Posts tonen met het label muziek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label muziek. Alle posts tonen

maandag 16 februari 2026

Passanten 7: Rob




















Rob was een collega van Willem, de hoofdpersoon van Passanten 6. 
Wàs, want Rob ging al iets eerder dan ik met pensioen. Ook hij was plantoetser bij de Omgevingsdienst.
Maar Rob was veel meer dan dat. Eigenlijk had hij, nog meer dan Willem, het uiterlijk dat velen bij een ambtenaar vinden passen, maar in de praktijk was Rob een heel stuk kleurrijker dan Willem. Rob was ooit voorbestemd om een veel prominenter en belangwekkender leven te gaan leiden dan hij deed, toen ik hem ruim twintig jaar geleden tegenkwam. Hij was in Delft afgestudeerd als civiel ingenieur en zou normaal gesproken daarna aan een glansrijke carrière in het bedrijfsleven of bij de overheid zijn begonnen.
Wat er in de periode tussen zijn afstuderen en het moment dat wij kennismaakten precies is gebeurd, is mij nooit helemaal duidelijk geworden, maar Rob was niet te beroerd om zèlf een tipje van de sluier op te lichten. Hij draaide er niet omheen dat hij ooit alcoholist was. 
Voor hij bij Bouw- en Woningtoezicht in Dordrecht terechtkwam, had hij bij dezelfde gemeentelijke dienst in Delft gewerkt. Of hij ooit werk heeft gedaan dat meer op maat was voor de academicus die hij in feite was, weet ik niet. Wel dat Klaas in de periode dat ik hem kende min of meer de loner was die hij mogelijk zijn hele leven is geweest. Hij was niet getrouwd en had, voor zover ik heb kunnen nagaan ook geen vriendin. Of dat hij die ooit wèl had, weet ik niet.
In de omgang was Rob vormelijk, of misschien moet ik zeggen quasi-vormelijk. Hij wilde graag een gedistingeerde indruk wekken, maar soms kreeg ik de indruk dat er iets ironisch schuil ging in die opstelling.
Met Rob kon je over veel onderwerpen een boom opzetten; hij was op tal van terreinen goed geïnformeerd. Over de geschiedenis van Nederland kon je hem alles vragen. Zo wist hij me te vertellen dat het huidige koningshuis in het geheel niet afstamde van Willem de Zwijger. Er was ergens gefrauduleerd om de bloedverwantschap ogenschijnlijk te doen doorlopen.
 
Rob had echter ook een misantropische trekje: soms leek hij er genoegen in te scheppen aanvragers van een bouwvergunning tot wanhoop te drijven. Dit door een combinatie van archaïsche taal, waarvan sommige lager opgeleide aanvragers niets begrepen enerzijds, en anderzijds door een niet altijd even behulpzame opstelling in het algemeen. Binnen het toetsersteam kon hij ook nogal eens cynisch uit de hoek komen. De leiding van de Omgevingsdienst haalde opgelucht adem toen hij met pensioen ging

Het gespreksonderwerp dat Rob ècht deed opleven was klassieke muziek. 
Iets dat hem vermoedelijk al heel lang het nodige plezier in het leven bood. Misschien had ie het al van thuis meegekregen.
Zelf was ik in die tijd min of meer bezig klassieke muziek te ontdekken. Hoewel mijn moeder een groot deel van haar leven lid was geweest van een vrouwenkoor en daarbij de nodige klassieke stukken had gezongen, was mijn belangstelling voor het genre pas tot leven gekomen toen mijn toenmalige vriendin, nu mijn vrouw, een deeltijd-opleiding in de muziek volgde, die qua theorie min of meer tot conservatorium-niveau reikte. In het kader daarvan werden door haar ladingen klassieke CD's aangeschaft. Wat ik hoorde kon me vaak wel bekoren. Op zeker moment begon ik ook zelf klassieke CD's te kopen en gingen we ook regelmatig naar concerten en concertjes.
Toen Rob eenmaal van mijn nieuwe liefhebberij op de hoogte was, gingen onze gesprekken meestal over klassieke muziek. Hij zette me bijvoorbeeld op het spoor van de Duitse liederen. En dan niet alleen die op muziek van Schubert, maar ook de Vier letzte Lieder van Richard Strausz, die ietwat zwaarder op de maag liggen dan Schubert's verklankingen van de diverse romantische Duitse dichters.

Rob vergat ook niet dat hij in essentie een academicus was.
Hij was erachter gekomen dat de eerste dirigent van het Concertgebouworkest, Willem Kes, in Dordrecht was geboren en schreef een wetenschappelijk verantwoorde biografie over hem. Op zeker moment reisde hij zelfs naar Moskou, omdat Kes daar enkele jaren directeur van het conservatorium was geweest. 
Kes had bepaalde ideeën met betrekking tot de manier waarop van klassieke muziek moest worden genoten. Het publiek dat concerten van klassieke muziek bezocht, was tot vér in de 19e eeuw gewend om tijdens het concert de gesprekken, waaraan men voor de aanvang ervan was begonnen, gewoon voort te zetten. Kes schijnt op enig moment een concert te hebben stilgelegd, om vervolgens aan het publiek te vragen: "ik stoor toch niet, hoop ik?" Toen hij in 1895 bij het Concertgebouworkest vertrok, had hij het orkest internationaal op de kaart gezet en was de traditie dat het publiek zich tijdens concerten stil hield, en pas enkele seconden na de laatste noot applaudiseerde, gevestigd.
Toen Rob met pensioen ging, was zijn biografie nog niet af. 
In de laatste tijd dat wij samenwerkten, was hij op zoek naar een promotor, want hij wilde de biografie gebruiken als dissertatie en daarmee van ingenieur (ir.) alsnog tot doctor promoveren. 

In de periode daarna kwam ik hem nog af en toe tegen in de stad. Het werk vorderde gestaag, zo vertelde hij bij die gelegenheden. De laatste keer dat ik hem sprak ligt alweer jaren in het verleden.
Wèl merkte ik een paar jaar terug dat zijn biografie van Willem Kes in 2017 in druk was verschenen. De officiële presentatie ervan blijkt een groot evenement te zijn geweest. 
Voor het schrijven van dit stukje heb ik zijn naam gegoogeld.
Ik vond het bericht van zijn overlijden, in 2024, in een artikel waarin ook de door hem geschreven biografie wordt genoemd, plus de opmerking dat de beoogde promotie nooit heeft plaatsgevonden. Mogelijk lagen zijn oorspronkelijke vakgebied (civiele techniek) en de muziekwetenschap te ver uiteen om een promotor zo ver te krijgen hem als promovendus aan te nemen.

