Posts tonen met het label cultuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label cultuur. Alle posts tonen

maandag 16 februari 2026

Passanten 7: Rob




















Rob was een collega van Willem, de hoofdpersoon van Passanten 6. 
Wàs, want Rob ging al iets eerder dan ik met pensioen. Ook hij was plantoetser bij de Omgevingsdienst.
Maar Rob was veel meer dan dat. Eigenlijk had hij, nog meer dan Willem, het uiterlijk dat velen bij een ambtenaar vinden passen, maar in de praktijk was Rob een heel stuk kleurrijker dan Willem. Rob was ooit voorbestemd om een veel prominenter en belangwekkender leven te gaan leiden dan hij deed, toen ik hem ruim twintig jaar geleden tegenkwam. Hij was in Delft afgestudeerd als civiel ingenieur en zou normaal gesproken daarna aan een glansrijke carrière in het bedrijfsleven of bij de overheid zijn begonnen.
Wat er in de periode tussen zijn afstuderen en het moment dat wij kennismaakten precies is gebeurd, is mij nooit helemaal duidelijk geworden, maar Rob was niet te beroerd om zèlf een tipje van de sluier op te lichten. Hij draaide er niet omheen dat hij ooit alcoholist was. 
Voor hij bij Bouw- en Woningtoezicht in Dordrecht terechtkwam, had hij bij dezelfde gemeentelijke dienst in Delft gewerkt. Of hij ooit werk heeft gedaan dat meer op maat was voor de academicus die hij in feite was, weet ik niet. Wel dat Klaas in de periode dat ik hem kende min of meer de loner was die hij mogelijk zijn hele leven is geweest. Hij was niet getrouwd en had, voor zover ik heb kunnen nagaan ook geen vriendin. Of dat hij die ooit wèl had, weet ik niet.
In de omgang was Rob vormelijk, of misschien moet ik zeggen quasi-vormelijk. Hij wilde graag een gedistingeerde indruk wekken, maar soms kreeg ik de indruk dat er iets ironisch schuil ging in die opstelling.
Met Rob kon je over veel onderwerpen een boom opzetten; hij was op tal van terreinen goed geïnformeerd. Over de geschiedenis van Nederland kon je hem alles vragen. Zo wist hij me te vertellen dat het huidige koningshuis in het geheel niet afstamde van Willem de Zwijger. Er was ergens gefrauduleerd om de bloedverwantschap ogenschijnlijk te doen doorlopen.
 
Rob had echter ook een misantropische trekje: soms leek hij er genoegen in te scheppen aanvragers van een bouwvergunning tot wanhoop te drijven. Dit door een combinatie van archaïsche taal, waarvan sommige lager opgeleide aanvragers niets begrepen enerzijds, en anderzijds door een niet altijd even behulpzame opstelling in het algemeen. Binnen het toetsersteam kon hij ook nogal eens cynisch uit de hoek komen. De leiding van de Omgevingsdienst haalde opgelucht adem toen hij met pensioen ging

Het gespreksonderwerp dat Rob ècht deed opleven was klassieke muziek. 
Iets dat hem vermoedelijk al heel lang het nodige plezier in het leven bood. Misschien had ie het al van thuis meegekregen.
Zelf was ik in die tijd min of meer bezig klassieke muziek te ontdekken. Hoewel mijn moeder een groot deel van haar leven lid was geweest van een vrouwenkoor en daarbij de nodige klassieke stukken had gezongen, was mijn belangstelling voor het genre pas tot leven gekomen toen mijn toenmalige vriendin, nu mijn vrouw, een deeltijd-opleiding in de muziek volgde, die qua theorie min of meer tot conservatorium-niveau reikte. In het kader daarvan werden door haar ladingen klassieke CD's aangeschaft. Wat ik hoorde kon me vaak wel bekoren. Op zeker moment begon ik ook zelf klassieke CD's te kopen en gingen we ook regelmatig naar concerten en concertjes.
Toen Rob eenmaal van mijn nieuwe liefhebberij op de hoogte was, gingen onze gesprekken meestal over klassieke muziek. Hij zette me bijvoorbeeld op het spoor van de Duitse liederen. En dan niet alleen die op muziek van Schubert, maar ook de Vier letzte Lieder van Richard Strausz, die ietwat zwaarder op de maag liggen dan Schubert's verklankingen van de diverse romantische Duitse dichters.

Rob vergat ook niet dat hij in essentie een academicus was.
Hij was erachter gekomen dat de eerste dirigent van het Concertgebouworkest, Willem Kes, in Dordrecht was geboren en schreef een wetenschappelijk verantwoorde biografie over hem. Op zeker moment reisde hij zelfs naar Moskou, omdat Kes daar enkele jaren directeur van het conservatorium was geweest. 
Kes had bepaalde ideeën met betrekking tot de manier waarop van klassieke muziek moest worden genoten. Het publiek dat concerten van klassieke muziek bezocht, was tot vér in de 19e eeuw gewend om tijdens het concert de gesprekken, waaraan men voor de aanvang ervan was begonnen, gewoon voort te zetten. Kes schijnt op enig moment een concert te hebben stilgelegd, om vervolgens aan het publiek te vragen: "ik stoor toch niet, hoop ik?" Toen hij in 1895 bij het Concertgebouworkest vertrok, had hij het orkest internationaal op de kaart gezet en was de traditie dat het publiek zich tijdens concerten stil hield, en pas enkele seconden na de laatste noot applaudiseerde, gevestigd.
Toen Rob met pensioen ging, was zijn biografie nog niet af. 
In de laatste tijd dat wij samenwerkten, was hij op zoek naar een promotor, want hij wilde de biografie gebruiken als dissertatie en daarmee van ingenieur (ir.) alsnog tot doctor promoveren. 

In de periode daarna kwam ik hem nog af en toe tegen in de stad. Het werk vorderde gestaag, zo vertelde hij bij die gelegenheden. De laatste keer dat ik hem sprak ligt alweer jaren in het verleden.
Wèl merkte ik een paar jaar terug dat zijn biografie van Willem Kes in 2017 in druk was verschenen. De officiële presentatie ervan blijkt een groot evenement te zijn geweest. 
Voor het schrijven van dit stukje heb ik zijn naam gegoogeld.
Ik vond het bericht van zijn overlijden, in 2024, in een artikel waarin ook de door hem geschreven biografie wordt genoemd, plus de opmerking dat de beoogde promotie nooit heeft plaatsgevonden. Mogelijk lagen zijn oorspronkelijke vakgebied (civiele techniek) en de muziekwetenschap te ver uiteen om een promotor zo ver te krijgen hem als promovendus aan te nemen.

