Posts tonen met het label België. Alle posts tonen
Posts tonen met het label België. Alle posts tonen

vrijdag 16 mei 2025

Twee weken Frankrijk (vervolg)





















In het eerste deel van deze reisbeschrijving viel het begrip la France profonde. Het 'diepe' Frankijk. Het Frankrijk dat Franser is dan Frans, dat nog niet is aangetast door de moderne westerse cultuur, waar de voertaal nog steeds geen Engels is en internet en apps nog niet de allesoverheersende elementen zijn.
We hebben moeten erkennen dat de departementen Pas-de-Calais, Seine-Maritime, Calvados, Seine-Maritime en Manche toch wat minder 'Frans' zijn dan binnenlandse streken zoals de Berry, waarover ik een paar berichten terug schreef.
Waarschijnlijk is de aantrekkingskracht van de kust voor veel Fransen net zo groot als dat bijvoorbeeld voor de Duitsers het geval is. Frankrijk is een groot land, en hoewel de Fransen over veel meer kilometers kustlijn beschikken dan de Duitsers, is de zee voor veel Fransen in het binnenland een magisch gegeven. 
In deel 1 van dit epistel schreef ik al over de talrijke stacaravan-terreinen die op google nog voor campings doorgaan en die je in het binnenland in veel mindere mate aantreft.
Wat je bij de dorpen in het binnenland ook veel minder, en in de dorpen langs de kust veel meer tegenkomt, is het verschijnsel witte schimmel. Misschien heeft het Frans er een eigen woord voor, dat ik echter tot nog toe niet heb kunnen achterhalen. 
Witte schimmel is de cirkel van recent gebouwde woonhuizen en bungalows rond een veel ouder dorp. Vaak een vorm van catalogusbouw, zonder veel eigen identiteit, die sterk contrasteert met de oorspronkelijke bebouwing. In Frankrijk zijn de gevels van dat soort huizen meestal gepleisterd en inderdaad wit, lichtgeel of beige. De dorpen langs de Franse noordwestkust hebben vrijwel allemaal zo'n schil of een apart wijkje in die sfeer, dat in de afgelopen twintig jaar uit de grond is gestampt. 
De identiteit van de mensen die er wonen is onduidelijk. Maar omdat de huizen ook nogal eens zijn omgeven door hoge, dichte schuttingen, of, iets minder erg: stevige, manshoge gaashekken, rijst het vermoeden dat dit geen omhooggevallen oorspronkelijke dorpsbewoners zijn, maar import uit meer stedelijke regionen elders. Men wil met z'n directe omgeving en zijn bewoners liefst zo min mogelijk te maken hebben.

Toch hebben we nog wel enkele dingen aangetroffen, waar we nog niet eerder mee hadden kennisgemaakt en die iets hebben toegevoegd aan onze kennis van het Franse.
Na Ouistreham hebben we de Calvados en z'n invasiestranden rechts laten liggen en zijn we in één keer doorgereden naar de grens van Normandië en Bretagne. 
We wilden nu eindelijk eens de Mont-Saint-Michel bekijken en misschien nog even een stukje Bretagne doen.
Heel lang geleden, misschien was het tijdens onze eerste gezamenlijke  reis naar Frankrijk, zo'n veertig jaar geleden, hadden we de Mont al eens zien liggen, maar hadden we om nu niet meer helemaal duidelijke redenen afgezien van een daadwerkelijk bezoek. 
Komend vanuit de Calvados, en rijdend over D-wegen, passeer je op weg naar deze tourist trap nog een plek die een bezoek waard is: Avranches.
Hoewel er maar ongeveer 10.000 mensen wonen, heeft het een toch enige stedelijke allure. De geschiedenis van de stad begint bij de Romeinen en de plek is daarna eeuwenlang van strategisch belang gebleven, tot aan de Tweede Wereldoorlog toe. 
Eenmaal in het centrum blijkt ook waarom; de stad ligt op een hoogte die ruim 100 m. boven de twee aangrenzende riviermonden uitstijgt en de baai van Saint-Michel overziet.
Wikipedia schrijft dat de stad in de tweede Wereldoorlog nogal te lijden heeft gehad, maar het middeleeuwse centrum mag er nog steeds wezen. De zogenaamde Donjon, het restant van een Normandisch kasteel van rond het jaar 1000, dat volgens een lokale bron model zou hebben gestaan voor de Tower van Londen, biedt een weids uitzicht over de omgeving. 





































Bij goed zicht zou de Mont-Saint-Michel vanaf hier zichtbaar moeten zijn, maar ondanks het gegeven dat het prima weer was bij ons bezoek, verborg de Mont zich in de nevel op de horizon. De kasteelruïne omvat een aardige tuin, waar op dat moment Franse padvindsters picknickten. De ruïne gaat naadloos over in eveneens middeleeuwse woonhuizen die er tegenaan en gedeeltelijk waarschijnlijk overheen gebouwd zijn. Het zogenaamde Scriptorial grenst eveneens aan de kasteelruïne. Hier bewaart men door de monniken van de abdij op de Mont-Saint-Michel geproduceerde manuscripten en daarmee verbonden voorwerpen uit de middeleeuwen. De stad kent voorts nog een neo-gothische kathedraal, die qua maat en uitstraling niet veel onderdoet voor een ècht middeleeuwse versie.



















