Posts tonen met het label varen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label varen. Alle posts tonen

zondag 24 mei 2026

Nagelknipper uit Kirkenes















Sinds ongeveer vier weken heb ik een nieuwe nagelknipper. Ik kreeg er een keurig houdertje bij; je kunt hem desgewenst  aan de muur hangen. 
In het verleden zat er altijd één in mijn toilettas, maar ze hebben de neiging om op zeker moment daaruit te verdwijnen, en dan ben ik gedwongen mijn heil te zoeken bij de nagelknipper voor thuisgebruik, die in een kastje in de badkamer ligt. 
Maar ik was niet thuis, toen ik het ding vier weken geleden nodig had. Ik was in Kirkenes.

Voor we daar arriveerden, hadden we al een reeks van havens en haventjes langs de Noorse kust aangedaan. De genius loci varieerde van plaats tot plaats. Trondheim en Tromsø, bijvoorbeeld, zijn serieuze steden. Torvik is waarschijnlijk het kleinste gehucht waar werd aangelegd. 
Torvik bestaat uit een paar huizen en een goederenloods met kade, korter dan het schip zelf. Evengoed wordt vanuit de flank van het schip een klep neergelaten. Een heftruck rijdt een paar keer in en uit met een paar pakketten en één auto gaat van boord. Een kwartier nadat het schip, de Nordkapp in ons geval, heeft aangelegd, is het weer onderweg.
























































Samenvattend: we hebben gevaren wat de scheepvaartmaatschappij Hurtigruten de 'klassieke kustreis' noemt: in 12 dagen van Bergen naar Kirkenes en weer terug.
De maatschappij vaart al sinds 1893 een vaste route langs de Noorse kust. Aanvankelijk van Trondheim naar Tromsø en Hammerfest. Men vervoert van oudsher een combinatie van passagiers en vracht, maar de schoonheid van de Noorse kust heeft er in de loop der jaren toe geleid dat het toeristische aspect de overhand heeft gekregen.

Het laatste stuk van de route voor het keerpunt Kirkenes is, landschappelijk gesproken, niet het meest spectaculaire deel, maar Kirkenes zelf is de ultieme buitenpost van Noorwegen. 
De plek waar de Nordkapp aanlegt, ligt hemelsbreed iets meer dan 7 km. van de grens met Rusland. Misschien heeft dat gegeven invloed op de manier waarop het dorp (Kirkenes heeft 4000 inwoners) wordt ervaren. 
Wij liepen er op zaterdagmorgen een paar uur rond en constateerden dat er een soort oostblok-sfeer hing, totaal afwijkend van andere Noorse dorpen van vergelijkbare grootte. Alles leek grauwer en doodser. Alle winkels waren gesloten en buiten onze mede-passagiers vertoonde zich vrijwel niemand op straat.
Tijdens de tweede wereldoorlog werd Kirkenes in oktober 1944 bevrijd door het Russische leger. Na de oorlog was er, ondanks de koude oorlog en zeker na het beëindigen daarvan, toch het één en ander aan verkeer over de grens. Hoewel Noorwegen in de jaren '80 en '90 van de vorige eeuw nog niet zo rijk was als tegenwoordig, was er van alles te koop waar men in Moermansk, hemelsbreed 100 km. van Kirkenes, best in geïnteresseerd was. En omdat er derhalve regelmatig Russen in Kirkenes kwamen, waren de Noren zo vriendelijk om de belangrijkste straten in het dorp van tweetalige straatnaamborden te voorzien: Noors en Russisch.



















Sinds de Russische inval in Oekraïne zijn de verhoudingen opnieuw bekoeld.
Wandelend van het schip naar het centrum van het dorp, kwamen we toevallig langs het monument dat de bevrijding van Kirkenes door de Russen gedenkt. Vermoedelijk is het door de Russen zelf neergezet; het spreekt helemaal de stalinistische beeldtaal die Russische oorlogsmonumenten steevast aankleeft. Een Russische soldaat die met zijn wapen in de aanslag moedig voorwaarts gaat.
De Noren hebben er inmiddels een contrapunt naast gezet in de vorm van een blauw-geel gespoten busje met de tekst "STOP WAR STOP PUTIN".



















