Posts tonen met het label varen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label varen. Alle posts tonen

zondag 8 februari 2026

Roeien
















In mijn vorige bericht schreef ik dat ik nu toch min of meer een oude man ben geworden. 
Er zijn een aantal verschijnselen die daarop wijzen. Er is een mentale of psychologische component: aan bepaalde dingen merk ik dat ik niet meer zo pas bij deze tijd. Of de tijd past niet meer bij mij. Er zit weinig anders op dan dit maar min of meer te accepteren; de tijd doet wat de mensheid wil. Zolang ik nog een beetje m'n eigen gangen en tempo kan bepalen en al te veel hysterie kan ontlopen, kom ik de tijd die mij nog rest wel prettig door.
Maar de laatste tijd is er bij mij ook wel degelijk het gevoel dat het lichamelijk minder wordt. Tot  voorbij m'n zestigste merkte ik daar nog niet zoveel van, maar ondertussen moet ik vaststellen dat mijn uithoudingvermogen en spierkracht afnemen. 
Ik heb nooit veel aan sport gedaan, behalve dat ik zo nu en dan eens een paar maanden achter elkaar twee of drie keer in de week een paar kilometer ging hardlopen. Nou ja.. hardlopen..; veel harder dan pakweg 10 kilometer per uur ging het niet, en vier tot zes kilometer ver was de laatste jaren wel het maximum. Wat daarbij kwam: eigenlijk is hardlopen op de verharde weg in een aantal opzichten ook een aanslag op je gestel. Het doet wat voor je conditie, maar het is tamelijk belastend voor je knieën. En mijn linkerknie begon ik al een beetje te voelen.

Toch wilde ik m'n conditie op peil brengen en tegelijkertijd wat spierkracht terugwinnen.
In eerste instantie denk je dan aan de sportschool. 
Ik heb altijd een aanzienlijke weerstand gevoeld tegen het instituut. Het is iets moderns, om niet te zeggen modieus. Sporten in de sportschool heeft iets machinaals. Iedereen in een sportschool is als individu bezig op zijn of haar hoogstpersoonlijke martelwerktuig. Samen met anderen in één ruimte met jezelf bezig zijn; ik vind het, ondanks het gegeven dat ik in essentie een individualist ben, een beetje ongemakkelijk. Bovendien is het altijd binnen en ik wilde graag buiten sporten.
Een sportschool-abonnement is trouwens ook niet goedkoop. Het kost, als je een beetje regelmatig wil trainen, al gauw iets van vier tientjes in de maand en dus zo'n € 500,- per jaar.

Toen ik me dit laatste realiseerde, herinnerde ik me dat ik enkele jaren geleden ook al eens had gekeken naar roeien bij de Koninklijke. 
'De Koninklijke'; dat is hier in Dordt de Koninklijke Dordtse Roei- en Zeilvereniging. Roeien is een sport waarbij je bijna alle spieren in je lichaam gebruikt en als je een beetje door roeit, bouw je ook conditie op.  En roeien doe je in de open lucht, en als je dat wilt, samen met anderen.
Destijds had ik óók gezien dat de jaarlijkse contributie wèl wat hoger was dan van de gemiddelde voetbalclub: zo'n € 400,- per jaar. Dat vond ik in eerste instantie teveel.
Maar nu ik deze optie vergeleek met de sportschool, leek het ineens wèl een te overwegen mogelijkheid.
Ik ging nog eens kijken op de website van de KDR&ZV en zag dat je kon komen kennismaken èn twee keer gratis een proefles (want roeien moet je leren, daarover later) kon krijgen. Er was dus een mogelijkheid om de sfeer in de vereniging te proeven en te zien of roeien iets voor je was.

Die sfeer was voor mij wel een dingetje.
De KDR&ZV bestaat uit twee delen. Het roeideel heeft z'n plek aan het Wantij. Van daaruit wordt geroeid en daar liggen ook alle boten waarmee men dat doet. Het andere deel is het 'zeildeel'. Dat heeft z'n basis in de Nieuwe Haven in de binnenstad. In essentie is dat een jachthaven, met heden-ten-dage vooral motorboten. De sfeer in die haven kende ik al enigszins; mijn Wadloper overwintert er de laatste jaren nogal eens. 
Maar toch; 'Koninklijke' roept bij een patjepeeër als ik, in combinatie met 'vereniging' al snel een sfeer op van blauwe blazers en een kakkineus ledenbestand. In de jachthaven van de Koninklijke had ik er nooit veel van gemerkt, maar ik heb er, buiten de havenmeester, ook nooit veel mensen gesproken. Daarnaast heeft 'roeien' als sport ook sterke associaties met studenten en het corps. Hoe kakkineus zou de sfeer bij de roei-poot van de Koninklijke zijn?
Het bleek in de praktijk erg mee te vallen. Tijdens de kennismaking en de proeflessen voelde ik me al snel op m'n gemak. Het gevoel en de proeflessen waren overtuigend genoeg om zonder mankeren lid te worden. 

Ondertussen ben ik al genoeg aardige mensen, maar niet één èchte kakker tegengekomen , en ook de roeilessen bevallen.
Lessen, inderdaad, want roeien volgens de KDR&ZV doe je met een bepaalde techniek. Een in eerste oogopslag zelfs vrij ingewikkeld geheel van houdingen, spiergebruik (inderdaad; maar weinig spieren blijven ongebruik), en bewegingen met de riemen ('roeispanen' voor niet-ingewijden). Het begint al met hoe je in en uit de boot stapt. Er hoort ook een bepaald jargon bij. Je leert 'rondmaken', 'strijken', 'clippen' en nog een aantal dingen, die je uiteindelijk tot een volleerd roeier moeten maken.
Ondertussen ben ik in opleiding voor het diploma 'Scullen 1'. Dat komt er op neer dat je kunt roeien met een zogenaamde 'wherry', het eenvoudigste type waarover men bij de KDR&ZV beschikt; u ziet er één linksboven op het plaatje bij dit blog. Eind februari is de eerstvolgende gelegenheid om 'af te roeien' voor dat diploma. Of ik aan dat examen mee doe staat nog te bezien, want aan mijn manier van 'clippen' mankeert nog het één en ander.

