Posts tonen met het label cultuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label cultuur. Alle posts tonen

vrijdag 4 september 2026

Kunst waarvoor alles moet wijken

























In mijn voorlaatste bericht schreef ik over het eerste deel van de biografie van Gerard Reve, door Nop Maas. Reve's leven was in zijn beginjaren van een dusdanige kommer en kwel dat ik het lezen van het tweede deel, getiteld 'De rampjaren' nog even wilde uitstellen. 
Ik heb me niet aan dat voornemen gehouden. 
Deel twee werd toch in huis gehaald (de lokale bibliotheek is er goed voor) en ik ben diagonaal lezend door het boek gegaan. Tot ik ongeveer op de helft was. Enigszins populair uitgedrukt geloofde ik het toen wel.
Inderdaad: rampjaren. Maar ook grenzeloos opportunisme, gecombineerd met een bepaalde vorm van godsdienstwaanzin, die met en zekere hang naar ophef en publiciteit wordt uitgespeeld  en waarmee Reve zichzelf tot een soort instituut verheft. Een nuchtere denker zou specifiek dit  'instituut' ook de titel 'Dorpsidioot des Vaderlands' kunnen meegeven en iemand Willem Frederik Hermans heeft dit ook min of meer gedaan.
Wat overblijft is een beeld van tot literatuur verheven neurose, die weliswaar niet helemaal gespeend is van een zekere humor, maar in het algemeen, voor mij althans, toch te karikaturaal is om serieus te nemen. Of, om het iets sympathieker uit te drukken: niets toevoegt aan mijn eigen levensvisie.
Desondanks wordt Gerard Reve nog steeds tot de één van de grootste Nederlandse schrijvers gerekend.

Nu ik toch weer eens bezig was met de groten der Nederlandse literatuur en op zoek naar een dik boek om mee te nemen op vakantie, betrok ik, opnieuw uit de onvolprezen Dordtse bibliotheek, 'Een knipperend ogenblik, portret van Remco Campert', geschreven Mirjam van Hengel. 
Ik moet bekennen dat ik Campert vooral kende als de helft van het duo CaMu dat tussen 1996 en 2006 op de voorpagina van de Volkskrant te vonden was; de ene dag Remco Campert; de andere dag Jan Mulder. Ik zal hem ook wel eens bij De Wereld Draait Door gezien hebben. mede omdat Jan Mulder daar ook met enige regelmaat aanschoof. En misschien heb ik heel lang geleden ooit eens 'Het leven is verrukkeluk' gelezen. 
Eerlijk gezegd wilde ik zijn levensverhaal niet zozeer lezen omdat ik zo onder de indruk was van zijn literaire productie, maar meer omdat de persoon Campert, als ik hem wel eens hoorde of zag op radio of televisie, op mij overkwam als een buitengewoon rustige en evenwichtige man. Bijna iemand die, als ie al niet ècht volledig zen was, dit toch in aanzienlijke mate uitstraalde. Een sympathieke man, die rustig over de dingen nadacht voor ie iets zei en ook dan nog de indruk wekte dat ie dat slechts deed omdat hem iets gevraagd werd, Niet omdat hij zo nodig een mening wilde ventileren. 
In dat opzicht leek hij de optimale tegenpool van Jan Mulder, die, hoewel van Groningse oorsprong, het hart veel meer op de tong had.
Zijn CaMu-stukjes, veelal nuchter observerend van aard, maar toch vaak enigszins poëtisch, leken die indruk te bevestigen.

Van Hengel's boek heeft van mijn aanvankelijke beeld van Remco Campert jammer genoeg weinig heel gelaten. 
Remco Campert leefde eigenlijk voor niks anders dan zijn schrijverschap en zelfs dat niet eens met volle overtuiging. Een aanzienlijk deel van zijn leven heeft Campert doorgebracht met niksdoen en feestvieren. Hij was vier keer getrouwd, en nam drie keer definitief afscheid van de vrouw waarmee hij getrouwd was en één keer tijdelijk, waarbij hij het afscheid niet altijd even scrupuleus aanpakte. Hij zette ook twee kinderen op de wereld, maar bleek een belabberde vader. Hij vond kinderen eigenlijk vrij irritant. Nadat hij bevriend raakte met Kees van Kooten en hij eens met Van Kooten's gezin aan tafel zat, blafte hij Kim van Kooten, die uit verlegenheid een liedje begon te neuriën toe: "NIET neuriën!". Zijn eigen dochters kijken niet terug op een warme en beschermde jeugd. Hun ouders waren veel afwezig en lieten hen ook 's avonds vaak alleen om ergens feest te gaan vieren en onder kunstenaars te zijn.
Campert heeft in zijn leven ongelofelijk veel alcohol verstouwd en bij kans nog meer gerookt. Hij moet een ijzeren gestel hebben gehad, want hij werd desondanks twee-en-negentig.

Omdat hij deel uitmaakte van de groep literatoren die zich 'De Vijftigers' noemden, vertelt het boek van Van Hengel ook veel over de andere leden van dit gezelschap. Onder andere dat men met enige regelmaat vrouwen aan elkaar doorgaf. Promiscuïteit was aan de orde van de dag, waarbij het lijkt alsof beide seksen daar in gelijke mate van genoten. Toch vraag ik me af in hoeverre de levensstijl van de toenmalige artistieke kringen in de huidige tijd, en dan vooral door vrouwen, acceptabel zou worden gevonden. De vrouwen van de Vijftigers waren namelijk meestal zelf geen schrijver of anderszins kunstenaar. Aan de gelijkwaardigheid van beide partners in al die relaties kan worden getwijfeld. Alleen Fritzi ten Harmsen van Beek (de tweede vrouw van Campert) heeft als dichteres enige naam gemaakt.
Eén en ander laat ook zien hoever de toenmalige kunstenaarskringen in de jaren vijftig en zestig buiten de normale maatschappij stonden. In de rest van Nederland was, vooral in de jaren vijftig, stijve burgerlijkheid de norm.
Wat als verzachtende omstandigheid kan worden genoemd is het gegeven dat Remco Campert zelf ook niet bepaald een normale jeugd had. Zijn vader Jan Campert, die vooral tijdens de oorlog bekend werd als schrijver van het gedicht 'De achttien dooden', leefde al voor de oorlog als een bohemien en was sinds 1932 gescheiden van Remco's moeder, de actrice Joeki Broedelet. Deze liet de opvoeding van Remco grotendeels over aan zijn grootouders en in laatste instantie zelfs aan een pleeggezin, terwijl ze zelf aan het werk was als actrice.

