Posts tonen met het label Dordrecht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dordrecht. Alle posts tonen

maandag 16 februari 2026

Passanten 7: Rob




















Rob was een collega van Willem, de hoofdpersoon van Passanten 6. 
Wàs, want Rob ging al iets eerder dan ik met pensioen. Ook hij was plantoetser bij de Omgevingsdienst.
Maar Rob was veel meer dan dat. Eigenlijk had hij, nog meer dan Willem, het uiterlijk dat velen bij een ambtenaar vinden passen, maar in de praktijk was Rob een heel stuk kleurrijker dan Willem. Rob was ooit voorbestemd om een veel prominenter en belangwekkender leven te gaan leiden dan hij deed, toen ik hem ruim twintig jaar geleden tegenkwam. Hij was in Delft afgestudeerd als civiel ingenieur en zou normaal gesproken daarna aan een glansrijke carrière in het bedrijfsleven of bij de overheid zijn begonnen.
Wat er in de periode tussen zijn afstuderen en het moment dat wij kennismaakten precies is gebeurd, is mij nooit helemaal duidelijk geworden, maar Rob was niet te beroerd om zèlf een tipje van de sluier op te lichten. Hij draaide er niet omheen dat hij ooit alcoholist was. 
Voor hij bij Bouw- en Woningtoezicht in Dordrecht terechtkwam, had hij bij dezelfde gemeentelijke dienst in Delft gewerkt. Of hij ooit werk heeft gedaan dat meer op maat was voor de academicus die hij in feite was, weet ik niet. Wel dat Klaas in de periode dat ik hem kende min of meer de loner was die hij mogelijk zijn hele leven is geweest. Hij was niet getrouwd en had, voor zover ik heb kunnen nagaan ook geen vriendin. Of dat hij die ooit wèl had, weet ik niet.
In de omgang was Rob vormelijk, of misschien moet ik zeggen quasi-vormelijk. Hij wilde graag een gedistingeerde indruk wekken, maar soms kreeg ik de indruk dat er iets ironisch schuil ging in die opstelling.
Met Rob kon je over veel onderwerpen een boom opzetten; hij was op tal van terreinen goed geïnformeerd. Over de geschiedenis van Nederland kon je hem alles vragen. Zo wist hij me te vertellen dat het huidige koningshuis in het geheel niet afstamde van Willem de Zwijger. Er was ergens gefrauduleerd om de bloedverwantschap ogenschijnlijk te doen doorlopen.
 
Rob had echter ook een misantropische trekje: soms leek hij er genoegen in te scheppen aanvragers van een bouwvergunning tot wanhoop te drijven. Dit door een combinatie van archaïsche taal, waarvan sommige lager opgeleide aanvragers niets begrepen enerzijds, en anderzijds door een niet altijd even behulpzame opstelling in het algemeen. Binnen het toetsersteam kon hij ook nogal eens cynisch uit de hoek komen. De leiding van de Omgevingsdienst haalde opgelucht adem toen hij met pensioen ging

Het gespreksonderwerp dat Rob ècht deed opleven was klassieke muziek. 
Iets dat hem vermoedelijk al heel lang het nodige plezier in het leven bood. Misschien had ie het al van thuis meegekregen.
Zelf was ik in die tijd min of meer bezig klassieke muziek te ontdekken. Hoewel mijn moeder een groot deel van haar leven lid was geweest van een vrouwenkoor en daarbij de nodige klassieke stukken had gezongen, was mijn belangstelling voor het genre pas tot leven gekomen toen mijn toenmalige vriendin, nu mijn vrouw, een deeltijd-opleiding in de muziek volgde, die qua theorie min of meer tot conservatorium-niveau reikte. In het kader daarvan werden door haar ladingen klassieke CD's aangeschaft. Wat ik hoorde kon me vaak wel bekoren. Op zeker moment begon ik ook zelf klassieke CD's te kopen en gingen we ook regelmatig naar concerten en concertjes.
Toen Rob eenmaal van mijn nieuwe liefhebberij op de hoogte was, gingen onze gesprekken meestal over klassieke muziek. Hij zette me bijvoorbeeld op het spoor van de Duitse liederen. En dan niet alleen die op muziek van Schubert, maar ook de Vier letzte Lieder van Richard Strausz, die ietwat zwaarder op de maag liggen dan Schubert's verklankingen van de diverse romantische Duitse dichters.

Rob vergat ook niet dat hij in essentie een academicus was.
Hij was erachter gekomen dat de eerste dirigent van het Concertgebouworkest, Willem Kes, in Dordrecht was geboren en schreef een wetenschappelijk verantwoorde biografie over hem. Op zeker moment reisde hij zelfs naar Moskou, omdat Kes daar enkele jaren directeur van het conservatorium was geweest. 
Kes had bepaalde ideeën met betrekking tot de manier waarop van klassieke muziek moest worden genoten. Het publiek dat concerten van klassieke muziek bezocht, was tot vér in de 19e eeuw gewend om tijdens het concert de gesprekken, waaraan men voor de aanvang ervan was begonnen, gewoon voort te zetten. Kes schijnt op enig moment een concert te hebben stilgelegd, om vervolgens aan het publiek te vragen: "ik stoor toch niet, hoop ik?" Toen hij in 1895 bij het Concertgebouworkest vertrok, had hij het orkest internationaal op de kaart gezet en was de traditie dat het publiek zich tijdens concerten stil hield, en pas enkele seconden na de laatste noot applaudiseerde, gevestigd.
Toen Rob met pensioen ging, was zijn biografie nog niet af. 
In de laatste tijd dat wij samenwerkten, was hij op zoek naar een promotor, want hij wilde de biografie gebruiken als dissertatie en daarmee van ingenieur (ir.) alsnog tot doctor promoveren. 