Rob was hoe dan ook iemand die niet snel uit mijn geheugen zal verdwijnen en zonder meer één van de witte raven onder de passanten in mijn leven.


vrijdag 6 februari 2026

Your hometown



















Niet zo lang geleden was ik op een crematie. Het betrof één van mijn neven; een zoon van een zus van mijn vader. Geboren in Zwijndrecht, had hij vanaf zijn huwelijk gewoond en gewerkt in Ridderkerk. Desondanks vond de uitvaart plaats in Zwijndrecht, waar aan de rand van het dorp al jaren een relatief nieuwe begraafplaats met crematorium is. 
De ceremonie startte met 'My hometown' van Bruce Springsteen. 
Ik moet bekennen dat ik even vol schoot. Dat gebeurt me vaker bij dit soort gelegenheden, als de muziek op de één of andere manier zó passend is bij de persoon en zijn leven, dat ze sterke emoties oproept. Een paar jaar geleden had ik hetzelfde bij de crematie van de man die ooit mijn zwager was, en die ik in de laatste maanden van zijn leven nog beter had leren kennen dan in de dertig jaar daarvoor al het geval was geweest. Toen was het 'Wild Horses' van de Rolling Stones. Het had in zijn geval niks anders kunnen zijn, en ik zal het nummer nooit meer kunnen horen zonder aan hem te denken. Het lied op zich is er alleen maar mooier op geworden, wat mij betreft.

Mijn neef was dus oorspronkelijk een Zwijndrechter, net als ik. Maar hij was veel meer Zwijndrechter dan ik ooit geweest ben. Dat komt mede door het gegeven dat ik nooit erg ben opgenomen in de Zwijndrechtse gemeenschap. Behalve het lidmaatschap van gymnastiekvereniging O & O (Oefening en Ontspanning), dat mij min of meer werd opgedrongen omdat gymnastiek heilzaam zou zijn tegen de bronchitus, waaraan ik in mijn jeugd leed, ben ik nooit lid geweest van een vereniging die toegang gaf tot het sociale leven in Zwijndrecht. Mijn lidmaatschap van de lokale bibliotheek, waar ik wèl de deur platliep, leverde in sociale zin weinig tot op. De vriendjes van de lagere school verloor ik na het verlaten daarvan al snel uit het oog. Bijna niemand ging naar de L.T.S., en de paar die er wèl naar toe gingen waren op de lagere school al geen vriendjes. Na de L.T.S. volgde de M.T.S., maar die stond in Dordt en gek genoeg kwam een aanzienlijk deel van mijn klasgenoten daar uit de Alblasserwaard. Na schooltijd zag ik de jongens uit mijn klas niet. Eén klasgenoot van de L.T.S, deed ook toelatingsexamen, maar hij zakte. Ik slaagde wel, hoewel ik dacht dat ik gezakt was. Een voor die tijd significant detail. 

Na de militaire dienst ging ik al vrij snel op kamers in Dordt. En hoewel ik begin jaren '80 nog even in een flatje 'op Zwijndrecht' woonde (hoewel Zwijndrecht toen al zo'n 30.000 inwoners moet hebben gehad, woonden autochtone Zwijndrechters nog steeds 'op Zwijndrecht'), vertrok ik rond 1986 naar Delft. Voor het werk en de liefde. Ik had definitief afscheid genomen van mijn geboortedorp. Ik kwam er eigenlijk alleen nog om mijn moeder en mijn goede vriend T. op te zoeken. Maar dat was dan ook de enige vriend die ik aan Zwijndrecht had overgehouden.

Mijn neef heeft de banden met zijn geboortedorp echter nooit ècht doorgesneden. 
Hij was een toegewijd voetballer en voetbalde hij het grootste deel van zijn voetballende leven bij VVGZ (Voetbalvereniging Geluksvogels Zwijndrecht). Daar voetbalde ook een andere neef van me die wèl Valk heette, en sowieso was VVGZ de thuisbasis van alle voetbalminnende Valken. Ook mijn vader is het grootste deel van zijn leven lid geweest; hij was het nog toen hij in 1983 op 64-jarige leeftijd overleed. De eerstgenoemde neef bleef, ook toen hij al jaren in Ridderkerk woonde en werkte, contact onderhouden met de Zwijndrechtse vrienden uit zijn jeugd en de tijd bij VVGZ. In essentie was hij een Zwijndrechter gebleven.
Mijn vader, nog een generatie ouder dan ik en mijn neef, was bij wijze van spreken 'wereldberoemd in Zwijndrecht'. Dat kwam mede doordat hij vanaf 1945 deel uitmaakte van de Zwijndrechtse gemeentepolitie. Maar zijn vader, mijn opa, had nog een tuinderij, en omdat Zwijndrecht van oorsprong een dorp van tuinders is, kun je rustig zeggen hij dat Zwijndrechtser dan Zwijndrecht was. In mijn jeugd werd mij, als een autochtone Zwijndrechter hoorde dat ik 'Valk' heette, regelmatig gevraagd of ik "er één van Janus Valk was" (iemand die door zijn ouders was getooid met de naam 'Adrianus' werd in Zwijndrecht automatisch 'Janus'), Inderdaad, dat was ik; ik was zelfs de enigste 'van Janus'.
Hoe bekend hij was in Zwijndrecht merkte ik pas toen hij was overleden. In het condoleance-register stonden uiteindelijk meer dan vierhonderd namen..

In Delft integreerde ik evenmin. Van mijn directe collega's op de TU woonde slechts een enkeling in Delft en die verloor ik na een paar jaar weer uit het oog, omdat ik bij een andere hoogleraar en een ander werkverband terecht kwam. Mijn kennissen in Delft waren de kennissen van mijn vriendin, die al langer in Delft woonde. Ik ontleende niets aan de stad dat enigszins op een identiteit leek. Sterker nog: ik vond de Delftenaren lichtelijk irritant. Waaraan ze het precies ontleenden is mij nooit volledig duidelijk geworden, maar in het plaatselijke sufferdje, feitelijk niet meer dan een advertentie blaadje, stond zelden of nooit ook maar één negatief woord over de stad of zijn bewoners. Delft was dit en Delft was dat; Delft was geweldig. Zelf vond ik Delft een tikkeltje benauwd. De binnenstad heeft een zekere kwaliteit, maar is eigenlijk maar piepklein en daarbuiten beginnen, na wat dertiger jaren-architectuur, al snel de eenvormige buitenwijken, die in iedere Nederlandse stad precies hetzelfde zijn.