Hoewel het lezen over de capriolen van de toenmalige artistieke beau monde een zekere amusementswaarde heeft, heb ik ook het boek van Van Hengel niet helemaal uitgelezen. 
De schrijfster zit ook wat te dicht op haar onderwerp, wat mij betreft. 
Het boek werd geschreven terwijl Campert nog in leven was en Van Hengel mag door Camperts archief scharrelen, terwijl hij er zelf vaak bij zit. 
Ik zou niet willen beweren dat een biograaf bij het schrijven zijn onderwerp te allen tijde ook kritisch moet benaderen, maar de manier waarop dit boek tot stand is gekomen, maakte dit al bij voorbaat lastig.

Ja, De Kunst; het weet wat. Zestig jaar geleden moest in Campert's kringen alles ervoor wijken. Kunstenaars  zweefden als God tussen hemel en aarde, ogenschijnlijk met een totaal gebrek aan maatschappelijke betrokkenheid.
Het is me niet duidelijk of dit beeld nu uniek is voor de jaren vijftig en zestig, of dat dit vooral gold voor de groep rond de vijftigers. Het universum van iemand als Reve komt maar zeer ten dele overeen met dat van de laatstgenoemde groep, maar staat op z'n eigen manier geheel buiten de maatschappelijke realiteit.
De periode dat kunstenaars zich verenigden onder een gezamenlijke noemer, of door de kritiek onder één noemer werden gebracht, lijkt achter ons te liggen. Hoewel ik me uit de jaren '80 en '90 nog de 'Maximalen' kan herinneren.
Maar Joost Zwagerman en René Stouten zijn ook al weer jaren dood.





dinsdag 30 juni 2026

Je leest weer 's een boek, of: op weg naar het einde

























Herstellende van een operatie, waarover ik voor dit moment even niet in detail wil treden, heb ik ongeveer zes weken in depressief makende inertie doorgebracht. Ook met dat laatste zal ik de lezer niet teveel vermoeien, maar één en ander nam, onder andere, de vorm aan van veel nutteloze uren op internet. Vooral die zogenaamde 'shorts' van YouTube zijn, ondanks het vaak volslagen debiele gehalte van de filmpjes, zonder meer verslavend. Je blijft klikken tot er weer een halve dag is verstrekken, om vervolgens te constateren dat het werkelijk niets anders heeft opgeleverd dan verbeuzelde tijd. En als je, om met Reve te spreken, op weg bent naar het einde, is dat een tamelijke sneue constatering. De laatste fase van het leven moet met iets beters te vullen zijn. 
Voor  u nu van alles gaat denken: ik ben niet méér of sneller op weg naar het einde dan elk willekeurig ander mens, maar soms is het besef dat vroeg of laat de koek op is wat sterker aanwezig dan op andere momenten.
Een weekje geleden had ik qua YouTube-verslaving kennelijk mijn tax bereikt; ik besloot naar de bibliotheek te wandelen om een paar boeken te lenen. Geen romans, natuurlijk. Ik heb hier al vaker betoogd dat als ik lees, ik liever over èchte levens lees. 

Over Hermans en Mulisch heb ik op dit blog al eens geschreven, Aan Reve, volgens de canon eveneens behorend tot de zogenaamde 'grote drie' van de Nederlandse literatuur uit de tweede helft van 20e eeuw, heb ik tot nu toe nooit veel woorden besteed. 
Vanzelfsprekend heb ik in de loop der jaren wel het nodige meegekregen over zijn kleurrijke levensloop. En ik heb een paar boeken van hem gelezen. Ook was ik mezelf ervan bewust dat geen enkele andere Nederlandse schrijver een fanbase had, en heeft, die vergelijkbaar is met die van Reve. De 'reviaan' is een bestaand type mens, en ik vermoed dat de revianen er tot in lengte van jaren voor zullen zorgen dat Reve voorlopig niet vergeten wordt.

Derhalve was één van de boeken waarmee ik thuiskwam het eerste deel van de Reve-biografie van Nop Maas 'De vroege jaren 1923 - 1962'.
Snel samengevat was het lezen daarvan een tamelijk bevredigende ervaring, hoewel Maas als schrijver zelf ook wat merkwaardige trekjes vertoont. Zo hecht hij eraan om 'kloeg' te schrijven als hij 'klaagde' bedoelt. Deze schrijf- en zegswijze schijnt hier en daar in Vlaanderen nog voor te komen, maar is in Nederland nauwelijks bekend c.q. uitgestorven. Ook is er bij de biograaf een zekere voorkeur voor het gebruik van moeilijke woorden, ook als er een voor iedereen te begrijpen Nederlands equivalent voor bestaat. Maas schrijft 'irenisch' als hij 'vredelievend' bedoelt, bijvoorbeeld. 
Gelukkig worden de noten direct onderaan de betreffende pagina weergegeven. Ze zijn, om het eufemistisch uit te drukken, nogal talrijk. Steeds naar het eind van het hoofdstuk, of achterin het boek bladeren zou het leesplezier behoorlijk hebben bedorven.
De mate van detail leidde er soms wel toe dat ik regelmatig een paar bladzijden diagonaal las, tot mijn oog weer bleef hangen aan een naam of een zinsnede die mijn aandacht trok.