Ondanks het gegeven dat de Mont-Saint-Michel een toeristische trekpleister is van het type Venetië, valt niet te ontkennen dat hij, als Venetië, net zo enig in z'n soort is. Hoewel er een pendant is, die er sterk op lijkt: Saint Michaels Mount in Cornwall. Daar zijn we overigens nog nooit geweest, maar kijkend naar de plaatjes op internet, zien we inderdaad een kasteel op een berg in zee. Het lijkt allemaal wat kleiner dan de Mont-Saint-Michel, maar het is vooral de context die heel anders is dan die van de laatstgenoemde.
Het merkwaardig van de Mont is dat ie oprijst aan de rand van een volledig vlak en laaggelegen landschap. Lopend vanaf het dichtsbijzijnde dorp Beauvoir, langs een kaarsrechte waterloop, aan het eind waarvan de dam-met-brug naar de Mont begint, lijkt de omgeving op een Zeeuws polderlandschap. Het pad langs die waterloop ligt op een dijk, bijvoorbeeld. Nergens een hint van gesteente of rotsen. Maar op de horizon ligt daar dan ineens een rots van pakweg honderd meter hoog. Die overigens vrijwel geheel is bedekt door bebouwing. De top wordt gevormd door de abdij en daaronder wordt het beeld grotendeels bepaald door middeleeuwse woonbebouwing en stadsmuren.



















Een deel van de oorspronkelijk magie van de plek is rond 1900 al teloor gegaan. Was de Mont aanvankelijk alleen met laag water te bereiken; rond bovenstaande eeuwwisseling werd er een spoorlijn aangelegd, die hem permanent verbond met het vasteland. Vervolgens kwam er een dam waarover voetgangers en auto's zich naar de Mont konden begeven.
Ruim tien jaar geleden is een nieuwe toegang aangelegd; niet recht, maar met een slinger en gedeeltelijk dam, gedeeltelijk brug. De zee kan daardoor de Mont weer volledig omspoelen.
We bezochten de berg op een nogal mistige namiddag. Weinig zon en beperkt zicht. Desondanks was het druk. Vermoedelijk is het er nooit rustig, hoewel de jaarlijkse bezoekersaantallen een dalende trend schijnen te tonen. We waren helaas te laat om de abdij te kunnen bekijken; die was al gesloten.





































Het is ongetwijfeld een indrukwekkend geheel en het zou buitengewoon sfeervol kunnen zijn als je op de remparts en in de nauwe steegjes niet continue het menselijk verkeer c.q. gedrang zou moeten ontwijken. De Mont was de enige plek van deze reis waar we struikelden over zichzelf fotograferende Chinezen, Japanners, en als fotomodellen uitgedoste influencer-achtige types, compleet met botox-lippen.
Maar zo'n grote rots in een mistig, vlak waddenlandschap blijft een bijzonder gezicht.

We hebben een hernieuwd bezoek aan Bretagne uiteindelijk bewaard voor een volgende reis.
Inplaats daarvan zijn we weer noordwaarts gegaan, langs de westkust van Cotentin, die we tot op heden nog niet hadden gezien. 
We vonden een wijdse camping bij Hattainville, nèt ten noorden van Carteret, waar we een veld van pakweg 10.000 m2, met uitzicht op zee, deelden met welgeteld vier andere kampeerders. Toen het zicht een paar dagen later beter werd en de temperaturen zomerse waarden bereikten, konden we aan de horizon Guernsey zien liggen.



















De kust is hier een merkwaardige afwisseling van hoge, rotsige kapen met daartussen duingebieden, waarvan de hoogste plekken evengoed tot bijna 70 m. boven zeeniveau reiken.
Meijendel, of de Kennemerduinen, maar dan van een iets andere schaal. Hetzelfde geldt voor de stranden. Door de grote getijslag in deze omgeving (tussen hoog- en laagwater zit tussen de tien en vijftien meter verschil) zijn ze bij laagwater van een enorme breedte. Bij laagwater is het bij Hattainville ruim een kilometer vanaf de voet der duinen naar de waterlijn.





































Carteret is een kleine havenplaats met een haven die bij laagwater niet bereikbaar is vanaf zee. Het dorp zelf is niet heel bijzonder, maar de rotsige kaap aan de westkant ervan, getooid met een vuurtorentje, is wel weer een mooie plek met een prachtig uitzicht richting Guernsey en de baai ten zuiden van het dorp. We hebben een paar fraaie wandelingen  in de omgeving gemaakt.



















Tot slot had mijn vrouw nog een wens: ze wilde nog een keer een kliffenwandeling langs de krijtrotsen maken en voor krijtrotsen moet je richting Etretat. Er zijn krijtrotsen langs de hele kust van Sainte-Adresse bij Le Havre tot Ault, vlakbij de mond van de Somme. Maar Etretat heeft de mooiste.
We reden van Hattainville over de Pont de Brotonne weer naar Seine-Maritime en vonden een bijzondere camping bij het gehucht La Roussie, een paar kilometer ten zuidoosten van Fécamp. Voor de helft een restant van een oud landgoed met voormalige stallen en een eendenvijver, voor de andere helft weer een, voor deze omgeving bijna klassiek te noemen sta-caravandorp.



