Op de terugweg uit het centrum passeerden we nòg een herinnering aan de tweede wereldoorlog; een Duitse bunker die uitziet over de fjord die Kirkenes verbindt met de zee.  Een pragmatisch ingestelde Noor vond het na de oorlog een goede fundering voor zijn houten huis, dat hij pontificaal bovenop de bunker bouwde. Mogelijk is het de oostelijkse bunker van de Atlantic Wall. Niet de noordelijkste, want enkele uren later, niet ver van Värdø, zag ik een Blockhaus,  dat in noordelijke richting uitkeek richting de Noordpool, en Vardø ligt noordelijker dan Kirkenes. Het huis lijkt ondertussen alweer leeg te staan; de geschiedenis gaat voort.



















Vlakbij de aanlegplaats van de Nordkapp, eigenlijk buiten het dorp, was de supermarkt waar ik de nagelknipper kocht. Eén van de weinige faciliteiten in Kirkenes die wèl open was.

De hele reis beschrijven is ondoenlijk. Om dat woorden soms tekortschieten, zou het uitmonden in vrij krachteloos proza.
We raakten wèl steeds meer in de ban van het noorden. 
Waar we vorig jaar de Lofoten nog èrg noordelijk vonden en twijfelden of we met ons mini-campertje ooit nog verder naar het noorden zouden rijden, zijn er inmiddels toch plannen in die richting ontstaan, op grond van wat we op deze reis hebben gezien.
Ik zou graag bijvoorbeeld nog eens naar het eerder genoemde Vardø gaan. 
Niet vanwege dat Blockhaus, maar vanwege de nabijheid van het eilandje Hornøya. 
Tijdens het uurtje dat we in Vardø mochten rondlopen, kwamen we erachter dat er in het voorjaar en de zomer een bootje naar Hornøya vaart. Hornøya is één van de belangrijkste broedplaatsen van zeevogels in Noorwegen.



















Tijdens het aanlopen van Vardø zagen we net ten zuiden van Hornøya enorme groepen zeevogels op het water. Maar zoals die dingen gaan: te ver weg om soorten goed te kunnen onderscheiden.

Hornøya, gezien van de verkeerde kant..



















Tijdens het wandelingetje op Vardø; een Papegaaiduiker van
héél dichtbij, maar helaas alleen de kop..




















Ik heb me dus voorgenomen om daar in de goeie tijd van het jaar nog eens terug te keren, als we de tijd aan ons zelf hebben.

We zagen een Zeearend van heel dichtbij bij de ingang van de Trollfjord op de Lofoten, en mijn vrouw spotte nabij Stamsund in een flits de rugvinnen van een groep Orca's, terwijl ik nèt aan de verkeerde kant van het schip stond..















Een ander moment dat ik nooit meer vergeet was de stop in Risøyhamn. 
Dat dorp is weer zo'n onaanzienlijk gehucht, waar de boot slechts voor korte tijd aanlegt. Het ligt op het eiland Andøya en telt volgens Wikipedia 222 inwoners. Een bijzonderheid is dat de zeestraat, die het dorp en het eiland Andøya scheidt van de rest van Noorwegen, heel ondiep is. Er liggen zandbanken en op veel plaatsen staat minder een meter water. Pas toen er ongeveer 100 jaar geleden vanuit het noorden een lange geul werd gebaggerd, werd de kade van Risøyhamn bereikbaar voor de schepen van de Hurtigruten. 

In de verte rechts Risøyhamn














We naderden de plaats rond half tien in de morgen, nadat we de nodige zware sneeuwbuien over ons heen hadden gekregen. Hier en daar lag een paar centimeter sneeuw aan dek. Terwijl we door het genoemde geultje voeren, klaarde het op en eenmaal voor de wal was het vrijwel windstil en zonnig. Het water werd als een spiegel, en dat is het moment dat je ook alles wat op het water zit ziet bewegen. Naast Eidereenden ook IJseenden, Zeekoeten en Zwarte Zeekoeten. Die laatste soort had ik nooit eerder gezien. Het water weerspiegelde de besneeuwde bergen in de omgeving, die soms nog werden omgeven door de restanten van sneeuwbuien.
De rest van de dag kon niet meer stuk.