Rob was hoe dan ook iemand die niet snel uit mijn geheugen zal verdwijnen en zonder meer één van de witte raven onder de passanten in mijn leven.


vrijdag 6 februari 2026

Your hometown



















Niet zo lang geleden was ik op een crematie. Het betrof één van mijn neven; een zoon van een zus van mijn vader. Geboren in Zwijndrecht, had hij vanaf zijn huwelijk gewoond en gewerkt in Ridderkerk. Desondanks vond de uitvaart plaats in Zwijndrecht, waar aan de rand van het dorp al jaren een relatief nieuwe begraafplaats met crematorium is. 
De ceremonie startte met 'My hometown' van Bruce Springsteen. 
Ik moet bekennen dat ik even vol schoot. Dat gebeurt me vaker bij dit soort gelegenheden, als de muziek op de één of andere manier zó passend is bij de persoon en zijn leven, dat ze sterke emoties oproept. Een paar jaar geleden had ik hetzelfde bij de crematie van de man die ooit mijn zwager was, en die ik in de laatste maanden van zijn leven nog beter had leren kennen dan in de dertig jaar daarvoor al het geval was geweest. Toen was het 'Wild Horses' van de Rolling Stones. Het had in zijn geval niks anders kunnen zijn, en ik zal het nummer nooit meer kunnen horen zonder aan hem te denken. Het lied op zich is er alleen maar mooier op geworden, wat mij betreft.

Mijn neef was dus oorspronkelijk een Zwijndrechter, net als ik. Maar hij was veel meer Zwijndrechter dan ik ooit geweest ben. Dat komt mede door het gegeven dat ik nooit erg ben opgenomen in de Zwijndrechtse gemeenschap. Behalve het lidmaatschap van gymnastiekvereniging O & O (Oefening en Ontspanning), dat mij min of meer werd opgedrongen omdat gymnastiek heilzaam zou zijn tegen de bronchitus, waaraan ik in mijn jeugd leed, ben ik nooit lid geweest van een vereniging die toegang gaf tot het sociale leven in Zwijndrecht. Mijn lidmaatschap van de lokale bibliotheek, waar ik wèl de deur platliep, leverde in sociale zin weinig tot op. De vriendjes van de lagere school verloor ik na het verlaten daarvan al snel uit het oog. Bijna niemand ging naar de L.T.S., en de paar die er wèl naar toe gingen waren op de lagere school al geen vriendjes. Na de L.T.S. volgde de M.T.S., maar die stond in Dordt en gek genoeg kwam een aanzienlijk deel van mijn klasgenoten daar uit de Alblasserwaard. Na schooltijd zag ik de jongens uit mijn klas niet. Eén klasgenoot van de L.T.S, deed ook toelatingsexamen, maar hij zakte. Ik slaagde wel, hoewel ik dacht dat ik gezakt was. Een voor die tijd significant detail. 

Na de militaire dienst ging ik al vrij snel op kamers in Dordt. En hoewel ik begin jaren '80 nog even in een flatje 'op Zwijndrecht' woonde (hoewel Zwijndrecht toen al zo'n 30.000 inwoners moet hebben gehad, woonden autochtone Zwijndrechters nog steeds 'op Zwijndrecht'), vertrok ik rond 1986 naar Delft. Voor het werk en de liefde. Ik had definitief afscheid genomen van mijn geboortedorp. Ik kwam er eigenlijk alleen nog om mijn moeder en mijn goede vriend T. op te zoeken. Maar dat was dan ook de enige vriend die ik aan Zwijndrecht had overgehouden.

Mijn neef heeft de banden met zijn geboortedorp echter nooit ècht doorgesneden. 
Hij was een toegewijd voetballer en voetbalde hij het grootste deel van zijn voetballende leven bij VVGZ (Voetbalvereniging Geluksvogels Zwijndrecht). Daar voetbalde ook een andere neef van me die wèl Valk heette, en sowieso was VVGZ de thuisbasis van alle voetbalminnende Valken. Ook mijn vader is het grootste deel van zijn leven lid geweest; hij was het nog toen hij in 1983 op 64-jarige leeftijd overleed. De eerstgenoemde neef bleef, ook toen hij al jaren in Ridderkerk woonde en werkte, contact onderhouden met de Zwijndrechtse vrienden uit zijn jeugd en de tijd bij VVGZ. In essentie was hij een Zwijndrechter gebleven.
Mijn vader, nog een generatie ouder dan ik en mijn neef, was bij wijze van spreken 'wereldberoemd in Zwijndrecht'. Dat kwam mede doordat hij vanaf 1945 deel uitmaakte van de Zwijndrechtse gemeentepolitie. Maar zijn vader, mijn opa, had nog een tuinderij, en omdat Zwijndrecht van oorsprong een dorp van tuinders is, kun je rustig zeggen hij dat Zwijndrechtser dan Zwijndrecht was. In mijn jeugd werd mij, als een autochtone Zwijndrechter hoorde dat ik 'Valk' heette, regelmatig gevraagd of ik "er één van Janus Valk was" (iemand die door zijn ouders was getooid met de naam 'Adrianus' werd in Zwijndrecht automatisch 'Janus'), Inderdaad, dat was ik; ik was zelfs de enigste 'van Janus'.
Hoe bekend hij was in Zwijndrecht merkte ik pas toen hij was overleden. In het condoleance-register stonden uiteindelijk meer dan vierhonderd namen..

In Delft integreerde ik evenmin. Van mijn directe collega's op de TU woonde slechts een enkeling in Delft en die verloor ik na een paar jaar weer uit het oog, omdat ik bij een andere hoogleraar en een ander werkverband terecht kwam. Mijn kennissen in Delft waren de kennissen van mijn vriendin, die al langer in Delft woonde. Ik ontleende niets aan de stad dat enigszins op een identiteit leek. Sterker nog: ik vond de Delftenaren lichtelijk irritant. Waaraan ze het precies ontleenden is mij nooit volledig duidelijk geworden, maar in het plaatselijke sufferdje, feitelijk niet meer dan een advertentie blaadje, stond zelden of nooit ook maar één negatief woord over de stad of zijn bewoners. Delft was dit en Delft was dat; Delft was geweldig. Zelf vond ik Delft een tikkeltje benauwd. De binnenstad heeft een zekere kwaliteit, maar is eigenlijk maar piepklein en daarbuiten beginnen, na wat dertiger jaren-architectuur, al snel de eenvormige buitenwijken, die in iedere Nederlandse stad precies hetzelfde zijn.

Eigenlijk is dat laatste één van de universele Nederlandse drama's.
Zwijndrecht had, in de tijd dat ik een jochie was nog de Ringdijk, met z'n bebouwing die plaatselijk al honderden jaren oud was. Die bebouwing heeft men begin jaren '70 vakkundig verwijderd. Het was nodig voor een dijkverhoging. Zei men. Het gevolg is, dat Zwijndrecht op wat panden langs de Rotterdamseweg na, nauwelijks nog bebouwing heeft die ouder is dan honderd jaar. Hoewel er al voor de tweede wereldoorlog de nodige industrie in Zwijndrecht was, is het oorspronkelijke karakter van een tuindersdorp al heel lang verleden tijd. Zwijndrecht verschilt in allerlei opzichten eigenlijk niet meer van volledig identiteitsloze oorden als Alphen aan den Rijn en Zoetermeer.