Rond die eendenvijver waren nog een paar plekjes waar een tent of een camper kon worden geplaatst. Als je de goede kant op keek een vrij rustieke plek.
We waren eerder al eens van Etretat naar Fécamp gelopen. Deze keer parkeerden we aan de rand van het dorp Le Tilleul, een paar kilometer ten zuiden van Etretat. Vandaar loopt een pad, door het groen, al dalend richting zee.
Het was inmiddels 1 mei, een dag waarop heel Frankrijk een vrije dag heeft, en het was bovendien een donderdag. Veel Fransen hadden waarschijnlijk ook de vrijdag erna vrij genomen. Bijgevolg liepen we in een lange optocht met vele anderen richting zee. Nèt voor het strand loopt een ander, veel smaller paadje weer uit het dal omhoog naar het niveau van het pad langs de krijtrotsen, ongeveer 100 m. hoger.



















Het werd zonder meer de mooiste krijtrotsenwandeling die we ooit gemaakt hebben, ook al deden we dat met honderden anderen, want ook op het krijtrotsenpad zag het zwart van de mensen. Zelfs op zee vóór de krijtrotsen was het druk. Er was nauwelijks wind, het was warm en de zee bijna rimpelloos. Een bonte mengeling van speedboten, jetski's en kano's roste, c.q. dobberende heen-en-weer.























































Eenmaal gearriveerd in Etretat troffen we een badplaats die geheel opging in de zomerse activiteiten zoals die domineren in een badplaats op mooie dag. De meeste strandgangers hielden het bij pootjebaden, maar verder was er alle drukte er herrie die je kan verwachten  op een plek als deze. 
Een eindje achter het strand, dat hier overigens uit grind bestaat, vonden we in het dorp een terras waar we even wat wilden drinken. Mijn vrouw drinkt dan meestal een diabolo-citron. Zelf wilde ik vooral een niet te kleine pils. Onder de bières op de kaart vond ik een picon bière, waarachter tussen haakjes "37 cl." stond. Ik meende me vaag te herinneren dat een picon een inhoudsmaat was. Dat laatste bleek een onverklaarbaar gedachtenspinsel. 
Wat enkele minuten ná de bestelling voor me werd neergezet, was een kelk met daarin en flinke bodem donkere, goudbruine vloeistof, en daarnaast een flesje blond speciaalbier van 6% van een lokale brouwerij. 
Toen ik nipte van de bruine vloeistof, bleek dat een soort aperitief te zijn dat vaag aan Campari deed denken. Geen onaangename smaak, maar met aardig wat alcohol. Na een paar kleine slokjes heb ik het bier erbij gedaan. 



















Geen idee waar het alcoholpercentage van dit mengsel op uit kwam, maar het was wel wat meer dan van de 37 cl. pils die ik eigenlijk in gedachten had. 
Het lukte na het consumeren overigens nog heel goed om de resterende kilometers naar de auto te lopen. Tegen de tijd dat we daar waren had ik de alcohol er wel weer uit gelopen, en als we samen op pad gaan, rijdt tegenwoordig trouwens bijna altijd mijn vrouw.
Natuurlijk wist Wikipedia wèl wat een picon bière is.
Picon is inderdaad een aperitief. Eentje met een al behoorlijk lange geschiedenis; het recept werd al in de eerste helft van de 19e eeuw door Gaétan Picon bedacht. Sinaasappelschillen, cinchona en gentiaan, geweekt in alcohol vormen de basis. Het bevat 21% alcohol. Hoewel Picon zelf afkomstig was uit het zuiden van Frankrijk, is het drankje en de combinatie met bier vooral in Noord-Frankrijk en België deel gaan uitmaken van de traditie.

Op onze laatste èchte vakantiedag deden we nog een wandeling in de omgeving van Fécamp, waarover niet veel meer te melden valt dan dat we opnieuw werden geconfronteerd met een flink aantal restanten van de erfenis die de Wehrmacht in de vorm van bunkers op deze kust heeft achtergelaten, waaronder de fundamenten van een een zogenaamde Mammut, een lange-afstandsradar, waarmee de Duitsers geallieerde vliegtuigen konden zien als ze nog op 300 km. afstand waren.











































Het weer was aan het veranderen. Een groot deel van de dag liepen we in de mist, die weliswaar niet héél dik was, maar dicht genoeg om mooie vergezichten uit te sluiten.

De dag erop reden we in de regen naar huis. 
Rond de middag maakten we nog een stop in Abbeville voor het déjeuner. De binnenstad bleek een merkwaardige gelijkenis te vertonen met het gebied rond de Blaak in Rotterdam. Een grote middeleeuwse kerk, omgeven door wederopbouw-architectuur. Weer de oorlog.



















De rest van de middag reden we door een regenachtig, maar nooit vervelend landschap.
Pas in de buurt van de Belgische grens werd het droog.






zondag 20 september 2020

Ouderwets speciaalbier

 



 

 



 

 

 

 

 

Afgelopen donderdag zag ik mijn kans schoon. De regio Antwerpen was weer free for all. Wel moest de nodige voorzichtigheid in acht worden genomen, natuurlijk. Ik zette vier kratten met lege bierflesjes in de auto en reed naar het Bierparadijs te Meer in België, in de wetenschap dat ik bij terugkeer niet eerst veertien dagen in quarantaine hoefde. Wel een mondkapje mee, natuurlijk, want dat moet in de Belgische winkels nog steeds wèl.

