vertellen, maar bood tegelijkertijd het perspectief dat er ook moet zijn om de burger het idee te geven dat zijn inzet nodig is.

Wat Beatrice de Graaf tenslotte nog zei over de grote conflicten van deze tijd vond ik ook behartigenswaardig. 
Ten aanzien van het Israëlische handelen in Gaza merkte ze op dat de Nederlandse regering de moed zou moeten opbrengen om, ondanks de steun die er van oudsher uit Nederland altijd was voor Israël, in dit geval toch zo langzamerhand eens wat kanttekeningen te plaatsen bij het handelen van Israël en daarbij niet te schromen om te spreken van oorlogsmisdaden. 
Dat neemt echter volgens haar niet weg dat de staat Israël een bestaande entiteit is, die eveneens perspectief nodig heeft. Het land zit feitelijk ook klem in de bestaande werkelijkheid. 
De Graaf pleitte ervoor dat, zeker nu er door de val van Assad in Syrië een nieuwe situatie is ontstaan, Europa, de Verenigde Staten en misschien ook Rusland de deugden beheersing, rechtvaardigheid, wijsheid, moed, geloof, hoop en liefde inzetten om in het Midden-Oosten iets te bewerkstelligen dat tot een verbetering van de algemene situatie zou kunnen leiden.

Maar ook wij, burgers onderling (en daar komt mijn nieuwjaarswens voor het komende jaar, en wat mij betreft voor vele jaren hierna) kunnen in het publieke debat en dat in de kennissenkring anders met elkaar omgaan dan we in dit tijdsgewricht nog wel eens doen, bewust of onbewust.
Zonder al te dogmatisch te hameren op bovenstaande zeven deugden, zou dat kunnen inhouden: minder prinzipienreiterei, de zaak eens van meerdere kanten bekijken, en vooral niet streven naar endgultige Endlösungen. Verbeteren en oplossen gaat vaak in kleine stapjes. 
Dat laatste hoeft geen bezwaar te zijn, als ermee wordt voorkomen dat een eenmaal ingeslagen weg toch niet begaanbaar blijkt, waardoor we vervolgens terug naar 'af' moeten.
Iets om over na te denken als u, al dan niet binnenkort, weer naar de stembus gaat.

Ik wens u allen plezierige dagen van ontspanning en bezinning, benevens een goede start van 2025

Keep calm and carry on.


donderdag 12 december 2024

Normaal?

















In de jaren zeventig en tachtig hingen her en der zilverkleurige posters met de tekst "ooit een normaal mens ontmoet? en..., beviel het?"

Ik werkte toen net op de faculteit Bouwkunde in Delft en had daar juist in korte tijd een flink aantal mensen ontmoet die mij niet helemaal normaal leken. Dat had alles te maken met het gegeven dat ik, als Zwijndrechtse provinciaal, ineens in een universum terecht was gekomen waarvan ik, tot dat moment, het bestaan niet had vermoed.
In het vaag gereformeerde milieu waar ik uit voortkwam, was iedereen wèl normaal. Zeker als we dat begrip uitleggen als: 'voldoen aan de norm'. Aan vaders kant was in de hele familie geen buitenbeentje te bekennen. Of het moest ome Wim zijn, die op zeker moment Nederland had verlaten en in Wallonië in de staalindustrie was gaan werken. Moeders kant kende wat meer vrijgevochten types. Wat wilder dan ik zelf was, zal ik maar zeggen. Enkele van de neven Van Well lazen de Aloha, bijvoorbeeld. Ook vond ik op hun kamer wel eens een Chick. Waarmee ik geen lekkere meid, maar een ander blaadje bedoel, waar overigens wèl lekkere meiden in stonden. Of wat daarvoor door moest gaan. 
Later is het met die neven Van Well helemaal goedgekomen, trouwens. Ze zijn netjes getrouwd en hebben een gezin gesticht. Met vervolgens weliswaar een echtscheiding hier en daar, maar tóch tamelijk normaal, dus.

