Posts tonen met het label Verenigd Koninkrijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verenigd Koninkrijk. Alle posts tonen

maandag 2 december 2024

T.E. Lawrence




Een paar dagen geleden had ik de gelegenheid om de film Lawrence of Arabia van David Lean te bekijken. 
Opgenomen van televisiekanaal ONS, dat naar eigen zeggen grossiert in "De mooiste nostalgische programma's". En inderdaad; het kanaal presenteert nogal eens films uit een tamelijk ver verleden.
Lawrence of Arabia werd uitgebracht in 1962 en wordt heden ten dage nog steeds beschouwd als een klassieke film. Een andere film van David Lean, Doctor. Zhivago (1965) is misschien nog beroemder, maar iedereen die in de jaren zestig zijn tienerjaren beleefde, heeft ooit van Lawrence of Arabia gehoord.
Zelf was ik nog maar negen jaar oud toen de film in roulatie kwam. Op die leeftijd kwam ik nog niet in bioscopen. Hij zal vast eerder op de televisie zijn geweest, maar ik kan me zo'n gelegenheid niet herinneren. Voor m'n gevoel zag ik de film voor de eerste keer. 
Desondanks was ik wel min of meer op de hoogte van wie T.E. Lawrence was, en welke rol in de geschiedenis hij had gespeeld.

Lawrence of Arabia is, bijna twee-en-zestig jaar na zijn premiére, wat mij betreft nog steeds een genoegen om naar te kijken. De film doet niet gedateerd aan.
Los van het avonturen- en oorlogsverhaal, wat de film ook is, en de spectaculaire, massale actie-scènes, kent hij ook een zekere gelaagdheid. Het personage Lawrence krijgt diepte. Zijn mentale toestand lijkt in de loop van de film heen-en-weer te slingeren tussen risicovolle dadendrang en depressieve hopeloosheid. Niet direct het gedrag van de archetypische Action Hero
Lawrence had al de nodige tijd in de Arabische wereld doorgebracht voor de Eerste Wereldoorlog begon, het tijdsgewricht waarin de film zich afspeelt. 
Als kind had hij al een grote belangstelling voor geschiedenis en dan met name de middeleeuwen. Via een studie van de kruistochten raakte hij ook steeds meer geboeid door het Midden-Oosten en de Arabische cultuur. Na een academische studie werkte hij, net voor het uitbreken van de eerste wereldoorlog, als archeoloog in Syrië en Irak.
De eerste volledige biografie van Lawrence moet ik nog lezen, maar op het Engelstalige Wikipedia is al een uitgebreide beschrijving van de man en zijn leven te vinden. De complexiteit van zijn karakter komt in de film goed tot uiting. Het is één van de dingen die de film, zoveel jaar na dato, nog steeds de moeite waard maken. 

Zo is er bijvoorbeeld de dubbelzinnige verhouding met geweld, die de hoofdpersoon op diverse momenten in de film laat zien. Enerzijds verafschuwd Lawrence het doden van mensen, maar als een dreigende vete tussen twee Arabische stammen moet worden bezworen, schiet hij, na enige aarzeling, de aanstichter van die vete, die een moord op zijn geweten heeft, zonder meer dood en voldoet daarmee aan de Arabische mores. Later in de film komt die daad weer ter sprake en bekent Lawrence dat het doden van de moordenaar hem genoegen deed. 
Op een ander moment in de film stuit zijn Arabische guerilla-strijdmacht op een door de Turken uitgemoord Arabisch dorp. Zijn leger, dat zich op paarden en kamelen snel kan verplaatsen, zet de achtervolging in op de verantwoordelijke Turkse colonne. Als die is achterhaald, is er weer die aarzeling, maar als één van de Arabieren zijn ongeduld niet langer kan bedwingen, in zijn eentje te paard en met geheven kromzwaard op de Turken afstormt, en door hen wordt neergeschoten, gaat ook bij Lawrence de knop om en doet hij naar hartelust, zo lijkt het, mee aan het afslachten van de Turken.
Op zeker moment waagt Lawrence zich, met slechts één medestrijder, in de door Turken bezette stad Dehra. Hij wordt door de Turken opgepakt en door hen gemarteld en verkracht. Dat laatste wordt in de film niet expliciet getoond, maar de suggestie is er wel. Daarna gooien de Turken hem weer op straat, maar hij is onmiskenbaar geknakt door de vernedering
en zinkt, zij het tijdelijk, weg in een zwaar depressieve stemming.

Dat alles neemt niet weg dat Lawrence zich op het Arabische sub-continent als een vis in het water voelt. Hij begrijpt de Arabieren en hun cultuur en vindt in de woestijn een geestelijke rust die bijna boeddhistisch aandoet. Als hem in de film door een op sensatie beluste Amerikaanse journalist wordt gevraagd wat hem aantrekt in het leven in de woestijn, antwoordt hij: "omdat zij schoon is".

De gelaagdheid, waarover ik eerder sprak, gaat nog wat verder dan de wisselende stemmingen van de hoofdpersoon en zijn liefde voor Arabië en de Arabieren. 
Ook wie de film met hedendaagse ogen bekijkt, zal opmerken dat Lawrence in de film, in zijn uiterlijk en gedrag, androgyne eigenschappen vertoont. Hij heeft, zoals hij door Peter O'Toole wordt gespeeld, zekere vrouwelijke trekjes. 
Voor de hoofdrolspeler  was Lawrence of Arabia de rol waarmee hij internationale bekendheid verwierf. O'Tool had hemelsblauwe ogen en blond haar en vergeleken met foto's van de echte Lawrence kan een zekere overeenkomst in uiterlijk niet worden ontkend.
In andere rollen was O'Toole een archetypische 'mannelijke' man, zoals hij bijvoorbeeld liet zien in de film Beckett uit 1964, waarin hij en Richard Burton de hoofdrollen vervulden.
Dat vrouwelijke van Lawrence in de film was dus gespeelde vrouwelijkheid; iets dat regisseur en acteur bewust deel van de persoonlijkheid van Lawrence wilden maken.
Dat idee kwam niet uit de lucht vallen. 
Het Wikipedia-lemma over T.E. Lawrence spreekt er niet over, maar wie verder zoekt op internet, komt erachter dat diverse biografen in de loop der jaren het vermoeden hebben geuit dat Lawrence homoseksueel was. De film suggereert iets dergelijks door de manier waarop de hoofdpersoon over het voetlicht wordt gebracht.. 
Wat voor een film uit 1962 opmerkelijk mag worden genoemd. Homoseksualiteit was in het Engeland van dat jaar nog strafbaar.
Uit de diverse biografieën blijkt overigens ook dat Lawrence nooit een liefdesrelatie van betekenis heeft gehad met een man, noch met een vrouw. 
Het idee van zijn afwijkende sexualiteit gaat echter nog wat verder dan alleen het vermoeden dat Lawrence gay was
Er is niet alleen veel òver Lawrence geschreven; hij schreef zelf ook. Zijn bekendste boek is The Seven Pillars of Wisdom. Daaruit komt het volgende  citaat:

"The Arab was by nature continent; and the use of universal marriage had nearly abolished irregular courses in his tribes. The public women of the rare settlement we encountered in our months of wandering would have been nothing to our numbers, even had their raddled meat been palatable to a man of healthy parts. In horror of such sordid commerce our youths began indifferently to slake one another’s few needs in their own clean bodies — a cold convenience that, by comparison, seemed sexless and even pure. Later, some began to justify this sterile process, and swore that friends quivering together in the yielding sand with intimate hot limbs in supreme embrace, found there hidden in the darkness a sensual co-efficient of the mental passion which was welding our souls and spirits in one flaming effort. Several, thirsting to punish appetites they could not wholly prevent, took a savage pride in degrading the body, and offered themselves fiercely in any habit which promised physical pain or filth.

De tekst bevat niet alleen de suggestie van homoseksualiteit, maar bevat ook een hint naar sado-masochisme. En ook voor dat laatste hebben de biografen aanwijzingen gevonden.

Hoewel de film de bovenstaande suggesties doet, draait de kern van het verhaal om een heel andere geschiedenis.
T.E. Lawrence kreeg, op grond van zijn kennis van de Arabische cultuur, de opdracht een Arabische opstand tegen de Turken te organiseren en te leiden. Dat gebeurde onder de belofte aan de Arabieren dat zij, na het verdrijven van de Turken, die een groot deel van het Midden-Oosten hadden gekoloniseerd, een eigen Arabische staat zouden krijgen.
Toen uiteindelijk de eerste wereldoorlog op z'n eind liep en de Turken inderdaad waren verslagen, werd deze belofte door de nieuwe koloniale machten Engeland en Frankrijk geschonden. Frankrijk kreeg Libanon en Syrië; Engeland kreeg Palestina, en wat nu Jordanië en Irak is.
Officieel werden dit protectoraten, maar in essentie hadden de genoemde westerse landen de macht en bepaalden zij wat wèl en niet kon in deze gebieden. Jordanië en Irak kregen een koning, maar Palestina kwam rechtstreeks onder Brits bestuur..Uit dit gegeven kwam ook de zogenaamde Balfour Declaration uit 1917 voort, waarin de Britten aangaven dat Palesitna deels bestemd was om als 'thuisland' te gaan dienen voor de Joden. De verklaring gaf het Zionisme (het streven naar een Joodse staat), dat al sinds het eind van de 19e eeuw bestond, een grote impuls. Al voor de tweede wereldoorlog trokken Joden, vooral uit Oost-Europa en Rusland, waar pogroms een regelmatig optredend verschijnsel waren, naar Palestina.
De mensen die al voor 1917 in Palestina woonden en die voor het merendeel moslims en voor een kleiner deel christenen waren, konden de Balfour-verklaring niet waarderen. 
Direct na de Holocaust nam de trek van Joden naar Palestina dusdanige vormen aan, dat zelfs de Britten zich zorgen gingen maken. Het Midden Oosten bestond inmiddels uit onafhankelijk staten en de Britten waren zéér afhankelijk van Arabische olie. Het oorspronkelijke Britse idee over een thuisland voor de Joden werd in tweede instantie een blok aan hun been, omdat de volledige Arabische wereld tegen zo'n Joods thuisland was.
De Britten probeerden, in reactie daarop, de Joodse immigratie in Palestina een halt toe te roepen maar het hek bleek van de dam. Het Verenigd Koninkrijk vroeg de Verenigde naties een plan op te stellen voor de verdeling van Palestina tussen Arabieren en Joden. Op 14 mei 1948 werd de staat Israël uitgeroepen.

De rest is, zoals het gevleugelde woord luidt, geschiedenis.
Maar voor wie zich afvraagt waar de Arabisch-Islamitische weerzin tegen het Westen zijn wortels heeft, kan dit verhaal misschien een deel van het antwoord zijn.


zondag 14 januari 2024

Mike Oldfield


















Zoals die dingen gaan: kort geleden, tijdens een YouTube-binge, zoals ik er in dit vreemde tijdsgewricht nogal eens één heb, stuitte ik ineens op een BBC-documentaire over Mike Oldfield. Een golf van herinneringen en nostalgie overspoelde me en voor ik het wist had ik de CD's van het meest belangwekkende deel van Oldfield's oeuvre besteld bij Bol.com. 
 
Mike Oldfield. Wie van de millenial-generatie zou die naam nog kennen?
Ik weet zelf niet meer precies hoe mijn kennismaking met Oldfields muziek in z'n werk ging. Bij het doorscharrelen van mijn LP-collectie bleek ik Hergest Ridge ooit op vinyl te hebben aangeschaft. Op de linkerbovenhoek van de hoes staat in een witte band, onder 45 graden, de tekst "THE NEW MIKE OLDFIELD". Op de rechterbovenhoek zit een smal, langwerpig stickertje met het handgeschreven nummer "3462". Dat zegt verder niemand iets, maar voor mij maakt het duidelijk dat ik de plaat heb aangeschaft bij De Bengel in Dordrecht. Daar voorzag men de platen die men verkocht op die manier van een merkje. Kennelijk was het nummer 3462 in hun catalogus. "Destijds" was in dit geval hoogstwaarschijnlijk 1974, het jaar waarin Hergest Ridge werd uitgebracht. 
De andere twee hoofdwerken van Mike Oldfield, zo mogen we Tubular Bells en Ommadawn in zijn geval wel noemen, denk ik, heb ik nooit gekocht. Ik heb ze in diezelfde periode opgenomen op band, na de platen van een vriend te hebben geleend. Die banden zijn echter al vele jaren geleden, samen met de het apparaat waarmee ze waren opgenomen, afgeleverd bij het gemeentelijke afval-brengstation, wat ik in dit geval een mooier woord vind dan 'vuilstort', de naam die ik meestal gebruikte toen ik er puin en sloophout uit mijn huis naartoe bracht.