Wat betreft Reve's eerste veertig levensjaren zijn er twee dingen die er wat mij betreft uitspringen.
Ten eerste is daar het gegeven dat de schrijver, na het succes van zijn eerste boeken ('De avonden' en 'Werther Nieland/ De ondergang van de familie Boslowits') meer dan tien jaar op zoek is geweest naar zichzelf en naar de literaire vorm waarmee hij uiteindelijk pas ècht deel van de eerder genoemde 'grote drie' werd. 
Hoewel Maas het verhaal van deze periode doorspekt met lachwekkende anekdotes, is de algemene indruk van Reve in deze periode toch die van een getormenteerd mens, die bovendien vaker wel dan niet een plaag is voor zijn omgeving. Hij is weinig productief en zijn leven wordt vooral door anderen bekostigd. 'Parasitair is een woord dat opkomt.
Dat parasitaire, en dat is het tweede dat nogal op de voorgrond treedt, geldt vooral voor zijn huwelijk met Hanny Michaelis. Zij heeft nogal wat van Reve moeten verduren en heeft voor de steun die ze hem, gedurende de elf jaar dat ze met hem getrouwd was, gaf betrekkelijk weinig teruggekregen. 
Men kan zich afvragen wat er gebeurd zou zijn als Reve zich eerder had verzoend met zijn homoseksualiteit, en hij de relatie met Michaelis nooit was aangegaan. Er waren dan, naar mijn idee, twee opties geweest: één: Reve had eerder zijn vorm gevonden en was al in een veel eerder stadium een groot schrijver geworden, of twéé: hij was volledig vastgelopen in zijn neuroses, financiële problemen en algemene onaangepastheid, en was daar al ver voor zijn veertigste levensjaar aan ten onder gegaan.

Hoe dan ook, ondanks het gegeven dat het boek uitstekend leesbaar is, is het geen lectuur waar je van opknapt, als je eigen levensvreugde even wat minder is..
Deel 2 van de biografie heeft als ondertitel 'De rampjaren' Ik denk dat ik het lezen daarvan nog maar even uitstel. Het kan, in het geval van Reve, kennelijk allemaal nóg erger.

Van de weeromstuit ging ik aansluitend even op zoek naar wat ik zelf van Reve had staan en het eerste dat ik vond was 'Oud en eenzaam'. 
Daarin komt onder andere de bouw van zijn geheime kasteel 'Notre Reine' op een "platte, 749 m. hoge berg" aan de orde. Reve noemt ook het dorp La Paillette, dat er vlakbij ligt. Mijn fascinatie voor plekken waar iets gebeurd is, al dan niet schuldige landschappen zo u wilt, bracht me ertoe om via GoogleMaps en internet te achterhalen waar 'Notre Reine' precies lag.
Die zoektocht leidde me onder andere naar het blog Keesjemaduraatje
De maker van het blog had Reve's Franse stulpje, ondanks het feit dat hij een zelfbenoemd reviaan is, nooit ècht bereikt, maar in de reacties gaf iemand de coördinaten in lengte- en breedtegraden en zo weet ik nu precies waar het ligt; 5 km. ten zuiden van Vesc, in de Drôme, Frankrijk.

Uit de kop van het blog ("0ver Palestijnen, terrorisme, islam, Israël misstanden en persoonlijke belevenissen") bleek echter dat het reviaanse verhaal een uitzondering op de regel was. De schrijver, die in het echt ook Kees heet, put zich al sinds december 2005 voornamelijk uit in agitprop tegen de Palestijnse zaak en de Islam, en vóór Israël. Zeker in de eerste jaren scheef hij honderden berichten per jaar. Na het lezen van een paar van die berichten kom je tot de conclusie dat het woord 'rabiaat' hier op z'n plaats is; elke nuance ontbreekt. Kees ziet slechts één kant van de zaak; de tienduizenden doden in Gaza spelen in zijn overwegingen geen enkele rol.
Eén en ander was dusdanig intrigerend, dat ik nog even verder zocht op 'keesjemaduraatje'. Uiteindelijk vind je dan dat Kees ook actief was in de krakersbeweging van de jaren tachtig.

Het kan verkeren.
 
Ooit stuitte ik op de theorie dat links en rechts extremisme, naarmate ze extremistischer worden, zich soms in een soort tegenstelde cirkelbeweging bewegen, waardoor ze uiteindelijk elkaar naderden en links-extremisme bij individuen soms vrij abrupt kan omslaan in rechts-extremisme.  
Hoewel het misschien te ver gaat om Pim Fortuyn een extremist te noemen, zijn er wel mensen geweest die zijn omslag van radicaal links naar radicaal rechts op deze manier hebben verklaard. Ook Reve maakte een dergelijke omwenteling in denken door en om bij mezelf te blijven: zonder dat ik het toen in de gaten had was ik lang geleden zelf ook 'rechts', waarna ik van lieverlee steeds 'linkser' ben geworden. Maar ik geloof dat ik er redelijk in ben geslaagd om weg te blijven van extremisme.

Hoe een vrij onschuldige obsessie met 'plekken', na het lezen van een biografie waarin verloren tijd een grote rol speelt, uiteindelijk leidt tot het opduikelen van nòg iemand die zijn tijd en energie op grote schaal verspilt met bezigheden die uiteindelijk tot niets positiefs leiden.