Eigenlijk is dat laatste één van de universele Nederlandse drama's.
Zwijndrecht had, in de tijd dat ik een jochie was nog de Ringdijk, met z'n bebouwing die plaatselijk al honderden jaren oud was. Die bebouwing heeft men begin jaren '70 vakkundig verwijderd. Het was nodig voor een dijkverhoging. Zei men. Het gevolg is, dat Zwijndrecht op wat panden langs de Rotterdamseweg na, nauwelijks nog bebouwing heeft die ouder is dan honderd jaar. Hoewel er al voor de tweede wereldoorlog de nodige industrie in Zwijndrecht was, is het oorspronkelijke karakter van een tuindersdorp al heel lang verleden tijd. Zwijndrecht verschilt in allerlei opzichten eigenlijk niet meer van volledig identiteitsloze oorden als Alphen aan den Rijn en Zoetermeer.

Nu ik min of meer een oud mannetje ben geworden, en ondanks het feit dat ik mijn identiteit nooit erg heb laten bepalen door mijn afkomst, betrap ik mezelf soms op een vage melancholie. Het gevoel dat ik eigenlijk nergens meer ècht thuis ben. Dat ik feitelijk nergens meer wortels heb. Hoewel ik er in mijn jongere jaren nooit over nadacht, zou ik er heden ten dage veel voor over hebben om eens een kijkje te kunnen nemen op de tuinderij van opa Valk. Een tuinderij waar mijn vader en zijn broers nog hebben gewerkt en die eigendom was van een man die ik nooit heb gekend.  Dat alles is verdwenen in de nevelen van het verleden. Niet alleen de mensen, maar ook de tuinderij, die al kort na de oorlog is overspoeld door het uitbreidende Zwijndrecht. Dat gebeurde al voor ik geboren was, waarschijnlijk.
Zelfs het Zwijndrecht dat ik nog heb gekend, bestaat niet meer. Evenals het Eiland IJsselmonde van mijn jeugd.

Ondertussen woon ik al bijna dertig jaar in Dordrecht. En dat al dertig jaar in hetzelfde huis. Dat huis is in de eerste twintig jaar dat ik er woonde helemaal door m'n handen gegaan, om het beeldend uit te drukken. Eigenlijk is dàt wel deel van mijn identiteit geworden. Dat het in Dordrecht staat is mooi meegenomen; het is van alle steden in het westen van Nederland één van aardigste, hoewel de buitenwijken precies dezelfde bloedarmoede hebben als in Delft en Alphen aan den Rijn. De binnenstad ligt aan de rivier; dat maakt ook veel goed. 
Toch zal ik nooit een Dordtenaar worden zoals de broers en zusters van mijn moeder dat waren. Ondanks het gegeven dat ik soms Zwijndrechters (meestal mensen die er ook niet zijn geboren) pest met de opmerking: "het mooiste in Zwijndrecht is het gezicht op Dordt".

My hometown.. Is dat de plaats waar ik ben geboren? Ooit, heel lang geleden, was dat zo. De herinnering kwam even boven op die crematie, door toedoen van Bruce Springsteen.




maandag 5 januari 2026

Sporen naar Berlijn

























In 1936, toen zo langzaamaan het ware karakter van de nieuwe Duitse werkelijkheid zichtbaar werd, schreef Ed Hoornik het gedicht 'Het is maar tien uur sporen naar Berlijn'. Hij leek toen al te voorzien dat deze Duitse werkelijkheid vroeg of laat ook in Nederland de status quo zou worden.
Toen wij in de week na Kerstmis naar Berlijn spoorden, heb ik nog wel een paar keer aan die tien uur van Hoornik gedacht. We reisden weliswaar grotendeels met een snelle Duitse trein, maar kwamen redelijk dichtbij een reistijd van tien uur. Op de heenweg hadden we ruim een uur vertraging en op de terugweg bijna twee uur. Bij de laatste gelegenheid hadden we om 12.06 uur moeten vertrekken vanaf Berlin Hauptbahnhof. Dat werd een ruim een uur later, en tijdens de rit zelf wist de Deutsche Bundesbahn er nog eens bijna een uur extra vertraging aan toe te voegen. Inclusief de reistijd in Nederland, waar de NS ondanks het winterweer goed presteerde (de vertraging bleef beperkt tot enkele minuten), waren we van Berlijn tot Dordrecht bijna negen uur onderweg.

Berlijn is onder de wereldsteden nog steeds een unicum. Nergens drukt de geschiedenis zó zwaar op een stad als in Berlijn. 
Al vele jaren geleden las ik de stukken die Armando, die in de jaren '80 een tijd in Berlijn woonde en werkte, over de stad schreef. De "grote hoop zand", waar de muur langs liep en waar ooit "het statige gebouw van de Gestapo" stond is er niet meer. Het "restant van het Reichsluftfahrtministerium" dat aan de andere kant van de muur stond "drüben, dus" is er nog, maar ik heb er niet naar gezocht.. 
Armando schreef zijn verhalen over Berlijn nog voor de Wende. Na het verdwijnen van de muur zijn veel sporen van het verleden die min of meer in het niemandsland tussen oost en west lagen waarschijnlijk in hoog tempo verdwenen. Overigens is niet de hele muur verdwenen; langs de Mühlenstrasze in de wijk Friedrichshain, die parallel loopt aan de Spree, is nog een flink stuk bewaard gebleven. Het is over de volle lengte voorzien van muurschilderingen, die moeten worden beschouwd als kunstwerken, geloof ik. De lokale autoriteit heeft bepaalde kunstenaars toestemming toestemming verleend voor het aanbrengen ervan, zo te zien. Zonder toestemming aangebracht 'wild' geklieder wordt zonder mankeren overgeschilderd met witte verf. Ook daar zagen we wat bewijzen van.
Normaal zijn er in dit deel van Berlijn weinig toeristen, maar hier liepen ze met drommen.


