Nu ik min of meer een oud mannetje ben geworden, en ondanks het feit dat ik mijn identiteit nooit erg heb laten bepalen door mijn afkomst, betrap ik mezelf soms op een vage melancholie. Het gevoel dat ik eigenlijk nergens meer ècht thuis ben. Dat ik feitelijk nergens meer wortels heb. Hoewel ik er in mijn jongere jaren nooit over nadacht, zou ik er heden ten dage veel voor over hebben om eens een kijkje te kunnen nemen op de tuinderij van opa Valk. Een tuinderij waar mijn vader en zijn broers nog hebben gewerkt en die eigendom was van een man die ik nooit heb gekend.  Dat alles is verdwenen in de nevelen van het verleden. Niet alleen de mensen, maar ook de tuinderij, die al kort na de oorlog is overspoeld door het uitbreidende Zwijndrecht. Dat gebeurde al voor ik geboren was, waarschijnlijk.
Zelfs het Zwijndrecht dat ik nog heb gekend, bestaat niet meer. Evenals het Eiland IJsselmonde van mijn jeugd.

Ondertussen woon ik al bijna dertig jaar in Dordrecht. En dat al dertig jaar in hetzelfde huis. Dat huis is in de eerste twintig jaar dat ik er woonde helemaal door m'n handen gegaan, om het beeldend uit te drukken. Eigenlijk is dàt wel deel van mijn identiteit geworden. Dat het in Dordrecht staat is mooi meegenomen; het is van alle steden in het westen van Nederland één van aardigste, hoewel de buitenwijken precies dezelfde bloedarmoede hebben als in Delft en Alphen aan den Rijn. De binnenstad ligt aan de rivier; dat maakt ook veel goed. 
Toch zal ik nooit een Dordtenaar worden zoals de broers en zusters van mijn moeder dat waren. Ondanks het gegeven dat ik soms Zwijndrechters (meestal mensen die er ook niet zijn geboren) pest met de opmerking: "het mooiste in Zwijndrecht is het gezicht op Dordt".

My hometown.. Is dat de plaats waar ik ben geboren? Ooit, heel lang geleden, was dat zo. De herinnering kwam even boven op die crematie, door toedoen van Bruce Springsteen.




maandag 5 januari 2026

Sporen naar Berlijn

























In 1936, toen zo langzaamaan het ware karakter van de nieuwe Duitse werkelijkheid zichtbaar werd, schreef Ed Hoornik het gedicht 'Het is maar tien uur sporen naar Berlijn'. Hij leek toen al te voorzien dat deze Duitse werkelijkheid vroeg of laat ook in Nederland de status quo zou worden.
Toen wij in de week na Kerstmis naar Berlijn spoorden, heb ik nog wel een paar keer aan die tien uur van Hoornik gedacht. We reisden weliswaar grotendeels met een snelle Duitse trein, maar kwamen redelijk dichtbij een reistijd van tien uur. Op de heenweg hadden we ruim een uur vertraging en op de terugweg bijna twee uur. Bij de laatste gelegenheid hadden we om 12.06 uur moeten vertrekken vanaf Berlin Hauptbahnhof. Dat werd een ruim een uur later, en tijdens de rit zelf wist de Deutsche Bundesbahn er nog eens bijna een uur extra vertraging aan toe te voegen. Inclusief de reistijd in Nederland, waar de NS ondanks het winterweer goed presteerde (de vertraging bleef beperkt tot enkele minuten), waren we van Berlijn tot Dordrecht bijna negen uur onderweg.

Berlijn is onder de wereldsteden nog steeds een unicum. Nergens drukt de geschiedenis zó zwaar op een stad als in Berlijn. 
Al vele jaren geleden las ik de stukken die Armando, die in de jaren '80 een tijd in Berlijn woonde en werkte, over de stad schreef. De "grote hoop zand", waar de muur langs liep en waar ooit "het statige gebouw van de Gestapo" stond is er niet meer. Het "restant van het Reichsluftfahrtministerium" dat aan de andere kant van de muur stond "drüben, dus" is er nog, maar ik heb er niet naar gezocht.. 
Armando schreef zijn verhalen over Berlijn nog voor de Wende. Na het verdwijnen van de muur zijn veel sporen van het verleden die min of meer in het niemandsland tussen oost en west lagen waarschijnlijk in hoog tempo verdwenen. Overigens is niet de hele muur verdwenen; langs de Mühlenstrasze in de wijk Friedrichshain, die parallel loopt aan de Spree, is nog een flink stuk bewaard gebleven. Het is over de volle lengte voorzien van muurschilderingen, die moeten worden beschouwd als kunstwerken, geloof ik. De lokale autoriteit heeft bepaalde kunstenaars toestemming toestemming verleend voor het aanbrengen ervan, zo te zien. Zonder toestemming aangebracht 'wild' geklieder wordt zonder mankeren overgeschilderd met witte verf. Ook daar zagen we wat bewijzen van.
Normaal zijn er in dit deel van Berlijn weinig toeristen, maar hier liepen ze met drommen.


















De meeste braakliggende stukken, erfenissen van de bombardementen en de slag om de stad in 1945, zijn ondertussen zo'n beetje verdwenen, maar toch kent de stad in de zone net buiten het echte centrum nog steeds veel lege plekken. of plekken die ooit leeg waren maar nu, al dan niet met goedkeuring van de overheid, zijn ingevuld met marginale bedrijfjes of kleine vrijstaatjes, die bewoond worden door mensen die met het nodige sloophout en golfplaten hun eigen woonomgeving hebben geschapen. Die overigens vaak door meer dan manshoge schuttingen is gescheiden van de openbare weg; reclame maken voor hun alternatieve mini-maatschappij vinden de bewoners kennelijk niet nodig, of men wil geen pottenkijkers. Daardoor doet het vaak wel een beetje unheimisch aan.
Heb je eenmaal het centrum bereikt, dan is elke vierkante meter ingericht. Vooral met grote, tamelijk anonieme gebouwen, die vaak tientallen verdiepingen de lucht in reiken. Ook op straatniveau is alles keurig ingericht, hoewel ook hier vaak stukken straat zijn opgebroken, omdat er weer voor het één of ander in de grond moeten worden gewroet. Hier wordt nog wel gewoond, maar in het beeld zijn de winkels en het zakenleven dominant. Het kapitalisme in één van zijn meest ultieme vormen grijnst je continue aan.
Ons hotel stond in voormalig Oost-Berlijn, vlak bij het S+U Bahnhof Frankfurter Allee. De directe omgeving was een rustige, nette woonomgeving, maar tussen de Frankfurter Allee en de Spree zijn de nodige rommelhoekjes van de hierboven genoemde soort te vinden. Een groot contrast met het centrum, waar de grond inmiddels heel duur is en het grote geld de broek aan heeft.
Vergeleken met Parijs ontbeert Berlijn veel charme en eerlijk gezegd vind ik Rotterdam (ook een stad die zijn Stunde 0 gekend heeft), in veel opzichten gemutlicher.