Ook Kees, die waarschijnlijk niet veel jonger is dan ik, is op weg naar einde.  
Soms probeer ik me wel eens een voorstelling te maken van waar je aan zou kunnen denken als je laatste uur geslagen heeft. Dat je dan hopelijk het idee hebt dat je, ondanks alles, je leven niet verspild hebt, bijvoorbeeld
In de biografie van Reve komt ergens, eind jaren vijftig, ook nog een brief van W.F. Hermans aan Reve aan de orde, waarin hij aangeeft ten aanzien van laatstgenoemde "agressief medelijden" te voelen. Hij was  het geklaag en de vruchteloze pogingen van Reve om een  Engelstalige schrijver te worden een beetje zat, en zei om die reden de aanvankelijke vriendschap min of meer op.
Zelf ben ik het totaal niet eens met de politieke stellingname van Keesjemaduraatje, maar meer nog ben ik ontdaan door de zinloosheid van zijn al twintig jaar voortdurende fanatisme. Naast wrevel met betrekking tot zijn politieke standpunt, voel ik een zekere medelijden. Ik heb, bij wijze van spreken, met hem te doen.
Agressief medelijden; ik begrijp nu pas goed wat Hermans daarmee bedoelde, denk ik.

zondag 24 mei 2026

Nagelknipper uit Kirkenes















Sinds ongeveer vier weken heb ik een nieuwe nagelknipper. Ik kreeg er een keurig houdertje bij; je kunt hem desgewenst  aan de muur hangen. 
In het verleden zat er altijd één in mijn toilettas, maar ze hebben de neiging om op zeker moment daaruit te verdwijnen, en dan ben ik gedwongen mijn heil te zoeken bij de nagelknipper voor thuisgebruik, die in een kastje in de badkamer ligt. 
Maar ik was niet thuis, toen ik het ding vier weken geleden nodig had. Ik was in Kirkenes.

Voor we daar arriveerden, hadden we al een reeks van havens en haventjes langs de Noorse kust aangedaan. De genius loci varieerde van plaats tot plaats. Trondheim en Tromsø, bijvoorbeeld, zijn serieuze steden. Torvik is waarschijnlijk het kleinste gehucht waar werd aangelegd. 
Torvik bestaat uit een paar huizen en een goederenloods met kade, korter dan het schip zelf. Evengoed wordt vanuit de flank van het schip een klep neergelaten. Een heftruck rijdt een paar keer in en uit met een paar pakketten en één auto gaat van boord. Een kwartier nadat het schip, de Nordkapp in ons geval, heeft aangelegd, is het weer onderweg.
























































Samenvattend: we hebben gevaren wat de scheepvaartmaatschappij Hurtigruten de 'klassieke kustreis' noemt: in 12 dagen van Bergen naar Kirkenes en weer terug.
De maatschappij vaart al sinds 1893 een vaste route langs de Noorse kust. Aanvankelijk van Trondheim naar Tromsø en Hammerfest. Men vervoert van oudsher een combinatie van passagiers en vracht, maar de schoonheid van de Noorse kust heeft er in de loop der jaren toe geleid dat het toeristische aspect de overhand heeft gekregen.

Het laatste stuk van de route voor het keerpunt Kirkenes is, landschappelijk gesproken, niet het meest spectaculaire deel, maar Kirkenes zelf is de ultieme buitenpost van Noorwegen. 
De plek waar de Nordkapp aanlegt, ligt hemelsbreed iets meer dan 7 km. van de grens met Rusland. Misschien heeft dat gegeven invloed op de manier waarop het dorp (Kirkenes heeft 4000 inwoners) wordt ervaren. 
Wij liepen er op zaterdagmorgen een paar uur rond en constateerden dat er een soort oostblok-sfeer hing, totaal afwijkend van andere Noorse dorpen van vergelijkbare grootte. Alles leek grauwer en doodser. Alle winkels waren gesloten en buiten onze mede-passagiers vertoonde zich vrijwel niemand op straat.
Tijdens de tweede wereldoorlog werd Kirkenes in oktober 1944 bevrijd door het Russische leger. Na de oorlog was er, ondanks de koude oorlog en zeker na het beëindigen daarvan, toch het één en ander aan verkeer over de grens. Hoewel Noorwegen in de jaren '80 en '90 van de vorige eeuw nog niet zo rijk was als tegenwoordig, was er van alles te koop waar men in Moermansk, hemelsbreed 100 km. van Kirkenes, best in geïnteresseerd was. En omdat er derhalve regelmatig Russen in Kirkenes kwamen, waren de Noren zo vriendelijk om de belangrijkste straten in het dorp van tweetalige straatnaamborden te voorzien: Noors en Russisch.



















Sinds de Russische inval in Oekraïne zijn de verhoudingen opnieuw bekoeld.
Wandelend van het schip naar het centrum van het dorp, kwamen we toevallig langs het monument dat de bevrijding van Kirkenes door de Russen gedenkt. Vermoedelijk is het door de Russen zelf neergezet; het spreekt helemaal de stalinistische beeldtaal die Russische oorlogsmonumenten steevast aankleeft. Een Russische soldaat die met zijn wapen in de aanslag moedig voorwaarts gaat.
De Noren hebben er inmiddels een contrapunt naast gezet in de vorm van een blauw-geel gespoten busje met de tekst "STOP WAR STOP PUTIN".



















Op de terugweg uit het centrum passeerden we nòg een herinnering aan de tweede wereldoorlog; een Duitse bunker die uitziet over de fjord die Kirkenes verbindt met de zee.  Een pragmatisch ingestelde Noor vond het na de oorlog een goede fundering voor zijn houten huis, dat hij pontificaal bovenop de bunker bouwde. Mogelijk is het de oostelijkse bunker van de Atlantic Wall. Niet de noordelijkste, want enkele uren later, niet ver van Värdø, zag ik een Blockhaus,  dat in noordelijke richting uitkeek richting de Noordpool, en Vardø ligt noordelijker dan Kirkenes. Het huis lijkt ondertussen alweer leeg te staan; de geschiedenis gaat voort.



