In de BBC-documentaire zien we Oldfield en de mensen die hem kennen hun verhaal vertellen. Zijn jeugd, die sterk getekend werd door zijn geestelijke labiele moeder, die uiteindelijk aan haar medicijnen verslaafd raakte, had z'n weerslag; ook in zijn latere leven. Mike trok zich terug op zichzelf en werd een begenadigd gitarist. De Oldfield die we zien vertellen ziet eruit als de gemiddelde, welgedane zestig-plusser, maar begin jaren zeventig was Oldfield zelf ook een geestelijk wrak. Naast de doorleefde ellende in zijn jeugd schijnt ook LSD-gebruik daar een rol in te hebben gespeeld.
Na een duo te hebben gevormd met zijn zus en een korte periode in de band van Kevin Ayers, werkte Oldfield als sessie-gitarist. In die hoedanigheid kwam hij op zeker moment in de toen gloednieuwe Manor studio's van Richard Branson terecht. Hij had al een deel van Tubular Bells als demo opgenomen  en wist die via de opnametechnicus van The Manor onder de aandacht van Branson te brengen. Die liep op dat moment rond met het plan een platenlabel op te richten. Oldfield kreeg van Branson een week gratis studiotijd. Na wat vijven en zessen werd Tubular Bells zo het eerste album dat op het Virgin label werd uitgebracht. 
De buisklokken uit de titel van het album kwamen op een vrij toevallige manier in het stuk terecht. Ze waren gebruikt bij een andere opname in The Manor en Oldfield zag ze toen ze op het punt stonden de studio weer te verlaten. Hij kreeg gedaan dat ze nog even bleven om te worden gebruikt bij zijn eigen opnames. Een andere toevalligheid was dat de Bonzo Dog Doo-dah Band de studio zou gebruiken nadat Oldfield daar de opnames van Tubular Bells had afgerond. Zo werd Vivian Stanshall de man die tegen het eind van het stuk de instrumenten voorstelt.

Voor iemand die nog nooit echt naar klassieke muziek had geluisterd, zoals ik in die tijd, viel de muziek van Tubular Bells met niets te vergelijken. Er waren vóór dat album door popgroepen al nummers opgenomen die een hele LP-kant besloegen en daarbij voor een groot deel instrumentaal waren. Op het album Meddle van Pink Floyd bijvoorbeeld, besloeg het nummer Echoes de hele tweede kant van de LP. Het duurde ruim drieëntwintig minuten. Maar in Echoes wordt de sfeer en de beelden die bij de luisteraar opkomen nog mede bepaald door gezongen tekst.
Tubular Bells was echter volledig instrumentaal. Op de onverstaanbare tekst van de Piltdown Man, die ergens halverwege kant twee zijn onverstaanbare holbewonerstaal laat horen, na. Die Piltdown man roept overigens weer associaties op met een andere prehistorische bewoner van de Britse Eilanden op; de wildeman die brult in Several Species of Small Furry Animals Gathered Together in a Cave and Grooving with a Pict, dat Pink Floyd opnam op het album Ummagumma. Die Pict heeft overigens een duidelijk Schots accent. 

Tijdens mijn diensttijd bij de 76 ZauCie (de 76ste Ziekenauto Compagnie) werd er op de legeringskamer van mijn peloton altijd muziek gedraaid. Ons groepje bestond uit mensen met een verscheidenheid van smaak en de muziek varieërde derhalve van Fairport Convention, via Jethro Tull, The Who, Emerson, Lake en Palmer en Pink Floyd tot, inderdaad, Mike Oldfield. Op zeker moment merkte één van mijn mede-dienstplichtigen zelfs op dat hij het "verliefde muziek" vond. 
Nog niet eens zo'n vreemde opmerking, want verliefdheid leidt, zeker in de beginfase, nogal eens tot aanzienlijke stemmingswisselingen. En Oldfield's muziek kenmerkt zich door tempowisselingen en verschillen in dynamiek. 

Ondertussen is Mike Oldfield een min of meer vergeten artiest. 
De enige producten uit zijn koker die zo nu en dan nog wel eens te horen zijn op de radio, zijn de liedjes die hij op single uitbracht met de zangeres Maggie Reilly. Met name Moonlight Shadow en To France. 
Natuurlijk heb ik bij het schrijven van dit stukje even Wikipedia geraadpleegd. 
Er blijkt wel degelijk een single te zijn uitgebracht van Tubular Bells. Het nummer staat zelfs in de Radio 2 top 2000; in 1999 nog op nr. 159, maar inmiddels (2023) gezakt tot nummer 800. Die laatste notering is nog steeds bijzonder, want ik kan me uit de afgelopen dertig jaar geen moment herinneren dat ik Tubular Bells op de radio hoorde.
Uit Wikipedia blijkt ook dat Oldfield sinds de jaren '70 niet stil heeft gezeten, maar ik moet toch constateren dat niet alleen het hoofdbestanddeel van zijn oeuvre vergeten is, maar dat ook zijn producten uit latere tijd grotendeels door de media zijn genegeerd.

Inmiddels is een deel van de popmuziek uit de jaren '60 en '70 'klassiek' geworden. De stemmen die in dezelfde periode verklaarden dat al dat modieuze gedoe vijftig jaar later vergeten zou zijn, hebben geen gelijk gekregen. Het lijkt er ook op dat de liefde voor de muziek uit deze periode niet uitsterft met de generatie die er destijds naar luisterde. De jeugd van tegenwoordig heeft de platenverzameling van hun ouders ontdekt en treft daar van alles aan dat ook bij hen in de smaak valt.
Waarmee we terug zijn bij de vraag die ik aan het begin van dit stukje stelde: kennen de millenials Mike Oldfield en zijn muziek nog? 
Misschien zijn het er meer dan we weten. Nu (pop-)muziek vooral het domein van Spotify en aanverwante bedrijven is geworden, lijken de diverse muziekculturen zich, juist in dit informatie-tijdperk, steeds meer in het verborgene op te houden.
Er zijn inmiddels ontelbare bands waarvan ik nog nooit heb gehoord, maar die, als je er dan op een onbewaakt moment wèl wat van ziet, een enorme fanbase blijken te hebben.
Daarnaast worden sommige genres nieuw leven ingeblazen, terwijl de liefhebbers daarvan nauwelijks een idee lijken te hebben van het feit dat er niks nieuws onder de zon is.
De cultuurredactie van de Volkskrant verklaarde het album False Lankum van de band Lankum tot het beste album van 2023, en nu ik er even op googel, zie ik dat zelfs de Guardian tot dezelfde conclusie kwam.
Na het beluisteren van wat nummers van de band moet ik vaststellen dat de muziek van Lankum tamelijk traditioneel uitgevoerde Ierse volksmuziek is. Zij het dat de band een voorkeur lijkt te hebben voor de morbide kant van het genre. Aan de muziek is weinig vernieuwends te ontdekken, en ook weinig dat uniek is.
Het gekke is dat er in de jaren '70 tal van bands waren, die puur dreven op min of meer genietbaar gemaakte Ierse volksmuziek. Groepen als Planxty, The Bothy Band en (iets gladder) Clannad waren in beperkte kring beroemd, maar niet bepaald mainstream.
Des te verbazingwekkender is het dat een album als False Lankum nu ineens top-of-the-bill is.