Vertrek uit Risøyhamn (links); achteruit onder de brug door.




Honningsvåg. Over de weg 50 km van de Noordkaap







De Lofoten





















Een Sieidi; een voor de Sami heilige rotsformatie.


















































Stokvis in Svolvær




























Na terugkeer in Bergen zijn we daar nog twee dagen gebleven. 
De stad is even oud als Oslo, en telt 300.000 inwoners, die erg verspreid wonen; de stad kent uitbreide buitenwijken. Het historische centrum is prima te belopen en aangenaam kleinschalig. De stad staat bekend om het gegeven dat het er nogal vaak regent, maar wij troffen het: we hadden twee dagen stralend weer.
Een mooie groene plek is Nordnessparken, op de kop van het schiereiland waarop het grootste deel van het centrum ligt. Je wandelt er op enkele tientallen meters boven het water tussen oude loofbomen, langs een openluchtzwembad dat in de fjord ligt, de gebouwen van de Universiteit en een oud fort.

Bij het openluchtzwembad van Bergen.















In het centrum, niet ver van het station, ligt het Lille Lungegårdsvannet, een grote vijver in het vlakste deel van de stad. Aan de zuidwestkant ervan liggen de kunstmusea die de stad rijk is. Wij bekeken er de Rasmus Meyer-collectie. Zoals de naam al doet vermoeden een verzameling kunst, die door de verzamelaar van die naam aan de stad Bergen is geschonken. Er hangen veel 19e eeuwse romantische schilderijen, maar ook wel wat expressionistischer werk en een flink aantal schilderijen van Edvard Munch.















Ondanks al die cultuur is de natuur in Bergen niet ver weg
We gingen vanuit het centrum ruim 300 m. omhoog met de Fløybanen een tandradbaantje dat eindigt op de berg Fløyen bij een uitspanning vanwaar je een prachtig uitzicht over de stad en de fjord hebt. Er is het nodige te doen voor kinderen, inclusief het aaien van een aantal geiten, die bij de inventaris horen. 
Vanaf dit punt kun je nog een flink eind verder wandelen. Uiteindelijk kwamen wij tot ongeveer 500 m. boven zeeniveau in een landschap dat sterk doet denken aan de Hardangervida. Echte wildernis. Niet voor Noorse begrippen, natuurlijk, maar toch; de beschaving leek er, op hemelsbreed 3 km. van het centrum van Bergen, vér weg.















In een vorig epistel over Noorwegen heb ik me wel eens lichtelijk negatief uitgelaten over de Noren zelf. Na onze reis van vorig jaar en helemaal na deze reis, moet ik bekennen dat ik daarmee te voorbarig was.
Hoewel de Hurtigruten een commerciële organisatie is, was de sfeer aan boord van de boot aangenaam informeel en ontspannen. Het personeel moet, met name tijdens de maaltijden, hard werken, maar doet dat heel joyeus en heeft daarbij vaak nog tijd voor praatje. Ook in Bergen troffen we dezelfde sfeer. Eén behulpzame Bergenaar liep zelfs enkele honderden meters met ons mee, om ons bij het busstation de halte van de bus naar vliegveld te tonen.
Want, ja; we hebben wel weer 2x anderhalf uur gevlogen dit jaar.

We zijn niet voor de laatste keer in Noorwegen geweest, als het aan mij ligt.





 

zondag 8 februari 2026

Roeien
















In mijn vorige bericht schreef ik dat ik nu toch min of meer een oude man ben geworden. 
Er zijn een aantal verschijnselen die daarop wijzen. Er is een mentale of psychologische component: aan bepaalde dingen merk ik dat ik niet meer zo pas bij deze tijd. Of de tijd past niet meer bij mij. Er zit weinig anders op dan dit maar min of meer te accepteren; de tijd doet wat de mensheid wil. Zolang ik nog een beetje m'n eigen gangen en tempo kan bepalen en al te veel hysterie kan ontlopen, kom ik de tijd die mij nog rest wel prettig door.
Maar de laatste tijd is er bij mij ook wel degelijk het gevoel dat het lichamelijk minder wordt. Tot  voorbij m'n zestigste merkte ik daar nog niet zoveel van, maar ondertussen moet ik vaststellen dat mijn uithoudingvermogen en spierkracht afnemen. 
Ik heb nooit veel aan sport gedaan, behalve dat ik zo nu en dan eens een paar maanden achter elkaar twee of drie keer in de week een paar kilometer ging hardlopen. Nou ja.. hardlopen..; veel harder dan pakweg 10 kilometer per uur ging het niet, en vier tot zes kilometer ver was de laatste jaren wel het maximum. Wat daarbij kwam: eigenlijk is hardlopen op de verharde weg in een aantal opzichten ook een aanslag op je gestel. Het doet wat voor je conditie, maar het is tamelijk belastend voor je knieën. En mijn linkerknie begon ik al een beetje te voelen.