Vlakbij de aanlegplaats van de Nordkapp, eigenlijk buiten het dorp, was de supermarkt waar ik de nagelknipper kocht. Eén van de weinige faciliteiten in Kirkenes die wèl open was.

De hele reis beschrijven is ondoenlijk. Om dat woorden soms tekortschieten, zou het uitmonden in vrij krachteloos proza.
We raakten wèl steeds meer in de ban van het noorden. 
Waar we vorig jaar de Lofoten nog èrg noordelijk vonden en twijfelden of we met ons mini-campertje ooit nog verder naar het noorden zouden rijden, zijn er inmiddels toch plannen in die richting ontstaan, op grond van wat we op deze reis hebben gezien.
Ik zou graag bijvoorbeeld nog eens naar het eerder genoemde Vardø gaan. 
Niet vanwege dat Blockhaus, maar vanwege de nabijheid van het eilandje Hornøya. 
Tijdens het uurtje dat we in Vardø mochten rondlopen, kwamen we erachter dat er in het voorjaar en de zomer een bootje naar Hornøya vaart. Hornøya is één van de belangrijkste broedplaatsen van zeevogels in Noorwegen.



















Tijdens het aanlopen van Vardø zagen we net ten zuiden van Hornøya enorme groepen zeevogels op het water. Maar zoals die dingen gaan: te ver weg om soorten goed te kunnen onderscheiden.

Hornøya, gezien van de verkeerde kant..



















Tijdens het wandelingetje op Vardø; een Papegaaiduiker van
héél dichtbij, maar helaas alleen de kop..




















Ik heb me dus voorgenomen om daar in de goeie tijd van het jaar nog eens terug te keren, als we de tijd aan ons zelf hebben.

We zagen een Zeearend van heel dichtbij bij de ingang van de Trollfjord op de Lofoten, en mijn vrouw spotte nabij Stamsund in een flits de rugvinnen van een groep Orca's, terwijl ik nèt aan de verkeerde kant van het schip stond..















Een ander moment dat ik nooit meer vergeet was de stop in Risøyhamn. 
Dat dorp is weer zo'n onaanzienlijk gehucht, waar de boot slechts voor korte tijd aanlegt. Het ligt op het eiland Andøya en telt volgens Wikipedia 222 inwoners. Een bijzonderheid is dat de zeestraat, die het dorp en het eiland Andøya scheidt van de rest van Noorwegen, heel ondiep is. Er liggen zandbanken en op veel plaatsen staat minder een meter water. Pas toen er ongeveer 100 jaar geleden vanuit het noorden een lange geul werd gebaggerd, werd de kade van Risøyhamn bereikbaar voor de schepen van de Hurtigruten. 

In de verte rechts Risøyhamn














We naderden de plaats rond half tien in de morgen, nadat we de nodige zware sneeuwbuien over ons heen hadden gekregen. Hier en daar lag een paar centimeter sneeuw aan dek. Terwijl we door het genoemde geultje voeren, klaarde het op en eenmaal voor de wal was het vrijwel windstil en zonnig. Het water werd als een spiegel, en dat is het moment dat je ook alles wat op het water zit ziet bewegen. Naast Eidereenden ook IJseenden, Zeekoeten en Zwarte Zeekoeten. Die laatste soort had ik nooit eerder gezien. Het water weerspiegelde de besneeuwde bergen in de omgeving, die soms nog werden omgeven door de restanten van sneeuwbuien.
De rest van de dag kon niet meer stuk.




Vertrek uit Risøyhamn (links); achteruit onder de brug door.




Honningsvåg. Over de weg 50 km van de Noordkaap







De Lofoten





















Een Sieidi; een voor de Sami heilige rotsformatie.


















































Stokvis in Svolvær




























Na terugkeer in Bergen zijn we daar nog twee dagen gebleven. 
De stad is even oud als Oslo, en telt 300.000 inwoners, die erg verspreid wonen; de stad kent uitbreide buitenwijken. Het historische centrum is prima te belopen en aangenaam kleinschalig. De stad staat bekend om het gegeven dat het er nogal vaak regent, maar wij troffen het: we hadden twee dagen stralend weer.
Een mooie groene plek is Nordnessparken, op de kop van het schiereiland waarop het grootste deel van het centrum ligt. Je wandelt er op enkele tientallen meters boven het water tussen oude loofbomen, langs een openluchtzwembad dat in de fjord ligt, de gebouwen van de Universiteit en een oud fort.

Bij het openluchtzwembad van Bergen.















In het centrum, niet ver van het station, ligt het Lille Lungegårdsvannet, een grote vijver in het vlakste deel van de stad. Aan de zuidwestkant ervan liggen de kunstmusea die de stad rijk is. Wij bekeken er de Rasmus Meyer-collectie. Zoals de naam al doet vermoeden een verzameling kunst, die door de verzamelaar van die naam aan de stad Bergen is geschonken. Er hangen veel 19e eeuwse romantische schilderijen, maar ook wel wat expressionistischer werk en een flink aantal schilderijen van Edvard Munch.















Ondanks al die cultuur is de natuur in Bergen niet ver weg
We gingen vanuit het centrum ruim 300 m. omhoog met de Fløybanen een tandradbaantje dat eindigt op de berg Fløyen bij een uitspanning vanwaar je een prachtig uitzicht over de stad en de fjord hebt. Er is het nodige te doen voor kinderen, inclusief het aaien van een aantal geiten, die bij de inventaris horen. 
Vanaf dit punt kun je nog een flink eind verder wandelen. Uiteindelijk kwamen wij tot ongeveer 500 m. boven zeeniveau in een landschap dat sterk doet denken aan de Hardangervida. Echte wildernis. Niet voor Noorse begrippen, natuurlijk, maar toch; de beschaving leek er, op hemelsbreed 3 km. van het centrum van Bergen, vér weg.