Was het bezoek aan de stad dan verloren moeite? Nee; integendeel. 
Want hoe je het ook wendt of keert, de Duitse cultuur is, samen met de Franse, de Britse en de Italiaanse één van de grote steunpilaren van de cultuur van Europa als geheel. Duitsland als natie ontstond pas in de tweede helft van de 19e eeuw, maar de Duitse cultuur is veel ouder.
Het slot Charlottenburg, dat als gebouw, vergeleken met Versailles of de paleizen in Potsdam niet buitengewoon indrukwekkend is, herbergt wèl een interessante expositie over het Pruisische Huis van de Höhenzollern, dat z'n wortels heeft in de vroege middeleeuwen en dat in 1701 een koninkrijk stichtte, dat in feite de basis vormde van het latere Duitsland.
In Nederland heeft het Pruisische een slechte naam, maar in de praktijk traden de Pruisische koningen vaak op als mecenas ten gunste van allerlei vormen van wetenschap en kunst. Binnen die cultuur konden grote geesten als Goethe en dichters als Wilhelm Müller zich ontwikkelen.

































Daarnaast bood een bezoek aan de Alte Nationalgalerie op het Museuminsel de gelegenheid om eindelijk eens wat schilderijen van Caspar David Friedrich in het echt te zien. 
Sinds ik, lang geleden, een CD met Schubert's Winterreise kocht, heeft Friedrich me geïntrigeerd. Op de voorpagina van het boekje bij de CD stond namelijk een afbeelding van Friedrich's schilderij Winterlandschaft. Een desolaat beeld van een besneeuwd landschap met grotendeels dode bomen. Als je iets beter kijkt, zie je tussen de bomen ook nog een kromgebogen Wanderer. 
Want dat is natuurlijk ook ontzettend Duits; de Romantiek als kunststroming in allerlei vormen.
De Alte Nationalgalerie is geheel gewijd aan de schilderkunst van de 19e eeuw en een groot deel van wat er te zien is valt zonder meer in de categorie Romantiek. 
Winterlandschaft van Friedrich hangt er jammer genoeg niet, daarvoor moet je naar het Staatliches Museum te Schwerin, maar er zijn wel 16 andere Friedrichs te zien, waaronder  Abtei im Eichwald en Eichbaum im Schnee. De eerstgenoemde heeft een sfeer van verlatenheid die de uitstraling van Winterlandschaft nog overtreft. En daar hebben we de eik ook weer; het Europese cultuursymbool bij uitstek. Friedrich laat deze ontbladerde bomen wanhopig naar de hemel grijpen, zoals alleen een eik dat kan.
















En natuurlijk is er ook het Waldgefühl; landschappen waar de bomen nu eens geen eenling zijn. Ze zijn een bos, met hoge, dicht opeenstaande sparren. Vaak lopen er ook nog wel één of meer mensen rond. Maar de mens is hier klein ten opzichte van het bos. Een detail, niet belangrijker dan een vos of een ree.

























Jammer genoeg kwamen we wat tijd te kort in de Alte Nationalgalerie, want we waren er op oudejaarsdag en het museum sloot al om 16.00 uur. Daardoor misten we een tijdelijke tentoonstelling met een particuliere collectie impressionistische schilderkunst.
Om dezelfde reden kreeg ik een ander schilderij dat in dit museum hangt, en dat voor mij een bijzondere betekenis heeft, niet te zien. 
De oudste zus van mijn moeder had thuis een reproductie hangen van Die Toteninsel van Arnold Böcklin. Tante heeft me nooit verteld wat het voorstelde, maar die grote rots met cypressen en de in het wit geklede figuur in z'n bootje, die er naartoe vaart, was iets uit een andere wereld dan de mijne van dat moment. Het beeld van het schilderij heeft tientallen jaren in mijn geheugen gezeten voor ik er, minder dan tien jaar geleden, achter kwam dat het niet zomaar een niemanddalletje was, maar iets van kunsthistorische betekenis.
















Tante Bets, want zo heette ze voor mij, liet zich er altijd wel een beetje op voorstaan dat ze binnen de familie (zeven zussen en vier broers) degene was met het meeste gevoel voor cultuur. Ze zong bij Kunst na Arbeid in Dordrecht, een aan de arbeidersbeweging gelieerd amateurkoor en werkte voor haar huwelijk bij de Co-Op, een winkel die uit dezelfde bron voortkwam.
Tante Bets had kennelijk zekere idealen, maar in laatste instantie heb ik het Toteninsel van Böcklin daarin niet kunnen plaatsen. 

Ook erg Duits maar niet Berlijns is Potsdam. Je komt en vanuit centrum Berlijn in drie kwartier met de onvolprezen S-Bahn. Waarbij je overigens kilometers ver door de bossen rijdt, want Berlijn heeft een heel groene omgeving.
Eigenlijk is Potsdam het Duitse Versailles, de plaats waar de Pruisische vorsten hun paleizen bouwden. Die paleizen, Sanssouci, het Orangerieschlosz en het Neues Palais liggen aan de randen van een groot park. Bij de oostelijke ingang daarvan staat ook nog een mooie imitatie van een vroeg-christelijke Italiaanse basilica uit 1848, met zo'n typische campanile, zoals je ze ook in Siena kunt zien.

















Ook bekeken we de Einsteinturm, een zonneobservatorium uit de jaren twintig. Hij staat in het eveneens naar Einstein vernoemde wetenschapspark net ten zuiden van het Hauptbahnhof van Potsdam. Je moet wel langs een slagboom om het park binnen te komen, maar de portier geeft je zeer bereidwillig een kaartje van het park waarop hij je de toren aanwijst.
De ontwerper van de Einsteinturm was Erich Mendelsohn. Hij tekende een ontwerp in een expressionistische stijl, die enige verwantschap vertoont met de Amsterdamse School. In de jaren dertig week Mendelsohn, die Joods was, uit. Eerst naar Engeland en in tweede instantie naar de Verenigde Staten. Daar ontwierp hij gebouwen die meer aansloten bij de stijl van het Bauhaus. Strakkere, zakelijke architectuur.

















Van de meer bekende sights noem ik slechts de Gedachtniskirche, die we zagen staan vanuit de S-Bahn, toen we station Zooöligischen Garten binnenreden. In een impuls besloten we er even heen te lopen. 
Van de oorspronkelijke kerk staat alleen de ingangspartij en de toren er nog. Het schip van de neo-gothische kerk werd in 1943 bij een bombardement verwoest. Ook de toren werd beschadigd en de gerafelde spits bleef behouden als Mahnmal.
Naast dit restant werd in 1954 een van buiten nogal sobere achthoekige kerk gebouwd, evenals een nieuwe klokkentoren. Van binnen werkt de nieuwe kerk echter heel goed. Het blauwe figuurglas, waaruit de gevels bestaan, gaat in het interieur pas spreken. Toen wij er waren zat er net een jonge pianist op een forte-piano Mozart te repeteren, waarschijnlijk voor een concert dat er op oudejaarsavond zou plaatsvinden.