Maar goed; waar had ik het ook alweer over? Oh ja, Mike Oldfield..
Laat ik maar afsluiten met de conclusie dat Oldfield's muziek uniek was. Er is nooit een stroming in de hedendaagse (pop-) muziek ontstaan waarin zijn composities pasten. Latere genres als ambient kennen veel minder tempo- en dynamiekwisselingen en in het lijstje van ambient-artiesten dat Wikipedia presenteert, komt Oldfield dan ook niet voor.
De muziek, bijna vijftig jaar oud inmiddels, is wat mij betreft volledig overeind gebleven. Ik vind het nog even mooi als destijds. Vooral Ommadawn*, met z'n Afrikaanse drums en het kinderlijke liedje On Horseback* is atmosferisch als geen andere muziek uit de jaren zeventig. Er zit zelfs een stukje uileann pipes in. De muziek van Oldfield heeft ook iets onmiskenbaar Keltisch; er horen beelden bij uit een lang vervlogen verleden.

Misschien moet Radio 4, dat inmiddels NPO Klassiek heet en dat, toen het nog z'n oude naam had, ook het één en ander aan wereldmuziek liet horen, maar eens wat aandacht aan Oldfield besteden.

*) De link opent Ommadawn (Part Two) als mp3.






woensdag 29 september 2021

De foto's en het verhaal erachter

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Harold Arthur Cooper Bird-Wilson was een geluksvogel. 
Niet alleen werd hij geboren met een dubbele achternaam, iets waarmee je in Engeland meteen tot de upper classes wordt gerekend; ook in zijn latere leven zou het lot hem op cruciale momenten goed gezind zijn.
Zijn vader was theeplanter in Bengalen, waardoor hij de eerste jaren van zijn leven in het toenmalige Brits-Indië doorbracht. Terwijl zijn ouders in India bleven, stuurden ze hem op vierjarige leeftijd, samen met twee oudere zussen naar Engeland. 
Hij bezocht Liverpool College, de oudste Public School in Engeland. Hoewel minder bekend, was de school een equivalent van scholen als Eton en Rugby.
Tijdens vakanties op het eiland Wight zag hij de vliegtuigen die streden om de Schneider Trophy, een luchtrace tussen drijver-vliegtuigen, die in 1929 en 1931 boven de Solent werden gehouden. Het riep bij hem een verlangen wakker om ooit zelf te leren vliegen. 
Toen hij in 1937 zijn opleiding op Liverpool College afrondde, meldde hij zich bij de Royal Air Force. Hij kreeg een short-term commission als Pilot Officer. 
In de loop van zijn opleiding tot vlieger liep het al bijna verkeerd met hem af. Tijdens een oefenvlucht in september 1938 stortte hij in slecht weer neer. Terwijl een mede-inzittende het leven verloor, verloor Bird-Wilson zijn neus. Die overigens door de plastisch chirurg Archibald Mcindoe vakkundig werd gereconstrueerd. Mcindoe zou gedurende de tweede wereldoorlog een zekere faam verwerven vanwege zijn reparaties van beschadigde en gedeeltelijk verbrande vliegers.
Na zijn herstel pakte Bird-Wilson de draad weer op als lid van 17 squadron RAF. Een onderdeel dat bij zijn aankomst nog met tweedekkers vloog, maar in juni 1939 werd uitgerust met Hawker Hurricanes. 

Toen in september 1939 de oorlog uitbrak, veranderde er voor 17 squadron aanvankelijk niet veel. Behalve dat er zo af en toe een Duits verkenningsvliegtuig boven de Britse Eilanden verscheen, liet de vijand, na de bezetting van Polen, weinig van zich horen. Veel gevechtservaring deden de vliegers van Fighter Command niet op. Dat veranderde op 10 mei 1940.

De Duitse invasie van Nederland, België en Frankrijk was net een dag oud. 
Er was veel verwarring, vooral aan geallieerde zijde. Niemand wist wat de actuele situatie was. In Engeland had men begrepen dat de Duitsers met parachutisten en luchtlandingstroepen een aanval op de Nederlandse residentie hadden gedaan. Dat die na de eerste dag al grotendeels mislukt was, wisten ze niet. Daarom baarde het gegeven dat de vijand was doorgedrongen in het hart van de vesting Holland de Britten nog steeds grote zorgen. Het Britse opperbevel deed een oekaze uitgaan. Stuur wat jachtvliegtuigen naar de overkant en laat ze de boel verkennen, de situatie opnemen en tegelijkertijd de vijand zoveel mogelijk afbreuk doen.
Dat was de opdracht die 17 squadron kreeg op de middag van 11 mei. 
Kennelijk waren er meer vliegers dan vliegtuigen, want er werd geloot wie wel en wie niet meegingen. Bird-Wilson trok, tot zijn sjaggerijn, het kortste strootje. Van de nood een deugd makend, pakte hij zijn camera en maakte voor het vertrek foto's.
Daarop zien we vliegers druk in de weer met nagelnieuwe kaarten, die kort daarvoor nog opgerold in de kaartenkamer lagen. 
















 
 
Men bestudeerd het terra incognita dat men zal gaan verkennen. Kort na het maken van de foto zijn die kaarten waarschijnlijk gevouwen tot een formaat waarmee ze in de schacht van een vliegerlaars konden worden gepropt.
De volgende foto toont de eigenlijke hoofdrolspelers in dit verhaal.


















De vlieger die voorover buigt en wiens hoofd door die beweging wat onscherp is afgebeeld, is Pilot Officer George Slee. De jongeman die net langs de fotograaf heen kijkt, is Flight Lieutenant Micheal Donne. Hij lijkt zich er nauwelijks van bewust dat hij wordt gefotografeerd. Zijn gedachten zijn ergens anders. Meer dan waarschijnlijk bij het feit dat het nu ècht gaat gebeuren. 17 squadron gaat op verkenning, maar in de Biggles-verhalen kwalificeerde W.E. Johns dit soort operaties consequent als "op zoek gaan naar moeilijkheden".
En moeilijkheden kreeg 17 squadron, op de namiddag van 11 mei 1940.
 
Ik zal het verhaal kort houden. Wie het volledige relaas van de verkenning en de daarop volgende luchtgevechten met de Luftwaffe wil lezen, googelt maar even, met de voor hand liggende zoektermen.
 