In de periode daarna kwam ik hem nog af en toe tegen in de stad. Het werk vorderde gestaag, zo vertelde hij bij die gelegenheden. De laatste keer dat ik hem sprak ligt alweer jaren in het verleden.
Wèl merkte ik een paar jaar terug dat zijn biografie van Willem Kes in 2017 in druk was verschenen. De officiële presentatie ervan blijkt een groot evenement te zijn geweest. 
Voor het schrijven van dit stukje heb ik zijn naam gegoogeld.
Ik vond het bericht van zijn overlijden, in 2024, in een artikel waarin ook de door hem geschreven biografie wordt genoemd, plus de opmerking dat de beoogde promotie nooit heeft plaatsgevonden. Mogelijk lagen zijn oorspronkelijke vakgebied (civiele techniek) en de muziekwetenschap te ver uiteen om een promotor zo ver te krijgen hem als promovendus aan te nemen.

Rob was hoe dan ook iemand die niet snel uit mijn geheugen zal verdwijnen en zonder meer één van de witte raven onder de passanten in mijn leven.


zondag 8 februari 2026

Roeien
















In mijn vorige bericht schreef ik dat ik nu toch min of meer een oude man ben geworden. 
Er zijn een aantal verschijnselen die daarop wijzen. Er is een mentale of psychologische component: aan bepaalde dingen merk ik dat ik niet meer zo pas bij deze tijd. Of de tijd past niet meer bij mij. Er zit weinig anders op dan dit maar min of meer te accepteren; de tijd doet wat de mensheid wil. Zolang ik nog een beetje m'n eigen gangen en tempo kan bepalen en al te veel hysterie kan ontlopen, kom ik de tijd die mij nog rest wel prettig door.
Maar de laatste tijd is er bij mij ook wel degelijk het gevoel dat het lichamelijk minder wordt. Tot  voorbij m'n zestigste merkte ik daar nog niet zoveel van, maar ondertussen moet ik vaststellen dat mijn uithoudingvermogen en spierkracht afnemen. 
Ik heb nooit veel aan sport gedaan, behalve dat ik zo nu en dan eens een paar maanden achter elkaar twee of drie keer in de week een paar kilometer ging hardlopen. Nou ja.. hardlopen..; veel harder dan pakweg 10 kilometer per uur ging het niet, en vier tot zes kilometer ver was de laatste jaren wel het maximum. Wat daarbij kwam: eigenlijk is hardlopen op de verharde weg in een aantal opzichten ook een aanslag op je gestel. Het doet wat voor je conditie, maar het is tamelijk belastend voor je knieën. En mijn linkerknie begon ik al een beetje te voelen.

Toch wilde ik m'n conditie op peil brengen en tegelijkertijd wat spierkracht terugwinnen.
In eerste instantie denk je dan aan de sportschool. 
Ik heb altijd een aanzienlijke weerstand gevoeld tegen het instituut. Het is iets moderns, om niet te zeggen modieus. Sporten in de sportschool heeft iets machinaals. Iedereen in een sportschool is als individu bezig op zijn of haar hoogstpersoonlijke martelwerktuig. Samen met anderen in één ruimte met jezelf bezig zijn; ik vind het, ondanks het gegeven dat ik in essentie een individualist ben, een beetje ongemakkelijk. Bovendien is het altijd binnen en ik wilde graag buiten sporten.
Een sportschool-abonnement is trouwens ook niet goedkoop. Het kost, als je een beetje regelmatig wil trainen, al gauw iets van vier tientjes in de maand en dus zo'n € 500,- per jaar.

Toen ik me dit laatste realiseerde, herinnerde ik me dat ik enkele jaren geleden ook al eens had gekeken naar roeien bij de Koninklijke. 
'De Koninklijke'; dat is hier in Dordt de Koninklijke Dordtse Roei- en Zeilvereniging. Roeien is een sport waarbij je bijna alle spieren in je lichaam gebruikt en als je een beetje door roeit, bouw je ook conditie op.  En roeien doe je in de open lucht, en als je dat wilt, samen met anderen.
Destijds had ik óók gezien dat de jaarlijkse contributie wèl wat hoger was dan van de gemiddelde voetbalclub: zo'n € 400,- per jaar. Dat vond ik in eerste instantie teveel.
Maar nu ik deze optie vergeleek met de sportschool, leek het ineens wèl een te overwegen mogelijkheid.
Ik ging nog eens kijken op de website van de KDR&ZV en zag dat je kon komen kennismaken èn twee keer gratis een proefles (want roeien moet je leren, daarover later) kon krijgen. Er was dus een mogelijkheid om de sfeer in de vereniging te proeven en te zien of roeien iets voor je was.

Die sfeer was voor mij wel een dingetje.
De KDR&ZV bestaat uit twee delen. Het roeideel heeft z'n plek aan het Wantij. Van daaruit wordt geroeid en daar liggen ook alle boten waarmee men dat doet. Het andere deel is het 'zeildeel'. Dat heeft z'n basis in de Nieuwe Haven in de binnenstad. In essentie is dat een jachthaven, met heden-ten-dage vooral motorboten. De sfeer in die haven kende ik al enigszins; mijn Wadloper overwintert er de laatste jaren nogal eens. 
Maar toch; 'Koninklijke' roept bij een patjepeeër als ik, in combinatie met 'vereniging' al snel een sfeer op van blauwe blazers en een kakkineus ledenbestand. In de jachthaven van de Koninklijke had ik er nooit veel van gemerkt, maar ik heb er, buiten de havenmeester, ook nooit veel mensen gesproken. Daarnaast heeft 'roeien' als sport ook sterke associaties met studenten en het corps. Hoe kakkineus zou de sfeer bij de roei-poot van de Koninklijke zijn?
Het bleek in de praktijk erg mee te vallen. Tijdens de kennismaking en de proeflessen voelde ik me al snel op m'n gemak. Het gevoel en de proeflessen waren overtuigend genoeg om zonder mankeren lid te worden. 