Ook op Bouwkunde hing zo'n zilverkleurige poster en terugkijkend rijst het vermoeden dat dit niet helemaal toevallig was. Het instituut was, binnen het scala aan faculteiten dat samen de Technische Hogeschool vormde, een soort enclave waar alles, dat op die andere faculteiten nog abnormaal werd gevonden, een geaccepteerd verschijnsel was.
Ik kwam op Bouwkunde voor het eerst homoseksuelen tegen. Dat wil zeggen: mannen die er niet omheen draaiden dat ze dat waren. Er liepen merkwaardige individuen rond, die in een geheel eigen universum leken te leven. Alexander Mustert, bijvoorbeeld, directeur van zijn eigen Sprookjesmuseum. Nooit afgestudeerd, is hij desondanks een beroemde Delftenaar geworden. Googelt u maar eens. Of Joop Hardy, die colleges kunstgeschiedenis gaf, en bij een afbeelding van een schilderij uit de renaissance, waarop een bepaalde seksuele symboliek werd uitgebeeld, opmerkte: "jaa.. ze zegt het niet hardop, maar dat vrouwtje lust er wel pap van, hoor.."
Bouwkunde heeft op alle mogelijke fronten mijn blik verruimd. Ook waar het gaat over de relativiteit van het begrip 'normaal'.

Zelf ben ik ook niet normaal, geloof ik. Mijn vrouw is van mening dat ik licht-autistisch ben. Zelf hou ik het erop dat ik een hekel heb aan geklets over niks, dat ik nogal selectief ben in wat ik wèl en niet interessant vind, en ik haat de neiging van de zogenaamde vooruitgang tot het steeds ingewikkelder maken van allerlei zaken die ooit heel eenvoudig waren. En bleef het nou maar bij ingewikkeld maken; de werkelijkheid is helaas nog veel schadelijker
 
Internet; dat was in de jaren negentig van de vorige eeuw het schoolvoorbeeld van vooruitgang. 
Inmiddels is het een veelkoppig monster geworden dat constant om wachtwoorden vraagt en een niet aflatende stroom bagger produceert.
Ik moet in dat verband regelmatig denken aan een lied dat in 1973 door Frank Zappa op single werd uitgebracht: I'm the slimeDe tekst van lied kan ik bijna geheel uit m'n hoofd reciteren (geen idee waarom; het is zo). Ze handelt over wat de televisie in de Verenigde Staten op dat moment te bieden had en de manipulatieve bedreigingen die daar vanuit gingen.
Terzijde: dat meidenkoortje in I'm the slime; dat zijn Tina Turner en de Ikettes.
Projecteer de tekst van het lied op het huidige internet, en je kunt constateren dat de angst van Zappa voor de Amerikaanse televisie-dictatuur klein bier was vergeleken bij wat er heden-ten-dage uit de krochten van internet opborrelt. Internet is, vergeleken met de Amerikaanse radio en televisie uit de jaren '70, eveneens een schoolvoorbeeld. Ditmaal van het gegeven dat het altijd nóg veel erger kan.

Onder noemer 'normaal' vielen in het verleden ook vormen van fatsoen, zoals niet discrimineren, gelijkheid voor de wet, niet liegen, het eerbiedigen van de grondwet en daarmee het ondersteunen van de democratie, die we in de afgelopen 80 jaar als iets vanzelfsprekends zijn gaan beschouwen.
Maar zelfs in Nederland is ondertussen sprake van een nieuw normaal, waarvan de laatste uiting een motie in de tweede kamer is, die voorstelt een soort gedachtenpolitie á la Orwell's 1984 in te voeren. Een motie die doodleuk een meerderheid kreeg.
En zoals ik al zei: het kan altijd nog erger. Want dat nieuwe normaal schiet niet alleen in Nederland wortel; dat gebeurt ook in de Verenigde Staten, Italië, Hongarije, Frankrijk en België. In andere landen, zoals Duitsland en Roemenië is het, al dan niet gestuurd vanuit een land dat eigenlijk nooit normaal is geweest, aan een opmars bezig. 