 











We hebben een tijdje naar hem geluisterd en de sfeer op ons laten inwerken. We waren in Berlijn, maar de stad was eventjes ver weg.





zondag 6 april 2025

Easy Rider




















Vier maanden geleden schreef ik een stukje over de film Lawrence of Arabia, zoals die mij werd voorgeschoteld door omroep ONS. Een maand of twee verder bleek dat de nostalgie van ONS alle kanten op kan; het kanaal had Easy Rider geprogrammeerd. 
In tegenstelling tot de eerstgenoemde film weet ik zeker dat ik Easy Rider wèl eerder had gezien. En niet op televisie, maar ècht in de bioscoop. Wanneer dat precies was, weet ik niet meer exact, maar het zal niet meer dan een paar jaar ná het verschijnen van de film zijn geweest. De Amerikaanse première was in 1969; wanneer de film in Nederlandse bioscopen werd uitgebracht heb ik niet kunnen achterhalen. Ik vermoed dat het ergens in de eerste helft van de jaren '70 was en ik vermoed bovendien dat er een relatie was tussen het feit dat de twee hoofdrolspelers op een Harley-Davidson reden en een ander feit: het gegeven dat mijn beste vriend (die dat overigens nog steeds is) net zelf een Harley had gekocht. Die hij vervolgens helemaal uit elkaar haalde om hem eens grondig te reviseren, wat tenslotte, jaren later, uitdraaide op het in onderdelen te verkopen, zonder er zelf ooit verder dan een paar kilometer op te hebben gereden. Maar dat is weer een heel ander verhaal.

Het eerste wat opviel, toen ik de film opnieuw bekeek, was de beeldkwaliteit. Die was, zelfs op mijn relatief kleine televisie, veel beter dan je van een low-budgetfilm van vijf-en-vijftig jaar geleden zou verwachten. Er blijkt al een aantal jaren geleden een 4K-scan van het oorspronkelijke materiaal te zijn gemaakt. Mogelijk was dit de versie die ONS vertoonde.
Mede daardoor was de film, al was het alleen maar om de mooie weergaven van de diverse Amerikaanse landschappen, een genoegen om naar te kijken.

Maar Easy Rider is niet alleen om z'n soms fraaie beelden de moeite waard. 
Het scenario toont de kijker een reeks van aspecten van het Amerika van eind jaren zestig. Mede in het licht van de recente ontwikkelingen in de VS is dat een interessant gegeven. 
De marketing blurp waarmee de film destijds werd geadverteerd luidde: A man went looking for America and couldn’t find it anywhere. Op het moment dat beide hoofdrolspelers na een lucratieve dope deal op pad gaan is het nog niet zo duidelijk dat ze ergens naar op zoek gaan. Het is slechts duidelijk dat ze naar de Mardi Gras in New Orleans willen. De mensen en gebeurtenissen waarmee ze onderweg te maken krijgen leidden niet zozeer tot een zoektocht als wel tot het maken van keuzes. 
Dat de film een soort document van zijn tijd is geworden lijkt van meet af aan de bedoeling te zijn geweest. Dennis Hopper, die meeschreef aan het scenario, heeft later verklaard: "I wanted Easy Rider to be kind of a time capsule for that period". Dat kan een later verworven inzicht zijn, maar achteraf moeten we constateren dat de makers aardig in die opzet zijn geslaagd.

Dat ik het nog steeds een aardige film vind, is natuurlijk een puur persoonlijk oordeel; ik was jong toen hij uitkwam en hij zit al vijftig jaar in mijn herinnering. Ik denk een beetje te begrijpen wat de film de kijker wil tonen. Maar ik ben geen modern mens, die zich een aanzienlijk deel van zijn tijd laat verdoven met de moderne versie van brood en spelen. Op de website Moviemeter vond ik de volgende recensie:

Poeh wat een lange zit.

Netflix weer eens aangeslingerd in de hoop van een klassieker. Dat zat er niet in. Het eerste half uur is nauwelijks door te knagen: veel motorrijden, veel tenenkrommende hippies, en twee suffe personages gespeeld door Hopper en Fonda. Vooral Dennis ‘man’ Hopper is erg vervelend. Eigenlijk doet hij dit personage in Apocalypse Now dunnetjes over.

Nicholsons intrede in de film is een godsgeschenk. Eindelijk een wat intrigerender karakter, wat ook de interessantere scènes met zich meebrengt. Hij weet de film echter niet te redden. Alleszeggend is de vage LSD trip op het eind...pff.

Op naar de volgende Netflix.

De recensent mist naar mijn idee het één en ander, maar in één opzicht heeft hij wèl een punt: Dennis Hopper's acteerwerk lijkt inderdaad erg op zijn verbeelding van de verwarde fotograaf die hij in Apocalyse Now speelt.
Helaas voor de recensent op Moviemeter is de rol van Nicholson in de film vrij beperkt. Hij heeft zich eigenlijk nog maar nèt bij de twee hoofdrolspelers aangesloten, als hun gezamenlijke bivak, na wat onschuldig geflirt met een stel lokale tienermeisjes, wordt aangevallen door een aantal rednecks uit hetzelfde dorp, die van buitenbeentjes als zij niks moeten hebben. Nicholsons personage overleefd die aanval niet.
Zijn invloed bepaalt echter wèl in grote lijnen het verdere verloop van verhaal.
Voor hij het tijdelijke met het eeuwige verwisselt heeft hij het oorspronkelijke duo namelijk het adres van een bordeel in New Orleans gegeven, met de aanbeveling daar vooral langs te gaan.
Fonda en Hopper (Wyatt en Billy in de film) volgen zijn raad op en doen met twee dames uit het bordeel een LSD-trip, die uitmondt in een nachtmerrie. Alle positiviteit lijkt ineens verdwenen.
In een van de laatste scenes zitten beiden weer, ontnuchterd, in hun bivak bij een vuurtje. 
"We blew it", zegt Wyatt tegen Billy. Billy begrijpt er niks van: ze hebben geld en ze gaan naar Florida om er daar  van te gaan genieten! Maar Fonda maakt er verder geen woorden meer aan vuil en herhaalt: "We blew it".
In de laatste scene blijkt dat ze het niet alleen verprutst hebben; ze komen nooit in Florida aan, maar worden door wéér andere rednecks van hun motorfiets geschoten.

Wyatt lijkt zich te hebben gerealiseerd dat vrijheid niet te koop is. Zeker niet als het geld waarmee je die wilt kopen afkomstig is van een schimmige drugsdeal. Want hoe vrij zijn drugsverslaafden? En hoe verhoudt jouw vrijheid zich met hun onvrijheid? Wyatt doorziet dat vrijheid niet bestaat zonder een zekere verantwoordelijkheid en dat ieder voor zich en God voor ons allen niet per definitie leidt tot vrijheid voor iedereen. 
Eigenlijk trekt de film de conclusie die voor de meesten pas in de loop van de jaren '70 goed doordrong: het optimisme en de vrijheidsdrang uit de jaren zestig was verdampt tot hedonisme, dat doorsloeg in egoïsme en zelfs naar destructief gedrag. 
Velen wijzen de gebeurtenissen tijdens het gratis festival dat de Rolling Stones organiseerden in Altamont in december 1969 als het einde van tijdgeest van de jaren zestig. Easy Rider verscheen echter al een half jaar eerder, in juli 1969, en de opnames begonnen al in de eerste helft van 1968. De makers hadden een vooruitziende blik. 
In dit verband is het overigens interessant om te constateren dat Fonda en Hopper in 1968 al respectievelijk 29 en 32 jaar oud waren. Niet direct leeftijden die je associeert met de flower power generation.
Je zou zomaar kunnen vermoeden dat beiden met een zekere afstand naar de toenmalige tegencultuur keken en dus ook wat makkelijker het failliet ervan konden erkennen.