Ondertussen ben ik al genoeg aardige mensen, maar niet één èchte kakker tegengekomen , en ook de roeilessen bevallen.
Lessen, inderdaad, want roeien volgens de KDR&ZV doe je met een bepaalde techniek. Een in eerste oogopslag zelfs vrij ingewikkeld geheel van houdingen, spiergebruik (inderdaad; maar weinig spieren blijven ongebruik), en bewegingen met de riemen ('roeispanen' voor niet-ingewijden). Het begint al met hoe je in en uit de boot stapt. Er hoort ook een bepaald jargon bij. Je leert 'rondmaken', 'strijken', 'clippen' en nog een aantal dingen, die je uiteindelijk tot een volleerd roeier moeten maken.
Ondertussen ben ik in opleiding voor het diploma 'Scullen 1'. Dat komt er op neer dat je kunt roeien met een zogenaamde 'wherry', het eenvoudigste type waarover men bij de KDR&ZV beschikt; u ziet er één linksboven op het plaatje bij dit blog. Eind februari is de eerstvolgende gelegenheid om 'af te roeien' voor dat diploma. Of ik aan dat examen mee doe staat nog te bezien, want aan mijn manier van 'clippen' mankeert nog het één en ander.

Dat laatste is overigens niet iets waar ik me zorgen over maak. Voorlopig vind ik roeien in de wherry heerlijk, en het buiten zijn in combinatie met de lichaamsbeweging blijkt precies waarnaar ik op zoek was. Wat ook fijn is, is het gegeven dat de vereniging beschikt over een overdekte oefenruimte waar de nodige roeimachines staan, zodat ik ook buiten het echte roeien op het water (1x per week, tot nu toe), nog wat meer kan doen aan conditie en spieren. Eerder had ik de aanschaf van zo'n roeimachine overwogen; iets waar mijn vrouw mordicus tegen was, want "waar moet zo'n ding staan?" Dat ik het geld ervoor in m'n zak heb gehouden en veel beter heb besteed door lid te worden van de Koninklijke is een meevaller.

Kortom: uw correspondent werkt onder de meest prettige omstandigheden denkbaar aan zijn lichamelijke welzijn. Mogelijk zal dit, voor wat betreft dit blog, leiden tot vrolijker en meer levenslustige stukjes. Waarbij ik de realiteit wel onder ogen wil blijven zien. Het volgende stukje zou zomaar 's 'Ondermaans ongenoegen 3' als titel kunnen hebben. 
U bent gewaarschuwd!

zondag 11 januari 2026

Passanten 6: Willem

























Net als Gerrit was Willem min of meer een collega. Eentje uit de laatste periode van mijn werkzame leven.
Hij werkte bij Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Dordrecht. Ik was vanaf november 2001 min of meer bij die dienst ingehuisd, omdat ik secretaris va de Welstandscommissie was. Tussen mij en de plantoetsers van die dienst was regelmatig overleg over ingediende bouwaanvragen. 'Redelijke eisen van welstand' was tenslotte een onderdeel van de 'heilige drie-eenheid' bestemmingsplan - bouwbesluit - redelijke eisen van welstand, waaraan een bouwplan moet voldoen om een bouwvergunning te krijgen. 
Bouw- en Woningtoezicht als zodanig bestaat inmiddels niet meer; een kleine twintig jaar geleden werd deze diensten landelijk samengevoegd met de milieudiensten en de daaruit resulterende dienst heet sindsdien 'Omgevingsdienst'.
In deze context was Willem gedurende veertien jaar mijn collega.

Bouw- en woningtoezicht van de gemeente Dordrecht maakte in de periode vóór de vorming van de Omgevingsdienst deel uit van de dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Dordrecht. Dit destijds vrij omvangrijke gezelschap was van een bonte pluimage. Zowel Monumentenzorg (Dordt heeft meer dan 1000 monumentale panden) als Stedenbouw maakten er deel van uit, evenals Vastgoedbeheer en Grondzaken.
Stadsontwikkeling had bovendien, binnen het gemeentelijke apparaat als geheel, ook een reputatie als zijnde een verzameling feestnummers en bonte honden. 
Dat gold in zekere mate ook voor het toenmalige Bouw- en Woningtoezicht. De dienst had een hoofd, maar een deel van de werknemers vulde de hun toegewezen taken geheel naar eigen inzicht in en maakte het zichzelf daarbij niet moeilijker dan strikt nodig was. Bij de dienst leerde ik bijvoorbeeld het begrip 'artikel 5' kennen. De toepassing daarvan kwam neer op het door de vingers zien van allerlei zaken die enerzijds niet helemaal in overstemming waren met de voorschriften, maar anderzijds niet zó schadelijk werden geacht dat er 'moeilijk' over moest worden gedaan.