In een vorig epistel over Noorwegen heb ik me wel eens lichtelijk negatief uitgelaten over de Noren zelf. Na onze reis van vorig jaar en helemaal na deze reis, moet ik bekennen dat ik daarmee te voorbarig was.
Hoewel de Hurtigruten een commerciële organisatie is, was de sfeer aan boord van de boot aangenaam informeel en ontspannen. Het personeel moet, met name tijdens de maaltijden, hard werken, maar doet dat heel joyeus en heeft daarbij vaak nog tijd voor praatje. Ook in Bergen troffen we dezelfde sfeer. Eén behulpzame Bergenaar liep zelfs enkele honderden meters met ons mee, om ons bij het busstation de halte van de bus naar vliegveld te tonen.
Want, ja; we hebben wel weer 2x anderhalf uur gevlogen dit jaar.

We zijn niet voor de laatste keer in Noorwegen geweest, als het aan mij ligt.





 

maandag 16 februari 2026

Passanten 7: Rob




















Rob was een collega van Willem, de hoofdpersoon van Passanten 6. 
Wàs, want Rob ging al iets eerder dan ik met pensioen. Ook hij was plantoetser bij de Omgevingsdienst.
Maar Rob was veel meer dan dat. Eigenlijk had hij, nog meer dan Willem, het uiterlijk dat velen bij een ambtenaar vinden passen, maar in de praktijk was Rob een heel stuk kleurrijker dan Willem. Rob was ooit voorbestemd om een veel prominenter en belangwekkender leven te gaan leiden dan hij deed, toen ik hem ruim twintig jaar geleden tegenkwam. Hij was in Delft afgestudeerd als civiel ingenieur en zou normaal gesproken daarna aan een glansrijke carrière in het bedrijfsleven of bij de overheid zijn begonnen.
Wat er in de periode tussen zijn afstuderen en het moment dat wij kennismaakten precies is gebeurd, is mij nooit helemaal duidelijk geworden, maar Rob was niet te beroerd om zèlf een tipje van de sluier op te lichten. Hij draaide er niet omheen dat hij ooit alcoholist was. 
Voor hij bij Bouw- en Woningtoezicht in Dordrecht terechtkwam, had hij bij dezelfde gemeentelijke dienst in Delft gewerkt. Of hij ooit werk heeft gedaan dat meer op maat was voor de academicus die hij in feite was, weet ik niet. Wel dat Rob in de periode dat ik hem kende min of meer de loner was die hij mogelijk zijn hele leven is geweest. Hij was niet getrouwd en had, voor zover ik heb kunnen nagaan ook geen vriendin. Of dat hij die ooit wèl had, weet ik niet.
In de omgang was Rob vormelijk, of misschien moet ik zeggen quasi-vormelijk. Hij wilde graag een gedistingeerde indruk wekken, maar soms kreeg ik de indruk dat er iets ironisch schuil ging in die opstelling.
Met Rob kon je over veel onderwerpen een boom opzetten; hij was op tal van terreinen goed geïnformeerd. Over de geschiedenis van Nederland kon je hem alles vragen. Zo wist hij me te vertellen dat het huidige koningshuis in het geheel niet afstamde van Willem de Zwijger. Er was ergens gefrauduleerd om de bloedverwantschap ogenschijnlijk te doen doorlopen.
 
Rob had echter ook een misantropische trekje: soms leek hij er genoegen in te scheppen aanvragers van een bouwvergunning tot wanhoop te drijven. Dit door een combinatie van archaïsche taal, waarvan sommige lager opgeleide aanvragers niets begrepen enerzijds, en anderzijds door een niet altijd even behulpzame opstelling in het algemeen. Binnen het toetsersteam kon hij ook nogal eens cynisch uit de hoek komen. De leiding van de Omgevingsdienst haalde opgelucht adem toen hij met pensioen ging

Het gespreksonderwerp dat Rob ècht deed opleven was klassieke muziek. 
Iets dat hem vermoedelijk al heel lang het nodige plezier in het leven bood. Misschien had ie het al van thuis meegekregen.
Zelf was ik in die tijd min of meer bezig klassieke muziek te ontdekken. Hoewel mijn moeder een groot deel van haar leven lid was geweest van een vrouwenkoor en daarbij de nodige klassieke stukken had gezongen, was mijn belangstelling voor het genre pas tot leven gekomen toen mijn toenmalige vriendin, nu mijn vrouw, een deeltijd-opleiding in de muziek volgde, die qua theorie min of meer tot conservatorium-niveau reikte. In het kader daarvan werden door haar ladingen klassieke CD's aangeschaft. Wat ik hoorde kon me vaak wel bekoren. Op zeker moment begon ik ook zelf klassieke CD's te kopen en gingen we ook regelmatig naar concerten en concertjes.
Toen Rob eenmaal van mijn nieuwe liefhebberij op de hoogte was, gingen onze gesprekken meestal over klassieke muziek. Hij zette me bijvoorbeeld op het spoor van de Duitse liederen. En dan niet alleen die op muziek van Schubert, maar ook de Vier letzte Lieder van Richard Strausz, die ietwat zwaarder op de maag liggen dan Schubert's verklankingen van de diverse romantische Duitse dichters.