Zo'n ritje was een poosje niet zozeer onmogelijk als wel ongewenst, vanwege het feit dat in de Provincie Antwerpen, naar de mening van de Nederlandse overheid, code oranje van kracht was. Inmiddels (sinds afgelopen vrijdag) ben ik trouwens, als inwoner van  de provincie Zuid-Holland, niet meer welkom in België omdat ik nu zelf uit een risicogebied kom. Bij binnenkomst in België zou ik nu, nog vóór ik het Bierparadijs mocht betreden, in quarantaine moeten. 

Zo werkt dat ondertussen in dit tijdsgewricht. Als je een plan hebt, dat één of ander buitenland betreft, zelfs al betreft het niet meer dan een ritje van 50 km, dan kun je het beter zo snel mogelijk uitvoeren. Voor je het weet kan of mag het niet meer.

Het was behoorlijk lang geleden dat ik in het Bierparadijs was. Zó lang, dat ik niet meer precies wist wanneer. Ver voor de corona-crisis uitbrak, in ieder geval. Een beetje moe van alle moderne IPA's, die vooral gemeen hebben dat ze een aanzienlijk bitterheidsgraad hebben, had ik me dit keer voorgenomen dat ik het zou zoeken in de vanouds vertrouwde Belgische klassiekers. 

Hier en daar leeft bij de jongere generatie bierliefhebbers het idee dat veel Belgische speciaalbieren vergane glorie zijn. De Belgen hebben weliswaar, in tegenstelling tot de Nederlanders, talloze bierstijlen in ere gehouden die al ver voor de komst van het laaggegiste pilsener bier bestonden, maar dat alles zou ondertussen toch wel zijn overtroffen door de innovaties en vernieuwingen die de moderne craftbrewers uit andere landen hebben gepresenteerd.

Ik heb dat altijd flauwekul gevonden. Als de Belgen niet aan hun biertradities hadden vastgehouden, was die hele craftbeer-rage nooit van de grond gekomen. Die is slechts ontstaan omdat de Belgen en ook de Britten (met hun Campaign for Real Ale, kortweg CAMRA) de wereld eraan zijn blijven herinneren dat er iets anders bestond dan laaggegist bier met zo min mogelijk smaakvariatie. In Nederland en andere Europese landen was dat ruim voor het begin van de 21e eeuw al bij de echte liefhebbers doorgedrongen. Pas toen de Amerikanen het begin jaren 2000 ook doorkregen en het gewoontegetrouw snel overwaaide naar Europa, kwam het feit ineens ook binnen de aandachtssfeer van mutsendragende millenials en metromannen met knotjes.

Uiteindelijk kocht ik, naast een paar klassiekers, toch nog één nieuwigheidje. Een krat 'T IJ van de Duvel. Volgens het etiket een hazy ipa. Het is een samenwerking tussen de Amsterdamse Brouwerij Het IJ en  het Belgische Moortgat, bekend van het aloude Duvel.

 

Moortgat was al de producent van Vedett Extra Ordinary IPA. Het IJ brouwt al jaren een eigen IPA, met een etiket dat een wulpse dame met blote borsten laat zien. Die komt terug op het etiket van 'T IJ van de Duvel, zij het dat ze nu is uitgerust met hoorntjes en een pijlstaart. Haar borsten, daarentegen, zijn zedig bedekt door de tekst hazy ipa. 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het vermoeden rijst dat het hier gaat om òf de Vedett IPA, òf de IPA van Het IJ, maar dan onder een andere naam. Ik heb echter  beide eerdere bieren gedronken en de bitterheid van dit nieuwe bier is duidelijk wat minder dan die van de eerstgenoemden. De kruidigheid en de citrusaccenten, die bij een IPA horen, zijn er wèl. Een smakelijk bier voor als je even geen zin hebt in bier van 8% of meer. Overigens lijkt de marketing  van Moortgat nog steeds in handen van dezelfde lolbroeken die eerder de Vedett IPA van een quasi-grappig bijschrift voorzagen. Het alcoholpercentage van het bier zou namelijk 6,66% bedragen. Men vond de al genoemde duivelse connotaties kennelijk nog niet genoeg.

Maar goed. Naast dit 'moderne' bier kocht ik nog drie kratten ander bier. Bieren die ik tot de canon van de Belgische speciaalbieren zou willen rekening.

Allereerst is daar Liefmans Goudenband. Liefmans is al enkele jaren eigendom van Moortgat. Evenals trouwens de Antwerpse brouwerij De Koninck. Het lijkt er op dat Moortgat een concentratie van klassieke Belgische brouwerijen in gang heeft gezet, misschien in een poging om de eveneens Belgische brouwgigant InBev te kunnen weerstaan. Het verklaart misschien ook waarom Liefmans naast Goudenband inmiddels rare radler-achtige drankjes als Fruitesse op de markt brengt. Compleet met speciaal limonadeglas en de aanbeveling om het on the rocks te drinken.