De meeste braakliggende stukken, erfenissen van de bombardementen en de slag om de stad in 1945, zijn ondertussen zo'n beetje verdwenen, maar toch kent de stad in de zone net buiten het echte centrum nog steeds veel lege plekken. of plekken die ooit leeg waren maar nu, al dan niet met goedkeuring van de overheid, zijn ingevuld met marginale bedrijfjes of kleine vrijstaatjes, die bewoond worden door mensen die met het nodige sloophout en golfplaten hun eigen woonomgeving hebben geschapen. Die overigens vaak door meer dan manshoge schuttingen is gescheiden van de openbare weg; reclame maken voor hun alternatieve mini-maatschappij vinden de bewoners kennelijk niet nodig, of men wil geen pottenkijkers. Daardoor doet het vaak wel een beetje unheimisch aan.
Heb je eenmaal het centrum bereikt, dan is elke vierkante meter ingericht. Vooral met grote, tamelijk anonieme gebouwen, die vaak tientallen verdiepingen de lucht in reiken. Ook op straatniveau is alles keurig ingericht, hoewel ook hier vaak stukken straat zijn opgebroken, omdat er weer voor het één of ander in de grond moeten worden gewroet. Hier wordt nog wel gewoond, maar in het beeld zijn de winkels en het zakenleven dominant. Het kapitalisme in één van zijn meest ultieme vormen grijnst je continue aan.
Ons hotel stond in voormalig Oost-Berlijn, vlak bij het S+U Bahnhof Frankfurter Allee. De directe omgeving was een rustige, nette woonomgeving, maar tussen de Frankfurter Allee en de Spree zijn de nodige rommelhoekjes van de hierboven genoemde soort te vinden. Een groot contrast met het centrum, waar de grond inmiddels heel duur is en het grote geld de broek aan heeft.
Vergeleken met Parijs ontbeert Berlijn veel charme en eerlijk gezegd vind ik Rotterdam (ook een stad die zijn Stunde 0 gekend heeft), in veel opzichten gemutlicher.

Was het bezoek aan de stad dan verloren moeite? Nee; integendeel. 
Want hoe je het ook wendt of keert, de Duitse cultuur is, samen met de Franse, de Britse en de Italiaanse één van de grote steunpilaren van de cultuur van Europa als geheel. Duitsland als natie ontstond pas in de tweede helft van de 19e eeuw, maar de Duitse cultuur is veel ouder.
Het slot Charlottenburg, dat als gebouw, vergeleken met Versailles of de paleizen in Potsdam niet buitengewoon indrukwekkend is, herbergt wèl een interessante expositie over het Pruisische Huis van de Höhenzollern, dat z'n wortels heeft in de vroege middeleeuwen en dat in 1701 een koninkrijk stichtte, dat in feite de basis vormde van het latere Duitsland.
In Nederland heeft het Pruisische een slechte naam, maar in de praktijk traden de Pruisische koningen vaak op als mecenas ten gunste van allerlei vormen van wetenschap en kunst. Binnen die cultuur konden grote geesten als Goethe en dichters als Wilhelm Müller zich ontwikkelen.

































Daarnaast bood een bezoek aan de Alte Nationalgalerie op het Museuminsel de gelegenheid om eindelijk eens wat schilderijen van Caspar David Friedrich in het echt te zien. 
Sinds ik, lang geleden, een CD met Schubert's Winterreise kocht, heeft Friedrich me geïntrigeerd. Op de voorpagina van het boekje bij de CD stond namelijk een afbeelding van Friedrich's schilderij Winterlandschaft. Een desolaat beeld van een besneeuwd landschap met grotendeels dode bomen. Als je iets beter kijkt, zie je tussen de bomen ook nog een kromgebogen Wanderer. 
Want dat is natuurlijk ook ontzettend Duits; de Romantiek als kunststroming in allerlei vormen.
De Alte Nationalgalerie is geheel gewijd aan de schilderkunst van de 19e eeuw en een groot deel van wat er te zien is valt zonder meer in de categorie Romantiek. 
Winterlandschaft van Friedrich hangt er jammer genoeg niet, daarvoor moet je naar het Staatliches Museum te Schwerin, maar er zijn wel 16 andere Friedrichs te zien, waaronder  Abtei im Eichwald en Eichbaum im Schnee. De eerstgenoemde heeft een sfeer van verlatenheid die de uitstraling van Winterlandschaft nog overtreft. En daar hebben we de eik ook weer; het Europese cultuursymbool bij uitstek. Friedrich laat deze ontbladerde bomen wanhopig naar de hemel grijpen, zoals alleen een eik dat kan.
















En natuurlijk is er ook het Waldgefühl; landschappen waar de bomen nu eens geen eenling zijn. Ze zijn een bos, met hoge, dicht opeenstaande sparren. Vaak lopen er ook nog wel één of meer mensen rond. Maar de mens is hier klein ten opzichte van het bos. Een detail, niet belangrijker dan een vos of een ree.

























Jammer genoeg kwamen we wat tijd te kort in de Alte Nationalgalerie, want we waren er op oudejaarsdag en het museum sloot al om 16.00 uur. Daardoor misten we een tijdelijke tentoonstelling met een particuliere collectie impressionistische schilderkunst.
Om dezelfde reden kreeg ik een ander schilderij dat in dit museum hangt, en dat voor mij een bijzondere betekenis heeft, niet te zien. 
De oudste zus van mijn moeder had thuis een reproductie hangen van Die Toteninsel van Arnold Böcklin. Tante heeft me nooit verteld wat het voorstelde, maar die grote rots met cypressen en de in het wit geklede figuur in z'n bootje, die er naartoe vaart, was iets uit een andere wereld dan de mijne van dat moment. Het beeld van het schilderij heeft tientallen jaren in mijn geheugen gezeten voor ik er, minder dan tien jaar geleden, achter kwam dat het niet zomaar een niemanddalletje was, maar iets van kunsthistorische betekenis.
















Tante Bets, want zo heette ze voor mij, liet zich er altijd wel een beetje op voorstaan dat ze binnen de familie (zeven zussen en vier broers) degene was met het meeste gevoel voor cultuur. Ze zong bij Kunst na Arbeid in Dordrecht, een aan de arbeidersbeweging gelieerd amateurkoor en werkte voor haar huwelijk bij de Co-Op, een winkel die uit dezelfde bron voortkwam.
Tante Bets had kennelijk zekere idealen, maar in laatste instantie heb ik het Toteninsel van Böcklin daarin niet kunnen plaatsen. 