Dat laatste is overigens niet iets waar ik me zorgen over maak. Voorlopig vind ik roeien in de wherry heerlijk, en het buiten zijn in combinatie met de lichaamsbeweging blijkt precies waarnaar ik op zoek was. Wat ook fijn is, is het gegeven dat de vereniging beschikt over een overdekte oefenruimte waar de nodige roeimachines staan, zodat ik ook buiten het echte roeien op het water (1x per week, tot nu toe), nog wat meer kan doen aan conditie en spieren. Eerder had ik de aanschaf van zo'n roeimachine overwogen; iets waar mijn vrouw mordicus tegen was, want "waar moet zo'n ding staan?" Dat ik het geld ervoor in m'n zak heb gehouden en veel beter heb besteed door lid te worden van de Koninklijke is een meevaller.

Kortom: uw correspondent werkt onder de meest prettige omstandigheden denkbaar aan zijn lichamelijke welzijn. Mogelijk zal dit, voor wat betreft dit blog, leiden tot vrolijker en meer levenslustige stukjes. Waarbij ik de realiteit wel onder ogen wil blijven zien. Het volgende stukje zou zomaar 's 'Ondermaans ongenoegen 3' als titel kunnen hebben. 
U bent gewaarschuwd!

zaterdag 22 maart 2025

Stukje varen



















Een van de dingen die ik graag doe, als de boot voor de winter in Dordrecht ligt en de mast is gestreken: op een mooie na- of voorjaarsdag naar achteren varen. "Naar achteren" is in dit geval een vaartochtje over het Wantij naar het achterland van Dordrecht. Een gebiedje dat ook wel bekend staat als de Merwelanden of de Sliedrechtse Biesbosch.

Wantij is van oudsher de naam waarmee een plek wordt aangeduid, die de opkomende vloed vanuit twee verschillende richting nadert. De bekendste voorbeelden in Nederland zijn de wantijen achter de Waddeneilanden. Elk eiland grenst aan twee kanten aan een zeegat en het opkomende getij stroomt door beide zeegaten de Waddenzee in. Achter elk eiland ligt een plek waar de getijdenstromen vanuit deze zeegaten elkaar tegenkomen.
Op het Eiland van Dordrecht is 'Wantij' echter de naam van een complete waterloop. Inmiddels staat het Dordtse Wantij alleen aan de westzijde in open verbinding met het getijdenwater. Aan de oostkant is het door midden van een schutsluis gescheiden van de Nieuwe Merwede.
Maar in de eerste helft van de 19e eeuw was die schutsluis er nog niet. 
Op een topografische kaart van rond 1850 komt de naam Wantij voor het eerst voor. Op die kaart is er nog sprake van een open verbinding met de kreken van de Biesbosch, want de Nieuwe Merwede ontstond pas ná 1861 toen Rijkswaterstaat met het graven van die rivier begon. Feitelijk verbreedde men enkele bestaande kreken en verbond me ze met elkaar. Voor 1850 bestond de situatie dat de vloed van twee kanten het Wantij binnenkwam dus nog wèl. Waarmee de herkomst van de naam is verklaard.























Het getij is echter nooit uit het Wantij verdwenen. 
Als ik op donderdag 18 maart 2025 op het gemak, met 1500 toeren op de motor, vanaf de driesprong Oude Maas - Beneden Merwede - Noord het Wantij op vaar, is het afgaand water. Ik heb een dikke knoop (bijna 2 km/u.) stroom tegen. Geen punt, want het is prachtig weer en dan kan zo'n ritje eigenlijk niet lang genoeg duren. 

Dit stroompje kent een heel geleidelijk verlopende overgang van stedelijkheid naar natuur. Vanaf de nieuwe wijk Stadswerven, in de afgelopen jaren gebouwd op grond die vroeger door industrie, waaronder de scheepswerf de Biesbosch, werd bezet, komen we achtereenvolgens langs de voor-oorlogse bebouwing van De Staart (de naam van de stadswijk ten noorden van het Wantij) aan bakboord, het Wantijpark aan stuurboord en de na-oorlogse bebouwing van De Staart aan bakboord. 
Het geeft me altijd een tevreden gevoel dat het grootste deel van die woningen is neergezet als sociale woningbouw. Dordt was tijdens de bouw ervan nog een echte arbeidersstad. Zouden oevers van het Wantij nu moeten worden bebouwd, dan zouden er vast hele dure koopwoningen komen, want deze oevers zijn het huidige tijdsgewricht A1-locaties voor projectontwikkelaars.
Na het passeren van de brug waar de N3, de Dordtse ringweg (die geen èchte ring is, maar vooruit, het klinkt super-grootstedelijk) overheen gaat, gaat de bebouwing aan bakboord nog even door, maar aan de stuurboordskant heeft het groen al het primaat. De bebouwing van de wijk Stadspolders, die in de jaren '90 van de vorige eeuw is gebouwd, gaat grotendeels schuil achter wilgen en een dijk.
We komen nog langs het zogenaamde Vissertje, waar een voormalig gemaal staat, dat inmiddels een restaurant huisvest. Dat, onvermijdelijk, de naam  'het Gemaal' draagt. Direct daar tegenover, op de andere oever, staat Natuurvriendenhuis 'De Kleine Rug'.




