Rob vergat ook niet dat hij in essentie een academicus was.
Hij was erachter gekomen dat de eerste dirigent van het Concertgebouworkest, Willem Kes, in Dordrecht was geboren en schreef een wetenschappelijk verantwoorde biografie over hem. Op zeker moment reisde hij zelfs naar Moskou, omdat Kes daar enkele jaren directeur van het conservatorium was geweest. 
Kes had bepaalde ideeën met betrekking tot de manier waarop van klassieke muziek moest worden genoten. Het publiek dat concerten van klassieke muziek bezocht, was tot vér in de 19e eeuw gewend om tijdens het concert de gesprekken, waaraan men voor de aanvang ervan was begonnen, gewoon voort te zetten. Kes schijnt op enig moment een concert te hebben stilgelegd, om vervolgens aan het publiek te vragen: "ik stoor toch niet, hoop ik?" Toen hij in 1895 bij het Concertgebouworkest vertrok, had hij het orkest internationaal op de kaart gezet en was de traditie dat het publiek zich tijdens concerten stil hield, en pas enkele seconden na de laatste noot applaudiseerde, gevestigd.
Toen Rob met pensioen ging, was zijn biografie nog niet af. 
In de laatste tijd dat wij samenwerkten, was hij op zoek naar een promotor, want hij wilde de biografie gebruiken als dissertatie en daarmee van ingenieur (ir.) alsnog tot doctor promoveren. 

In de periode daarna kwam ik hem nog af en toe tegen in de stad. Het werk vorderde gestaag, zo vertelde hij bij die gelegenheden. De laatste keer dat ik hem sprak ligt alweer jaren in het verleden.
Wèl merkte ik een paar jaar terug dat zijn biografie van Willem Kes in 2017 in druk was verschenen. De officiële presentatie ervan blijkt een groot evenement te zijn geweest. 
Voor het schrijven van dit stukje heb ik zijn naam gegoogeld.
Ik vond het bericht van zijn overlijden, in 2024, in een artikel waarin ook de door hem geschreven biografie wordt genoemd, plus de opmerking dat de beoogde promotie nooit heeft plaatsgevonden. Mogelijk lagen zijn oorspronkelijke vakgebied (civiele techniek) en de muziekwetenschap te ver uiteen om een promotor zo ver te krijgen hem als promovendus aan te nemen.

Rob was hoe dan ook iemand die niet snel uit mijn geheugen zal verdwijnen en zonder meer één van de witte raven onder de passanten in mijn leven.


vrijdag 6 februari 2026

Your hometown



















Niet zo lang geleden was ik op een crematie. Het betrof één van mijn neven; een zoon van een zus van mijn vader. Geboren in Zwijndrecht, had hij vanaf zijn huwelijk gewoond en gewerkt in Ridderkerk. Desondanks vond de uitvaart plaats in Zwijndrecht, waar aan de rand van het dorp al jaren een relatief nieuwe begraafplaats met crematorium is. 
De ceremonie startte met 'My hometown' van Bruce Springsteen. 
Ik moet bekennen dat ik even vol schoot. Dat gebeurt me vaker bij dit soort gelegenheden, als de muziek op de één of andere manier zó passend is bij de persoon en zijn leven, dat ze sterke emoties oproept. Een paar jaar geleden had ik hetzelfde bij de crematie van de man die ooit mijn zwager was, en die ik in de laatste maanden van zijn leven nog beter had leren kennen dan in de dertig jaar daarvoor al het geval was geweest. Toen was het 'Wild Horses' van de Rolling Stones. Het had in zijn geval niks anders kunnen zijn, en ik zal het nummer nooit meer kunnen horen zonder aan hem te denken. Het lied op zich is er alleen maar mooier op geworden, wat mij betreft.

Mijn neef was dus oorspronkelijk een Zwijndrechter, net als ik. Maar hij was veel meer Zwijndrechter dan ik ooit geweest ben. Dat komt mede door het gegeven dat ik nooit erg ben opgenomen in de Zwijndrechtse gemeenschap. Behalve het lidmaatschap van gymnastiekvereniging O & O (Oefening en Ontspanning), dat mij min of meer werd opgedrongen omdat gymnastiek heilzaam zou zijn tegen de bronchitus, waaraan ik in mijn jeugd leed, ben ik nooit lid geweest van een vereniging die toegang gaf tot het sociale leven in Zwijndrecht. Mijn lidmaatschap van de lokale bibliotheek, waar ik wèl de deur platliep, leverde in sociale zin weinig tot niks op. De vriendjes van de lagere school verloor ik na het verlaten daarvan al snel uit het oog. Bijna niemand ging naar de L.T.S., en de paar die er wèl naar toe gingen waren op de lagere school al geen vriendjes. Na de L.T.S. volgde de M.T.S., maar die stond in Dordt, en gek genoeg kwam een aanzienlijk deel van mijn klasgenoten daar uit de Alblasserwaard. Na schooltijd zag ik de jongens uit mijn klas niet. Eén klasgenoot van de L.T.S, deed ook toelatingsexamen, maar hij zakte. Ik slaagde wel, hoewel ik dacht dat ik gezakt was. Een voor die tijd significant detail. 

Na de militaire dienst ging ik al vrij snel op kamers in Dordt. Begin jaren '80 woonde ik nog even in een flatje 'op Zwijndrecht'. Hoewel Zwijndrecht toen al zo'n 30.000 inwoners moet hebben gehad, woonden autochtone Zwijndrechters nog steeds 'op Zwijndrecht'. 
Rond 1986 vertrok ik naar Delft. Voor het werk en de liefde. Ik had definitief afscheid genomen van mijn geboortedorp. Ik kwam er eigenlijk alleen nog om mijn moeder en mijn goede vriend T. op te zoeken. Maar dat was dan ook de enige vriend die ik aan Zwijndrecht had overgehouden.