Toch wilde ik m'n conditie op peil brengen en tegelijkertijd wat spierkracht terugwinnen.
In eerste instantie denk je dan aan de sportschool. 
Ik heb altijd een aanzienlijke weerstand gevoeld tegen het instituut. Het is iets moderns, om niet te zeggen modieus. Sporten in de sportschool heeft iets machinaals. Iedereen in een sportschool is als individu bezig op zijn of haar hoogstpersoonlijke martelwerktuig. Samen met anderen in één ruimte met jezelf bezig zijn; ik vind het, ondanks het gegeven dat ik in essentie een individualist ben, een beetje ongemakkelijk. Bovendien is het altijd binnen en ik wilde graag buiten sporten.
Een sportschool-abonnement is trouwens ook niet goedkoop. Het kost, als je een beetje regelmatig wil trainen, al gauw iets van vier tientjes in de maand en dus zo'n € 500,- per jaar.

Toen ik me dit laatste realiseerde, herinnerde ik me dat ik enkele jaren geleden ook al eens had gekeken naar roeien bij de Koninklijke. 
'De Koninklijke'; dat is hier in Dordt de Koninklijke Dordtse Roei- en Zeilvereniging. Roeien is een sport waarbij je bijna alle spieren in je lichaam gebruikt en als je een beetje door roeit, bouw je ook conditie op.  En roeien doe je in de open lucht, en als je dat wilt, samen met anderen.
Destijds had ik óók gezien dat de jaarlijkse contributie wèl wat hoger was dan van de gemiddelde voetbalclub: zo'n € 400,- per jaar. Dat vond ik in eerste instantie teveel.
Maar nu ik deze optie vergeleek met de sportschool, leek het ineens wèl een te overwegen mogelijkheid.
Ik ging nog eens kijken op de website van de KDR&ZV en zag dat je kon komen kennismaken èn twee keer gratis een proefles (want roeien moet je leren, daarover later) kon krijgen. Er was dus een mogelijkheid om de sfeer in de vereniging te proeven en te zien of roeien iets voor je was.

Die sfeer was voor mij wel een dingetje.
De KDR&ZV bestaat uit twee delen. Het roeideel heeft z'n plek aan het Wantij. Van daaruit wordt geroeid en daar liggen ook alle boten waarmee men dat doet. Het andere deel is het 'zeildeel'. Dat heeft z'n basis in de Nieuwe Haven in de binnenstad. In essentie is dat een jachthaven, met heden-ten-dage vooral motorboten. De sfeer in die haven kende ik al enigszins; mijn Wadloper overwintert er de laatste jaren nogal eens. 
Maar toch; 'Koninklijke' roept bij een patjepeeër als ik, in combinatie met 'vereniging' al snel een sfeer op van blauwe blazers en een kakkineus ledenbestand. In de jachthaven van de Koninklijke had ik er nooit veel van gemerkt, maar ik heb er, buiten de havenmeester, ook nooit veel mensen gesproken. Daarnaast heeft 'roeien' als sport ook sterke associaties met studenten en het corps. Hoe kakkineus zou de sfeer bij de roei-poot van de Koninklijke zijn?
Het bleek in de praktijk erg mee te vallen. Tijdens de kennismaking en de proeflessen voelde ik me al snel op m'n gemak. Het gevoel en de proeflessen waren overtuigend genoeg om zonder mankeren lid te worden. 

