Posts tonen met het label film. Alle posts tonen
Posts tonen met het label film. Alle posts tonen

maandag 5 mei 2025

Twee weken Frankrijk



















Terwijl steeds duidelijker wordt hoe zinloos het is om op dit moment te schrijven over, om met G.B.J. Hiltermann te spreken, "de toestand in de wereld", hebben mijn vrouw en ik een nieuwe episode toegevoegd aan onze eeuwigdurende queeste naar la France profonde
In de twee weken die voor mijn wederhelft de meivakantie vormen, bereisden we de Franse kust tussen Calais en Le Mont Saint Michel.

In eerdere jaren deden we dit vaak kamperend met een tent, maar inmiddels hebben we een auto waarin we languit kunnen, en die tevens is voorzien van een elementaire kookgelegenheid èn, jawel, elektrische aandrijving. 
Vorig jaar om deze tijd waren we toe aan een andere auto. 
Sinds ik in 1997 één van de eerste Peugeot Partner bestelauto's kocht (ik geloof dat het ding in een eerder Frankrijk-verhaal over Neung-sur-Beuvron nog te zien is), heb ik een voorliefde voor dit soort auto's. Na de Partner, waarmee ik 18 jaar heb gereden, kwam een tweedehands Citroën Berlingo in personenauto-uitvoering, dus met een achterbank. Daar deden we tien jaar mee. Ook een fijne auto, maar jammer genoeg ging hij in de laatste van die tien jaren nogal wat kosten aan reparaties. 
Los daarvan hadden we al een tijdje ideeën met betrekking tot een kampeer-auto. Maar we wilden geen 'normale' auto èn een camper. Te duur en te patserig. Het moest iets worden dat geschikt was voor dagelijks gebruik èn we moesten erin kunnen slapen.
Eind april vorig jaar was mijn vrouw de Berlingo helemaal zat. Met enige regelmaat mankeerde er wat aan en ze wilde er niet meer mee op vakantie.
Door een gelukkig toeval stuitte op ik op internet op een XL-uitvoering van de Peugeot Rifter (dat is Peugeot's nieuwe naam voor wat vroeger de Partner was; niemand weet wat het woord betekent, maar soit). Deze voiture is 35 cm. langer dan de normale Rifter en kan eventueel met een extra achterbank worden geleverd; dan is het een 7-persoons auto. 
Dit betreffende exemplaar had die extra achterbank niet, maar was wel nagelnieuw (kenteken van februari 2024, met 10 km. op de teller en volledige fabrieksgarantie) en werd om onduidelijke reden 10.000 Euro goedkoper aangeboden dan waar de auto op dat moment voor in de catalogus stond. De betreffende Peugeot-dealer zat in Lisse; vanuit Dordrecht een uurtje rijden.
We zijn dezelfde dag gaan kijken en na een rondje rijden op het bedrijventerrein waar de dealer zat, hebben we de auto gekocht. 
Ondanks het gegeven dat de Rifter volledig elektrisch is, kregen we nèt geen subsidie. Ik schaam me nog steeds een beetje voor het geld dat we aan het ding hebben uitgegeven (het woord patserig is al gevallen), dus de prijs krijgt u niet van me, maar met de voorgaande mededeling in het achterhoofd, kunt u zich wel enigszins een idee vormen.
Ooit heb ik plannen gehad om de achterbank uit de eerder genoemde Berlingo te halen en die auto als kampeerauto in te richten, maar eigenlijk was dat vehikel voor mijn 185 cm. net 10 cm. te kort om lekker te kunnen slapen.



















Omdat we inmiddels in een tamelijk spilzuchtige fase waren gekomen, hebben we die kampeerinrichting, inclusief kussens, gordijntjes, kookgelegenheid en 230V stroomaansluiting, er door een gespecialiseerd bedrijfje in Baarn in laten bouwen, wat nog eens het één en ander kostte, maar toen hadden we ook wat. Een eigenlijk best te verantwoorde keuze in het kader van ons streven om arm te sterven, als het ware.

Het huidige vervoermiddel heeft ook een nieuwe manier van reizen met zich mee gebracht, die met name in Frankrijk, dat naast de bekende pèages ook een onmetelijk netwerk aan Routes Departementales en Route Nationales kent, zeer ontspannen en genietbaar is. 
De reikwijdte op een acculading is het grootst bij snelheden tussen 70 en 80 km/u. Bij de bebouwde kommen die je onvermijdelijk tegenkomt (in veel dorpen zijn tegenwoordig 30 km/u-zones), rem je niet; je laat het 'gas' los en terwijl je remt op de motor, laadt de accu bij. 
En, wat ik al in een eerder bericht noemde; je ziet veel meer en je kunt onderweg, rond het middaguur, tegen een fatsoenlijk bedrag fatsoenlijk eten in de restaurants die je tegenkomt. We hebben ons kookstelletje dus niet eens zóveel gebruikt.