Ook erg Duits maar niet Berlijns is Potsdam. Je komt en vanuit centrum Berlijn in drie kwartier met de onvolprezen S-Bahn. Waarbij je overigens kilometers ver door de bossen rijdt, want Berlijn heeft een heel groene omgeving.
Eigenlijk is Potsdam het Duitse Versailles, de plaats waar de Pruisische vorsten hun paleizen bouwden. Die paleizen, Sanssouci, het Orangerieschlosz en het Neues Palais liggen aan de randen van een groot park. Bij de oostelijke ingang daarvan staat ook nog een mooie imitatie van een vroeg-christelijke Italiaanse basilica uit 1848, met zo'n typische campanile, zoals je ze ook in Siena kunt zien.

















Ook bekeken we de Einsteinturm, een zonneobservatorium uit de jaren twintig. Hij staat in het eveneens naar Einstein vernoemde wetenschapspark net ten zuiden van het Hauptbahnhof van Potsdam. Je moet wel langs een slagboom om het park binnen te komen, maar de portier geeft je zeer bereidwillig een kaartje van het park waarop hij je de toren aanwijst.
De ontwerper van de Einsteinturm was Erich Mendelsohn. Hij tekende een ontwerp in een expressionistische stijl, die enige verwantschap vertoont met de Amsterdamse School. In de jaren dertig week Mendelsohn, die Joods was, uit. Eerst naar Engeland en in tweede instantie naar de Verenigde Staten. Daar ontwierp hij gebouwen die meer aansloten bij de stijl van het Bauhaus. Strakkere, zakelijke architectuur.

















Van de meer bekende sights noem ik slechts de Gedachtniskirche, die we zagen staan vanuit de S-Bahn, toen we station Zooöligischen Garten binnenreden. In een impuls besloten we er even heen te lopen. 
Van de oorspronkelijke kerk staat alleen de ingangspartij en de toren er nog. Het schip van de neo-gothische kerk werd in 1943 bij een bombardement verwoest. Ook de toren werd beschadigd en de gerafelde spits bleef behouden als Mahnmal.
Naast dit restant werd in 1954 een van buiten nogal sobere achthoekige kerk gebouwd, evenals een nieuwe klokkentoren. Van binnen werkt de nieuwe kerk echter heel goed. Het blauwe figuurglas, waaruit de gevels bestaan, gaat in het interieur pas spreken. Toen wij er waren zat er net een jonge pianist op een forte-piano Mozart te repeteren, waarschijnlijk voor een concert dat er op oudejaarsavond zou plaatsvinden.





 











We hebben een tijdje naar hem geluisterd en de sfeer op ons laten inwerken. We waren in Berlijn, maar de stad was eventjes ver weg.





vrijdag 28 november 2025

De digitale deceptie

bron: Chapatte.com















Lang geleden, in 1980, verscheen het boek The third wave. 
Het was geschreven door wat destijds een futuroloog werd genoemd; iemand die een visie had met betrekking tot hoe de maatschappij en de techniek zich in de niet al te ver verwijderde toekomst zouden gaan ontwikkelen. En als zodanig meende de toekomst te kunnen voorspellen.
Je hoort het woord tegenwoordig zelden meer gebruiken. Het lijkt alsof de futuroloog een beetje heeft afgedaan, of minder serieus wordt genomen. Misschien niet zonder reden, zoals later in dit stukje zal blijken.

De futuroloog die The third wave schreef was Alvin Toffler. 
De hoogleraar waarvoor ik toen werkte op de TU-Delft, was nogal van het boek onder de indruk, en aan de lunchtafel was het meermalen onderwerp van gesprek.
De 'derde golf' van Toffler was niks meer of minder dan de digitale revolutie, die in 1980 min of meer op het punt van beginnen stond. In de visie van Toffler was die digitale revolutie van een zelfde orde als de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw en veeteelt die de mensheid zo'n zevenduizend jaar eerder had doorgemaakt (de eerste golf), en als de industriële revolutie van de 19e eeuw, die, naast een enorme technologische omwenteling, een trek van het platteland naar de steden had bewerkstelligd. Toffler zag die industriële revolutie als de tweede golf.

We kunnen, denk ik, wel constateren dat Toffler, met het bestempelen van de digitale revolutie als de derde golf in de ontwikkeling van de menselijke samenleving, er niet ver naast zat. 
De opkomst van de personal computer, het internet en de smartphone hebben de maatschappij blijvend veranderd, en de invloed van één en ander op het persoonlijke leven van mensen, en de maatschappij als geheel, is nog steeds groeiende.
Dat zijn dingen die Toffler al in 1980 voorspelde. De eerste IBM PC verscheen in augustus 1981 en internet voor algemeen gebruik kwam in de eerste helft van de jaren '90 van de grond.

Toffler's visie op deze ontwikkelingen was optimistisch van aard.
Hij stelde dat het industriële tijdperk, zoals dat zich in de 20e eeuw in zijn ultieme vorm had gemanifesteerd, werd gekenmerkt door massa-productie, standaardisatie, organisatie van bedrijven en instellingen die van boven naar beneden werkte (top down), en wat Toffler een factory-type education system noemde. Massaliteit en grootschaligheid waren bepalende factoren.
De Derde Golf, zoals Toffler die zich voorstelde, zou daarmee in scherp contrast staan. In het algemeen zou er in de toekomst sprake zijn van post-industriële samenleving. Productiemethodes zouden kleinschaliger worden en massa-productie en one size fits all zou worden vervangen door maatwerk en productie on demand.
Het top down principe bij het maken van beleid door regeringen en organisaties zou plaats maken voor een gedecentraliseerde, meer open en meer democratische vorm van beleid maken en leiding geven. Dat zou mede worden bevorderd door het gegeven dat de digitalisering en iets als internet ieder individu onbeperkt toegang zou geven tot alle vormen van informatie. 
Er zou een open samenleving ontstaan, waarbij iedere wereldburger in contact zou staan met iedere andere wereldburger, en onbeperkt informatie zou kunnen uitwisselen. In dat verband werd ook het begrip Global Village gemunt. 
Wat Toffler ook voorspelde: het afnemen van de betekenis van natie-staten. Daar zou zowel van beneden als van boven aan geknabbeld worden. Van beneden door het uiteenvallen van nationale samenlevingen in kleinere eenheden als deel-republieken, en van boven af door toenemende invloed van NGO's en multinationals. Met betrekking tot de wenselijkheid en de uiteindelijke uitkomst van de laatstgenoemde ontwikkelingen zijn door Toffler nooit uitspraken gedaan. Ik kom daar nog op terug.