Wie de film in het heden bekijkt, kan zich afvragen of er in Amerika sindsdien veel is veranderd. Easy Rider geeft namelijk ook een beeld van de mentaliteit in small town America anno 1968, die je in de terminologie van vandaag anti woke zou kunnen noemen. De meest conservatieve elementen verzetten zich ook destijds al op vrij gewelddadige wijze tegen alles wat afweek van hetgeen ze kenden. Datzelfde conservatisme lijkt in het Amerika van nu opnieuw de boventoon te voeren
Toch stemde in 2024 maar iets meer dan de helft van de Amerikanen op Trump en of dat vooral vanwege zijn weerzin tegen woke was, is ook een vraag.

Aan de andere kant: het menselijk tekort is er altijd geweest en zal wel nooit helemaal verdwijnen. Slechts de mate waarin het opspeelt en de manier waarop het zich manifesteert verschilt van tijdsgewricht tot tijdsgewricht.






zondag 14 januari 2024

Mike Oldfield


















Zoals die dingen gaan: kort geleden, tijdens een YouTube-binge, zoals ik er in dit vreemde tijdsgewricht nogal eens één heb, stuitte ik ineens op een BBC-documentaire over Mike Oldfield. Een golf van herinneringen en nostalgie overspoelde me en voor ik het wist had ik de CD's van het meest belangwekkende deel van Oldfield's oeuvre besteld bij Bol.com. 
 
Mike Oldfield. Wie van de millenial-generatie zou die naam nog kennen?
Ik weet zelf niet meer precies hoe mijn kennismaking met Oldfields muziek in z'n werk ging. Bij het doorscharrelen van mijn LP-collectie bleek ik Hergest Ridge ooit op vinyl te hebben aangeschaft. Op de linkerbovenhoek van de hoes staat in een witte band, onder 45 graden, de tekst "THE NEW MIKE OLDFIELD". Op de rechterbovenhoek zit een smal, langwerpig stickertje met het handgeschreven nummer "3462". Dat zegt verder niemand iets, maar voor mij maakt het duidelijk dat ik de plaat heb aangeschaft bij De Bengel in Dordrecht. Daar voorzag men de platen die men verkocht op die manier van een merkje. Kennelijk was het nummer 3462 in hun catalogus. "Destijds" was in dit geval hoogstwaarschijnlijk 1974, het jaar waarin Hergest Ridge werd uitgebracht. 
De andere twee hoofdwerken van Mike Oldfield, zo mogen we Tubular Bells en Ommadawn in zijn geval wel noemen, denk ik, heb ik nooit gekocht. Ik heb ze in diezelfde periode opgenomen op band, na de platen van een vriend te hebben geleend. Die banden zijn echter al vele jaren geleden, samen met de het apparaat waarmee ze waren opgenomen, afgeleverd bij het gemeentelijke afval-brengstation, wat ik in dit geval een mooier woord vind dan 'vuilstort', de naam die ik meestal gebruikte toen ik er puin en sloophout uit mijn huis naartoe bracht.

In de BBC-documentaire zien we Oldfield en de mensen die hem kennen hun verhaal vertellen. Zijn jeugd, die sterk getekend werd door zijn geestelijke labiele moeder, die uiteindelijk aan haar medicijnen verslaafd raakte, had z'n weerslag; ook in zijn latere leven. Mike trok zich terug op zichzelf en werd een begenadigd gitarist. De Oldfield die we zien vertellen ziet eruit als de gemiddelde, welgedane zestig-plusser, maar begin jaren zeventig was Oldfield zelf ook een geestelijk wrak. Naast de doorleefde ellende in zijn jeugd schijnt ook LSD-gebruik daar een rol in te hebben gespeeld.
Na een duo te hebben gevormd met zijn zus en een korte periode in de band van Kevin Ayers, werkte Oldfield als sessie-gitarist. In die hoedanigheid kwam hij op zeker moment in de toen gloednieuwe Manor studio's van Richard Branson terecht. Hij had al een deel van Tubular Bells als demo opgenomen  en wist die via de opnametechnicus van The Manor onder de aandacht van Branson te brengen. Die liep op dat moment rond met het plan een platenlabel op te richten. Oldfield kreeg van Branson een week gratis studiotijd. Na wat vijven en zessen werd Tubular Bells zo het eerste album dat op het Virgin label werd uitgebracht. 
De buisklokken uit de titel van het album kwamen op een vrij toevallige manier in het stuk terecht. Ze waren gebruikt bij een andere opname in The Manor en Oldfield zag ze toen ze op het punt stonden de studio weer te verlaten. Hij kreeg gedaan dat ze nog even bleven om te worden gebruikt bij zijn eigen opnames. Een andere toevalligheid was dat de Bonzo Dog Doo-dah Band de studio zou gebruiken nadat Oldfield daar de opnames van Tubular Bells had afgerond. Zo werd Vivian Stanshall de man die tegen het eind van het stuk de instrumenten voorstelt.

Voor iemand die nog nooit echt naar klassieke muziek had geluisterd, zoals ik in die tijd, viel de muziek van Tubular Bells met niets te vergelijken. Er waren vóór dat album door popgroepen al nummers opgenomen die een hele LP-kant besloegen en daarbij voor een groot deel instrumentaal waren. Op het album Meddle van Pink Floyd bijvoorbeeld, besloeg het nummer Echoes de hele tweede kant van de LP. Het duurde ruim drieëntwintig minuten. Maar in Echoes wordt de sfeer en de beelden die bij de luisteraar opkomen nog mede bepaald door gezongen tekst.
Tubular Bells was echter volledig instrumentaal. Op de onverstaanbare tekst van de Piltdown Man, die ergens halverwege kant twee zijn onverstaanbare holbewonerstaal laat horen, na. Die Piltdown man roept overigens weer associaties op met een andere prehistorische bewoner van de Britse Eilanden op; de wildeman die brult in Several Species of Small Furry Animals Gathered Together in a Cave and Grooving with a Pict, dat Pink Floyd opnam op het album Ummagumma. Die Pict heeft overigens een duidelijk Schots accent. 

Tijdens mijn diensttijd bij de 76 ZauCie (de 76ste Ziekenauto Compagnie) werd er op de legeringskamer van mijn peloton altijd muziek gedraaid. Ons groepje bestond uit mensen met een verscheidenheid van smaak en de muziek varieërde derhalve van Fairport Convention, via Jethro Tull, The Who, Emerson, Lake en Palmer en Pink Floyd tot, inderdaad, Mike Oldfield. Op zeker moment merkte één van mijn mede-dienstplichtigen zelfs op dat hij het "verliefde muziek" vond. 
Nog niet eens zo'n vreemde opmerking, want verliefdheid leidt, zeker in de beginfase, nogal eens tot aanzienlijke stemmingswisselingen. En Oldfield's muziek kenmerkt zich door tempowisselingen en verschillen in dynamiek. 