Gelukkig heb ik kunnen constateren dat Goudenband nog steeds is wat het altijd al was: de meest geslaagde vertegenwoordiger van de brouwstijl die bekend staat als Vlaams rood. Er zijn er meer, waarvan Rodenbach waarschijnlijk de bekendste is. Vlaams rood staat in z'n algemeenheid voor een friszuur bier, waarin weinig hop-bitterheid valt te bespeuren. In z'n sterkere variaties wekt het daardoor soms meer associaties met wijn dan met bier. Hoe dit bier precies wordt gemaakt is met enig mysterie omgeven. Liefmans zelf gaat niet verder dan de mededeling dat men oud, gerijpt bier mengt met jonger, zuurder bier. Dit laatste veroorzaakt een tweede gisting in het vat. Door zorgvuldig mengen en het daaropvolgende rijpingsproces weet men een vrij constante kwaliteit en smaak te bereiken. Wikipedia vermeldt dat  het wort  (de gekookte pap van mout en water, die men laat gisten) van Vlaams rood wordt geïnfecteerd met een melkzuurbacterie, die in eerste instantie voor de zure smaak zorgt. Het huidige etiket van Goudenband vermeldt de datum van bottelen. In het geval van mijn krat is dat 2018. Het is een een bewaarbier; volgens hetzelfde etiket blijft het tot minstens 2028 in goede conditie. De smaak is inderdaad licht zuur, maar ook rijk en romig. Je proeft de lange lagering eraan af.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een ander klassiek product van Liefmans is de Kriek. Feitelijk is het Goudenband waarin men kersen heeft laten trekken. Liefmans noemt het tegenwoordig Kriek Brut, kennelijk om het te onderscheiden van het zoetige Fruitesse dat ook in kersensmaak verkrijgbaar is. Ook daarvan kocht ik een krat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ergens in de jaren tachtig of vroege jaren negentig ben ik eens in de brouwerij in Oudenaarde geweest. Destijds een ouderwets fabriekspand van rode baksteen, aan de Schelde. Het was mogelijk om rechtstreeks bij de brouwerij te kopen. Men had een proeflokaal met veel eikenhout, waar we een pintje Goudenband of Kriek kregen aangeboden en als klap op de vuurpijl mochten we nog even een deel van de brouwerij van binnen bekijken. Ik herinner me nog het bassin waarin witte tonnetjes met de gistcultuur dreven, onder het blauwe licht waarmee men ongewenste bacteriën en insecten buiten de deur hoopte te houden. Het bier zat destijds trouwens niet in 33 cl-flesjes met een kroonkurk, zoals nu, maar in flessen van 37,5 cl, met een echte kurk en een ziel, zogenaamde halve Bourgognes. Ze hadden geen etiket maar waren omwikkeld met papier waarop stond wat voor bier er in de fles zat. Wat dan weer leuk is aan het huidige etiket: net boven de naam Liefmans staat in gouden opdruk de verbeelding van een vrouw met een glas bier in haar hand. Het kan niet anders of dit is de beeltenis van Rosa Blanquaert-Merckx, de vrouw die de brouwerij 46 jaar runde en de eerste vrouwelijke brouwmeester van België (en mogelijk van Europa) was.

Het vierde krat is Gouden Carolus Hopsinjoor geworden. De brouwerij heet Het Anker en bevindt zich aan de rand van het oude centrum van Mechelen. Van oudsher was men vooral bekend om de eerste Gouden Carolus, die tegenwoordig Classic wordt genoemd. Een zwaar, vrij zoet, koperkleurig bier dat in kleine flesjes van 25 cl. zat. Zelfs de glazen die men aan de café's leverde waren op die inhoudsmaat afgestemd; iets kleiner dan de normale trappistenkelken. In de afgelopen tientallen jaren heeft de brouwerij het assortiment aanzienlijk uitgebreid. Ik had eigenlijk Ambrio willen kopen, een amberkleurige hoge gisting van 8%. Dat bier ligt dicht bij de typische Mechelse brouwtraditie van bruine bieren, maar is wat minder zoet dan de klassieke Gouden Carolus. Het Bierparadijs bleek echter geen Ambrio op voorraad te hebben. Eigenlijk was de Hopsinjoor dus een beetje tweede keus. Het bier lijkt qua bitterheid, smaak en kleur veel op Duvel. Niet heel origineel dus. Wel lekker.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat men in het Bierparadijs ook niet had was een ander, vrij uniek bier dat ik in verleden graag kocht: Witkap Pater Stimulo van brouwerij Slaghmuylder uit Ninove. Een relatief licht, blond bier van 6% met slechts een lichte bitterheid en vooral een bloemig c.q. fruitig karakter. Met wat meer bitterheid zou je het een IPA kunnen noemen. Ik vond het altijd een waardig en vooral goedkoper alternatief voor Orval

Nou ja,  ik zie op internet dat ook bij Slaghmuylder aan de brouwerij kan worden gekocht. Bovendien ligt Ninove op pakweg 10 km. afstand van Itterbeek, waar brouwerij Timmermans nog steeds in business is.

Misschien wordt het tijd voor een licht-nostalgische bier-cruise in het Belgenland..


Klikken op de link naar mevrouw Blanquaert-Merckx opent een kort filmpje met mevrouw in de hoofdrol



 

 

woensdag 7 februari 2018

Wilde gist
























Om redenen die ik zelf niet helemaal kan traceren, ben ik de laatste weken nogal bezig met bier.

Of.. eigenlijk kan ik dat wel. Het begon met die zoektocht naar nieuw bier die ik in m'n vorige bericht beschreef en waaruit ondermeer de kennismaking met de trappist Westvleteren voortkwam.