Aldus toerend begonnen we in Calais en reden we vervolgens langs D940 naar Ambleteuse aan de mond aan de Slack. We kwamen daar in heb begin van de avond aan. De receptie van de camping die we op het oog hadden was al dicht. De straat ervoor bood echter een prima parkeerplek en de toiletten achter de slagboom, die te voet prima te passeren was, waren vlakbij. Behalve het feit dat we geen stroom hadden geen probleem, dus. 
We hebben nog even een strandwandeling gemaakt richting het noordelijker gelegen Audresselles. De kust bestaat hier uit duinen, hoewel er op het strand de nodige, tamelijk platte rotsen liggen. Achteraf bleek dat we nèt de verkeerde kant op liepen. De mond van de Slack ligt aan de zuidkant van het dorp en daar staat ook nog een klein fort, dat is ontworpen door de vestingbouwmeester Vauban.





































De volgende dag was de enige dag met flink wat regen, hoewel het in de middag aardig opklaarde. De D940 verder volgend passeerden we achtereenvolgens Wimereux en Boulogne. In die stad waren we ook nog nooit geweest. We hebben er geen stop gemaakt, maar doorkruisten en passant wel het centrum. Het leek ons een levendige stad met tal van zaken die het bekijken waard zijn. We kwamen o.a. (eigenlijk omdat we per vergissing even de D940 verlieten) langs de Ville Fortifiée in het centrum van de stad, een citadel die eigenlijk een soort dorp in de stad vormt. Hier staat ook de Basilique de Notre Dame, met de toren-met-koepel, die skyline van Boulogne beheerst. We namen ons voor om op de terugweg Boulogne te bekijken, wat er uiteindelijk niet van gekomen is. Later!

Na Boulogne gaat de D940 even landinwaarts.
Via Etaples, aan de mond van Canche, arriveerden we in Groffliers, net ten zuidoosten van Berck-Plage. Eigenlijk vooral om het gebied rond de mond van de Authie te bekijken, een kleine zandige delta, omringd door duinen, schorren en slikken. De receptie van de lokale camping bleek opnieuw gesloten en de camping complet. Opnieuw geen nood. Tegenover de camping lag een keurig, door groen omgeven parkeerplaatsje. Eigenlijk bedoeld voor bezoekers van het nabijgelegen natuurgebied, maar wij hebben er, na een wandeling met zicht op een Visarend en zeehonden, heerlijk rustig overnacht. Ook het piepkleine, bij laagwater droogvallende haventje La Madelon aan de Authie bleek een arcadische plek. Met een, naar het schijnt goed, restaurant ernaast.























































De campings langs deze kust zijn overigens geen echte campings. Ze zijn voor het merendeel gevuld met stacaravans op vaste plaatsen. Met een beetje geluk heeft men wel toiletten en douches voor algemeen gebruik en een paar plekken voor passanten, waar dan altijd campers staan. Wij hebben in twee weken tijd slechts drie of vier kampeerders met tenten gezien.
Langs de route liggen, buiten Boulogne-sur-Mer, vooral kleine tot middelgrote dorpen. De plaatsnaamborden van diverse, vooral kleinere agrarische dorpen zijn omgekeerd. Wat een vorm van boerenprotest blijkt te zijn. Het Franse equivalent van de omgekeerde vlag in Nederland.

Mijn vrouw wilde graag Deauville zien. Dat is vanaf Groffliers een flink stukje rijden. Via de Pont de Brotonne waren we er het grootste deel van de dag mee bezig. Het dal van de Seine is in deze buurt diep, met tamelijk steile beboste wanden en hier en daar heuse krijtrotsen. De bruggen die erover heen gaan (iets verder westelijk ligt nog de pont de Tancarville) zijn bijgevolg tamelijk imposante, hoge constructies. We vonden een leuke camping bij Auberville, waar we een paar nachten zijn gebleven.
De kust ter plaatse is weer van een heel ander type dan de duinen tussen Calais en Saint Valery-sur-Somme, of de krijtrotsen tussen Ault en Etretat. Lokaal spreekt men van les Falaises des Vaches Noires.



 















Dat van die koeien met je niet letterlijk nemen. In de praktijk is het een steile kust met kliffen van leem, die inderdaad bijna zwart is en door erosie en afslag hier en daar groteske vormen aanneemt.



















Het strand ervoor is geen badstrand. Het ligt vol met grote en kleine rotsblokken die uit de leem zijn vrijgekomen. Pas verder naar het oosten, tussen Villers-sur-Mer en Deauville is er weer een zandstrand.
Dat laatste stuk kust heeft, net als plaatsen als Le Treport en Mers-les-Bains, de sfeer van een badplaats rond 1900. Veel, soms tamelijk extravagante villa's uit die periode, waarbij Viller-sur-Mer dorpser en eigenlijk leuker is dan Deauville. 



