Natuurvriendenhuizen en de organisatie waaruit ze voortkomen, het Nederlands Instituut voor Volksontwikkeling en Natuurvriendenwerk (NIVON), zijn een verhaal apart. Een laatste relict van de eertijds florerende Sociaal Democratie in Nederland, dat in de praktijk nog springlevend is, hoewel enigszins losgezongen van de vroegere linkse banden. De Natuurvrienden zijn overigens op veel plaatsen in Europa actief. In Duitsland is de club bijvoorbeeld nog heel groot, maar veel minder gelieerd aan politieke organisaties.
Je kunt op de Kleine Rug tegen een bescheiden bedrag overnachten en het heeft de charme dat het alleen per boot bereikbaar is; men komt je, na aankomst bij het Vissetje, met een bootje ophalen.

Daarmee hebben we de laatste bewoonde plekken voorlopig achter ons gelaten.
Er volgen nog twee bruggen; één is de spoorbrug waarover de trein naar Geldermalsen rijdt en de ander is een voetgangers- en fietsersbruggetje. 
Na de laatste brug gaan we bakboord uit (we slaan linksaf) het Moldiep in. Voor het volgende kwartier varen we door een jungle, die Coppola ook had kunnen benutten voor zijn epos Apocalypse Now (u weet wel; het deel waar kapitein Willard met zijn snelboot richting het domein van Kolonel Kurtz vaart). 
Ooit waren deze grienden (een naam voor wilgenbos in zoetwatergetijden-gebied) in cultuur en werden ze om de drie jaar gehakt. Dat is echter voor de meeste grienden al heel lang verleden tijd. De wilgen zijn hoog opgeschoten, maar zijn het geen bomen die eeuwen oud kunnen worden. Als ze eenmaal een hoogte van 15 m. of meer bereiken, vallen ze vaak spontaan om. In het vaarwater liggen links en rechts dan ook regelmatig wilgen of delen daarvan. Enige oplettendheid is geboden.
Na dat kwartiertje volgen nog een paar blijken van menselijke aanwezigheid aan de bakboordskant: de Stayokay (Een jeugdherberg met kampeerterrein) en het bezoekerscentrum Hollandsche Biesbosch, dat inmiddels (volgens Google) 'Biesboschcentrum Dordrecht' blijkt te heten.
We laten de jungle achter ons; het laatste stuk van het Moldiep loopt tussen de Hel- en Zuilespolder aan bakboord en de Otterpolder aan stuurboord. Beiden zijn al halverwege de 19e eeuw in cultuur gebracht als graslandpolders. Ik zie dat de Otterpolder ondertussen al weer min of meer aan de natuur is teruggegeven. Hij staat, zoals dat wordt genoemd, plas-dras. 



















De boer die er tot voor enkele jaren nog vee hield op een boerderij die nog steeds op de uiterste zuidpunt van de polder staat, is in 2020 vertrokken en sindsdien is de polder in beheer van Staatsbosbeheer. Er waren ooit plannen om ook in deze boerderij een soort uitspanning te vestigen, maar inmiddels heeft Staatsbosbeheer besloten om de polder "alleen vanaf het water beleefbaar" te houden



















Aan het eind van het Moldiep gaan we opnieuw bakboord uit de Helsloot (De Biesbosch stikt van de angstwekkende namen) in.
Na een klein stukje ligt er aan stuurboord een drijvend steigertje, waar we aanleggen. Van het steigertje kom je op de kade die de Huiswaard en de Oude Kat omringt: je kunt een keurig rondje van een kilometer of drie lopen. Omdat ook deze plek alleen over water te bereiken is, is het er nooit druk. Meestal kom je, buiten de nodige vogels, geen levende ziel tegen.

Maar we hebben, jammer genoeg, buiten Staatsbosbeheer gerekend. Langs het Katse Gat, waar de kade van Huiswaard ook langs loopt is een broedgeval van de Zeearend geconstateerd en dat stuk van de kade is voorlopig off limits waardoor het rondje lopen niet meer mogelijk is.




















Nou ja; dan lopen we de kade in de andere richting maar een stukje af, waarbij we  op twee plekken 'beverpaden' aantreffen; plekken waar bevers met enige regelmaat de kade passeren om van het rietgors langs de Helsloot in de Huiswaard te komen. 










































Feitelijk was de Huiswaard ooit een populierenbos. Al tientallen jaren geleden is het gebied ook min of mee aan de natuur overgelaten. Net als wilgen hebben populieren maar een beperkte levensduur. Als ze een bepaalde hoogte bereiken worden ze vaak instabiel. De meeste populieren in de Huiswaard zijn omgewaaid, of er zijn stukken afgebroken. Dat geeft een wat desolate aanblik, maar spechten en andere insecteneters zijn er blij mee. Evenals paddenstoelen en zwammen.






































Aan de overkant, in de Helpolder, blijkt een paartje Ooievaars te broeden; door hun geklepper zie ik het nest dat ik anders gemist zou hebben.



















Hoewel de vogelgeluiden het soundscape vormen tijdens het wandelingetje krijg ik maar weinig vogels te zien, buiten wat mezen en een enkele buizerd. Maar de rust vergoed veel en het licht is prachtig.



















De laatste brugopening van de Engelenburgerbrug, die toegang geeft tot de Nieuwe Haven, tot 1 april mijn ligplaats, is om 16.30 u. Rond een uur of drie varen we weer, nu richting de Ottersluis.



