Ondertussen ben ik al genoeg aardige mensen, maar niet één èchte kakker tegengekomen , en ook de roeilessen bevallen.
Lessen, inderdaad, want roeien volgens de KDR&ZV doe je met een bepaalde techniek. Een in eerste oogopslag zelfs vrij ingewikkeld geheel van houdingen, spiergebruik (inderdaad; maar weinig spieren blijven ongebruik), en bewegingen met de riemen ('roeispanen' voor niet-ingewijden). Het begint al met hoe je in en uit de boot stapt. Er hoort ook een bepaald jargon bij. Je leert 'rondmaken', 'strijken', 'clippen' en nog een aantal dingen, die je uiteindelijk tot een volleerd roeier moeten maken.
Ondertussen ben ik in opleiding voor het diploma 'Scullen 1'. Dat komt er op neer dat je kunt roeien met een zogenaamde 'wherry', het eenvoudigste type waarover men bij de KDR&ZV beschikt; u ziet er één linksboven op het plaatje bij dit blog. Eind februari is de eerstvolgende gelegenheid om 'af te roeien' voor dat diploma. Of ik aan dat examen mee doe staat nog te bezien, want aan mijn manier van 'clippen' mankeert nog het één en ander.

Dat laatste is overigens niet iets waar ik me zorgen over maak. Voorlopig vind ik roeien in de wherry heerlijk, en het buiten zijn in combinatie met de lichaamsbeweging blijkt precies waarnaar ik op zoek was. Wat ook fijn is, is het gegeven dat de vereniging beschikt over een overdekte oefenruimte waar de nodige roeimachines staan, zodat ik ook buiten het echte roeien op het water (1x per week, tot nu toe), nog wat meer kan doen aan conditie en spieren. Eerder had ik de aanschaf van zo'n roeimachine overwogen; iets waar mijn vrouw mordicus tegen was, want "waar moet zo'n ding staan?" Dat ik het geld ervoor in m'n zak heb gehouden en veel beter heb besteed door lid te worden van de Koninklijke is een meevaller.

Kortom: uw correspondent werkt onder de meest prettige omstandigheden denkbaar aan zijn lichamelijke welzijn. Mogelijk zal dit, voor wat betreft dit blog, leiden tot vrolijker en meer levenslustige stukjes. Waarbij ik de realiteit wel onder ogen wil blijven zien. Het volgende stukje zou zomaar 's 'Ondermaans ongenoegen 3' als titel kunnen hebben. 
U bent gewaarschuwd!

zaterdag 22 maart 2025

Stukje varen



















Een van de dingen die ik graag doe, als de boot voor de winter in Dordrecht ligt en de mast is gestreken: op een mooie na- of voorjaarsdag naar achteren varen. "Naar achteren" is in dit geval een vaartochtje over het Wantij naar het achterland van Dordrecht. Een gebiedje dat ook wel bekend staat als de Merwelanden of de Sliedrechtse Biesbosch.

Wantij is van oudsher de naam waarmee een plek wordt aangeduid, die de opkomende vloed vanuit twee verschillende richting nadert. De bekendste voorbeelden in Nederland zijn de wantijen achter de Waddeneilanden. Elk eiland grenst aan twee kanten aan een zeegat en het opkomende getij stroomt door beide zeegaten de Waddenzee in. Achter elk eiland ligt een plek waar de getijdenstromen vanuit deze zeegaten elkaar tegenkomen.
Op het Eiland van Dordrecht is 'Wantij' echter de naam van een complete waterloop. Inmiddels staat het Dordtse Wantij alleen aan de westzijde in open verbinding met het getijdenwater. Aan de oostkant is het door midden van een schutsluis gescheiden van de Nieuwe Merwede.
Maar in de eerste helft van de 19e eeuw was die schutsluis er nog niet. 
Op een topografische kaart van rond 1850 komt de naam Wantij voor het eerst voor. Op die kaart is er nog sprake van een open verbinding met de kreken van de Biesbosch, want de Nieuwe Merwede ontstond pas ná 1861 toen Rijkswaterstaat met het graven van die rivier begon. Feitelijk verbreedde men enkele bestaande kreken en verbond me ze met elkaar. Voor 1850 bestond de situatie dat de vloed van twee kanten het Wantij binnenkwam dus nog wèl. Waarmee de herkomst van de naam is verklaard.