We kunnen, denk ik, vijf-en-veertig jaar na het verschijnen van 'TheThid Wave' constateren dat Toffler's voorspellingen deels zijn uitgekomen. 
Internet heeft gezorgd voor een enorme hoeveelheid beschikbare informatie. De mogelijkheden  voor allerlei vormen van communicatie zijn groter dan ooit tevoren. Eén en ander heeft het levenstempo van veel mensen overigens ook sterkt opgevoerd. In een mate waarbij hypes en hysterie nogal al eens de sfeer bepalen. Of één en ander in alle opzichten een positieve ontwikkeling is valt te betwisten.
 
Helaas moet ook worden vastgesteld dat veel van Toffler's toekomstvisioen niet is uitgekomen. Van een open samenleving is misschien nog minder sprake dan tijdens de jaren '70 het geval was. Het onderwijs is grotendeels nog steeds een vrij massale en weinig individuele aangelegenheid.
Democratischer is de wereld ook niet geworden sinds die tijd. Integendeel: Er is een beweging richting niet-democratische vormen van bestuur op gang gekomen die zo'n beetje wereldwijd is. Het idee van een Global Village staat wel ver af van de politieke polarisatie die ook bijna overal de kop op heeft gestoken. 
Veel mensen hebben zich, op internet, opgesloten in hun eigen, al dan niet politieke bubbles. Dat laatste is trouwens ook een gevolg van de toepassing van bepaalde algoritmes die de digitalisering mee zich mee heeft gebracht. Internet registreert voorkeuren van individuen en geeft die individuen vervolgens nog slechts informatie en inzichten die stroken met die voorkeur. 
Internet werkt daardoor niet verbindend, zoals Toffler hoopte, maar scheidend, polariserend en vervreemdend.

Wat wel min of meer stookt met Toffler's visie is het gegeven dat de macht niet langer volledig in handen is van natiestaten. Multinationals, en dan vooral bedrijven als Google, Meta en anderen die aan de knoppen zitten van internet, hebben wereldwijd een enorme invloed verworven en zijn in staat politieke ontwikkelingen te beïnvloeden op een schaal die zorgwekkend is, omdat deze bedrijven aan geen enkele vorm van democratische controle zijn onderworpen.
Een vraag zou kunnen zijn in hoeverre de hierboven gesignaleerde trend naar niet-democratische vormen van bestuur in de hand is gewerkt door de bronnen waaruit mensen hun informatie halen en de bubbles waar ze door de algoritmes van Google, Meta en consorten in terecht zijn gekomen. 
Inmiddels is ook wel duidelijk dat de digitale infrastructuur en diezelfde bubbles door natiestaten, waarvan de macht nauwelijks is verminderd sinds 1980, worden misbruikt om de publieke opinie in andere natiestaten te beïnvloeden als er verkiezingen in aantocht zijn. Rusland schijnt erg zijn best te doen op dat front.
Dat roept op zijn beurt de vraag op of de grote IT-bedrijven een gericht beleid voeren op dit front. Met andere woorden: doet men moeite om nepnieuws en onderhuidse, maar grootschalige politieke propaganda tegen te gaan. Een tijdje heeft er op geleken dat dit het geval was: Google en Meta hadden fact checkers in dienst, die hun best deden om waarheid van fictie te scheiden. Inmiddels zijn we echter zover dat deze bedrijven, die in essentie toch gewoon Amerikaans zijn, op last van de zich snel ontwikkelende autocratie in de VS, met dat factchecken zijn gestopt.
Kennelijk is de macht van de Amerikaanse regering en daarmee van een natiestaat als de VS toch altijd nog groter dan die van Google en Meta.

Nog iets verder doordenkend lijkt er in die zin toch iets bijzonders aan de hand. 
Die anti-democratische tendens in de wereld kenmerkt zich door een soort conservatisme dat zich bedient van een instrument dat in essentie niet conservatief is. 
Het anti-democratische conservatisme wil allerlei dingen, die in de afgelopen tientallen jaren vrij algemeen zijn geaccepteerd als een gegeven, ontkennen, en de acceptatie daarvan terugdraaien. Een voorbeeld is afwijkende seksuele geaardheid in al zijn veelkleurigheid. Volgens de conservatieve tendens zijn er slechts mannen en vrouwen en alleen seks tussen mannen en vrouwen is normaal. 
Ook bestaat er in het conservatieve universum een universeel wantrouwen en weerzin tegen de wetenschap en wetenschappelijke feiten. Het klimaatprobleem bestaat niet in deze bubble. Corona was ook een Hoax en soms is er een duidelijke hang naar alternatieve geneeswijzen, die in de praktijk vaak op kwakzalverij lijken.
Wat in deze sfeer universeel is, is het terugvallen op een naar binnen gericht nationalisme. Make America Great Again is er een uiting van, en in ons eigen Nederland pleit Geert Wilders vooral voor het eigenbelang van de Nederlander. Als men daardoor in Afrika het wat minder heeft, is dat jammer, maar helaas. Naar de toekomst wordt nauwelijks gekeken. "Na ons de zondvloed" hoor ik nergens hardop roepen, maar lijkt wel een andere peiler te zijn waarop dit conservatisme steunt.
Het liefst zou men met de rug naar de rest van de wereld gaan staan en in veel opzichten wil men terug naar een maatschappij zoals die vijftig jaar geleden nog bestond. In de VS lijkt dat ondertussen zover te gaan dat men zelfs de rassenscheiding en de ongelijke behandeling van niet-blanken weer terug wil brengen. Wat anders zou er kunnen zitten achter het verwijderen van de panelen bij de ere-begraafplaats van Margraten die wezen op het werk van zwarte Amerikanen?
Dit conservatieve wereldbeeld is min of meer het tegendeel van wat Alvin Toffler van de derde golf verwachtte. Het tweeslachtige bij dit alles is dat het conservatisme juist de digitale infrastructuur heeft ingezet om de conservatieve, anti-democratische boodschap erin te hameren.