De einduitslag was dat 17 squadron vier vliegers verloor en vijf vliegtuigen.
De eskader-commandant wist met een zwaar beschadigd vliegtuig een noodlanding te maken op een vliegveld bij Antwerpen en keerde een paar dagen later terug naar Engeland. Twee vliegers verlieten per parachute hun vliegtuig en raakten krijgsgevangen. 
George Slee verliet boven 's Gravendeel eveneens zijn Hurricane, maar werd, terwijl hij waarschijnlijk al gewond was, hangend aan zijn parachute beschoten door Nederlandse soldaten. Hij overleed een dag later in een lokale Rode-Kruispost, 27 jaar oud.
Micheal Donne slaagde erin met zijn aangeschoten machine net ten oosten van Numansdorp een buiklanding te maken. Maar ook Donne was niet ongedeerd: een kogel had de pantserplaat, die in de Hurricane deel uitmaakt van de stoel voor de piloot, doorboord en hem zwaar verwond. Ook hij overleed, nog dezelfde dag, 23 jaar oud.
 
Ruim vijfendertig jaar later kom ik, als uitvloeisel van mijn eigen onderzoek naar de luchtoorlog boven de Zuid-Hollandse Eilanden, via de RAF in contact met Harold Bird-Wilson. 
Die is op dat moment nèt een paar jaar met pensioen. Ondanks het gegeven dat hij op 24 september 1940 zelf werd neergeschoten, was hersteld van zijn verwondingen en daarna was blijven vliegen als instructeur en gevechtsvlieger, had hij de oorlog overleefd. Hij was in de RAF gebleven en uiteindelijk geëindigd als Air Vice Marshal
Ik, als broekie van nèt twintig, wisselde een aantal brieven uit met de Air Vice Marshal. Hij bleek in het bezit van een foto-album en stuurde me afdrukken van bovenstaande foto's.

Ze zijn altijd het meest indrukwekkende resultaat van mijn luchtoorlog-research gebleven. 
Ik weet niet meer of ik die foto's nog met mede-onderzoekers heb gedeeld toen ik zelf nog in die zin actief was. Maar het feit dat ik ze had, was in die kringen bekend.
Jaren later, rond 2000, werd ik gebeld door Wim Wüst uit Oud-Beijerland. Hij had iets over die foto's gehoord en hij was bezig met een boek over de luchtoorlog boven de Hoekse Waard.
Zo verschenen ze voor het eerst in een boek.
Daarna zijn ze steeds wijder verspreid geraakt. De kans is groot dat u, na googelen met het nummer van het eskader, de datum 11 mei 1940 en de namen Donne en Slee, behalve het volledige verhaal ook deze foto's aantreft. Met allerlei bronvermeldingen, behalve Harold Bird-Wilson.
 
Dat zal hem misschien weinig hebben gedaan. Hij had zijn leven lang het noodlot kunnen tarten zonder fatale gevolgen en voldeed volledig aan de definitie die W.F.Hermans ooit gaf van een held: iemand die ongestraft onvoorzichtig is geweest. Desondanks zal hij nog vaak hebben gedacht aan de eerste collega's, misschien vrienden, die hem als gevolg van de oorlog ontvielen.
Zelf overleed hij in 2000, op 81-jarige leeftijd. 


De foto boven dit verhaal, gemaakt in augustus 1940, toont een Hurricane en een aantal vliegers van 17 squadron. Bird-Wilson zit op het stabilo van de Hurricane, uiterst links.

zondag 6 december 2020

Natuurbescherming




 

 

 

 

 

 

 

In mijn jeugd was ik een tikkeltje mensenschuw. Als een soort compensatie ontwikkelde zich bij mij vanaf mijn tienerjaren een sterke liefde voor de natuur. Eenmaal buiten de bebouwde kom, wandelend of op de fiets, had ik met de medemens niet zoveel meer te maken en kon ik onbevangen genieten van de omgeving.
Met die mensenschuwheid is het van lieverlee wat minder geworden, maar de liefde voor de natuur is gebleven. Daardoor heb ik de manier, waarop die liefde zich in de rest van de maatschappij ontwikkelde, aardig kunnen volgen.

In 1977 werd ik lid van Natuurmonumenten. 
Rond 1980 had deze vereniging rond de 250.000 leden. Rond 2000 was het ledental gegroeid tot ruim 900.000. Op het hoogtepunt, rond 2005, was bijna het miljoen bereikt. De nationale waardering voor de natuur, en de bescherming daarvan is aan het eind van de vorige eeuw dus sterk gegroeid.
Wat ook in de loop van de jaren zeventig en de decennia daarna doordrong bij grote delen van de Nederlandse bevolking, was de notie dat we in termen van milieu- en natuurbehoud niet bepaald goed bezig waren. Het was onder andere de Club van Rome die ons wat dit betreft met de neus op de feiten drukte. De zure regen, die in de jaren tachtig in de bossen huishield, en voor aanzienlijk boomsterfte zorgde, bevestigde min of meer het gelijk van de Club.
Het lijkt niet al te vergezocht om een verband te vermoeden tussen de ledenaanwas van Natuurmonumenten en de zorg om het milieu.

De vereniging kreeg mede als gevolg van het groeiende ledenaantal steeds meer geld. Ook omdat de overheidssubsidie omhoog ging, naarmate het ledental steeg. Heden-ten-dage komt slechts 30 % van de inkomsten van contributies en legaten. Dat maakte het mogelijk om de zaken steeds grootschaliger aan te pakken. Ik kom daar nog op terug.

Ondertussen werd in de afgelopen twintig jaar duidelijk dat, ondanks de inspanningen van Natuurmonumenten en andere natuurbeschermingsorganisaties, de soortenrijkdom (dat noemen we tegenwoordig bio-diversiteit) bij zowel dieren als planten nog steeds terugloopt. 
De voornaamste oorzaak daarvan is naar mijn idee het feit dat het meeste land buiten de bebouwde gebieden nog steeds intensief gebruikt agrarisch gebied is. Nadat automotoren van een katalysator werden voorzien bleef de boomsterfte uiteindelijk beperkt en verdween het zure regenverhaal naar de achtergrond. Het stikstof-probleem, al noemden we dat ten tijde van de zure regen nog niet zo, was echter nog geen verleden tijd.
De belangstelling voor natuurbescherming is bij de gemiddelde Nederlander in de afgelopen vijftig jaar sterk gegroeid, maar de schaalvergroting en intensivering bij landbouw en veeteelt is eveneens doorgegaan. Dat laatste komt natuurlijk ook omdat een aanzienlijk deel van de leden van Natuurmonumenten, naast hun natuurliefde, ook de liefde voor het consumeren bleven belijden en liefst niet teveel betaalden. Over de vraag wat de werkelijk prijs van ons voedsel was, ten gevolge van die grootschalige landbouw en veeteelt, hoorde je bijna niemand. Een moeilijk punt, want zelf ben ik op dit punt natuurlijk ook niet zonder zonden. Ik denk eigenlijk dat voor veel van die nieuwe natuurliefhebbers het lidmaatschap van Natuurmonumenten ook een soort aflaat was.