In de laatstgenoemde plaats zijn, in de zone direct langs het strand, duidelijk de projectontwikkelaars aan de gang geweest. Naar de zee toe wordt het front van de stad beheerst door grote hotels en appartementencomplexen, die weliswaar een halfslachtige poging doen om een gelijkenis vertonen met de architectuur van het fin de siècle, maar te grootschalig zijn om daarin te slagen.
Wèl bezienswaardig is het badhokjescomplex aan de boardwalk langs het strand. 
Het stamt uit 1924 en houdt qua architectuur het midden tussen Art Deco en modernisme á la Le Corbusier. De hokjes hebben de namen van Amerikaanse filmacteurs en -actrices. Dat doet vreemd aan in een land dat zelf een rijke filmcultuur heeft en over het algemeen, en terecht, nogal prat gaat op de eigen cultuur. 























































De reden voor deze ogenschijnlijke knieval is het gegeven dat Deauville jaarlijks het American Filmfestival organiseert. Dat bovendien de pretentie heeft dat het, na het filmfestival van Cannes, het grootste filmfestival van Frankrijk is.
Deauville is ook de plaats waar Coco Chanel  in 1913 haar eerste winkeltje opende. Wat overigens een halve waarheid lijkt te zijn; volgens Wikipedia had ze al in 1908 een winkeltje in Parijs. We hebben de etalage van het winkeltje gezien, die overigens niets meer toont dan voorgaande mededeling en een aardige profieltekening van Coco, kennelijk gemaakt door Karl Lagerfeld.



















Onze volgende overnachtingsplek was Merville aan de mond van de Orne, tegenover Ouistreham. Weer een riviermond met schorren en slikken. Aan de kant van Merville ligt een aardig natuurgebiedje met een (het is voorjaar) keur aan luidkeels zingende zangvogels, plus de nodige steltlopers en kleine zilverreigers; een mooie mengeling van een biotopen. We zagen er ook Regenwulpen. Ze zijn, tenzij je de twee soorten naast elkaar ziet, moeilijk te onderscheiden van de gewone Wulp. De snavel is wat krommer en er is een streep op de kop die je alleen ziet als de Regenwulp hèèl dichtbij is. Je herkent de Regenwulp in de praktijk aan zijn roep, een triller die totaal anders is dan het weemoedige ''koerlie" van Wulp. Regenwulpen zie je ook alleen maar tijdens de trek; ze broeden in het verre noorden.

Ondertussen zijn we de voormalige invasiestranden dicht genaderd. Net als in de omgeving van Verdun zal hier vermoedelijk ten eeuwige dage de herinnering aan oorlogsgeweld, maar in dit specifiek geval ook aan bevrijding, levend blijven.
Bij Merville staan de bunkers van de Batterie de Merville, inmiddels een soort openluchtmuseum, inclusief een son et lumière in een bunker. We komen er tijdens een wandeling langs.





































Omdat de Britten geloofden dat de hier opgestelde Duitse artillerie Sword Beach, ten westen van Ouistreham, kon beschieten, werd door een Britse parachutisteneenheid een aparte operatie gepland om deze kanonnen uit te schakelen. Dat lukte, maar slechts ten koste van zware verliezen. Uiteindelijk bleek de aanwezige artillerie te bestaan uit verouderde kanonnen van een veel lichter kaliber dan de verwachte 15 cm. houwitsers. De dracht was onvoldoende om Sword Beach te kunnen beschieten. 
Een soort charge of the light brigade, dus en een onnodig verlies aan mensenlevens.

Het land achter de duinen is hier vlak en ligt maar net boven zeeniveau.

Bij Ouistreham ligt de zogenaamde Pegasusbrug, die een belangrijke rol speelde op D-day. De naam komt van het wapenschild van de Britse parachutisteneenheid die de brug veroverde en die het gevleugelde mythische paard toont. Overigens dezelfde eenheid die de Batterij bij Merville aanviel. De verovering van deze brug was wèl een succes. Er is een museum, maar we zijn er, op weg naar het verste punt van onze reis, langs gereden. 

Het vervolg leest u in een volgend bericht.





zondag 6 april 2025

Easy Rider




















Vier maanden geleden schreef ik een stukje over de film Lawrence of Arabia, zoals die mij werd voorgeschoteld door omroep ONS. Een maand of twee verder bleek dat de nostalgie van ONS alle kanten op kan; het kanaal had Easy Rider geprogrammeerd. 
In tegenstelling tot de eerstgenoemde film weet ik zeker dat ik Easy Rider wèl eerder had gezien. En niet op televisie, maar ècht in de bioscoop. Wanneer dat precies was, weet ik niet meer exact, maar het zal niet meer dan een paar jaar ná het verschijnen van de film zijn geweest. De Amerikaanse première was in 1969; wanneer de film in Nederlandse bioscopen werd uitgebracht heb ik niet kunnen achterhalen. Ik vermoed dat het ergens in de eerste helft van de jaren '70 was en ik vermoed bovendien dat er een relatie was tussen het feit dat de twee hoofdrolspelers op een Harley-Davidson reden en een ander feit: het gegeven dat mijn beste vriend (die dat overigens nog steeds is) net zelf een Harley had gekocht. Die hij vervolgens helemaal uit elkaar haalde om hem eens grondig te reviseren, wat tenslotte, jaren later, uitdraaide op het in onderdelen te verkopen, zonder er zelf ooit verder dan een paar kilometer op te hebben gereden. Maar dat is weer een heel ander verhaal.

Het eerste wat opviel, toen ik de film opnieuw bekeek, was de beeldkwaliteit. Die was, zelfs op mijn relatief kleine televisie, veel beter dan je van een low-budgetfilm van vijf-en-vijftig jaar geleden zou verwachten. Er blijkt al een aantal jaren geleden een 4K-scan van het oorspronkelijke materiaal te zijn gemaakt. Mogelijk was dit de versie die ONS vertoonde.
Mede daardoor was de film, al was het alleen maar om de mooie weergaven van de diverse Amerikaanse landschappen, een genoegen om naar te kijken.