Veel van de genoemde landen maken deel uit van de Europese Unie, die, zoals ik hier al lang geleden heb betoogd, en ondanks alle gebreken die dit fenomeen nog kent, één van de beste ideeën blijft die in de 20e eeuw zijn bedacht. 
Maar het blijkt dat de exponenten van het nieuwe normaal ongelofelijk de schurft hebben aan de EU. Die EU moet ten gronde worden gericht, want gaat ten koste van de eigen identiteit, de eigen cultuur en de ook eigen achterlijkheid. De EU vindt bijvoorbeeld dat er met allerlei dingen, zoals de natuur, maar ook asielzoekers, min of meer fatsoenlijk moet worden omgegaan. En dat klimaatverandering moet worden bestreden door de CO2-uitstoot te verminderen. In de ogen van de nieuwe normalen allemaal hobbies van linkse gekkies
Het gekke is dat al die nieuwe normalen elkaar wel opzoeken en allianties smeden. 
Het nep-blonde opperhoofd van de ene nationale nieuw-normalenclub feliciteert het opperhoofd van een andere, veel grotere club nationale nieuw-normalen, die ook min of meer blond is, maar volgens mij een toupetje draagt, met zijn herwonnen presidentschap. Hetzelfde nep-blonde opperhoofd bezoekt ook bijeenkomsten van nieuw-normale baasjes. Want eigenlijk willen al die dictatortjes-in-de-dop (een paar zijn het gewoon al) hetzelfde. Terug naar hoe het was, klaar met allerlei vormen van emancipatie, stoppen met die klimaat-onzin, en nog een paar nieuw-normale dogma's.

Daarom moet de EU kapot en weg. 
Een merkwaardig gegeven, gezien het feit dat al die nieuw-normale baasjes min of meer hetzelfde willen. Wat is er dan logischer dan een unie vormen? Toch wil men vooral normaal zijn binnen de eigen landsgrenzen.
"Samen voor ons Eige", om met Jacobse en Van Es te spreken. Waarom mag Joost weten. Misschien om na het slopen van de EU weer lekker onderling oorlog te kunnen voeren? Al is het maar een handelsoorlog? Of zonder politiek correct gezeur de dikste vrienden met Vladimir Poetin te kunnen zijn?
Eigenlijk vrij raadselachtig allemaal. Welk voordeel zou er te behalen zijn met strict je eigen naadje naaien, met je rug naar de rest van de wereld te gaan staan, maar toch vriendjes te zijn met Poetin? 

Een breed gedragen definitie van 'normaal' doet ook vermoeden dat achter dat normaal iets van rationaliteit schuil gaat. Bij het 'nieuwe normaal' heb ik daar ernstige twijfels over. 
Het is eerder een soort misplaatst gevoel voor romantiek. Heimwee naar een wereld die voorbij is. Eentje met tevreden burgers, die hun plaats kennen, en wonen in hun gezellige dorpjes, waar de huisjes brievenbussen hebben waar een touwtje uit hangt, en waar Henk en Ingrid de zolder van opa opruimen, iets tegenkomen dat ze niet begrijpen, en vervolgens vragen "is dit kunst, of kan het weg?" 
Een sprookjeswereld waar alles weer goed is en alle kwalijke invloeden veilig zijn opgeborgen in takkietakkie-land of een ander ver buitengewest
Misschien loopt Roodkapje ook nog wel ergens in die wereld rond. 
Maar wat nu als dan ineens (niemand zag dat aankomen) de grote boze wolf zich manifesteert? En dan bedoel ik ècht groot. Hij vind al die eigenheimerige nationale identiteitjes maar onzin en hij lust, bij wijze van spreken, wel een heel leger van Roodkapjes en Henk en Ingrid erbij. 
Wat dan?