Het getij is echter nooit uit het Wantij verdwenen. 
Als ik op donderdag 18 maart 2025 op het gemak, met 1500 toeren op de motor, vanaf de driesprong Oude Maas - Beneden Merwede - Noord het Wantij op vaar, is het afgaand water. Ik heb een dikke knoop (bijna 2 km/u.) stroom tegen. Geen punt, want het is prachtig weer en dan kan zo'n ritje eigenlijk niet lang genoeg duren. 

Dit stroompje kent een heel geleidelijk verlopende overgang van stedelijkheid naar natuur. Vanaf de nieuwe wijk Stadswerven, in de afgelopen jaren gebouwd op grond die vroeger door industrie, waaronder de scheepswerf de Biesbosch, werd bezet, komen we achtereenvolgens langs de voor-oorlogse bebouwing van De Staart (de naam van de stadswijk ten noorden van het Wantij) aan bakboord, het Wantijpark aan stuurboord en de na-oorlogse bebouwing van De Staart aan bakboord. 
Het geeft me altijd een tevreden gevoel dat het grootste deel van die woningen is neergezet als sociale woningbouw. Dordt was tijdens de bouw ervan nog een echte arbeidersstad. Zouden oevers van het Wantij nu moeten worden bebouwd, dan zouden er vast hele dure koopwoningen komen, want deze oevers zijn het huidige tijdsgewricht A1-locaties voor projectontwikkelaars.
Na het passeren van de brug waar de N3, de Dordtse ringweg (die geen èchte ring is, maar vooruit, het klinkt super-grootstedelijk) overheen gaat, gaat de bebouwing aan bakboord nog even door, maar aan de stuurboordskant heeft het groen al het primaat. De bebouwing van de wijk Stadspolders, die in de jaren '90 van de vorige eeuw is gebouwd, gaat grotendeels schuil achter wilgen en een dijk.
We komen nog langs het zogenaamde Vissertje, waar een voormalig gemaal staat, dat inmiddels een restaurant huisvest. Dat, onvermijdelijk, de naam  'het Gemaal' draagt. Direct daar tegenover, op de andere oever, staat Natuurvriendenhuis 'De Kleine Rug'.




















Natuurvriendenhuizen en de organisatie waaruit ze voortkomen, het Nederlands Instituut voor Volksontwikkeling en Natuurvriendenwerk (NIVON), zijn een verhaal apart. Een laatste relict van de eertijds florerende Sociaal Democratie in Nederland, dat in de praktijk nog springlevend is, hoewel enigszins losgezongen van de vroegere linkse banden. De Natuurvrienden zijn overigens op veel plaatsen in Europa actief. In Duitsland is de club bijvoorbeeld nog heel groot, maar veel minder gelieerd aan politieke organisaties.
Je kunt op de Kleine Rug tegen een bescheiden bedrag overnachten en het heeft de charme dat het alleen per boot bereikbaar is; men komt je, na aankomst bij het Vissetje, met een bootje ophalen.

Daarmee hebben we de laatste bewoonde plekken voorlopig achter ons gelaten.
Er volgen nog twee bruggen; één is de spoorbrug waarover de trein naar Geldermalsen rijdt en de ander is een voetgangers- en fietsersbruggetje. 
Na de laatste brug gaan we bakboord uit (we slaan linksaf) het Moldiep in. Voor het volgende kwartier varen we door een jungle, die Coppola ook had kunnen benutten voor zijn epos Apocalypse Now (u weet wel; het deel waar kapitein Willard met zijn snelboot richting het domein van Kolonel Kurtz vaart). 
Ooit waren deze grienden (een naam voor wilgenbos in zoetwatergetijden-gebied) in cultuur en werden ze om de drie jaar gehakt. Dat is echter voor de meeste grienden al heel lang verleden tijd. De wilgen zijn hoog opgeschoten, maar zijn het geen bomen die eeuwen oud kunnen worden. Als ze eenmaal een hoogte van 15 m. of meer bereiken, vallen ze vaak spontaan om. In het vaarwater liggen links en rechts dan ook regelmatig wilgen of delen daarvan. Enige oplettendheid is geboden.
Na dat kwartiertje volgen nog een paar blijken van menselijke aanwezigheid aan de bakboordskant: de Stayokay (Een jeugdherberg met kampeerterrein) en het bezoekerscentrum Hollandsche Biesbosch, dat inmiddels (volgens Google) 'Biesboschcentrum Dordrecht' blijkt te heten.
We laten de jungle achter ons; het laatste stuk van het Moldiep loopt tussen de Hel- en Zuilespolder aan bakboord en de Otterpolder aan stuurboord. Beiden zijn al halverwege de 19e eeuw in cultuur gebracht als graslandpolders. Ik zie dat de Otterpolder ondertussen al weer min of meer aan de natuur is teruggegeven. Hij staat, zoals dat wordt genoemd, plas-dras. 



