Maar Easy Rider is niet alleen om z'n soms fraaie beelden de moeite waard. 
Het scenario toont de kijker een reeks van aspecten van het Amerika van eind jaren zestig. Mede in het licht van de recente ontwikkelingen in de VS is dat een interessant gegeven. 
De marketing blurp waarmee de film destijds werd geadverteerd luidde: A man went looking for America and couldn’t find it anywhere. Op het moment dat beide hoofdrolspelers na een lucratieve dope deal op pad gaan is het nog niet zo duidelijk dat ze ergens naar op zoek gaan. Het is slechts duidelijk dat ze naar de Mardi Gras in New Orleans willen. De mensen en gebeurtenissen waarmee ze onderweg te maken krijgen leidden niet zozeer tot een zoektocht als wel tot het maken van keuzes. 
Dat de film een soort document van zijn tijd is geworden lijkt van meet af aan de bedoeling te zijn geweest. Dennis Hopper, die meeschreef aan het scenario, heeft later verklaard: "I wanted Easy Rider to be kind of a time capsule for that period". Dat kan een later verworven inzicht zijn, maar achteraf moeten we constateren dat de makers aardig in die opzet zijn geslaagd.

Dat ik het nog steeds een aardige film vind, is natuurlijk een puur persoonlijk oordeel; ik was jong toen hij uitkwam en hij zit al vijftig jaar in mijn herinnering. Ik denk een beetje te begrijpen wat de film de kijker wil tonen. Maar ik ben geen modern mens, die zich een aanzienlijk deel van zijn tijd laat verdoven met de moderne versie van brood en spelen. Op de website Moviemeter vond ik de volgende recensie:

Poeh wat een lange zit.

Netflix weer eens aangeslingerd in de hoop van een klassieker. Dat zat er niet in. Het eerste half uur is nauwelijks door te knagen: veel motorrijden, veel tenenkrommende hippies, en twee suffe personages gespeeld door Hopper en Fonda. Vooral Dennis ‘man’ Hopper is erg vervelend. Eigenlijk doet hij dit personage in Apocalypse Now dunnetjes over.

Nicholsons intrede in de film is een godsgeschenk. Eindelijk een wat intrigerender karakter, wat ook de interessantere scènes met zich meebrengt. Hij weet de film echter niet te redden. Alleszeggend is de vage LSD trip op het eind...pff.

Op naar de volgende Netflix.

De recensent mist naar mijn idee het één en ander, maar in één opzicht heeft hij wèl een punt: Dennis Hopper's acteerwerk lijkt inderdaad erg op zijn verbeelding van de verwarde fotograaf die hij in Apocalyse Now speelt.
Helaas voor de recensent op Moviemeter is de rol van Nicholson in de film vrij beperkt. Hij heeft zich eigenlijk nog maar nèt bij de twee hoofdrolspelers aangesloten, als hun gezamenlijke bivak, na wat onschuldig geflirt met een stel lokale tienermeisjes, wordt aangevallen door een aantal rednecks uit hetzelfde dorp, die van buitenbeentjes als zij niks moeten hebben. Nicholsons personage overleefd die aanval niet.
Zijn invloed bepaalt echter wèl in grote lijnen het verdere verloop van verhaal.
Voor hij het tijdelijke met het eeuwige verwisselt heeft hij het oorspronkelijke duo namelijk het adres van een bordeel in New Orleans gegeven, met de aanbeveling daar vooral langs te gaan.
Fonda en Hopper (Wyatt en Billy in de film) volgen zijn raad op en doen met twee dames uit het bordeel een LSD-trip, die uitmondt in een nachtmerrie. Alle positiviteit lijkt ineens verdwenen.
In een van de laatste scenes zitten beiden weer, ontnuchterd, in hun bivak bij een vuurtje. 
"We blew it", zegt Wyatt tegen Billy. Billy begrijpt er niks van: ze hebben geld en ze gaan naar Florida om er daar  van te gaan genieten! Maar Fonda maakt er verder geen woorden meer aan vuil en herhaalt: "We blew it".
In de laatste scene blijkt dat ze het niet alleen verprutst hebben; ze komen nooit in Florida aan, maar worden door wéér andere rednecks van hun motorfiets geschoten.

Wyatt lijkt zich te hebben gerealiseerd dat vrijheid niet te koop is. Zeker niet als het geld waarmee je die wilt kopen afkomstig is van een schimmige drugsdeal. Want hoe vrij zijn drugsverslaafden? En hoe verhoudt jouw vrijheid zich met hun onvrijheid? Wyatt doorziet dat vrijheid niet bestaat zonder een zekere verantwoordelijkheid en dat ieder voor zich en God voor ons allen niet per definitie leidt tot vrijheid voor iedereen. 
Eigenlijk trekt de film de conclusie die voor de meesten pas in de loop van de jaren '70 goed doordrong: het optimisme en de vrijheidsdrang uit de jaren zestig was verdampt tot hedonisme, dat doorsloeg in egoïsme en zelfs naar destructief gedrag. 
Velen wijzen de gebeurtenissen tijdens het gratis festival dat de Rolling Stones organiseerden in Altamont in december 1969 als het einde van tijdgeest van de jaren zestig. Easy Rider verscheen echter al een half jaar eerder, in juli 1969, en de opnames begonnen al in de eerste helft van 1968. De makers hadden een vooruitziende blik. 
In dit verband is het overigens interessant om te constateren dat Fonda en Hopper in 1968 al respectievelijk 29 en 32 jaar oud waren. Niet direct leeftijden die je associeert met de flower power generation.
Je zou zomaar kunnen vermoeden dat beiden met een zekere afstand naar de toenmalige tegencultuur keken en dus ook wat makkelijker het failliet ervan konden erkennen.