Dit laatste is meteen een mooi aanknopingspunt om wat meer te vertellen over passant Willem.
Voor Willem bestond 'artikel 5' namelijk niet. Hij deed alles volgens het boekje. Een standaard ambtenaar zoals die leeft in de voorstelling van de gemiddelde niet-ambtenaar. Binnen het gezelschap van plantoetsers was hij één van de hoger opgeleiden; als ik me niet vergis had hij de HTS voltooid. Willem was een peuteraar, niet alleen in zijn werk, maar, zoals  bleek toen ik hem wat beter leerde kennen, ook op andere fronten.
Dat hij van wijn bleek te houden zou wat mij betreft weer in zijn voordeel kunnen spreken. Kennelijk was hij in bepaalde opzichten toch een levensgenieter. Maar dat hij regelmatig wijn dronk werd pas duidelijk toen hij me op een onbewaakt ogenblik vertelde dat hij de bezitter was van een klimaatkast voor zijn wijnvoorraad. Ook hier had de hang naar perfectie toegeslagen. 
Van lieverlee werd duidelijk dat Willem ook door zijn directe collega's als een wat wereldvreemd buitenbeentje werd beschouwd. Toen Bouw- en woningtoezicht eenmaal was opgegaan in de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid en we waren verhuisd naar een ander gebouw in de stad, leidde deze verandering tot aanzienlijke problemen met zijn werkplek. Willem maakte melding van lichamelijk ongemak dat hij weet aan straling die volgens hem uit het plafond kwam. De bron zou, dacht hij, leidingwerk zijn dat electro-magnetische golven uitzond. Tot welke lichamelijke klachten dit bij hem leidde, is mij nooit helemaal duidelijk geworden. 
Zijn klachten werden door de leiding in zoverre serieus genomen dat er binnen de grote ruimte waar de plantoetsers zaten, met zijn persoonlijke werkplek werd geschoven. Uiteindelijk werd er een plek gevonden waar hij minder last had van de door hem ervaren negatieve effecten, maar helemaal tevreden is hij na de transitie van de dienst nooit meer geworden, geloof ik.
Cynisme kreeg bij Willem de overhand.  
Toen, al vrij kort na de vorming van de Omgevingsdienst, de Tweede Kamer besloot dat plantoetsing en bouwtoezicht op termijn bij marktpartijen zouden worden ondergebracht en plantoetsers en inspecteurs een mogelijk ontslag zagen opdoemen, was Willem steevast degene die het meest zwarte scenario schilderde. 

In 2016 ging ik met pensioen. De Omgevingsdienst huisde inmiddels in het oude (en eigenlijke ook meteen het laatste) postkantoor van Dordrecht, dat op loopafstand van mijn huis ligt. Sommige jongens van de Omgevingsdienst liepen bij mooi weer en rond lunchtijd graag een rondje door de binnenstad, terwijl ze ondertussen de meegebrachte boterhammen oppeuzelden. Zo kwam ik Willem, meestal in het gezelschap van één of meerdere anderen, nog diverse keren tegen.
De laatste keer dat dit gebeurde moet in de periode 2020 - 2022 zijn geweest. Het was Corona-tijd. Willem was alleen en misschien was dat de reden dat we even de tijd namen voor een praatje.
Als ik het me goed herinner was het ergste van de Corona-epidemie al achter de rug; in ieder geval werd er bij Omgevingsdienst weer op kantoor gewerkt. Vanzelfsprekend was de achterliggende periode vrijwel direct onderwerp van gesprek. Al heel snel bleek hoe Willem daar naar keek; Corona was een complot. Het was niet gewoon een epidemie van een tot dan toe onbekend virus. Er waren duistere krachten de gang geweest en ze waren nog lang niet klaar met ons, onwetende burgers.
In een poging om het gesprek in andere vaarwater te leiden, probeerde ik van onderwerp te veranderen en begon ik over een ander maatschappelijk fenomeen. Wat dat precies was weet ik niet meer, maar ook hier zag Willem allerlei geheime manipulaties van de overheid of andere machten.
Eén en ander leidde tot een versneld afscheid. Daarna heb ik Willem niet meer gezien.

De hele traditie van het rondje rond het middaguur schijnt sowieso te zijn afgeschaft, want ook de andere collega's kom ik tegenwoordig nooit meer tegen. 

zondag 8 juni 2025

Opvallende waarnemingen



















Op vrijdag en zaterdag is het marktdag in Dordrecht. Die markt begint op ongeveer 200 m. van mijn voordeur, waardoor ik, afhankelijk van de windrichting, min of meer onvermijdelijk een deel van de geuren en geluiden die de markt produceert kan ruiken en horen. 
Qua geur is dat bijvoorbeeld de lucht van kibbeling, die in enorme hoeveelheden wordt geproduceerd door de dichtstbijzijnde viskraam op de markt. Een ambulant bedrijf dat zich verplaatst middels een truck met oplegger van respectabele afmetingen.
Het geluid beperkt zich vaak tot het al dan niet luide gepraat van bezoekers van de markt, die door straat waaraan ik woon lopen of fietsen. 
Er staat ook echter altijd een draaiorgel op de markt. Het staat niet altijd op dezelfde plek, maar eergisteren stond het kennelijk dicht bij de kant van het plein waar mijn straat  langs loopt; ik kon het goed horen.
Nu wil het feit dat ik min of meer een gereformeerde opvoeding heb genoten. Of misschien moet ik zeggen: ik heb altijd op christelijke scholen gezeten. Wat ik daar heb opgedaan zit nog altijd in mijn onderbewuste en soms borrelt dat, opgeroepen door een externe oorzaak, weer naar boven. 
Enige tijd nadat ik het geluid van het draaiorgel voor het eerst registreerde, hoorde ik melodieën die me even wat geconcentreerder deden luisteren. Ik herkende liederen die ik ruim zestig jaar geleden op de lagere school had geleerd. Achtereenvolgens passeerden: 'Wat de toekomst brengen moge', 'Blijf bij mij heer' en zo nog wat klassiekers uit het kleine, groene gezangenboekje dat wij destijds op school hanteerden.
Het orgel in kwestie was vermoedelijk hetzelfde orgel dat ik al sinds het moment dat ik in Dordrecht woon ken. Nooit eerder had ik het orgel, of zijn exploitanten, kunnen betrappen op zendingsdrang of andere religieuze uitingen. 
Gisteren (zaterdag) ben ik langs de markt gelopen. Het regende en het draaiorgel was nergens te zien. Het was dus ook niet na te gaan of het inmiddels was overgenomen door evangelisten.