Maar er wringt meer, wat mij betreft. 
Al jaren heb ik het gevoel dat Natuurmonumenten teveel een allemansvriend is geworden. De voorzitters van de afgelopen twintig jaar waren bijna allemaal mannen met twee petten. Enerzijds natuurbeschermer, anderzijds captain of industry. De huidige voorzitter, Jeroen Dijsselbloem, is weliswaar lid van de PvdA, maar ik verdenk hem ernstig van neo-liberale sympathieën. Zijn voorganger was Hans Wijers, jarenlang topman bij Akzo-Nobel. Dit soort bestuurders heeft een sterke voorliefde voor wat zij zien als win-win situaties. Onthoudt u dit even.
 
Dat Natuurmonumenten zich steeds meer ging richten op natuur maken in plaats van beschermen,was voor mij een andere bron van frustratie. Eén en ander culmineerde een paar jaar terug in het plan voor de Markerwadden, dat niet alleen een kwestie was van natuur maken, maar ook van een bepaald soort marketing.
 
 

 


 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Nu wil ik niet beweren dat de Markerwadden een nutteloos project zijn, maar in het licht van de problemen die nu, schijnbaar uit het niets, maar in werkelijkheid al sinds de jaren zeventig bekend, door de stikstofproblematiek worden blootgelegd, had het zwaartepunt van de inspanningen van Natuurmonumenten in de afgelopen twintig jaar misschien toch ergens anders moeten liggen. 
Misschien mag het niet worden gezegd, omdat het heel makkelijk als een complottheorie kan worden afgedaan, maar het zou zo maar zo kunnen zijn dat de voorzitters van Natuurmonumenten met zo'n project als de Markerwadden in hun ogen ook op een leuke manier werk-met-werk maken. De weg- en waterbouwsector (onze versie van wat in de VS het militair-industrieel complex wordt genoemd) een leuke klus en tegelijkertijd een natuurgebied erbij.
Alles bij elkaar voelde ik me niet meer echt thuis bij Natuurmonumenten: ik heb vorig jaar mijn lidmaatschap opgezegd.
 
Op veel plaatsen waar het economisch gebruik van grond, volgens de geldende normen en verdienmodellen, niet langer lonend is, wordt deze omgezet in natuurgebied. Niet door de intensieve landbouw en veeteelt te vervangen door een kleinschaliger aanpak, waarbij men ging boeren met meer ruimte voor wilde planten en dieren en minder bemesting, maar door elke vorm van agrarisch mede-gebruik uit te sluiten en het land om te vormen tot een biotoop die weliswaar prima was voor flora en fauna, maar landschappelijk vaak geen vooruitgang, in mijn ogen.
Bovendien wordt er vaak nogal rigoureus ingegrepen ingegrepen in de bodemstructuur. De huidige ecologen zijn veelal van mening dat de bovenste 20 - 30 cm aarde moet worden verwijderd, omdat die teveel meststoffen zou bevatten. Sommige biologen stellen echter dat daarmee ook alle nog in de grond aanwezige zaden voor een groot deel verdwijnen, waardoor de terugkeer van de oorspronkelijke vegetatie juist heel lang op zich laat wachten. Soms komt die, zonder menselijk ingrijpen, helemaal niet meer terug. 
Dat het bevorderen van meer soortenrijkdom misschien beter werkt langs wegen van geleidelijkheid, door bijvoorbeeld te voedselrijke bodems van die overmaat te ontdoen door niet te bemesten, elk jaar te maaien en het gemaaide niet te laten liggen maar af te voeren, is nog niet overal doorgedrongen. Zoals bij alles in de moderne maatschappij moet er ook hier snel resultaat zijn, waardoor soms het kind met het badwater wordt weggegooid.

Meer dan vijfentwintig jaar geleden lanceerde Natuurmonumenten het plan Goudplevier, het eerste van de grootschalige plannen voor natuurherstel, zoals de vereniging die in de afgelopen tientallen jaren in toenemende mate is gaan uitvoeren. De bedoeling van dit plan was  het omvormen tot één groot heidegebied van het Mantingerveld in Drenthe, zodat de Goudplevier er weer zou gaan broeden. Er is sindsdien ook het nodige gebeurd en er is op een aantal deelaspecten vooruitgang geboekt. Ondertussen broedt er echter nog steeds geen enkele Goudplevier.
Sterker nog: zoals ik al eerder in dit stuk schreef: in de afgelopen dertig jaar, parallel aan de groei van Natuurmonumenten en het aantal hectaren natuurgebied, is de bio-diversiteit alleen maar verder achteruit gegaan. Niet alleen in het Mantingerveld, maar in heel Nederland.

Een paradoxaal beeld, dat mij reden lijkt om na te denken over alternatieven.
 
Een tijdje terug las ik het boek De Schotse Marsen van Rory Stewart.
Over Stewart is, naast wat ik hier wil aanhalen, nog veel meer te vertellen, maar ik beperkt me even tot zijn observaties met betrekking tot natuurbeheer, zoals die, overigens zeer terloops, in het boek aan de orde komen. 
Stewart maakt een wandeltocht door het grensgebied tussen Engeland en Schotland. Grote delen van dat gebied worden al eeuwen vrij extensief gebruikt voor het weiden van schapen. Die dieren zorgen een groot deel van het jaar voor zichzelf en blijven in leven door het eten van wat de natuur hen biedt. Sommige dingen eten ze en andere dingen eten ze niet. Grotendeels daardoor is het landschap ontstaan zoals we dat nu zien en zoals het er al honderden jaren ligt.
 

 
 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Maar Stewart komt er behalve schapen, schapenhonden en boeren ook ecologen tegen. De ecologen zijn van mening dat de schapen het landschap aantasten. Zonder schapen zouden er allerlei planten en bomen kunnen groeien die nu geen kans krijgen, omdat de schapen ze opvreten.
Stewart constateert dat cultureel erfgoed, in de vorm van een landschap dat z'n vorm en bestaande kwaliteit ontleent aan extensief (dus niet intensief, zoals bij ons) gebruik als weide, volgens de ecologen moet worden opgeofferd om tot een landschap te komen zoals dat er misschien lag voordat de mens op het toneel verscheen. Misschien, want eigenlijk weet niemand precies wat er gaat ontstaan, als de schapen verdwijnen.
Ik weet niet of u al eens in the Borders, zoals dit gebied in het Verenigd Koninkrijk bekend staat, bent geweest, maar naar mijn idee is het landschappelijk van hoge kwaliteit. Ik zou er niks aan willen veranderen.

Het is duidelijk dat van de totale productie van de Nederlandse agrarische sector het overgrote deel wordt geëxporteerd. Toch is de bijdrage van diezelfde sector aan onze economie, zelfs als we de voedingsmiddelenindustrie die er verder aan vast zit meerekenen, niet veel meer dan 6 %. Als we kijken naar de druk die deze zelfde sector uitoefent op het milieu door haar stikstofuitstoot, dan lijkt mij dat er sprake is van een wanverhouding. 
 