Gisteren reed ik, na een bezoekje aan de boot, die in Zeeland rustig ligt te wachten op het voorjaar, opnieuw naar het Bierparadijs in Meer. Ik heb een krat Bootjesbier en krat Duvel Triple Hop meegenomen.
Bij een korte rondgang langs de afdeling 'losse flesjes' (daar komen er steeds meer van in het Bierparadijs, terwijl het aantal bieren dat per krat wordt verkocht lijkt af te nemen; een bedenkelijke ontwikkeling), stuitte ik op (zie foto) Wild Jo. Een product van de van oudsher bekende brouwerij De Koninck uit Antwerpen. Dertig tot veertig jaar geleden vooral bekend omdat zij destijds zo'n beetje het laatste bier van hoge gisting brouwden, dat nog als tapbier te koop was.
Hoewel veel De Koninck-bier geen gist op de fles heeft en alleen daarom al minder interessant is, nam ik een flesje mee.

Volgens De Koninck is Wild Jo een bier voor "stadsduiven". Het is duidelijk: ook De Koninck wil inhaken bij de trend die probeert, sinds bier iets voor metro-mensen en hipsters is geworden, met quasi-nonchalante praatjesmakerij bij de doelgroep in de smaak te vallen. Zie ook mijn kritische beschouwing van de marketinguitingen van brouwerij Het Uiltje. Brouwerij Moortgat zit eveneens op die toer: Vedett Extraordinay IPA wordt verkocht onder de slagzin IPA, but not really from India and not really a Pale Ale. Marketing-flauwiteit kent geen tijd, zullen we maar zeggen.
Overigens schijnt De Koninck ondertussen eigendom van Moortgat te zijn; grote kans dus dat hetzelfde marketingbureau zowel de blabla voor Vedett, als die voor De Koninck bedenkt.

Evenals de IPA van Moortgat, is Wild Jo een bier met een bescheiden alcoholpercentage (5,8 %). 
Nu is Vedett Extraordinary IPA, hoewel niet onaardig, geen hoogvlieger als het om IPA's gaat. Omdat Wild Jo ook met zo'n verkooppraatje was opgezadeld, ontstond er in mijn brein ongewild een analogie met het bovengenoemde Moortgat-bier. Het zou ook wel niet zoveel bijzonders zijn.

Dat bleek een vergissing.
De indruk na de eerste slok was: dit lijkt wel een beetje op Orval! Behalve een beschaafde bitterheid ook wat zuur en verder een zekere 'bloemigheid'. Tamelijk weinig afdronk; slechts de bitterheid blijft nog even hangen. Desondanks een fraai zomerbier.

Dat vleugje Orval in de smaak bleef intrigeren.
Ik had al eens eerder een vergelijkbare ervaring gehad. Toen ik een paar jaar geleden weer eens Orval proefde, na het een tijd niet meer te hebben gedronken, dacht ik: er zit iets van de smaak van echte gueuze in dit bier. Op dat moment had ik overigens ook al in geen jaren een gueuze gedronken, maar sommige dingen vergeet je niet.
Het kenmerk van gueuze is de spontane vergisting, die traditioneel ontstaat doordat men het wort in open bakken laat afkoelen, terwijl de buitenlucht er overheen speelt. De buitenlucht in de Senne-vallei bevat wilde gisten en die brengen het vergistingsproces op gang.
Nog maar kort geleden las ik in een blog van een Alkmaarse bierkenner, dat "Orval wordt gebotteld met een getemd wild gist". Juist, ja; nooit geweten, maar voor wat betreft de smaakgelijkenis met gueuze viel het kwartje. Tot op zekere hoogte is het ook wel fijn dat die wilde gist kennelijk enigszins getemd is, want het resultaat van de echte spontane gisting was bij traditionele gueuze dusdanig onvoorspelbaar, dat het resulterende bier niet altijd optimaal drinkbaar was, om het eufemistisch uit te drukken.
Ik keek nog eens wat beter op het etiket van Wild Jo; bij de vergisting blijkt "wilde Brett-gist" te zijn gebruik. Er viel nogmaals een kwartje; De Koninck had het trucje van Orval toegepast. Het wilde van Jo had z'n verklaring. Rest de vraag: wie is Jo? De naamgeving blijkt een eerbetoon aan de man die de brouwerij na de eerste wereldoorlog (die voor veel Belgische brouwerijen een doodsklap was) weer oprichtte: Joseph van den Bogaert. Of hij zelf ook wild was, vermeldt de historie niet. Voor wat betreft de kwaliteit van het naar hem genoemde bier hoeft hij zich niet om te draaien in z'n graf, in ieder geval.

Het lijkt erop dat de toepassing van getemde wilde gist van de soort Brettanomyces bij het brouwen van bier een ontwikkeling is die flink om zich heen grijpt. Deze 'wilde' gistculturen zijn tegenwoordig gewoon te koop. Zelfs hobby-brouwers schijnen er mee te werken.
Van mij mogen ze; dat typisch smaakelement brengt gelukkige herinneringen boven aan de tijd toen ik nog maar net was begonnen met het ontdekken van de Belgische biercultuur. Het drinken van mijn eerste echte gueuze was niks minder dan een openbaring.
We  haalden het bij Timmermans in Itterbeek, in kratten waarin de flessen niet stonden, maar lagen, en van een kalkstreep waren voorzien, zodat je bij het uitschenken de kant waarop het depot was neergeslagen onder kon houden. Ik vraag me af of het spul nog in een dergelijke vorm te koop is.

Ja, das war einmal..