Daarna komen we weer op het Wantij. 
Op weg naar de eerder genoemde bruggen, komen we nog langs een stukje griend dat in cultuur wordt gehouden, met daarnaast nog een originele griendkeet, een klein huisje dat, toen de griendcultuur nog een serieuze bedrijfstak was, diende als nachtelijk onderkomen voor de griendwerkers, die meestal de hele week in griend bleven en alleen voor de zondag naar huis gingen.




















Even voor vier uur zijn we bij de Engelenburgerbrug. Op het remmingwerk waar we tijdelijk aanleggen zit een meldknop, waarmee we om een brugopening kunnen vragen.


















Om kwart over vier ligt de Wadloper weer in zijn box.

zondag 16 maart 2025

Truth is stranger than fiction, of: dit stukje gaat niet over Trump


















Bovenstaande uitspraak werd al meer dan 120 jaar geleden gepopulariseerd door Mark Twain. Die op zijn beurt weer de dichter Byron citeerde. Byron gebruikte de frase in een satirisch gedicht en Twain voegde er trouwens nog een zinsnede over romans aan toe, die grotendeels verklaart waarom ik tegenwoordig alleen nog non-fictie lees.

De afgelopen paar maanden hebben de juistheid van het gezegde weer eens dubbel en dwars aangetoond. Niks is spannender en soms meer verbijsterend dan de werkelijkheid. 
Toen Donald Trump, eigenlijk toch wel een beetje onverwacht, tóch opnieuw werd verkozen tot president van de Verenigde Staten, hield ieder weldenkend mens met een fatsoenlijke moraal zijn hart vast. Stellen dat de verwachtingen daarna hooggespannen waren en tevens al ruimschoots overtroffen, is inmiddels het eufemisme van de eeuw gebleken. En dan hebben we het eerste kwart daarvan nog maar nauwelijks achter de rug.

Nu kan ik in zo'n situatie evengoed doodleuk een ontspannen verhaaltje ophangen over het feit dat mijn persoontje in de tussentijd ook weer het één en ander heeft meegemaakt of gezien. Sterker nog: dat is u misschien wel heel welkom, omdat u dezer dagen de radio of de televisie niet kunt aanzetten en geen krant kunt opslaan zonder binnen een paar minuten bovengenoemde naam alwéér te zien, of te horen noemen.
Daarom, en in dat kader, het volgende.

Mijn liesbreukoperatie is uitstekend verlopen. 
Om 08.00 u. arriveerde ik in het ziekenhuis, waar ik overigens per openbaar vervoer was gekomen, omdat mijn vrouw de auto nodig had en mij bovendien was verteld dat autorijden na de operatie niet verantwoord was. 
Vervolgens verliep de ingreep met een efficiëntie, die ik na alle moeizame verhalen over de zorg eigenlijk niet meer had verwacht. Je krijgt een operatie-onderbroek aan en wordt na een korte wachttijd en het innemen van een pre-emptive paracetamol naar de operatiekamer gereden. Daar voltrekt zich binnen enkele seconden een ritueel dat doet denken aan de manier waarop een formule-1 racewagen wordt ontvangen in de pits. Terwijl de operatieassistenten goedgemutst op je inpraten, worden er een een infuus en nog wat kabels en leidingen op je aangesloten. Luttele minuten daarna weet je van de wereld niet meer af en een uurtje later wordt je weer wakker in de kamer waar je die onderbroek aankreeg. De narcose is ook meteen uitgewerkt; je bent weer volledig bij de pinken.
Na een half uurtje, het is dan ongeveer 11.30 u. komt de zuster die de intake deed vragen of je een lichte lunch belieft: een paar boterhammen, koffie en een fruitsalade. 
Ook komt de vraag wie mij komt ophalen. Op het antwoord: "Niemand; ik ga met de bus naar huis" wordt afwijzend geageerd. De zuster vind het niet verantwoord. Het voorlopige compromis is, dat ik eerste m'n lunch zal nuttigen en dat we daarna, als ik me aankleed, zullen kijken hoe stevig ik op mijn benen sta.
Als ik mezelf, nog weer een uurtje later, daadwerkelijk aankleed, kijkt de zuster toe. Ostentatief trek mijn broek aan, terwijl ik eerst alleen op het ene, en daarna op het andere been sta. Op mijn vraag of hiermee voldoende is aangetoond dat ik stabiel genoeg ben om met de bus naar huis te gaan wordt nu positief gereageerd.
Vanzelfsprekend mocht ik niet weg zonder een lading pijnstillers, c.q. infectieremmers (diclofenac), die dan kennelijk weer slecht voor de maag zijn, waardoor er ook maagbeschermende pillen bijkomen. Maar die laatsten zijn feitelijk maagzuurremmers, waardoor ik de eerste twee dagen na de operatie volledig verstopt zat. Daarna de diclofenac nog een paar dagen geslikt zonder de maagbeschermer. Letterlijk geen centje pijn, maar ik kon wèl weer poepen.