Mijn neef heeft de banden met zijn geboortedorp echter nooit ècht doorgesneden. 
Hij was een toegewijd voetballer en voetbalde hij het grootste deel van zijn voetballende leven bij VVGZ (Voetbalvereniging Geluksvogels Zwijndrecht). Daar voetbalde ook een andere neef van me die wèl Valk heette, en sowieso was VVGZ de thuisbasis van alle voetbalminnende Valken. Ook mijn vader is het grootste deel van zijn leven lid geweest. Hij was het nog toen hij in 1983 op 64-jarige leeftijd overleed. De eerstgenoemde neef bleef, ook toen hij al jaren in Ridderkerk woonde en werkte, contact onderhouden met de Zwijndrechtse vrienden uit zijn jeugd en de tijd bij VVGZ. In essentie was hij een Zwijndrechter gebleven.
Mijn vader, nog een generatie ouder dan ik en mijn neef, was bij wijze van spreken 'wereldberoemd in Zwijndrecht'. Dat kwam mede doordat hij vanaf 1945 deel uitmaakte van de Zwijndrechtse gemeentepolitie. Maar zijn vader, mijn opa, had nog een tuinderij, en omdat Zwijndrecht van oorsprong een dorp van tuinders is, kun je rustig zeggen dat hij Zwijndrechtser dan Zwijndrecht was. In mijn jeugd werd mij, als een autochtone Zwijndrechter hoorde dat ik 'Valk' heette, regelmatig gevraagd of ik "er één van Janus Valk was" (iemand die door zijn ouders was getooid met de naam 'Adrianus' werd in Zwijndrecht automatisch 'Janus'), Inderdaad, dat was ik; ik was zelfs de enigste 'van Janus'.
Hoe bekend hij was in Zwijndrecht merkte ik pas ècht toen hij was overleden. In het condoleance-register stonden uiteindelijk meer dan vierhonderd namen..

In Delft integreerde ik evenmin. Van mijn directe collega's op de TU woonde slechts een enkeling in Delft en die verloor ik na een paar jaar weer uit het oog, omdat ik bij een andere hoogleraar en een ander werkverband terecht kwam. Mijn kennissen in Delft waren de kennissen van mijn vriendin, die al langer in Delft woonde. Ik ontleende niets aan de stad dat enigszins op een identiteit leek. Sterker nog: ik vond de Delftenaren lichtelijk irritant. Waaraan ze het precies ontleenden is mij nooit volledig duidelijk geworden, maar in het plaatselijke sufferdje, feitelijk niet meer dan een advertentie blaadje, stond zelden of nooit ook maar één negatief woord over de stad of zijn bewoners. Delft was dit en Delft was dat; Delft was geweldig. Zelf vond ik Delft een tikkeltje benauwd. De binnenstad heeft een zekere kwaliteit, maar is eigenlijk maar piepklein en daarbuiten beginnen, na wat dertiger jaren-architectuur, al snel de eenvormige buitenwijken, die in iedere Nederlandse stad precies hetzelfde zijn.

Eigenlijk is dat laatste één van de universele Nederlandse drama's.
Zwijndrecht had, in de tijd dat ik een jochie was nog de Ringdijk, met z'n bebouwing die plaatselijk al honderden jaren oud was. Die bebouwing heeft men begin jaren '70 vakkundig verwijderd. Het was nodig voor een dijkverhoging. Zei men. Het gevolg is, dat Zwijndrecht op wat panden langs de Rotterdamseweg na, nauwelijks nog bebouwing heeft die ouder is dan honderd jaar. Hoewel er al voor de tweede wereldoorlog de nodige industrie in Zwijndrecht was, is het oorspronkelijke karakter van een tuindersdorp al heel lang verleden tijd. Zwijndrecht verschilt in allerlei opzichten eigenlijk niet meer van volledig identiteitsloze oorden als Alphen aan den Rijn en Zoetermeer.

Nu ik min of meer een oud mannetje ben geworden, en ondanks het feit dat ik mijn identiteit nooit erg heb laten bepalen door mijn afkomst, betrap ik mezelf soms op een vage melancholie. Het gevoel dat ik eigenlijk nergens meer ècht thuis ben. Dat ik feitelijk nergens meer wortels heb. Hoewel ik er in mijn jongere jaren nooit over nadacht, zou ik er heden ten dage veel voor over hebben om eens een kijkje te kunnen nemen op de tuinderij van opa Valk. Een tuinderij waar mijn vader en zijn broers nog hebben gewerkt en die eigendom was van een man die ik nooit heb gekend. Dat alles is verdwenen in de nevelen van het verleden. Niet alleen de mensen, maar ook de tuinderij, die al kort na de oorlog is overspoeld door het uitbreidende Zwijndrecht. Dat gebeurde al voor ik geboren was, waarschijnlijk.
Zelfs het Zwijndrecht dat ik nog heb gekend, bestaat niet meer. Evenals het Eiland IJsselmonde van mijn jeugd.

Ondertussen woon ik al bijna dertig jaar in Dordrecht. En dat al dertig jaar in hetzelfde huis. Dat huis is in de eerste twintig jaar dat ik er woonde helemaal door m'n handen gegaan, om het beeldend uit te drukken. Eigenlijk is dàt wel deel van mijn identiteit geworden. Dat het in Dordrecht staat is mooi meegenomen; het is van alle steden in het westen van Nederland één van aardigste, hoewel de buitenwijken precies dezelfde bloedarmoede hebben als in Delft en Alphen aan den Rijn. De binnenstad ligt aan de rivier; dat maakt ook veel goed. 
Toch zal ik nooit een Dordtenaar worden zoals de broers en zusters van mijn moeder dat waren. Ondanks het gegeven dat ik soms Zwijndrechters (meestal mensen die er ook niet zijn geboren) pest met de opmerking: "het mooiste in Zwijndrecht is het gezicht op Dordt".

My hometown.. Is dat de plaats waar ik ben geboren? Ooit, heel lang geleden, was dat zo. De herinnering kwam even boven op die crematie, door toedoen van Bruce Springsteen.