De boer die er tot voor enkele jaren nog vee hield op een boerderij die nog steeds op de uiterste zuidpunt van de polder staat, is in 2020 vertrokken en sindsdien is de polder in beheer van Staatsbosbeheer. Er waren ooit plannen om ook in deze boerderij een soort uitspanning te vestigen, maar inmiddels heeft Staatsbosbeheer besloten om de polder "alleen vanaf het water beleefbaar" te houden



















Aan het eind van het Moldiep gaan we opnieuw bakboord uit de Helsloot (De Biesbosch stikt van de angstwekkende namen) in.
Na een klein stukje ligt er aan stuurboord een drijvend steigertje, waar we aanleggen. Van het steigertje kom je op de kade die de Huiswaard en de Oude Kat omringt: je kunt een keurig rondje van een kilometer of drie lopen. Omdat ook deze plek alleen over water te bereiken is, is het er nooit druk. Meestal kom je, buiten de nodige vogels, geen levende ziel tegen.

Maar we hebben, jammer genoeg, buiten Staatsbosbeheer gerekend. Langs het Katse Gat, waar de kade van Huiswaard ook langs loopt is een broedgeval van de Zeearend geconstateerd en dat stuk van de kade is voorlopig off limits waardoor het rondje lopen niet meer mogelijk is.




















Nou ja; dan lopen we de kade in de andere richting maar een stukje af, waarbij we  op twee plekken 'beverpaden' aantreffen; plekken waar bevers met enige regelmaat de kade passeren om van het rietgors langs de Helsloot in de Huiswaard te komen. 










































Feitelijk was de Huiswaard ooit een populierenbos. Al tientallen jaren geleden is het gebied ook min of mee aan de natuur overgelaten. Net als wilgen hebben populieren maar een beperkte levensduur. Als ze een bepaalde hoogte bereiken worden ze vaak instabiel. De meeste populieren in de Huiswaard zijn omgewaaid, of er zijn stukken afgebroken. Dat geeft een wat desolate aanblik, maar spechten en andere insecteneters zijn er blij mee. Evenals paddenstoelen en zwammen.






































Aan de overkant, in de Helpolder, blijkt een paartje Ooievaars te broeden; door hun geklepper zie ik het nest dat ik anders gemist zou hebben.



















Hoewel de vogelgeluiden het soundscape vormen tijdens het wandelingetje krijg ik maar weinig vogels te zien, buiten wat mezen en een enkele buizerd. Maar de rust vergoed veel en het licht is prachtig.



















De laatste brugopening van de Engelenburgerbrug, die toegang geeft tot de Nieuwe Haven, tot 1 april mijn ligplaats, is om 16.30 u. Rond een uur of drie varen we weer, nu richting de Ottersluis.



















Daarna komen we weer op het Wantij. 
Op weg naar de eerder genoemde bruggen, komen we nog langs een stukje griend dat in cultuur wordt gehouden, met daarnaast nog een originele griendkeet, een klein huisje dat, toen de griendcultuur nog een serieuze bedrijfstak was, diende als nachtelijk onderkomen voor de griendwerkers, die meestal de hele week in griend bleven en alleen voor de zondag naar huis gingen.




















Even voor vier uur zijn we bij de Engelenburgerbrug. Op het remmingwerk waar we tijdelijk aanleggen zit een meldknop, waarmee we om een brugopening kunnen vragen.


















Om kwart over vier ligt de Wadloper weer in zijn box.