Andere constatering: de jeugd beweegt zich heden-ten-dage hoofdzakelijk voort op twee vervoermiddelen, de fatbike en de al langer in zwang zijnde scooter. Die laatste vrijwel uitsluitend in de brommer-uitvoering, die zoals bekend, niet sneller mag dan 40 km/u. 
Wat opvalt is dat fatbikes heel vaak worden bereden door een duo. Degene die stuurt, en soms, maar lang niet altijd trapt, heeft heel vaak iemand achterop, waarbij het overigens lijkt alsof de duopassagier niet ècht comfortabel zit. De berijders van fatbikes zijn overigens even vaak jongens als meisjes.
De jeugdige scooterberijders zijn vrijwel zonder uitzondering jongens. 
Meisjes beneden de 18 jaar vinden het bezit en berijden van zo'n ding kennelijk niet interessant. Ook de rol van duo-passagier op een brommer-scooter vinden ze kennelijk niks. De scooterpiloten zitten, ook vrijwel zonder uitzondering, alléén op hun vehikel. Niet zelden dragen ze een helm met wat kleine rode horentjes lijken. Dit kennelijk in een streven naar een duivels imago. Wat naar mijn idee niet veel meer is dan compensatie voor het feit dat zo'n scooter voor een jongen in de tienerleeftijd eigenlijk een vrij lullig vervoermiddel is. In mijn tijd reden we op brommers met versnellingen, die feitelijk geknepen lichte motorfietsen waren. Bij gebrek aan versnellingen draaien de huidige jeugdige scootersberijders soms het gas maar regelmatig dicht en weer open. In combinatie met de grotendeels verwijderd geluiddemping in de uitlaat klinkt het dan nog een beetje spannend.
De rol van de electrische step, die een paar jaar geleden nog buitengewoon hot was onder kinderen en tieners, lijkt inmiddels zo goed als uitgespeeld. De enigen die je op dit moment nog wel eens op zo'n ding ziet, zijn leden van de 'generatie Z' (twintigers) of millennials (nog wat ouder). 

Zojuist registreerde ik weer eens een stille getuige van straat-vandalisme in mijn directe omgeving. Een stalen paal, met daarop een bord 'doodlopende weg', die een dag eerder al flink verbogen was, omdat iemand er tegenaan was gereden, of handmatig een bocht in de paal had weten te buigen, was nu nog een stuk verder gebogen; het deel dat nog in de straat zit maakt inmiddels een hoek van bijna negentig graden met het langste deel. 
Wat de vraag oproept of dit te verkiezen is boven de mogelijkheid, dat de agressie en energie die hieraan is besteedt, een andere, nog schadelijker uitweg zou hebben gevonden.

De Volkswagen Polo op leeftijd, die vlakbij bovengenoemd verkeersbord al bijna een half jaar stond geparkeerd, is een paar dagen geleden verdwenen. Dit nadat er talloze bonnen onder de ruitenwissers waren gestopt. Die, nadat de ruitenwissers door passanten waren opgefrommeld c.q. verwijderd, werden vervangen door plakkaten die eisten dat de auto door de eigenaar zou worden verplaatst op straffe van verwijdering door de gemeente.
Ik vermoed dat dit laatste inmiddels is gerealiseerd.

Of er een verband bestaat tussen het gemolesteerde verkeersbord en de verwijdering van de Polo is niet duidelijk, maar lijkt onwaarschijnlijk.


zaterdag 22 maart 2025

Stukje varen



















Een van de dingen die ik graag doe, als de boot voor de winter in Dordrecht ligt en de mast is gestreken: op een mooie na- of voorjaarsdag naar achteren varen. "Naar achteren" is in dit geval een vaartochtje over het Wantij naar het achterland van Dordrecht. Een gebiedje dat ook wel bekend staat als de Merwelanden of de Sliedrechtse Biesbosch.

Wantij is van oudsher de naam waarmee een plek wordt aangeduid, die de opkomende vloed vanuit twee verschillende richting nadert. De bekendste voorbeelden in Nederland zijn de wantijen achter de Waddeneilanden. Elk eiland grenst aan twee kanten aan een zeegat en het opkomende getij stroomt door beide zeegaten de Waddenzee in. Achter elk eiland ligt een plek waar de getijdenstromen vanuit deze zeegaten elkaar tegenkomen.
Op het Eiland van Dordrecht is 'Wantij' echter de naam van een complete waterloop. Inmiddels staat het Dordtse Wantij alleen aan de westzijde in open verbinding met het getijdenwater. Aan de oostkant is het door midden van een schutsluis gescheiden van de Nieuwe Merwede.
Maar in de eerste helft van de 19e eeuw was die schutsluis er nog niet. 
Op een topografische kaart van rond 1850 komt de naam Wantij voor het eerst voor. Op die kaart is er nog sprake van een open verbinding met de kreken van de Biesbosch, want de Nieuwe Merwede ontstond pas ná 1861 toen Rijkswaterstaat met het graven van die rivier begon. Feitelijk verbreedde men enkele bestaande kreken en verbond me ze met elkaar. Voor 1850 bestond de situatie dat de vloed van twee kanten het Wantij binnenkwam dus nog wèl. Waarmee de herkomst van de naam is verklaard.























Het getij is echter nooit uit het Wantij verdwenen. 
Als ik op donderdag 18 maart 2025 op het gemak, met 1500 toeren op de motor, vanaf de driesprong Oude Maas - Beneden Merwede - Noord het Wantij op vaar, is het afgaand water. Ik heb een dikke knoop (bijna 2 km/u.) stroom tegen. Geen punt, want het is prachtig weer en dan kan zo'n ritje eigenlijk niet lang genoeg duren. 