Maar wat Toffler toch goed heeft gezien; uiteindelijk is de digitale infrastructuur in zijn wezen toch beter geschikt voor het verruimen van de blik, het kennis nemen van andere inzichten en in het algemeen verder kijken dan je eigen neus lang is. Het ronddraaien in de eigen bubble is alleen mogelijk door de aanwezigheid van bepaalde algoritmes. 
Bevrijd van die algoritmes. en na het opheffen van de digitale vissenkommen waarin veel internetgebruikers zich inmiddels hebben laten opsluiten, zou die digitale infrastructuur alsnog kunnen worden wat Toffler voor ogen had.

De geschiedenis heeft altijd goflbewegingen gekend. Ook de nu op z'n hoogtepunt zijnde conservatieve golf zal wegebben. Op het moment dat er ruimte voor is, zal de macht van de algoritmes moeten worden gebroken en kunnen de Meta's en de Googles weer op hun plaats worden gezet: een dienende rol, met een daarop aangepast 'verdienmodel'.

Ik hoop het nog mee te maken.

woensdag 29 oktober 2025

Door Zweden en Denemarken naar huis




















Het afscheid van de Døvrefjell viel niet ècht zwaar. 
Het weer was na een paar dagen met veel zon, maar van lieverlee dalende temperaturen weer buiïger geworden. Op onze laatste dag aldaar zouden vlakbij, in Dombås,  de eerste sneeuwvlokken van na de zomer zijn gevallen. We hebben ze zelf niet gezien, maar het alwetende Google dacht het te weten. Bovendien wilden we genoeg tijd overhouden voor de thuisreis en tegelijkertijd ook nog wat van Zweden zien.

Eind jaren '90 van de vorige eeuw was ik al eens in Zweden, maar heb toen alleen Stockholm gezien. Het was een studiereis met de studentenvereniging Stylos van de Faculteit Bouwkunde van de TU-Delft, waar ik toen werkte. Veel kan ik me er niet meer van herinneren, maar wèl dat hier en daar lussen van electriciteitsdraden uit regenwaterafvoeren, die op de openbare weg uitkwamen, staken. Het bleek dat die in vorstperiodes met sneeuw de regenpijpen verwarmden, om te voorkomen dat ze verstopt raakten met ijs, waardoor bij de eerste dooi de dakgoten zouden gaan overlopen, waarbij het dooiwater ongecontroleerd op straat zou kletteren.

De reis van Dovrefjell  richting Zweden liep in ons geval via het Gudbrandsdal, Hamar, Elverum en Kongsvinger. Vanaf Elverum loopt de weg door de vallei waardoor de Glomma stroomt . Een rustige rivier, die vanwege de vele zandbanken soms een beetje aan de Loire doet denken. De weg loopt hier hoofdzakelijk door cultuurland, met vrij veel bewoning. De bossen beginnen pas op een enige afstand van de rivier .
We overnachtten, net ten noorden van Kirkenær, op een parkeerplaatsje langs de weg èn naast de rivier, met een keurig onderhouden toilet; de campings op dit deel van de route zijn schaars. 's Morgens bij het eerste ochtendkrieken hoorden we wat gerucht bij het toilet; de schoonmaker (m/v; we hebben hem of haar niet gezien) deed zhaar werk. Toen we eenmaal ècht wakker waren en de zon boven de heuvel aan de andere kant van de weg uitkwam, bleken en op de zandbanken in de rivier groepen van tientallen kraanvogels te bivakkeren. Vrij ver weg, maar met de kijker goed te herkennen.

































Kongsvinger is een oude vestingplaats met een serieus, hooggelegen fort, dat de vallei en de rivier overziet. Waarschijnlijk is de plaats een uitgebreider bezoek waard, maar wij hebben er bij de lokale Circle K slechts onze auto opgeladen en koffie met koek genuttigd.
Na het passeren van Kongsvinger wordt het landschap weer bossiger en minder gecultiveerd. Bij de grens is geen enkele sprake van enige douane-activiteit, ondanks het gegeven dat Noorwegen in economische zin niet bij de de Europese Unie hoort. Wèl valt op dat er direct ná de grens meer Noorse auto's rijden dan Zweedse. Het vermoeden rijst dat veel Noren uit de grensstreek boodschappen doen in Zweden.
Het landschap blijft grotendeel hetzelfde: veel bos, met hier en daar plukjes cultuurland. Wel zijn er nu ook de nodige meren van variërende grootte en weer veel vakantiehuisjes, vooral bij de meren. 
Bij Åmål bereiken we bijna de oever van het Vänernmeer. Het is volgens Wikipedia het grootste meer van de Europese Unie, maar blijft echter voorlopig nog verborgen achter de horizon, omdat de weg naar het zuiden op enkele kilometers van het meer blijft. Die weg leidt vanaf hier weer door uitgebreide graanvelden
Vijftig kilometer verder vinden een aardige landelijke camping aan het meer, met een klein jachthaventje. Vandaar naar het noordoosten kijkend is er inderdaad een strakke horizon met alleen maar water. De overkant van het meer is niet te zien.































Hier is aan de oever van het meer nog het een en ander aan bos. 
Het weer in Zweden is op dat moment een stuk beter dan in Noorwegen. De temperatuur zit hier overdag nog rond de 20 graden en het is zonnig.

De volgende dag rijden we door in de richting van Vänersborg, dat een mooi oud centrum blijkt te hebben, met veel gebouwen die meer dan honderd jaar oud zijn. Ook een uitgebreider bezoek waard, vermoed ik. Wij gaan echter door naar Hunnebergs Gård, een combinatie van een kleine camping en een hostel, waar je een kamer kunt huren en daar overnachten. Men heeft in het hostel ook weer een grote keuken waar we een eenvoudige, doch voedzame maaltijd kunnen bereiden, die we vervolgens nuttigen in de grote 'huiskamer'. Het hostel is gevestigd in statig 19e eeuws landhuis. Slapen doen we in ons campertje. We zijn er een paar dagen gebleven. Een fijne rustige plek, met een paar oude loofbomen, waarin we regelmatig Boomklevers en Spechten horen en zien.

