Wie de film in het heden bekijkt, kan zich afvragen of er in Amerika sindsdien veel is veranderd. Easy Rider geeft namelijk ook een beeld van de mentaliteit in small town America anno 1968, die je in de terminologie van vandaag anti woke zou kunnen noemen. De meest conservatieve elementen verzetten zich ook destijds al op vrij gewelddadige wijze tegen alles wat afweek van hetgeen ze kenden. Datzelfde conservatisme lijkt in het Amerika van nu opnieuw de boventoon te voeren
Toch stemde in 2024 maar iets meer dan de helft van de Amerikanen op Trump en of dat vooral vanwege zijn weerzin tegen woke was, is ook een vraag.

Aan de andere kant: het menselijk tekort is er altijd geweest en zal wel nooit helemaal verdwijnen. Slechts de mate waarin het opspeelt en de manier waarop het zich manifesteert verschilt van tijdsgewricht tot tijdsgewricht.






maandag 2 december 2024

T.E. Lawrence




Een paar dagen geleden had ik de gelegenheid om de film Lawrence of Arabia van David Lean te bekijken. 
Opgenomen van televisiekanaal ONS, dat naar eigen zeggen grossiert in "De mooiste nostalgische programma's". En inderdaad; het kanaal presenteert nogal eens films uit een tamelijk ver verleden.
Lawrence of Arabia werd uitgebracht in 1962 en wordt heden ten dage nog steeds beschouwd als een klassieke film. Een andere film van David Lean, Doctor. Zhivago (1965) is misschien nog beroemder, maar iedereen die in de jaren zestig zijn tienerjaren beleefde, heeft ooit van Lawrence of Arabia gehoord.
Zelf was ik nog maar negen jaar oud toen de film in roulatie kwam. Op die leeftijd kwam ik nog niet in bioscopen. Hij zal vast eerder op de televisie zijn geweest, maar ik kan me zo'n gelegenheid niet herinneren. Voor m'n gevoel zag ik de film voor de eerste keer. 
Desondanks was ik wel min of meer op de hoogte van wie T.E. Lawrence was, en welke rol in de geschiedenis hij had gespeeld.

Lawrence of Arabia is, bijna twee-en-zestig jaar na zijn premiére, wat mij betreft nog steeds een genoegen om naar te kijken. De film doet niet gedateerd aan.
Los van het avonturen- en oorlogsverhaal, wat de film ook is, en de spectaculaire, massale actie-scènes, kent hij ook een zekere gelaagdheid. Het personage Lawrence krijgt diepte. Zijn mentale toestand lijkt in de loop van de film heen-en-weer te slingeren tussen risicovolle dadendrang en depressieve hopeloosheid. Niet direct het gedrag van de archetypische Action Hero
Lawrence had al de nodige tijd in de Arabische wereld doorgebracht voor de Eerste Wereldoorlog begon, het tijdsgewricht waarin de film zich afspeelt. 
Als kind had hij al een grote belangstelling voor geschiedenis en dan met name de middeleeuwen. Via een studie van de kruistochten raakte hij ook steeds meer geboeid door het Midden-Oosten en de Arabische cultuur. Na een academische studie werkte hij, net voor het uitbreken van de eerste wereldoorlog, als archeoloog in Syrië en Irak.
De eerste volledige biografie van Lawrence moet ik nog lezen, maar op het Engelstalige Wikipedia is al een uitgebreide beschrijving van de man en zijn leven te vinden. De complexiteit van zijn karakter komt in de film goed tot uiting. Het is één van de dingen die de film, zoveel jaar na dato, nog steeds de moeite waard maken. 

Zo is er bijvoorbeeld de dubbelzinnige verhouding met geweld, die de hoofdpersoon op diverse momenten in de film laat zien. Enerzijds verafschuwd Lawrence het doden van mensen, maar als een dreigende vete tussen twee Arabische stammen moet worden bezworen, schiet hij, na enige aarzeling, de aanstichter van die vete, die een moord op zijn geweten heeft, zonder meer dood en voldoet daarmee aan de Arabische mores. Later in de film komt die daad weer ter sprake en bekent Lawrence dat het doden van de moordenaar hem genoegen deed. 
Op een ander moment in de film stuit zijn Arabische guerilla-strijdmacht op een door de Turken uitgemoord Arabisch dorp. Zijn leger, dat zich op paarden en kamelen snel kan verplaatsen, zet de achtervolging in op de verantwoordelijke Turkse colonne. Als die is achterhaald, is er weer die aarzeling, maar als één van de Arabieren zijn ongeduld niet langer kan bedwingen, in zijn eentje te paard en met geheven kromzwaard op de Turken afstormt, en door hen wordt neergeschoten, gaat ook bij Lawrence de knop om en doet hij naar hartelust, zo lijkt het, mee aan het afslachten van de Turken.
Op zeker moment waagt Lawrence zich, met slechts één medestrijder, in de door Turken bezette stad Dehra. Hij wordt door de Turken opgepakt en door hen gemarteld en verkracht. Dat laatste wordt in de film niet expliciet getoond, maar de suggestie is er wel. Daarna gooien de Turken hem weer op straat, maar hij is onmiskenbaar geknakt door de vernedering
en zinkt, zij het tijdelijk, weg in een zwaar depressieve stemming.