Rechts klikken op de links opent ze in een eigen venster.

donderdag 18 januari 2018

Bier uit Westvleteren

















Begin jaren '70 bestond de Nederlandse biermarkt vrijwel volledig uit pils. Speciaalbieren waren mondjesmaat te koop; eigenlijk alleen bij sommige slijters. Over wat er er in de Dordtse café's te koop was heb ik al eens eerder geschreven. Wat de slijters aan speciaalbier verkochten, beperkte zich hoofdzakelijk tot de bekendste Belgische speciaalbieren. Dat waren vooral de toen bestaande trappistenbieren.
Trappistenbier wordt vanouds gebrouwen door monniken van de orde der Trappisten, in hun eigen abdij. Alleen dit bier mag de titel trappistenbier dragen. Vooral in België bestaan nog tientallen andere bieren waarvan de naam wordt geassocieerd met een, al dan niet nog bestaande abdij. In feite worden deze echter door normale 'wereldse' brouwerijen gemaakt. Dergelijke bieren worden meestal abdijbieren genoemd.
Dat men zo graag bier brouwt met 'abdij-connecties' is niet voor niks. De Trappistenbieren hebben stuk voor stuk een goede reputatie onder liefhebbers. Het is altijd bier dat op de fles nagist en dus ongepasteuriseerd is. Dit laatste geldt overigens lang niet voor alle abdijbieren.

 In België en Nederland bestonden rond 1975 zes echte trappistenbrouwerijen.
In Tilburg stond en staat de Abdij Koningshoeven, die nog steeds het bekende La Trappe brouwt. België kende de trappistenbrouwerijen van Westmalle, Westvleteren, Chimay, Orval en Rochefort. Jarenlang is dit zo gebleven. Vanaf de jaren '70 groeide de belangstelling voor  speciaalbier slechts langzaam. Ook in Nederland verschenen, naast La Trappe, andere brouwerijen die bier van hoge gisting maakten. Een paar van de oudsten zijn Hertog Jan en Brouwerij Het IJ.
Na 2000 ging het hard.  De craftbeer-rage waaide over vanuit Amerika en het marktaandeel van speciaalbier begon serieus te stijgen. In het kielzog daarvan ontstonden er ook nieuwe trappistenbrouwerijen. Volgens Wikipedia zijn er inmiddels wereldwijd dertien. Voornamelijk in Nederland en België. Oostenrijk telt er één.

Eén van de genoemde trappistenbieren heeft in de loop der jaren een legendarische status verworven. Het bier van de Sint Sixtusabdij in Westvleteren staat bekend als het ne plus ultra der trappistenbieren. In 1977 kocht ik de eerste bieratlas van Michael Jackson, die toen in het het Nederlandse vertaald op de markt kwam als de Spectrum Bieratlas. Daarin wordt het bier van Westvleteren de hemel in geprezen. Volgens Jackson, die later op de BBC furore zou maken met zijn programma The Beerhunter (nog steeds op YouTube te vinden), is Westvleteren het ultieme trappistenbier.

Een week of wat terug was ik weer eens in het Bierparadijs te Meer (België).  Het doel was dit keer het verzamelen van een aantal aldaar verkrijgbare bieren die ik nog niet kende, om na het proeven daarvan bij een volgend bezoek een gerichte keus te kunnen maken bij het aanschaffen van een paar kratten.
Het smakenpalet binnen de speciaalbiermarkt is de laatste jaren uitgebreid met een flink aantal stevig gehopte bieren. Veelal gaan die door het leven onder de soortnaam IPA (India Pale Ale). De Belgen hebben niet zo'n sterke traditie in bieren met een flinke bitterheid. De meeste craftbeer-brouwers lusten er echter wel pap van en ik moet zeggen dat ik een dergelijke smaak zelf ook behoorlijk ben gaan waarderen. Sommige hopsoorten voegen namelijk niet alleen bitterheid toe, maar ook zekere aroma's. Veel van de nieuwe speciaalbieren hebben bijvoorbeeld een fruitig (citrus-) aroma.
De craftbeer-brouwers (ook de Nederlandse) weten echter wel van rekenen. Een paar uitzonderingen daargelaten, koop je onder de 2 Euro per flesje helemaal niks en aan verkopen per krat (en dan met een zekere quantumkorting) doet men niet.
Brouwerij Moortgat (bekend van het merk Duvel) heeft ondertussen een goed gehopte Duvel Triple Hop op de markt gebracht, die heerlijk is, maar ook meteen 30 % duurder dan de normale Duvel en bovendien met een alcoholpercentage van 9,5 %. Meer dan één flesje van het spul wordt dan al meteen een beetje veel van het goede, voor een door-de-weekse avond.

Wat ik wilde was een IPA-achtig bier met gist op de fles voor een prijs tussen € 1,50 en 1,70 per flesje en met niet meer dan 8 % alcohol. Gedegen speurwerk tussen de opgestapelde kratten in het bierparadijs leverde inderdaad het één en ander op; misschien schrijf ik daar later nog een keer over.