Een week of vier later, dat was in de laatste week van februari, gingen we voor de derde keer in successie langlaufen. Althans; dat was het voornemen. Het werd, net als vorig jaar , een wandelvakantie. 
Er was meer sneeuw dan vorig jaar, toen er op 1200 meter helemaal niks was, maar gedurende een groot deel van de week was het overdag meer dan 10 graden boven nul en bovendien had mijn vrouw last van haar rug.
Wat ook gelijk was aan vorig jaar, was de manier waarop we op onze bestemming geraakten: met de nachttrein. Vorig jaar deden we dat met een onderneming die zich Greencitytrip noemt, maar die boden inmiddels geen nachttrein naar Innsbruck meer aan. Ik geloof dat ik ook wel snap waarom, want dit jaar reisden we met de Nightjet van de Österreichische Bahn. Die rijdt ook tussen Amsterdam en Innsbruck, met iets minder afgeragde rijtuigen en voor een iets betere prijs, die ook nog eens inclusief een klein ontbijtje is.
Het reizen met de nachttrein vergt enige sociale vaardigheid. 
Wij hadden een zes-persoons coupé en je deelt die bij volle bezetting (wat strijk en zet het geval is; de vraag bij deze treinen is altijd groter dan het aanbod) dus met vier anderen. Met die vier moet je tot overeenstemming zien te komen wanneer het bedtijd is, bijvoorbeeld.
We hebben in totaal nu drie keer een reis met de nachttrein gemaakt en tot nu toe heeft zich in sociaal opzicht geen wanklank voorgedaan.
Het slapen op zich lukt ons ook redelijk tot goed.
Zo sta je dan, tamelijk fris, om pakweg half tien 's morgens op Innsbruck Hauptbahnhof. Vandaar pakken we, na nog een koffie en een klein hapje, het boemeltje naar Seefeld. Dat boemeltje is overigens een buitengewoon modern treintje; de ÖBB heeft het qua materieel zeker zo goed of beter voor elkaar dan de NS. 
Het ritje naar Seefeld is een evenement op zich; een trajectje Rail Away waardig. De trein klimt over een afstand van ruim 20 km. van 600 m. naar 1200 m. boven zeeniveau, waarbij er regelmatig spectaculaire uitzichten op het dal van de Inn en de bergen aan de andere kant van dat dal voorbij komen.



















In Seefeld pakken we de bus naar Leutasch, dan nog eens ruim 5 km. verderop ligt.
Het grondgebied van de gemeente Leutasch bestaat uit een langgerekt dal, dat zich van het zuidwesten tot het noordoosten uitstrekt. Het noordoostelijke uiteinde er van ligt op ongeveer een kilometer van de grens met Duitsland. Meteen aan de andere kant van de grens ligt het stadje Mittenwald. De gemeente bestaat uit zesentwintig dorpen en gehuchten, waarvan het grootste deel in het zuidwesten van het dal ligt
Het dal van Leutasch hebben we in 2022 ontdekt, toen we voor het eerst in ongeveer twintig jaar weer 's op wintersport gingen in het eerder genoemde Seefeld. Toen nog met de auto.
Die reis werd een enorm succes door het geweldige weer dat we troffen. Er was elke dag zon èn er was sneeuw in overvloed. Toen we na een paar dagen alle blauwe loipen (de makkelijkste) in Seefeld hadden gehad, reden we naar Leutasch en troffen daar nog veel mooiere en langere loipes aan. 
Landschappelijk háált Seefeld het niet bij Leutasch. 


















Het dal is van een overweldigende schoonheid en de sfeer is veel landelijker dan in het ietwat mondaine Seefeld, waar je nog altijd veel dames van middelbare leeftijd met bontjassen en grote zonnebrillen ziet. De uitstraling die Wim Sonneveld ooit treffend omschreef als comme sa en ga maar na.. 
Kortom, Leutasch is een ideale omgeving voor onze specifieke vorm van wintersport. Geen skiliften maar lichaamsbeweging en geen après-ski, maar 's avonds om half elf het mandje in omdat het knikkebollen al is begonnen.
Maar goed, achteraf is gebleken dat 2022 voorlopig de laatste keer zou zijn dat we ook echt aan langlaufen deden. De sport zat hem dit jaar voor de tweede keer op rij in stevige wandelingen met zo nu en dan ook stevig klimmen. Het hoogste punt dat we dit jaar bereikten was de Rauthhütte op 1609 m. 



















Helaas zagen we de Wasserramsel, de Waterspreeuw, deze reis slechts één keer en dan nog slechts in een flits. Vorig jaar konden we hem een paar keer mooi bezig zien, deze onder water vliegende vogel. Wel een paar keer een Zwarte Specht, die al snoeihard aan het hameren was, wat feitelijk een baltsritueel is. Het voorjaar komt steeds vroeger. Als we ooit nog willen langlaufen, moeten we rond kerstmis gaan, misschien.
Juist omdat er weer weinig sneeuw lag, viel op dat de venige bodem van het dal vol scheuren leek te zetten. Totdat we ze van wat dichterbij bekeken; het waren geen scheuren, maar restanten van muizengangen. Kennelijk verplaatsen muizen zich ook onder een dik pak sneeuw en slijten daarbij in de bodem een soort sporen uit. De gang bevindt zich eigenlijk op het scheidingsvlak tussen sneeuw en aarde. Soms kon je op stukken waar nog wèl sneeuw lag die gangen ook zien; dan waren ze feitelijk als gevolg van de dooi ingestort..


































Ondertussen is de aandacht weer verschoven naar de boot.
Dit ligt, zoals de laatste jaren gebruikelijk, voor de winter in Dordt. Maar er is tot 1 april betaald en in principe volgt per die datum weer de reis naar de zomerligplaats in Sint Annaland. 
Voor dat moment is er echter nog het één en ander aan de boot te doen.
Gelukkig werkt het weer mee en het lijkt erop dat ik met het werk in kwestie een heel eind kom voor de boot weer naar Stalland  moet.