Het landhuis ligt tussen het stadje Vargön en het natuurreservaat Hunneberg - Halleberg. Aan dat reservaat zit een bijzonder verhaal vast. Het vormt een soort enclave in het omringende, tamelijk grootschalige cultuurland, dat daarnaast wordt gekenmerkt door een paar flinke stedelijke agglomeraties. Naast Vänersborg en Vargön ligt namelijk ook de industriestad Trollhättan, ooit de hoofdvestigingsplaats van SAAB, op minder dan 10 km. van het gebied.
Hunneberg - Halleberg bestaat uit twee plateau's die zich een kleine honderd meter boven het omringende vrij vlakke landschap verheffen. Het zijn een soort tafelbergen die bestaan uit vulkanisch gesteente, het gevolg van een ondergrondse vulcanische eruptie van miljoenen jaren geleden, waarbij de lava zich als een pannekoek in de ondergrond heeft verspreid. Na de stolling daarvan heeft zich, in de miljoenen jaren daarna een proces van bodemdaling en erosie voltrokken, waardoor de pannekoeken van graniet aan de oppervlakte zijn gekomen en uiteindelijk als genoemde tafelbergen boven het omringende gebied uitsteken.
Deze tafelbergen hebben nu een toplaag van veen, begroeid met bos. Sommige delen liggen lager dan andere en daar hebben zich moerassen en meertjes gevormd.





































Het gebied is klein; Hunneberg en Halleberg zijn samen pakweg 70 vierkante kilometers groot, desondanks herbergt het gebied ongeveer 90 elanden. Beide plateaus worden gescheiden door een vijfhonderd meter brede vallei, die ruwweg van zuidwest naar noordoost loopt.
We hebben er een paar wandelingen gemaakt. Onder andere naar de noordelijk punt van Halleberg, die steil afdaalt in het Vänernmeer en een wijds uitzicht over dat meer biedt. Zie het plaatje waarmee dit bericht opent.
Helaas hebben we opnieuw geen eland gezien.

Door dit deel van Zweden loopt ook het Götakanaal, dat zuid Zweden doorsnijdt van Söderköping aan de Baltische Zee tot Gotenburg aan de Skagerak/Noordzee. Het kanaal maakt daarbij zoveel mogelijk gebruik van bestaande meren en rivieren en passeert ook het Vänernmeer. Omdat het Vänernmeer enkele tientallen meters boven zeeniveau ligt is onder andere bij Trollhättan een sluizentrap aangelegd met kolken die per stuk een verval van om en nabij de tien meter hebben. Wat meer dan we in Nederland gewend zijn; hier is dat zelden meer dan 2 m. We zijn er natuurlijk even gaan kijken. Het heeft nog steeds enige economische betekenis, maar meeste gebruikers zijn plezierboten.





































De verdere reis verliep, om een beetje op te schieten, voornamelijk over autosnelwegen. Eerst langs Gotenburg naar Malmö, waar we nog een korte stop hebben ingelast in Falsterbo, net ten zuiden van Malmö. 
Het was inmiddels eind augustus en we hadden enige hoop dat er misschien al wat van de vogeltrek te zien zou zijn. Want om dat laatste staat Falsterbo bekend. Omdat de Sont, de zeestraat tussen Zweden en Denemarken hier op z'n smalst is, kiezen veel vogels die vanuit Scandinavië naar het zuiden willen deze plek om over te steken naar Denemarken. 
Onderweg, tussen Gotenburg en Malmö zagen we vanuit de auto regelmatig één of meerdere Rode Wouwen; mogelijk waren ze op weg naar Falsterbo.
Het dorp Falsterbo zelf doet denken aan de dorpen op de Nederlandse en Duitse Waddeneilanden. Er staan veel huizen en huisjes van rond de eeuwwisseling 1900 en ik vermoed dat het van oudsher populair is als badplaats.
Wij hebben een half uurtje rondgewandeld over de golfbaan die het dorp scheidt van de zee en even gepost bij het pittoreske vuurtorentje, maar de enige vogel die zich, buiten enkele kokmeeuwen, vertoonde was een havik. En dat is, bij mijn weten, niet eens een trekvogel.



















Zweden beviel ons wel. 
De natuur in Zuid Zweden is minder groots dan op de Lofoten, op de Noorse hoogvlakten en bij de Noorse fjorden, maar in vergelijking met Nederland nog steeds heel uitgestrekt en oorsppronkelijk. Ook vanaf de snelweg tussen Trollhättan en Malmö was er landschappelijk nog genoeg te genieten. Het lijkt erop dat Zweedse horeca wat betaalbaarder is dan die in Noorwegen. Bij het bezoekerscentrum van Hunneberg genoten we van een uitstekende warme lunch tegen een heel redelijk bedrag. De Zweden zelf zijn ook wat toeschietelijker dan de Noren, lijkt het. Misschien moeten we het land in de toekomst nog eens wat uitgebreider bekijken.



















Over de snelweg op weg naar de brug over de Sont zie je weinig van Malmö, hoewel de stad vlak naast de brug ligt. Hetzelfde geldt voor Kopenhagen, dat eveneens net te noorden van de brug ligt. De brug zelf is een imposant ding, net als de brug over de Grote Belt, anderhalf uur rijden verderop.
Na Noorwegen en Zweden is het Deense landschap nogal gewoontjes; Zuid Limburg is op veel plekken mooier.
We overnachten wederom op een parkeerplaats, waar zomaar een heel troepje Roeken zit, een vogel die we in Nederland betrekkelijk zelden zien.



















Na nog een laatste brug, over de Kleine Belt, zijn we op het vasteland van Jutland en slaan we af richting Duitsland.

Het noorden van Duitsland confronteerde ons met de nodige files rond Hamburg en tussen Hamburg en Bremen. Men is daar al een aantal jaren met nogal ingrijpende wegwerkzaamheden bezig, waar we al eerder, en nog veel erger dan nu het geval was, mee te maken hebben gehad. We gaan binnenkort graag nog eens terug naar Scandinavië, maar beginnen het te betreuren dat alle routes er naar toe door Duitsland lopen.

Thuisgekomen blijkt dat de auto sinds vertrek uit Nederland zo'n 7000 km. heeft afgelegd. Ik heb daarvan maar ongeveer de helft meegemaakt. Mijn vrouw heeft elke kilometer gereden. Dat was haar wens en ze heeft er eveneens van genoten. 
Het was een road trip in z'n meest genietbare vorm.