Wat ik, tot mijn verbazing, ook aantrof, waren een paar kratjes Westvleteren
Tot mijn verbazing, want bij wat ik hiervoor schreef over dit trappistenbier heb ik de bijzondere manier waarop de monniken hun product uitventen, achterwege gelaten. Westvleteren wordt namelijk alleen verkocht aan de kloosterpoort van de abdij. Dat was altijd al het geval, maar sinds Michael Jackson de loftrompet stak over het spul heeft de roem van Westvleteren dusdanige proporties aangenomen, dat van zonder meer naar de abdij gaan en een paar kratten bier aanschaffen geen sprake meer kan zijn. Men moet (via het internet; zover opgestoten in de vaart der volkeren is de abdij wel) van tevoren een afspraak maken voor dag en tijd dat men het bier op kan halen. Daarbij komt nog dat niet op alle dagen alle drie varianten (6, 8 en 10 procent alcohol) beschikbaar zijn. Voorts stellen de monniken op hun website expliciet dat alleen voor eigen gebruik mag worden gekocht. Doorverkopen mag niet. Tenminste; van de monniken. Zelf begrijpen ze ook wel dat tegen eventuele doorverkoop betrekkelijk weinig valt te beginnen. Daarom dreigen de broeders dat hij, van wie bekend wordt dat hij heeft doorverkocht, het recht om bier te kopen in Westvleteren zal worden ontnomen. Het lijkt erop dat niemand zich daar wat van aantrekt. Een beetje rondneuzen op internet leert dat zelfs daar Westvleteren per flesje wordt aangeboden. Dit laatste tegen exorbitante prijzen van € 7,50 en meer per flesje.

Vanzelfsprekend was de Westvleteren bij het Bierparadijs niet veel goedkoper; iets waar ik overigens pas achter kwam bij de kassa, want waar de kratten stonden had men tactisch geen prijs vermeld.
Maar goed; het kopen van drie flesjes Westvleteren paste wel bij mijn zoektocht naar nooit eerder geproefd bier en zo'n legendarisch bier als dit wilde ik, als liefhebber, toch een keer gedronken hebben.

Het lichte bier (zowel qua alcoholpercentage als wat kleur betreft, zie de kroonkurk bovenaan dit bericht) heb ik reeds gedegusteerd en dat leverde al meteen een verrassing op: het paste wonderwel op mijn vraag naar een goed gehopt, niet te zwaar alcoholisch bier. Het heeft een aangename moutsmaak, een stevige bitterheid en prachtig dik schuim, dat mooi blijft staan. Opvallend is het mondgevoel; alsof je een stevige bruine boterham eet. Volgens Wikipedia heeft het een bitterheid van 41 EBU (European Bitterness Unit). Daarmee komt het in de buurt van een gemiddelde IPA. De eerder genoemde Duvel Triple Hop heeft een bitterheid van 40 EBU.
De twee zwaardere bieren zitten nog in de fles, maar via Wikipedia (daar kun je inmiddels werkelijk alles opzoeken..) weet ik al dat de 8 en de 10 procents varianten een EBU van respectievelijk 35 en 38 hebben. Voor dergelijke sterke bieren relatief bitter. Ooit was hop namelijk vooral bedoeld als conserveringsmiddel en hoe meer alcohol, hoe houdbaarder het bier.




Kortom; als ik er vanuit mag gaan dat de bieren van Abdij Westvleteren al tientallen jaren deze smaken hebben, dan waren de heren monniken de craftbrewers van de jaren 2000 al zeker veertig jaar vóór, met hun voorkeur voor een zekere bitterheid. Waarmee Westvleteren tegelijk ook de uitzondering is onder de Trappistenbieren, want de meesten zijn eerder zoet dan bitter.
Met uitzondering misschien van Orval, het trappistenbier uit de Ardennen. Ook dat bier smaakt, naar de huidige maatstaven, modern bitter, hoewel het op sommige momenten ook aan echte gueuze doet denken. Misschien is die vermeende moderniteit de reden dat ook Orval de laatste tijd enorm in trek blijkt te zijn bij de speciaalbierkoper. In het Bierparadijs hangt bij de kratten Orval al een paar jaar een bordje waarop staat dat elke klant slechts één krat mag afnemen..
Ooit heb ik het bier gedronken in de abdij zelf. Men heeft voor dat doel een prachtig proeflokaal, met veel eikenhout. Orval is eigenlijk een verhaal op zich, dat ik misschien later nog eens vertel.

Eerst moet ik aanvullende redenen bedenken om een keer naar de Westhoek van Vlaanderen te rijden. Nadat ik met de monniken een afspraak heb gemaakt, vanzelfsprekend.


Naschrift: 
Inmiddels heb ik ook de twee andere Westvleterens gedronken. De conclusie moet zijn dat de variant van met 6% alcohol (blond, 5,8 % volgens de kroonkurk) toch de meest verrassende van het trio is. Een echte ale, die als uitzondering op de regel binnen de trappistenbieren te vergelijken is met Orval.
Het bier van 8 % procent is een rustige, uitgeblanceerde, donkerbruine trappist met zoet en beschaafd bitter. Bier van hoge kwaliteit, maar niet uniek. Hetzelfde geldt eigenlijk voor de 10,5 % versie, waarvan wat mij betreft het meest bijzondere het alcoholpercentage is. Dit bier zou een EBU van 38 moeten hebben, maar eerlijk gezegd vind ik dat twijfelachtig; het lijkt minder bitter dan de 8% versie. Feitelijk vond ik de smaak voor een dergelijk zwaar bier nogal vlak. De smaaknuances waren minder rijk dan die van de Westvleteren 8.
Desondanks zal de reis naar Westvleteren vroeg of laat gemaakt worden. Al was het alleen maar voor de Westvleteren Blond..