Dit stroompje kent een heel geleidelijk verlopende overgang van stedelijkheid naar natuur. Vanaf de nieuwe wijk Stadswerven, in de afgelopen jaren gebouwd op grond die vroeger door industrie, waaronder de scheepswerf de Biesbosch, werd bezet, komen we achtereenvolgens langs de voor-oorlogse bebouwing van De Staart (de naam van de stadswijk ten noorden van het Wantij) aan bakboord, het Wantijpark aan stuurboord en de na-oorlogse bebouwing van De Staart aan bakboord. 
Het geeft me altijd een tevreden gevoel dat het grootste deel van die woningen is neergezet als sociale woningbouw. Dordt was tijdens de bouw ervan nog een echte arbeidersstad. Zouden oevers van het Wantij nu moeten worden bebouwd, dan zouden er vast hele dure koopwoningen komen, want deze oevers zijn het huidige tijdsgewricht A1-locaties voor projectontwikkelaars.
Na het passeren van de brug waar de N3, de Dordtse ringweg (die geen èchte ring is, maar vooruit, het klinkt super-grootstedelijk) overheen gaat, gaat de bebouwing aan bakboord nog even door, maar aan de stuurboordskant heeft het groen al het primaat. De bebouwing van de wijk Stadspolders, die in de jaren '90 van de vorige eeuw is gebouwd, gaat grotendeels schuil achter wilgen en een dijk.
We komen nog langs het zogenaamde Vissertje, waar een voormalig gemaal staat, dat inmiddels een restaurant huisvest. Dat, onvermijdelijk, de naam  'het Gemaal' draagt. Direct daar tegenover, op de andere oever, staat Natuurvriendenhuis 'De Kleine Rug'.




















Natuurvriendenhuizen en de organisatie waaruit ze voortkomen, het Nederlands Instituut voor Volksontwikkeling en Natuurvriendenwerk (NIVON), zijn een verhaal apart. Een laatste relict van de eertijds florerende Sociaal Democratie in Nederland, dat in de praktijk nog springlevend is, hoewel enigszins losgezongen van de vroegere linkse banden. De Natuurvrienden zijn overigens op veel plaatsen in Europa actief. In Duitsland is de club bijvoorbeeld nog heel groot, maar veel minder gelieerd aan politieke organisaties.
Je kunt op de Kleine Rug tegen een bescheiden bedrag overnachten en het heeft de charme dat het alleen per boot bereikbaar is; men komt je, na aankomst bij het Vissetje, met een bootje ophalen.

Daarmee hebben we de laatste bewoonde plekken voorlopig achter ons gelaten.
Er volgen nog twee bruggen; één is de spoorbrug waarover de trein naar Geldermalsen rijdt en de ander is een voetgangers- en fietsersbruggetje. 
Na de laatste brug gaan we bakboord uit (we slaan linksaf) het Moldiep in. Voor het volgende kwartier varen we door een jungle, die Coppola ook had kunnen benutten voor zijn epos Apocalypse Now (u weet wel; het deel waar kapitein Willard met zijn snelboot richting het domein van Kolonel Kurtz vaart). 
Ooit waren deze grienden (een naam voor wilgenbos in zoetwatergetijden-gebied) in cultuur en werden ze om de drie jaar gehakt. Dat is echter voor de meeste grienden al heel lang verleden tijd. De wilgen zijn hoog opgeschoten, maar zijn het geen bomen die eeuwen oud kunnen worden. Als ze eenmaal een hoogte van 15 m. of meer bereiken, vallen ze vaak spontaan om. In het vaarwater liggen links en rechts dan ook regelmatig wilgen of delen daarvan. Enige oplettendheid is geboden.
Na dat kwartiertje volgen nog een paar blijken van menselijke aanwezigheid aan de bakboordskant: de Stayokay (Een jeugdherberg met kampeerterrein) en het bezoekerscentrum Hollandsche Biesbosch, dat inmiddels (volgens Google) 'Biesboschcentrum Dordrecht' blijkt te heten.
We laten de jungle achter ons; het laatste stuk van het Moldiep loopt tussen de Hel- en Zuilespolder aan bakboord en de Otterpolder aan stuurboord. Beiden zijn al halverwege de 19e eeuw in cultuur gebracht als graslandpolders. Ik zie dat de Otterpolder ondertussen al weer min of meer aan de natuur is teruggegeven. Hij staat, zoals dat wordt genoemd, plas-dras. 



















De boer die er tot voor enkele jaren nog vee hield op een boerderij die nog steeds op de uiterste zuidpunt van de polder staat, is in 2020 vertrokken en sindsdien is de polder in beheer van Staatsbosbeheer. Er waren ooit plannen om ook in deze boerderij een soort uitspanning te vestigen, maar inmiddels heeft Staatsbosbeheer besloten om de polder "alleen vanaf het water beleefbaar" te houden



















Aan het eind van het Moldiep gaan we opnieuw bakboord uit de Helsloot (De Biesbosch stikt van de angstwekkende namen) in.
Na een klein stukje ligt er aan stuurboord een drijvend steigertje, waar we aanleggen. Van het steigertje kom je op de kade die de Huiswaard en de Oude Kat omringt: je kunt een keurig rondje van een kilometer of drie lopen. Omdat ook deze plek alleen over water te bereiken is, is het er nooit druk. Meestal kom je, buiten de nodige vogels, geen levende ziel tegen.

Maar we hebben, jammer genoeg, buiten Staatsbosbeheer gerekend. Langs het Katse Gat, waar de kade van Huiswaard ook langs loopt is een broedgeval van de Zeearend geconstateerd en dat stuk van de kade is voorlopig off limits waardoor het rondje lopen niet meer mogelijk is.




