Zou het iets kunnen zijn als de agrarische sector de grond wat minder intensief zou gaan gebruiken, de productie terugschroeft naar wat wij hier in Nederland nodig hebben en dat wij, ontzettende natuurliefhebbers die we zijn, een fatsoenlijke prijs gaan betalen voor het voedsel dat we hier lokaal produceren? 
Extensiever grondgebruik vermindert de noodzaak tot uiterste efficiëntie en laat ruimte voor heggen in plaats van prikkeldraad, voor bomen in een weiland en voor kruidenrijk grasland. Extensief beheerd cultuurland is ook natuur, wat mij betreft. Wie wel eens in Frankrijk of Engeland wandelt in een cultuurlandschap dat bestaat uit een afwisseling van weiland en bouwland in niet te grote percelen gescheiden door heggen van meidoorn en sleedoorn, met kleine stukjes bos en de nodige vrijstaande bomen van een zekere leeftijd, weet wat ik bedoel.
 

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Als dan tenslotte de Nederlandse boeren ophouden met zo kinderachtig te doen over het feit dat er een onverhard openbaar wandelpad over hun grond loopt, wordt Nederland in een halve eeuw weer het wandelparadijs dat in Engeland en Frankrijk nog bestaat, maar hier al heel lang verleden tijd is.
En voor wie vindt dat vijftig jaar te lang duurt: ik ben nu zelf zesenzestig, maar ik weet nog precies hoe het was toen ik zestien was. Vijftig jaar? Het stelt niks voor.

donderdag 8 oktober 2020

Engeland, jaren zeventig

 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Onlangs stond er in de Volkskrant een stukje van hun correspondent in het Verenigd Koninkrijk, Patrick van IJzendoorn. Het handelde over een Britse verworvenheid die tot op heden de tand des tijds heeft doorstaan: het schooluniform. Het verschijnsel blijkt tegenwoordig nog vrijwel even wijd verbreid als het dat was in de jaren zeventig, toen ik en mijn goede vriend T. een paar lange reizen in Groot Brittannië maakten. 
Van IJzendoorn's stukje riep daardoor meteen de nodige herinneringen wakker aan die reizen. Ook aan zaken, waarvan ik vermoed dat ze inmiddels wèl verleden tijd zijn. Hoewel ik dat niet echt goed kan vaststellen, omdat mijn bezoeken aan het perfide Albion sinds de genoemde reizen nooit meer dergelijke vormen hebben aangenomen. Het bleef in latere jaren bij bezoekjes van een week of enkele dagen. Ik heb ondertussen meer tijd doorgebracht in Frankrijk. Ook een land met een rijke cultuur en een prachtige natuur, maar mijn liefde voor Frankrijk is veel minder oud dan de liefde voor het Verenigd Koninkrijk.

Wanneer die liefde voor de Britse eilanden en alles wat ze voortbrachten bij mij precies ontstond, is niet helemaal duidelijk. Het had iets met vliegtuigen te maken, maar dat ik al op vrij jonge leeftijd enige kennis van de Engelse taal verwierf, zal ongetwijfeld ook hebben geholpen. 
Ik kan niet meer nagaan hoe bijzonder het destijds was, maar in het laatste jaar van wat toen nog de Lagere School heette, werd mij de mogelijkheid geboden om na de reguliere school-uren Engelse les te volgen. Mijn ouders, die mij wat opleiding en schoolkeuze betreft nooit iets opgedrongen hebben, vonden het kennelijk een goed idee. Zelf had ik er ook wel zin in. Het was de tijd dat de popmuziek vooral uit Engeland kwam en hoewel ik in 1965 op 11-jarige leeftijd nog geen heel duidelijke muzikale voorkeur had, zal dat er ook wel van invloed zijn geweest. Hoe intensief dat extra onderwijs precies was, kan ik me niet meer herinneren, maar ik weet nog wel dat we er een speciaal leerboekje voor kregen. Het had een relatief klein formaat en was niet zo dik. Het zag er saai uit, met een loodgrijze omslag zonder enig kleuraccent. Meer jaren vijftig dan jaren zestig.
Toch hadden de lessen die ik eruit kreeg effect. Vanaf dat moment kon ik enige chocola maken van niet te ingewikkelde Engelse teksten. Teksten van in die tijd populaire tophits kon ik verstaanbaar meezingen. Het fantasie-Engels, waarmee ik dat tot dan toe deed, was verleden tijd. Ik begon naar de BBC te luisteren en omdat ik op steeds meer fronten in aanraking kwam met dingen die zich in Engeland afspeelden of hadden afgespeeld, groeide de belangstelling voor het eilandenrijk aan de andere kant van de Noordzee, dat hemelsbreed bijna net zo dichtbij was als Duitsland of Frankrijk. Toch leek het exotisch en ver weg.

Op de L.T.S. (zelf vind ik het woord 'ambachtsschool', dat destijds ook wel voor dit schooltype werd gebruikt, mooier) kwam ik T. tegen. Of hij op dat moment ook al iets met Engeland en het Engelse had, weet ik niet meer, maar wat we in ieder geval gemeen hadden was een bepaalde belangstelling voor techniek. Naarmate onze smaak in muziek zich ontwikkelde, bleek ook die aardig overeen te komen. T. ging na de Ambachtsschool aan het werk en ik stroomde door naar de M.T.S. De vriendschap bleef bestaan. 
Steeds vaker hadden we het over een reis naar Engeland en Schotland. Dat laatste kwam onder andere voort uit het feit dat we beiden liefhebbers waren geworden van volksmuziek, en dan speciaal die van Noord-Engeland, Schotland en Ierland.
Na de vervulling van de dienstplicht had ik eindelijk tijd en geld (de soldij voor dienstplichtigen was ongeveer gelijk aan het minimumloon) om een serieuze buitenlandse reis te maken. T. werkte al een paar jaar,  had dus ook geld en wat meer was: hij had een auto.
 In de zomers van 1976 en 1977 toerden we twee keer uitgebreid door de noordelijk helft van het Verenigd Koninkrijk. 
 