Dat alles neemt niet weg dat Lawrence zich op het Arabische sub-continent als een vis in het water voelt. Hij begrijpt de Arabieren en hun cultuur en vindt in de woestijn een geestelijke rust die bijna boeddhistisch aandoet. Als hem in de film door een op sensatie beluste Amerikaanse journalist wordt gevraagd wat hem aantrekt in het leven in de woestijn, antwoordt hij: "omdat zij schoon is".

De gelaagdheid, waarover ik eerder sprak, gaat nog wat verder dan de wisselende stemmingen van de hoofdpersoon en zijn liefde voor Arabië en de Arabieren. 
Ook wie de film met hedendaagse ogen bekijkt, zal opmerken dat Lawrence in de film, in zijn uiterlijk en gedrag, androgyne eigenschappen vertoont. Hij heeft, zoals hij door Peter O'Toole wordt gespeeld, zekere vrouwelijke trekjes. 
Voor de hoofdrolspeler  was Lawrence of Arabia de rol waarmee hij internationale bekendheid verwierf. O'Tool had hemelsblauwe ogen en blond haar en vergeleken met foto's van de echte Lawrence kan een zekere overeenkomst in uiterlijk niet worden ontkend.
In andere rollen was O'Toole een archetypische 'mannelijke' man, zoals hij bijvoorbeeld liet zien in de film Beckett uit 1964, waarin hij en Richard Burton de hoofdrollen vervulden.
Dat vrouwelijke van Lawrence in de film was dus gespeelde vrouwelijkheid; iets dat regisseur en acteur bewust deel van de persoonlijkheid van Lawrence wilden maken.
Dat idee kwam niet uit de lucht vallen. 
Het Wikipedia-lemma over T.E. Lawrence spreekt er niet over, maar wie verder zoekt op internet, komt erachter dat diverse biografen in de loop der jaren het vermoeden hebben geuit dat Lawrence homoseksueel was. De film suggereert iets dergelijks door de manier waarop de hoofdpersoon over het voetlicht wordt gebracht.. 
Wat voor een film uit 1962 opmerkelijk mag worden genoemd. Homoseksualiteit was in het Engeland van dat jaar nog strafbaar.
Uit de diverse biografieën blijkt overigens ook dat Lawrence nooit een liefdesrelatie van betekenis heeft gehad met een man, noch met een vrouw. 
Het idee van zijn afwijkende sexualiteit gaat echter nog wat verder dan alleen het vermoeden dat Lawrence gay was
Er is niet alleen veel òver Lawrence geschreven; hij schreef zelf ook. Zijn bekendste boek is The Seven Pillars of Wisdom. Daaruit komt het volgende  citaat:

"The Arab was by nature continent; and the use of universal marriage had nearly abolished irregular courses in his tribes. The public women of the rare settlement we encountered in our months of wandering would have been nothing to our numbers, even had their raddled meat been palatable to a man of healthy parts. In horror of such sordid commerce our youths began indifferently to slake one another’s few needs in their own clean bodies — a cold convenience that, by comparison, seemed sexless and even pure. Later, some began to justify this sterile process, and swore that friends quivering together in the yielding sand with intimate hot limbs in supreme embrace, found there hidden in the darkness a sensual co-efficient of the mental passion which was welding our souls and spirits in one flaming effort. Several, thirsting to punish appetites they could not wholly prevent, took a savage pride in degrading the body, and offered themselves fiercely in any habit which promised physical pain or filth.

De tekst bevat niet alleen de suggestie van homoseksualiteit, maar bevat ook een hint naar sado-masochisme. En ook voor dat laatste hebben de biografen aanwijzingen gevonden.