Ondertussen is Mike Oldfield een min of meer vergeten artiest. 
De enige producten uit zijn koker die zo nu en dan nog wel eens te horen zijn op de radio, zijn de liedjes die hij op single uitbracht met de zangeres Maggie Reilly. Met name Moonlight Shadow en To France. 
Natuurlijk heb ik bij het schrijven van dit stukje even Wikipedia geraadpleegd. 
Er blijkt wel degelijk een single te zijn uitgebracht van Tubular Bells. Het nummer staat zelfs in de Radio 2 top 2000; in 1999 nog op nr. 159, maar inmiddels (2023) gezakt tot nummer 800. Die laatste notering is nog steeds bijzonder, want ik kan me uit de afgelopen dertig jaar geen moment herinneren dat ik Tubular Bells op de radio hoorde.
Uit Wikipedia blijkt ook dat Oldfield sinds de jaren '70 niet stil heeft gezeten, maar ik moet toch constateren dat niet alleen het hoofdbestanddeel van zijn oeuvre vergeten is, maar dat ook zijn producten uit latere tijd grotendeels door de media zijn genegeerd.

Inmiddels is een deel van de popmuziek uit de jaren '60 en '70 'klassiek' geworden. De stemmen die in dezelfde periode verklaarden dat al dat modieuze gedoe vijftig jaar later vergeten zou zijn, hebben geen gelijk gekregen. Het lijkt er ook op dat de liefde voor de muziek uit deze periode niet uitsterft met de generatie die er destijds naar luisterde. De jeugd van tegenwoordig heeft de platenverzameling van hun ouders ontdekt en treft daar van alles aan dat ook bij hen in de smaak valt.
Waarmee we terug zijn bij de vraag die ik aan het begin van dit stukje stelde: kennen de millenials Mike Oldfield en zijn muziek nog? 
Misschien zijn het er meer dan we weten. Nu (pop-)muziek vooral het domein van Spotify en aanverwante bedrijven is geworden, lijken de diverse muziekculturen zich, juist in dit informatie-tijdperk, steeds meer in het verborgene op te houden.
Er zijn inmiddels ontelbare bands waarvan ik nog nooit heb gehoord, maar die, als je er dan op een onbewaakt moment wèl wat van ziet, een enorme fanbase blijken te hebben.
Daarnaast worden sommige genres nieuw leven ingeblazen, terwijl de liefhebbers daarvan nauwelijks een idee lijken te hebben van het feit dat er niks nieuws onder de zon is.
De cultuurredactie van de Volkskrant verklaarde het album False Lankum van de band Lankum tot het beste album van 2023, en nu ik er even op googel, zie ik dat zelfs de Guardian tot dezelfde conclusie kwam.
Na het beluisteren van wat nummers van de band moet ik vaststellen dat de muziek van Lankum tamelijk traditioneel uitgevoerde Ierse volksmuziek is. Zij het dat de band een voorkeur lijkt te hebben voor de morbide kant van het genre. Aan de muziek is weinig vernieuwends te ontdekken, en ook weinig dat uniek is.
Het gekke is dat er in de jaren '70 tal van bands waren, die puur dreven op min of meer genietbaar gemaakte Ierse volksmuziek. Groepen als Planxty, The Bothy Band en (iets gladder) Clannad waren in beperkte kring beroemd, maar niet bepaald mainstream.
Des te verbazingwekkender is het dat een album als False Lankum nu ineens top-of-the-bill is.

Maar goed; waar had ik het ook alweer over? Oh ja, Mike Oldfield..
Laat ik maar afsluiten met de conclusie dat Oldfield's muziek uniek was. Er is nooit een stroming in de hedendaagse (pop-) muziek ontstaan waarin zijn composities pasten. Latere genres als ambient kennen veel minder tempo- en dynamiekwisselingen en in het lijstje van ambient-artiesten dat Wikipedia presenteert, komt Oldfield dan ook niet voor.
De muziek, bijna vijftig jaar oud inmiddels, is wat mij betreft volledig overeind gebleven. Ik vind het nog even mooi als destijds. Vooral Ommadawn*, met z'n Afrikaanse drums en het kinderlijke liedje On Horseback* is atmosferisch als geen andere muziek uit de jaren zeventig. Er zit zelfs een stukje uileann pipes in. De muziek van Oldfield heeft ook iets onmiskenbaar Keltisch; er horen beelden bij uit een lang vervlogen verleden.

Misschien moet Radio 4, dat inmiddels NPO Klassiek heet en dat, toen het nog z'n oude naam had, ook het één en ander aan wereldmuziek liet horen, maar eens wat aandacht aan Oldfield besteden.

*) De link opent Ommadawn (Part Two) als mp3.






donderdag 7 september 2023

Passanten 5: Dirk





















Mijn LP's, die ik nog steeds heb, zijn grotendeels binnen een spanne van enkele jaren, ongeveer vier decennia geleden, aangeschaft. De tijd waarin ik mijn dienstplicht vervulde viel ook in die periode, en ik kan me herinneren dat mijn soldij, die destijds ongeveer gelijk was aan het minimumloon voor een jongere van mijn leeftijd, bijna helemaal op ging aan bier en grammofoonplaten.
Het was de tijd dat allerlei alternatieve platenzaken hun deuren openden. De eigenaren betrokken hun platen niet meer van de gevestigde distributeurs en importeurs, maar importeerden ze zelf, al dan niet via buitenlandse grossiers . Door het uitschakelen van wat tussenhandel waren hun platen ongeveer 25 % goedkoper dan die van de 'normale' muziekwinkels.
Destijds woonde ik nog in Zwijndrecht, mijn geboorteplaats, maar platen kocht ik in Dordt, aan de andere kant van de Oude Maas. Aanvankelijk bij De Bengel op de Voorstraat. Dat was een combinatie van een boekhandel en een platenzaak. Ik kocht er bijvoorbeeld ook De Hobbit en In de ban van de Ring, boeken die je in de jaren zeventig gelezen moest hebben.
De Bengel bestaat nog steeds, hoewel ie is verhuisd naar de Vriesestraat en het nu alleen een boekhandel is.

Kort na De Bengel opende in Dordt een andere alternatieve platenwinkel zijn deuren; in de Spuistraat vestigde zich Simpele Fons. De naam was ontleend aan de dorpsgek die figureert in Merijntje Gijzen van A.M. de Jong. De televisieserie naar het boek speelde in dezelfde tijd. De uitbater van de winkel was Dirk van der Lee. 
Dirk was quite a character. Hij had een permanent air van nonchalance om zich heen hangen. In één van zijn mondhoeken hing meestal een sigaret. Geen sjekkie maar een Benson&Hedges. Hij monteerde platenspelers op hun kant tegen de muur en manipuleerde de instelling van het contragewicht aan de arm met het element net zo lang totdat de platenspeler normaal zijn werk deed, ook al stond ie op z'n kant. 
Dirk had had een zekere aantrekkingskracht op jonge jongens, waarvan er altijd als ik er kwam wel één of twee rondliepen. Ze verrichten allerlei hand- en spandiensten voor hem. Hoe ver dat ging is mij nooit duidelijk geworden. Achteraf denk ik dat Dirk misschien ook pedofiel was. Maar in die tijd maakte nog niemand zich daar erg druk om.