Nou ja; dan lopen we de kade in de andere richting maar een stukje af, waarbij we  op twee plekken 'beverpaden' aantreffen; plekken waar bevers met enige regelmaat de kade passeren om van het rietgors langs de Helsloot in de Huiswaard te komen. 










































Feitelijk was de Huiswaard ooit een populierenbos. Al tientallen jaren geleden is het gebied ook min of mee aan de natuur overgelaten. Net als wilgen hebben populieren maar een beperkte levensduur. Als ze een bepaalde hoogte bereiken worden ze vaak instabiel. De meeste populieren in de Huiswaard zijn omgewaaid, of er zijn stukken afgebroken. Dat geeft een wat desolate aanblik, maar spechten en andere insecteneters zijn er blij mee. Evenals paddenstoelen en zwammen.






































Aan de overkant, in de Helpolder, blijkt een paartje Ooievaars te broeden; door hun geklepper zie ik het nest dat ik anders gemist zou hebben.



















Hoewel de vogelgeluiden het soundscape vormen tijdens het wandelingetje krijg ik maar weinig vogels te zien, buiten wat mezen en een enkele buizerd. Maar de rust vergoed veel en het licht is prachtig.



















De laatste brugopening van de Engelenburgerbrug, die toegang geeft tot de Nieuwe Haven, tot 1 april mijn ligplaats, is om 16.30 u. Rond een uur of drie varen we weer, nu richting de Ottersluis.



















Daarna komen we weer op het Wantij. 
Op weg naar de eerder genoemde bruggen, komen we nog langs een stukje griend dat in cultuur wordt gehouden, met daarnaast nog een originele griendkeet, een klein huisje dat, toen de griendcultuur nog een serieuze bedrijfstak was, diende als nachtelijk onderkomen voor de griendwerkers, die meestal de hele week in griend bleven en alleen voor de zondag naar huis gingen.




















Even voor vier uur zijn we bij de Engelenburgerbrug. Op het remmingwerk waar we tijdelijk aanleggen zit een meldknop, waarmee we om een brugopening kunnen vragen.


















Om kwart over vier ligt de Wadloper weer in zijn box.

zaterdag 11 november 2023

Hildo

























Hildo en zijn vrouw Anne waren al twintig jaar mijn overburen, voor ik Hildo ècht leerde kennen. In die twintig jaar waren we incidenteel wel eens bij elkaar over de vloer geweest, maar door allerlei oorzaken, waar ik kortheidshalve niet verder over zal uitweiden, was er nooit een sterke vertrouwensband ontstaan. 
Hildo en en Anne waren duidelijk een stuk ouder dan ik. Ongeveer vijftien jaar, bleek achteraf. Toen covid de kop opstak, waren ze voor mijn gevoel kwetsbaarder voor besmetting dan ik zelf was. Bovendien was Hildo blind. Hun enige kind, een dochter, woonde met haar man in Antwerpen. 
In een opwelling van mede-menselijkheid bood ik omstreeks april 2020 aan om boodschappen voor ze te doen, zodat ze zich niet noodgedwongen onder de mensen behoefden te begeven en zodoende hun besmettingsrisico konden beperken.
Het aanbod werd geaccepteerd en vanaf dat moment ging ik wekelijks, op vrijdag of zaterdag met hun boodschappenkarretje voor hen naar Albert Heijn, die hier op ongeveer 500 m. afstand zit. 

Tot begin juni van dat jaar ging alles op die manier z'n gangetje.
Op zeker moment, het was een warme, zonnige dag geweest, zaten mij vrouw en ik achter het huis op ons balkon te eten, toen er een ambulance, met werkende sirene, door de Museumstraat roste. Het klonk alsof hij in de buurt stopte. We zijn geen sensatiezoekers, die bij elke calamiteit vooraan willen staan en we gingen er vanuit dat de ambulance werd bemand door capabel personeel, dat niet op onze hulp zat te wachten. We aten derhalve rustig door, in het vaste vertrouwen later nog wel te horen welk noodlot in de omgeving had toegeslagen.
Een uur later werd er gebeld. Mijn buurman Pieter, die vertelde dat Anne was overleden. Ze was, ik verzin dit niet, gestikt in een gehaktbal. 
Hildo was, toen hij doorkreeg wat er aan de hand was (hij kon het niet zien), in paniek de straat op gerend en had een willekeurige voorbijganger aangeklampt. Ook de buurman die links van hem woonde was er bij geweest. Wat hem, vertelde hij me achteraf, een tamelijk traumatiserende ervaring had opgeleverd. Ze hadden, tot de ambulance arriveerde, samen het één en ander geprobeerd, maar toen de ziekenbroeders het overnamen was het eigenlijk al te laat. Toen Anne enkele dagen later werd gecremeerd, kon ik daar niet heen, want: covid.

Vanaf dat moment was ik niet alleen de man die boodschappen deed voor Hildo, maar ook degene met wie hij wekelijks, voor het doen van de boodschappen, zo'n anderhalf uur van gedachten wisselde over dingen die hem in de voorgaande week zijn hadden beziggehouden.
Want Hildo mocht dan weliswaar nauwelijks meer de deur uitkomen; hij luisterde constant naar de radio en was van het hele wereldgebeuren op de hoogte. 
Hij had ook een stoïcijnse karaktertrek. Van verdriet over zijn plotseling overleden vrouw liet hij weinig blijken. In plaats daarvan wisselden we verhalen uit over de actualiteit, onze jeugd en onze reizen. Zo kwam ik er ook achter dat hij niet blind was geboren. Tot ongeveer 50-jarige leeftijd was zijn gezichtsvermogen normaal geweest. Veel beelden uit de tijd voor zijn blindheid waren bewaard gebleven als herinneringen. 
Hij moet strijdvaardig met zijn opkomende blindheid zijn omgegaan en bovendien was een zekere kunstzinnigheid hem niet vreemd. Hij was gaan beeldhouwen. Er stonden de nodige beelden en beeldjes van zijn hand in huis. Zelfs van de blindengeleidehond die hij een tijdje had, maakte hij een beeldje. Ik heb de levende hond ook gezien; het beeldje was een perfecte karakterisering van het beest