Hoewel de film de bovenstaande suggesties doet, draait de kern van het verhaal om een heel andere geschiedenis.
T.E. Lawrence kreeg, op grond van zijn kennis van de Arabische cultuur, de opdracht een Arabische opstand tegen de Turken te organiseren en te leiden. Dat gebeurde onder de belofte aan de Arabieren dat zij, na het verdrijven van de Turken, die een groot deel van het Midden-Oosten hadden gekoloniseerd, een eigen Arabische staat zouden krijgen.
Toen uiteindelijk de eerste wereldoorlog op z'n eind liep en de Turken inderdaad waren verslagen, werd deze belofte door de nieuwe koloniale machten Engeland en Frankrijk geschonden. Frankrijk kreeg Libanon en Syrië; Engeland kreeg Palestina, en wat nu Jordanië en Irak is.
Officieel werden dit protectoraten, maar in essentie hadden de genoemde westerse landen de macht en bepaalden zij wat wèl en niet kon in deze gebieden. Jordanië en Irak kregen een koning, maar Palestina kwam rechtstreeks onder Brits bestuur..Uit dit gegeven kwam ook de zogenaamde Balfour Declaration uit 1917 voort, waarin de Britten aangaven dat Palesitna deels bestemd was om als 'thuisland' te gaan dienen voor de Joden. De verklaring gaf het Zionisme (het streven naar een Joodse staat), dat al sinds het eind van de 19e eeuw bestond, een grote impuls. Al voor de tweede wereldoorlog trokken Joden, vooral uit Oost-Europa en Rusland, waar pogroms een regelmatig optredend verschijnsel waren, naar Palestina.
De mensen die al voor 1917 in Palestina woonden en die voor het merendeel moslims en voor een kleiner deel christenen waren, konden de Balfour-verklaring niet waarderen. 
Direct na de Holocaust nam de trek van Joden naar Palestina dusdanige vormen aan, dat zelfs de Britten zich zorgen gingen maken. Het Midden Oosten bestond inmiddels uit onafhankelijk staten en de Britten waren zéér afhankelijk van Arabische olie. Het oorspronkelijke Britse idee over een thuisland voor de Joden werd in tweede instantie een blok aan hun been, omdat de volledige Arabische wereld tegen zo'n Joods thuisland was.
De Britten probeerden, in reactie daarop, de Joodse immigratie in Palestina een halt toe te roepen maar het hek bleek van de dam. Het Verenigd Koninkrijk vroeg de Verenigde naties een plan op te stellen voor de verdeling van Palestina tussen Arabieren en Joden. Op 14 mei 1948 werd de staat Israël uitgeroepen.

De rest is, zoals het gevleugelde woord luidt, geschiedenis.
Maar voor wie zich afvraagt waar de Arabisch-Islamitische weerzin tegen het Westen zijn wortels heeft, kan dit verhaal misschien een deel van het antwoord zijn.


dinsdag 13 juni 2023

Taxi Driver




















Sinds ik zogenaamde interactieve televisie heb neem ik vaak films op, die ik vervolgens op een tijdstip dat mij uitkomt bekijk. Bij de films die door de commercieële zenders worden geprogrammeerd, kun je op die manier ook lekker de reclameblokken, waarmee men schaamteloos een speelfilm van anderhalf uur tot twee- en halfuur oprekt, doorspoelen.
Zo was ik onlangs in de gelegenheid Taxi Driver, een van de meest iconische films uit de jaren '70 op te nemen en te bekijken.

Ik kon me herinneren de film ooit eerder te hebben gezien. Bij het bekijken moest ik echter erkennen dat ik hele stukken ervan vergeten was. Dat viel me eigenlijk wat tegen van mezelf, want kennelijk had ik destijds weinig geconcentreerd gekeken. Of de film had weinig indruk gemaakt. Wat indirect moet betekenen dat mijn eigen vermogen om kwaliteit te herkennen destijds nog maar matig ontwikkeld was. Want Taxi Driver is, wat mij betreft, wel degelijk de iconische film waarvoor de meeste critici hem, sinds zijn verschijnen in 1976, houden.

Taxi Driver is de vijfde film van regisseur Martin Scorsese, een man waarvoor ik in de loop der jaren steeds meer waardering heb gekregen. 
Scorsese is geen one trick pony, zoals de Amerikanen dat noemen. Hij maakte niet alleen een lange reeks speelflims van hoge kwaliteit, maar produceerde ook veel documentaires, waarvan de onderwerpen vaak gerelateerd zijn aan muziek. Dat begon al met zijn werk als redacteur bij het samenstellen van de de film Woodstock. Verdere voorbeelden zijn The Last Waltz (het afscheidsconcert van The Band) en No Direction Home over het leven van Bob Dylan.
Maar Scorsese heeft ook een goede hand als het gaat om het kiezen van acteurs. Al vanaf het begin van zijn carriëre zijn Robert De Niro en Harvey Keitel bijna vaste waarden in zijn films.

De Niro heeft de hoofdrol in Taxi Driver en ook Keitel heeft een rol, maar is als de pooier van kind-prostituee Iris (Jodie Foster) nauwelijks herkenbaar. Wat in mijn geval misschien ook komt omdat ik Keitel vooral ken uit veel latere films. Zelfs Robert de Niro is in Taxi Driver zo jong dat je even goed moet kijken om te constateren dat hij het echt is. De wrat net boven zijn rechter wang had hij in 1976 echter al.

Eigenlijk is Taxi Driver één van de eerste films over wat je een vorm van een post traumatische stress stoornis zou kunnen noemen. De hoofdpersoon Travis Bickle is een Vietnam-veteraan, die aan slapeloosheid lijdt. Hij weet niet wat hij na zijn eervolle ontslag uit het Korps Mariniers met zijn leven aan moet. Bickle gaat aan het werk als taxichauffeur. Hij rijdt vooral 's nachts en hij ziet op zijn ritten de zelfkant van New York in al z'n facetten voorbij komen. Maar het taxichauffeur zijn is Bickle niet genoeg. Hij wil hij daden stellen en optreden tegen de criminaliteit en het verval dat hij overal om zich heen aantreft. Een idee dat lijkt voort te komen uit de frustratie gevochten te hebben voor een cultuur die nader inzien ook allerlei mankementen vertoont.
Ondertussen probeert hij iets te beginnen met een jonge vrouw, die deel uitmaakt van de campagnestaf van een senator, die mee wil doen aan de presidentsverkiezingen. 
Als dat op een mislukking uitdraait, knakt er iets in Bickle. Hij gaat hij werk maken van zijn gewelddadige plannen met betrekking tot bestrijding van de criminaliteit.