Dirk voedde zijn jonge klanten echter ook op. Hij had een brede, maar wel uitgesproken smaak, als het om muziek ging. Muziek die hem niet beviel werd afgedaan met: "je moet niet naar die teringzooi luisteren; daar word je doof van!" of: "wil je dat ècht kopen? Ik heb ook èchte muziek, hoor!" Wie na lang zoeken uiteindelijk niks kocht, kreeg bij het verlaten van de winkel meestal ook een veeg uit de pan.

Anderzijds was Dirk goed op de hoogte van de smaak van zijn vaste klanten. Zelf was ik destijds vooral een folk-liefhebber en hoewel ik vermoedde dat dit genre enigszins buiten Dirk's persoonlijke scope viel, zei hij elke keer als ik er binnenkwam: "Je moet even in die doos kijken, dat is nieuw, misschien staat er nog wat voor je tussen". En vaak was dat dan ook het geval.
Het schijnt dat zelfs Ruud Gullit, die toen nog bij Feyenoord voetbalde en een groot liefhebber van reggae was, naar Simpele Fons kwam omdat Dirk weer wat bijzonders had.

Ik weet niet meer precies hoe en wanneer ik Dirk uit het oog verloor. 
In de tweede helft van de jaren tachtig verhuisde ik naar Delft  en kocht ik sowieso veel minder platen dan daarvoor.
Toen ik tien jaar later in Dordrecht kwam wonen, bestond Simpele Fons niet meer en pas veel later kwam ik erachter dat Dirk niet meer onder de levenden was. Hij had vanwege gezondheidsproblemen zijn zaak verkocht en was, wanneer precies heb ik nooit kunnen achterhalen, overleden.
 
Waarmee ook Dirk een passant in mijn leven was geworden.

dinsdag 26 januari 2021

Town with no cheer


 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Er is nog een muzikale held die ik pas laat op het spoor kwam. Nou ja; al jaren voor ik de eerste CD van hem kocht had ik al een nummer van hem gehoord, dat toen kennelijk als enige lied van hem de moeite waard werd geacht om het af en toe op de radio ten gehore te brengen.The piano has been drinking (not me) kende ik dus al. 
Misschien weet de lezer die een béétje woke is nu al over wie dit stukje gaat. Voor wie dat niet is (en dat is in genen dele een diskwalificatie, begrijp mij goed), het gaat over Tom Waits. 
Waits was, net als Joni Mitchell, een van de artiesten die al jaren actief waren toen ik in de tweede helft van de jaren '90 eindelijk cd's van hen begon te kopen. Waarom ik daar toen pas mee begon (de cd was er al sinds 1983) is een verhaal op zich, waarmee ik u voorlopig nog even niet vermoei.

De muziek van Tom Waits is altijd een buitenbeentje gebleven in het scala van genre's en stijlen die de laatste vijftig jaar aan muziek hebben voortgebracht. Ik schrijf bewust 'muziek', omdat popmuziek, als onderscheiding van moderne klassieke en andere muziek, in het geval van Waits een vlag is die lading niet dekt. 
Dat geldt overigens vooral voor wat hij vanaf de vroege jaren '80 maakte. Zijn eerste albums zou je namelijk min of meer jazz kunnen noemen. Hoewel de Eagles in 1974 een door hem geschreven song op hun album On the border zetten, en hij in dezelfde periode optrad als voorprogramma bij een tournee van Frank Zappa.
 
Vanaf het moment dat hij hij trouwde met Kathleen Brennan ging het roer echter radicaal om. Zijn vrouw liet hem de muziek van Captain Beefheart horen en het eerste album dat hij na zijn huwelijk uitbracht was meteen één van zijn beste. Brennan is altijd op de achtergrond gebleven, maar naar verluidt komt veel van wat Waits sinds die tijd maakte voort uit een innige samenwerking tussen man en vrouw. Ze bracht Waits daarnaast een stabiel gezinsleven (ze zijn nog steeds samen), maar de muziek, daarentegen, werd een stuk avontuurlijker.
Dat eerste album na zijn trouwen heet Swordfishtrombones (één woord) en kent vele hoogtepunten. Ik licht er één uit. 
 
Town with no cheer begint als een klein soundscape. Iets schommelt in de wind en raakt daarbij iets hards. Misschien een uithangbord dat ergens tegenaan tikt. Een desolate sfeer, die verschuift naar melancholie door het geluid van een doedelzak, dat langzaam aanzwelt en na een paar seconden weer verdwijnt, samen met het eerdere getik.
Begeleid door een electrische piano begint Waits te zingen, hoewel dat laatste bij hem een groot woord is. Het is een soort declameren waarbij min of meer toon word gehouden. Na de eerste zin blijkt er nog een orgeltje mee te spelen dat een eigen melodische lijn volgt en dat, meer nog dan de piano-accoorden, een ongelofelijke melancholie opwekt. Eén en ander, in combinatie met Waits' rokerige stemgeluid, blijkt naadloos te passen op de tekst:

Well it's hotter 'n blazes and all the long faces
There'll be no oasis for a dry local grazier
There'll be no refreshment for a thirsty jackaroo
From Melbourne to Adelaide on the Overlander
With newfangled buffet cars and faster locomotives
The train stopped in Serviceton
Less and less often
There's nothing sadder than a town with no cheer
Vic rail decided the canteen was no longer necessary here
No spirits, no bilgewater and 80 dry locals
And the high noon sun beats a hundred and four
There's a hummingbird
Trapped in a closed down shoe store
This tiny victorian rhubarb
Kept the watering hole open for sixty five years
Now it's boilin' in a miserable march 21st
Wrapped the hills in a blanket
Of patterson's curse
The train smokes down the xylophone
There'll be no stopping here
All ya can be is thirsty in a town with no cheer
No bourbon, no branchwater
Though the townspeople here
Fought her vic rail decree tooth and nail
Now it's boilin' in a miserable march 21st
Wrapped the hills in a blanket
Of patterson's curse
The train smokes down the xylophone
There'll be no stopping here
All ya can be is thirsty in a town with no cheer
 
Tekst en muziek vormen bij bijna elke track op het album een onverslaanbare combinatie. Het zijn stuk voor stuk prachtige en tegelijkertijd droevige, hilarische of onheilspellende verhaaltjes. Die je in sommige gevallen trouwens rustig verhalen kunt noemen. 
Waits heeft sindsdien nog vele albums gemaakt. Meestal goede, naar mijn idee. Maar Swordfishtrombones is en blijft een hoogtepunt.
 
Het Serviceton uit de liedtekst is overigens geen verzinsel van Waits. Het bestaat ècht en het had volgens wikipedia 120 inwoners in 2016; sinds de jaren '80 zijn er dus 40 bijgekomen. De trein stopt  er overigens nog steeds niet. Paterson's curse is op het eerste gezicht een aardige wilde plant met blauwe bloemen, maar staat in Australie bekend als een ongenadige woekeraar, die allerlei andere begroeiing het leven onmogelijk maakt.
De foto bovenaan dit stukje toont het station uit het lied. Een link naar de cd-versievan Town with no cheer vindt u hier.