Zo. Dat was toch weer aardig wat waardenvrije, onschuldige en waarschijnlijk voor u vrij nutteloze informatie, waarin de naam Trump slechts eenmaal, en dan nog redelijk terzijde, is genoemd.
Dat zal waarschijnlijk, wat dit blog betreft, niet altijd zo blijven. Maar er over schrijven lijkt voorlopig ook permanent prematuur. Op het moment dat je op een move van de man reageert heeft ie alweer iets anders, en waarschijnlijk het volledige tegendeel, rondgetoeterd.
Ik kijk het nog wel even aan. Op het moment dat het stof optrekt en er is iets definitiefs gebeurd, is het vroeg genoeg om er een beschouwing aan te wijden.


zondag 12 november 2023

Jonathan Raban

Foto: Murdo Macleod/The Guardian
















Iets meer dan twee jaar geleden schreef ik op dit blog een stuk over Zeilende schrijvers.
Daarin refereerde ik onder meer aan Jonathan Raban (uit te spreken als Rébèn).

Ik kwam Raban op het spoor door een boekrecensie in de Volkskrant. 
Dat moet ergens in de tweede helft van de jaren tachtig zijn geweest. De recensie handelde over de Nederlandse vertaling van zijn boek Coasting. Dat bleek over het Verenigd Koninkrijk en zeilen te gaan. Voor mij een onweerstaanbare combinatie en kort na het lezen van die recensie heb ik de oorspronkelijke versie (in het Engels) aangeschaft. 
Het boek bleek niet veel minder dan een openbaring. 
Het was een combinatie van persoonlijke observaties, gesprekken met al dan niet toevallige passanten en geschiedkundige feiten. En dat alles van een kwaliteit die ik eigenlijk nooit eerder had gezien.

Wat nog mooier was: Coasting was niet Raban's eerste boek, noch was het, zoals in de jaren daarna zou blijken, zijn laatste. 
Ik raakte, bij wijze van spreken, verslaafd aan zijn boeken. Om de zoveel maanden controleerde ik de mij ter beschikking staande bronnen om erachter te komen of er al weer een nieuw boek van hem was verschenen. Zeker toen halverwege de jaren '90 internet van de grond kwam, was dat een fluitje van een cent.
Hoewel Brit van geboorte, spelen de meeste boeken die hij na Coasting schreef in de Verenigde Staten. Aan het eind van Hunting Mr. Heartbreak, dat emigreren naar de Nieuwe Wereld en Raban's eigen ervaringen als vreemdeling in de VS als thema heeft, belandt hij in Seatlle, aan de Amerikaanse noordwestkust. De stad en haar culturele klimaat bevallen hem en hij besluit er zich te vestigen. Niet in het minst omdat hij er ook een vrouw vindt en de stad aan zeilwater blijkt te liggen. De liefde voor boten en het water heeft Raban na Coasting nooit meer verlaten.
De fascinatie voor Amerika was er overigens al eerder.
Voor Coasting schreef Raban Old Glory, waarin hij in een klein open bootje met een buitenboordmotor de Mississippi afzakt, van Saint Louis naar de mond van de rivier aan de Golf van Mexico. Ook dat boek heeft die unieke afwisseling van dingen die Raban onderweg ziet en de gesprekken die hij voert met mensen die hij ontmoet, met af en toe intermezzo's over de geschiedenis van de plek. De lezer krijgt een sfeervol beeld voorgeschoteld van het Amerika van de kleine dorpen. Wat de mensen langs de Mississippi zoal zeggen blijkt een afwisseling van boerenwijsheid en regelrechte achterlijkheid. De confrontatie met Raban's Britse gereserveerdheid leidt niet zelden tot hilarische situaties.

Raban's thematiek is door recensenten wel beschreven als een zoektocht naar the concept of home. In veel van zijn boeken duikt bij de schrijver de overweging op of hij misschien zou willen wonen in de plaatsen die hij tijdens zijn reizen passeert. In Coasting komt al aan de orde dat de relatie met zijn geboorteland op de proef werd gesteld door de opkomst van Thatcher en de Falkland-oorlog. Engeland was niet langer 'zijn' Engeland.
In Seattle heeft Raban uiteindelijk toch min of meer zijn thuis gevonden, ondanks het gegeven dat zijn huwelijk geen stand hield. Passage to Juneau handelt daar, tegen het decor van een zeilreis naar Alaska, deels over. Uit dat huwelijk was overigens wel een dochter geboren; waarschijnlijk één van de dingen die hem in Seattle hebben gehouden.
Toch werd de band met Engeland niet helemaal verbroken. 
Zijn ouders, van oorsprong tamelijk conservatieve Britten; zijn vader was dominee en vertegenwoordigd in Raban's jeugd vooral 'God, King and Country', moeten in laatste instantie ook niks van Thatcher hebben en blijken halverwege de jaren tachtig veranderd in tamelijk linkse activisten, die zich vol overgave inzetten voor de onderkant van de samenleving. Ze accepteren Raban's keuze voor de VS, maar vragen zich af waarom hij zich in vredesnaam heeft gevestigd in dit neo-liberale land, waar ook toen al godsdienstwaanzin en andere gekkigheid van zich deden spreken. 
Maar Raban zag ook andere dingen in de Amerikaanse volksaard, zoals hun naïeve maar vriendelijke benadering van wildvreemden en de bereidheid om bij acute nood hulp te bieden. Hij is van de Amerikanen gaan houden, ondanks hun gektes.
In latere jaren, toen conservatisme en complottheorieën in de VS steeds meer invloed kregen, heeft Raban niettemin tegen dergelijke uitwassen in de Amerikaanse samenleving geageerd. 