 
 
Achteraf is duidelijk geworden dat we Engeland en Schotland zagen aan de vooravond van de Thatcher-jaren. Engeland in de jaren zeventig was een land waar het verval had ingezet. 
Tijdens onze reizen werd onze aandacht echter vooral getrokken door dingen die anders waren dan in Nederland. Op autosnelwegen kon je destijds bijvoorbeeld nog fietsers aantreffen, die gemoedelijk over de vluchtstrook voortpeddelden. 
We sliepen in bed-and-breakfasts. Een accomodatievorm die toen in Nederland nog nauwelijks in die vorm bestond en die het mogelijk maakte voor een bescheiden bedrag een kamer voor één nacht te huren. Zelf koken deden we daardoor niet. We aten 's avonds, eigenlijk ook voor het eerst in ons leven, in een restaurant.Waar we bijna altijd hetzelfde bestelden: sirloin steak met grote groene erwten en patat. Soms namen we genoegen met een Wimpy, de Britse voorloper van McDonalds. Waarschijnlijk waren de tandoori's ook toen al wijdverspreid in Engeland. Dat je daar ook goedkoop en lekker kon eten, ging echter volledig aan ons voorbij. Voornamelijk omdat onze smaak in eten nog veel minder exotisch was dan onze muzieksmaak. Wat in de Engelse restaurants, buiten de eeuwige groene erwten, ook opvallend was: stellen en echtparen gingen nooit tegenover elkaar zitten, maar altijd naast elkaar.

Onze algemene indruk in die tijd was dat Engeland en Schotland goedkoop waren. We sliepen gemiddeld voor een bedrag van rond de 3 pond. De wisselkoers voor één Pound Sterling was in 1976 iets minder dan 5 gulden. Voor 15 gulden per nacht, per persoon waren we dus onderdak en hadden we 's morgens een copieus, want  Brits ontbijt. De prijzen die we in de restaurants betaalden waren vergelijkbaar.

De kwaliteit van die b&b's varieerde overigens wel. Soms sliepen we overduidelijk in een slaapkamer van één van de kinderen van het gezin waar we logeerden, en konden we de daar aanwezige speelgoedverzameling inspecteren. Op andere momenten hadden we een kamer die al een beetje op een hotelkamer begon te lijken, met een wastafel en de mogelijkheid om zelf een kopje thee te zetten. Wat wel duidelijk was: de inkomsten uit het verhuren van één of meer kamers waren bij de meeste van onze adressen méér dan welkom. Men deed het meestal niet puur uit liefhebberij. 
In veel gevallen was de landlady een alleenstaande vrouw. Vaak was ze al wat ouder, maar soms ook wat jonger, zoals mrs. Koefod in Whitley Bay. Ooit was ze getrouwd geweest met een Deense visser. Die was  inmiddels van het toneel verdwenen, maar zijn achternaam had ze gehouden. Omdat mrs. Koefod van een wat jongere generatie was, kon ze ons ook vertellen dat er in Cullercoates een folkclub was. Die we ook inderdaad bezocht hebben.
Voor de oudere dames had het uitbaten van een b&b ook een sociaal aspect. Nadat we aan het eind van de middag onze kamer hadden betrokken, volgde meestal 'tea' in de woonkamer, waarbij de gastvrouw alles wilde weten over onze herkomst en onze plannen. Eén keer werd daarbij, op basis van ons accent, het vermoeden uitgesproken dat we uit Zuid-Afrka kwamen.




 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Die folkclubs waren een verhaal apart.
Hoewel achteraf gezien de Britse folkboom in 1976 al op z'n retour was, waren ze in veel plaatsen in Engeland en Schotland nog te vinden. Vrijwel altijd was de venue een pub, die behalve de public bar en de saloon bar ook nog ergens een besloten zaaltje voor bruiloften en partijen had, soms op de verdieping. Dat was dan meestal de plek waar de folkclub resideerde. Een gemiddeld avondje omvatte één of meerdere, al dan niet landelijk bekende folkartiesten, terwijl in tweede instantie het podium beschikbaar kwam voor leden van de club of andere local hero's, die a-capella een lied ten beste gaven of een jam-sessie startten. Vooraf en in de pauze's tussen de optredens werd het nodige bier geconsumeerd. Op het moment dat er een pauze werd afgekondigd, begaf het grootste deel van het publiek zich spoorslags naar de bar, om daar de volgende pint naar binnen te gieten. Bij terugkeer naar het zaaltje nam men vaak nog een verse pint mee, om tijdens de muziek niet zonder te zitten. Bekende liederen werden uit volle borst meegezongen. Voor zover gêne nog een rol speelde, haalde het bier de laatste remmingen weg.

In sommige pubs hing nog de sfeer van de jaren vijftig. In Inverness waren we eens in een pub waar de clientèle vrijwel zonder uitzondering een pet droeg en een lange overcoat. Vanwege het regenachtige weer die dag, was 'natte jas' de overheersende geur. 
Er werd nog, net als in Nederland, trouwens, gewoon met contant geld betaald. Het verschil was dat de klanten geen portemonnee hadden, maar een assortiment kleingeld in één van hun broekzakken. Zoveel mogelijk gepast betalen was de norm. Het verschuldigde bedrag werd, na enig graaien in de broekzak, op de bar uitgeteld.
Jammer genoeg troffen we de Britse eilanden tijdens deze twee reizen aan op het dieptepunt van hun biercultuur. Hoewel we ons daar en toen nog niet echt van bewust waren. Op elke bar stonden electrische bierpompjes en cask conditioned ale was nergens meer te koop. Het bier was 'gassig' en gepasteuriseerd. Drinkbaar, maar daar was ook alles mee gezegd. Hoewel de CAMRA (CAMpaign for Real Ale) al in 1970 was opgericht, zou het tot de jaren '80 duren voor de invloed daarvan in de pubs merkbaar werd. 

Sinds 1977 is er veel veranderd in Engeland en Schotland.  
Wat er in het huidige tijdsgewicht ook ten nadele van het Verenigd Koninkrijk kan worden gezegd, het bier is er ondertussen weer best. De invloed van Thatcher's neo-liberale koers is echter tot de huidige dag merkbaar en lijkt nog weinig aan kracht te hebben ingeboet. De National Health Service, de gratis gezondheidszorg, bestaat gek genoeg nog steeds, evenals de BBC, maar beiden staan onder druk. Engeland is in veel opzichten op de Verenigde Staten gaan lijken en veel Engelsen willen geen Europeaan meer zijn.
De Schotten willen dat wèl. Dat de Schotten meer outgoing zijn was destijds al te merken. Mensen van the continent werden door hen nooit met argwaan bekeken. Ook tegen foreigners stelden ze zich geïnteresseerd en praatgraag op. Datzelfde gold in de jaren zeventig ook voor het noorden van Engeland, dat in die tijd de gevolgen van de ineengestortte industrie en de niet rendabele kolenmijnen al goed kon voelen. Maar sinds populistische rattenvangers erin zijn geslaagd de EU de schuld te geven van alle Engelse ellende, lijkt daar de houding tegenover Europa te zijn veranderd.

Toch blijft het perfide Albion trekken. 
IJs, weder en Covid19 dienende, hoop ik er volgend jaar weer naartoe te zeilen.