Hildo bleek, ondanks zijn handicap, ook verbazingwekkend goed in staat om elke dag een warme maaltijd klaar te maken. Daarbij werd onvermijdelijk soms behoorlijk geknoeid; de inductie-kookplaat in de keuken zag er, nèt voordat zijn schoonmaakster langskwam, meestal uit als een beest. 
Aanvankelijk at hij nog regelmatig verse groente, later werden dat in toenemende mate kant-en-klaar maaltijden, die hij in de magnetron schoof. Die kon hij ook blindelings bedienen. En vis, veel verse vis. Hij was een groot liefhebber van Zeebaars en Zwaardvis en als dat er onverhoopt niet was, ik kocht dat altijd op de markt, kon een tong ook wel. En soms paardeworst; een hele of een halve. Dat was afhankelijk van de vraag of zijn dochter met haar hond en zijn kleinzoon binnenkort nog langskwam.

Nadat het vaccineren was begonnen, duurde het nog behoorlijk lang voor hij een oproep kreeg voor een injectie met het vaccin van zijn keuze. Hij wilde namelijk persé het Jansen-vaccin. Uiteindelijk zijn we samen, op een regenachtige avond, naar een priklocatie aan de rand van de stad gereden. Toen bleek al dat zijn loopvermogen behoorlijk was teruggelopen. Op de terugweg van de vaccinatieruimte naar de auto mochten we gelukkig een rolstoel lenen.
Dat was eigenlijk al een voorteken.

Toen de covid-storm een beetje luwde, probeerde ik hem af en toe wel eens zover te krijgen om weer een eindje te wandelen door de stad, wat hij voor covid regelmatig deed. Omdat hij een lange pluizige baard had, altijd een soort van leren cowboy-hoed droeg en met zijn stok tikkend en schrapend over het trottoir zijn weg zocht, was hij een bekende verschijning in de binnenstad. Als ik in een winkel of bij een marktkraam vertelde dat ik boodschappen deed voor mijn blinde overbuurman, wist men meestal wel over wie het ging.
Maar Hildo vertoonde, toen het weer kon, weinig animo om naar buiten te gaan. Veel meer dan de hele dag op de bank zitten, naar de radio luisteren en voor zijn natje en droogje zorgen, deed hij eigenlijk niet meer. 

Hildo was een meester in het regelen van zaken via de telefoon. Als hij wat nodig had, of er moest iets worden geregeld, dan ging hij bellen. Hij deed dat met inzet van alle middelen. en schroomde ook niet om zijn blindheid als argument in de strijd te gooien. "Ik ben bind, meneer, en ik ben aan huis gebonden! U moet hierheen komen!" 
Op zeker moment moest er een nieuwe matras voor een een-persoonsbed komen. Iemand van de matrassenwinkel kwam opmeten hoe groot hij moest zijn, en een week later sliep Hildo beneden in de woonkamer, op zijn nieuwe matras. Hij kon het niet meer opbrengen elke avond de trap op te gaan naar zijn slaapkamer.

Zo werd het 2022. De groente was al een tijdje van de boodschappenlijstjes, die we samen opstelden, verdwenen. Wèl altijd een pak stroopwafels en veel sinaasappel- en druivensap.
Als je iemand regelmatig ziet, dan vallen veranderingen in gedrag en eetpatroon niet zo snel op, maar achteraf bekeken leefde Hildo uiteindelijk vooral op vocht en suiker, denk ik.
Soms werd zijn gedrag ook tijdelijk minder coherent. Op zeker moment dacht hij dat de stroom was uitgevallen, omdat de magnetron het niet meer deed. Dat kon ik in de meterkast snel genoeg controleren. De stroom was niet uitgevallen; Hildo was vergeten hoe de magnetron werkte. Het leek op de eerste verschijnselen van dementie, maar als we eenmaal in gesprek waren over andere actualiteiten klonk hij weer volledig bij de tijd.

Soms kwamen er nog andere mensen bij hem langs, zoals bijvoorbeeld zijn voorlezer. Hildo kon braille lezen, maar had daar kennelijk een hekel aan, dus kwam er in bepaalde periodes een kennis langs die een roman van zijn keuze voorlas. Af en toe kwam er met vaste intervallen ook nog iemand op bezoek vanuit de WMO. Die deed onder andere zijn administratie en zijn bankzaken. Het was waarschijnlijk deze persoon die het begin juni 2022 nodig vond om er een arts bij te roepen. Die constateerde dat hij vanwege zijn lichamelijke conditie moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Zijn voorlezer kwam het me vertellen.

Het viel me ondanks alles rauw op m'n dak. 
Had ik de zaak zelf verkeerd ingeschat en had ik eerder aan de bel moeten trekken bij zijn dochter en de instanties? Dat idee had ik niet gehad, de laatste keer dat ik hem zag, en dat kan nooit veel meer dan een paar dagen vóór zijn ziekenhuisopname zijn geweest.

Ik heb Hildo na zijn ziekenhuisopname niet meer gezien.
Wel heb ik, voor hij overleed, nog één of twee keer contact gehad met zijn dochter. Bij hem langsgaan in het ziekenhuis had niet zoveel zin meer, begreep ik.
Ik ben vanzelfsprekend nog wèl naar zijn uitvaart gegaan, maar het was toch een afscheid met gemengde gevoelens. Ik had hem graag nog alles verteld over vliegles die hij me, als dank voor mijn hulp, cadeau had gedaan. 
Maar die vond uiteindelijk pas plaats toen hij al meer dan een half jaar dood was.