Omdat ik Raban's naam om de paar maanden bleef Googelen, kwam ik er in 2011 achter dat hij was getroffen door een beroerte. 
Hoewel hij ogenschijnlijk goed herstelde, bleek het achteraf zo niet het einde, dan toch een breuk in zijn literaire carrière. Zelf bleef hij, onder het noodlot dat hem had getroffen, de typisch laconieke Engelsman. Toen hij door zijn behandelend arts werd aangesproken met de woorden: “You’re the one who used to be a writer.”, had hij geantwoord: “I very much hope that I’m still a writer.”
Desondanks is het de afgelopen tien jaar tamelijk stil gebleven rond zijn persoon. Afgezien van enkele essays en interviews heeft Raban nauwelijks meer van zich doen spreken.
Hoewel.. Zojuist googelde ik weer en kwam ik erachter dat in september j.l. zijn laatste boek Father and Son is verschenen. Hij heeft toch niet ècht stilgezeten.

Maar eerder dit jaar keek ik ook al op het net of er nieuwe informatie over Raban te vinden was. Dat hij op 17 januari 2023 bleek te zijn overleden kwam, ondanks zijn eerdere aandoening en de daarop volgende stilte, toch als een schok.

Het oeuvre dat Raban nalaat is niet bijzonder groot: acht reisboeken en drie romans. Maar buiten dat schreef hij negen hoorspelen en toneelstukken en zes boeken over literaire en politieke onderwerpen. Hij was ook actief als boekenrecensent.
Binnen de groep van reisboekenschrijvers was zijn bekendheid bij het publiek naar mijn idee niet evenredig met de kwaliteit van zijn werk.  Paul Theroux en Bruce Chatwin zijn veel bekender, maar niet per definitie beter dan Raban. Integendeel, wat mij betreft.

Zojuist heb ik Father en Son besteld. Volgens Bol.com wordt het over tien dagen bij me afgeleverd. 
Het boek is naar verluid puur autobiografisch.
Het zou me niks verbazen als het, met de voorkennis over zijn leven en zijn ouders die ik al heb uit zijn andere boeken, nog een paar emotionele momenten gaat opleveren.

maandag 30 augustus 2021

Nieuwe Statenzijl

 
 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
De tocht er naar toe was fabuleus geweest. 
Een uur voor laagwater was ik eraan begonnen. In het geval dat het op zeker moment te ondiep zou worden, zou ik het anker laten zakken en wachten op meer water. Ik had de zeilen gestreken en met het dieseltje op 1000 toeren, voer ik in wandeltempo de geul in die me in Nieuwe Statenzijl zou brengen.
Het tochtje stond al jaren op mijn verlanglijstje. En hoewel ik een hekel heb aan het begrip bucketlist, de modieuze vervanger van 'verlanglijstje', wanneer het om activiteiten gaat, was Nieuwe Statenzijl een plek waar ik geweest wilde zijn. 
Gelegen in de uiterste zuidoosthoek van de Dollard, op honderd meter van de grens met Duitsland, bestaat het oord uit niet meer dan een schut- en spuisluis, één of twee huizen en aan de binnenkant van de dijk een klein haventje waar een paar bewoonde schepen liggen. Ik had er thuis foto's van gezien. Buiten de sluis ligt een drijvende steiger met een paar bootjes, waaraan ik wilde afmeren.

Het mooie was: op geen moment werd het te ondiep om verder te varen.
Ik was al een flink eindje onderweg en het punt gepasseerd dat volgens de kaart droogviel bij laag water, toen ik in de gaten kreeg dat de kentering al was gepasseerd. Aan de kleine groene drijfbakens, die de geul markeren, kon ik zien dat de stroom inmiddels in de richting van Nieuwe Statenzijl liep. Het water kwam weer op en ik had stroom mee.
De geul werd wel steeds smaller en de modderbanken links en rechts steeds hoger. Uiteindelijk lag het betrekkelijk vlakke oppervlak van de banken zo'n beetje op ooghoogte, als ik in de kuip ging staan. Op die banken duizenden vogels, vooral ganzen. Soms ook zwommen ze in het geultje en liepen ze bij nadering van de boot het water uit, waggelden tegen de steile randen van de bank op en verwijderden zich zó ver van de geul als ze veilig achtten. Ik keek, met een soort kikkerperspectief, tussen hun poten door.
 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
De dieptemeter gaf gestadig minder water aan. Soms raakte de kiel even de grond, maar de boot bleef bewegen in de richting van de sluis. Ik liet mezelf door het opkomende tij voortduwen. De geul begon hevig te kronkelen, maar juist in die situatie zit in de buitenbochten de meeste diepte, weet ik uit ervaring. Steeds de buitenbocht houden, dus.
 

 



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Op zeker moment verscheen er riet op de banken naast de geul. De Dollard is door de toevoer van zoet water uit de Eems en vanuit de spuisluis bij Nieuw Statenzijl niet puur zout, maar brak. Zoet genoeg om de groei van riet mogelijk te maken.
Voor ik het wist kwam de Kiekkaaste in beeld. Ik wist van de plaatjes op internet dat het ding er stond. Een soort luxe vogelkijkhut op palen. Naar later bleek een serieuze trekpleister voor toeristen en vogelliefhebbers. Vanaf de Kiekkaaste was het nog één recht eind van een paar honderd meter tot de sluizen en de drijvende steiger.
 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Aangekomen bleek die steiger ook op een modderbankje te liggen. Direct voor de sluis is voldoende diepte om te blijven drijven en te manoeuvreren. Om aan te leggen op de steiger moest ik nog even wachten tot het water verder was opgekomen en de steiger daadwerkelijk dreef. Ik heb maar even vastgemaakt op het remmingwerk van de schutsluis, waarvan de lichten op dubbelrood stonden en waar voorlopig dus niks ging gebeuren.
 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Anderhalf uur later schoof ik op een vrije plek aan de steiger. Het was ongeveer één uur in de middag.

Die steiger wordt door een loopbrug met een hek erop verbonden met de vaste wal. Het hek zit op slot, maar een bordje aan mijn kant ervan meldt dat dit de steiger is van de vereniging De Dollardrobben. En dat ik een lokaal nummer moet bellen en de havenmeester moet melden dat ik ben gearriveerd.
Als ik dat doe, krijg ik een oudere vrouw aan de telefoon,. Ik leg uit waarom ik bel, maar ze lijkt enigszins in paniek te raken. Haar man kan nu niet komen, want ze moeten naar een begrafenis! Dat langskomen kan pas 's avonds. Ik haast me om haar gerust te stellen. Dat ik tot de avond moet wachten, voor haar man komt, is voor mij geen enkel probleem. 
Desondanks is het een  meevaller dat een paar minuten later een vrouw door het poortje de steiger op komt. Het blijkt ook een gast, een Duitse zelfs. Ze heeft een sleutel en ze gaat zodadelijk vertrekken. Ik krijg haar sleutel, met het verzoek hem te zijner tijd weer aan de havenmeester te geven. Dat komt mooi uit, want nu kan ik nog even met het vouwfietsje naar Nieuweschans fietsen, om wat boodschappen te doen.

'S avonds, rond een uur of acht, hoor ik wat geschuifel op de steiger. Een oude man met een stok komt voetje voor voetje naar mijn boot. De havenmeester. Hij gaat in het gangboord van de motorboot naast mijn boot zitten, dat daarvoor precies de goede hoogte heeft, en pakt zijn bonnenboekje. Tegelijkertijd kijkt hij onder een matje dat voor de ingang van de motorboot ligt. Ik weet wat hij zoekt en laat hem de sleutel zien, die ik van de Duitse mevrouw heb gekregen. Hij is even flabbergasted, maar herpakt zich snel. Prima dat ik al een sleutel heb; ik kan hem bij vertrek weer onder het matje achterlaten.
 
Na het afrekenen van een verwaarloosbaar bedragje praten we even.
Hij is garnalenvisser geweest en daarna bijna dertig jaar sluismeester van de schut- en spuisluis van de Carel Coenraadpolder, ongeveer drie kilometer ten westen van Nieuwe Statenzijl. Die sluis, gebouwd in 1924, bestaat niet meer. Hij is vervangen door het complex bij Nieuwe Statenzijl. Varen doet de havenmeester ook niet meer: z'n boot staat ergens in een schuur. op de wal. Hij beleeft trouwens toch niet zoveel lol meer aan de vereniging. "Heb jij dan nog iemand gesproken, sinds je hier ligt? Ze zeggen geen boe en geen bah!".  Zijn linkerhand en arm werken niet goed meer sinds een akkefietje met een schaap, dat hem ondersteboven liep.
De stemming bij de havenmeester is niet optimaal, wat ook moeilijk kan worden verwacht, net na een begrafenis. De overledene was een zus van zijn vrouw, zo vertelt hij. Zelf blijkt ie drie-en-negentig te zijn en dus goed doordrongen van de eindigheid van het leven. Het wordt allemaal minder; hij kan niet veel meer. Hij zegt het niet, maar de lol is er voor hem wel een beetje af. Zijn onderlip trilt heel even.
Nou ja; hij gaat maar weer 's naar moeder de vrouw. 
Als hij bijna bij de loopbrug, is komt hij nog een keer terug. Hij heeft het bonnenboekje in het gangboord van de motorboot laten liggen.

Het was niet alleen het vooruitzicht van het ritje tussen de hoge banken dat me naar Nieuwe Statenzijl bracht. De plek ligt aan de noordoostelijke uithoek van het Reiderland en het Oldambt. 
Eerder schreef ik over het boek 'De graanrepubliek' van Frank Westerman en sindsdien was er niet alleen het verlangen om Nieuw Statenzijl te zien, maar ook het Oldambt.
Een dag later fiets ik langs Hongerige Wolf en Ganzendijk naar Finsterwolde, dat in het bezit blijkt van een prachtig oud en parkachtig kerkhof en een bijzondere, vrijstaande klokkentoren, die naast een veel oudere kerk zònder toren staat. Her en der ook herenboerderijen, waarvan het woonhuis in Engeland een stately home zou worden genoemd. In Oostwold is een klein vliegveldje, waar je nog een heuse, luchtwaardige P-51 Mustang kan bekijken. Helaas waren de Grauwe Kiekendieven, waarom het gebied ook bekend staat, nergens meer te zien. Misschien waren ze al op trek.




 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Op de terugweg kom ik langs de plek waar het sluisje van de havenmeester heeft gelegen. 
Uit een bord dat het Waterschap ter plekke heeft neergezet, blijkt dat de sluis er feitelijk nog steeds is. Men heeft hem in 1990, bij het op deltahoogte brengen van de dijk, overdekt met aarde. Begraven als het ware. Op het bord staan foto's van het sluisje en van de sluismeester. Ik herken de havenmeester, hoewel hij op de foto ruim dertig jaar jonger is.
Dicht bij het bord staat één huisje, vermoedelijk zijn oude dienstwoning, waar hij nog steeds woont. Dat heeft het Waterschap hem gelukkig gelaten.

De havenmeester, zoon van het Reiderland. Ik had graag nog langer met hem gepraat. Maar als rechtgeaarde Groninger dacht hij: nait soezen, en stapte op voor de emotie hem teveel werd.