Taxi Driver wijkt in een aantal opzichten af van de standaard waaraan de meeste films uit Hollywood destijds voldeden. Zo werd er bijvoorbeeld met een tamelijk basaal script gewerkt. Niet alle dialogen waren volledig uitgeschreven en zelfs als ze dat wèl waren kregen de acteurs van Scorsese de vrijheid om te improviseren. 
Met name De Niro lijkt daarvan flink gebruik te hebben gemaakt. Hij lijkt in de film steeds wat aarzelend te communiceren met de mensen die hij tegenkomt. Vaak denkt hij even na voor hij wat zegt en de gesprekken verlopen soms tamelijk stroef. Dat werkt goed in Taxi Driver; Travis Bickle komt over als de gefrustreerde, enigszins mensenschuwe loner die hij in de film moet verbeelden, juist door de manier waarop hij praat.
Bickle lijkt zich ook van bewust van zijn gebrek aan flux de bouche: voor de spiegel oefent hij bepaalde bewegingen met zijn wapens en bedenkt daarbij ook vlotte punch lines. Het citaat "You talkin' to me?" is deel gaan uitmaken van de canon, waarin ook allerlei andere beroemde zinnen uit de filmgeschiedenis zijn opgenomen.
Wat ook opvalt is filmmuziek. Traditioneel wordt die altijd wat dramatischer en zwelt het volume aan op momenten waarin de spanning stijgt. Ook in Taxi Driver wordt dat middel toegepast, maar één en ander wordt nog wat zwaarder aangezet dan normaal gebruikelijk is. Soms doet het denken aan de muziek bij de stomme films uit de jaren twintig, waar alle drama, voor zover dit niet uit de beelden sprak, uit de begeleidende muziek moest komen.

De plot van de film is eigenlijk niet heel bijzonder of ingenieus. Het is Scorsese te doen om de psyche van Travis Bickle en de uitingen daarvan. We zien hoe hij in een koortsachtige geestesgesteldheid zijn trauma omzet in een minutieuze voorbereiding op zijn plannen. Je voelt ruim van tevoren aankomen waar dit op gaat uitlopen: tamelijk ongericht geweld met een dramatische afloop. Hoewel Bickle eerst nog een serieuze poging onderneemt om Iris ervan te overtuigen dat ze wordt misbruikt en dat ze moet stoppen met haar leven als kindhoertje. Iris wil het tegenover Bickle niet toegeven, maar hij brengt haar wel degelijk aan het twijfelen. Bickle is in zijn hoofd echter een grens gepasseerd. Hij is al getuige geweest van een overval op een winkel, waarbij hij de overvaller neerschiet. Zijn geplande aanslag op de presidentskandidaat wordt in de kiem gesmoord, waarop Bickle zijn agressie richt op de pooier van Iris, de verhuurder van haar kamer en één van haar klanten.
Bickle raakt tijdens dat laatste vuurgevecht zelf ook gewond. Als hij zijn laatste slachtoffer heeft gedood, zet hij zijn revolver onder zijn kin en haalt drie keer de trekker over. Maar alle patronen zijn verschoten. Als hij daarna door enkele politieagenten wordt gevonden, zet hij zijn wijsvinger tegen zijn slaap, en terwijl hij schaapachtig lacht naar de agenten, doet hij alsof hij zichzelf door het hoofd schiet. Het is duidelijk dat wat hem betreft zijn taak is volbracht en dat het ook met hem zelf afgelopen mag zijn. Dat had het einde van de film kunnen zijn.

Wat wel verrast is het werkelijke eind. In de laatste scenes blijkt het allemaal heel anders te zijn uitgepakt. 
Bickle is hersteld van zijn verwondingen en heeft een bedankbrief gekregen van de ouders van Iris, die naar het ouderlijk huis is teruggekeerd en nu haar best doet om haar schooldiploma te halen. Ook de kranten zingen de lof van Bickle; zij dichten hem exact de rol toe die hij zelf voor ogen had: die van de engel der wrake, die strijdt tegen het onrecht in New York. Bickle is ook in de ogen van anderen geworden wie hij wilde zijn. 
Zelfs het meisje dat hij eerder probeerde te versieren, en dat op op zeker moment weer als klant bij hem in de taxi zit, moet bekennen dat Bickle niet zomaar iemand is. Het lijkt hem zelf allemaal niet meer zoveel te interesseren. Hij is van mening dat de kranten het hele verhaal nogal hebben opgeblazen. Het meisje lijkt, nadat ze uit zijn taxi is gestapt, nog iets te willen zeggen. Maar Bickle laat haar achter op de stoep en rijdt, ogenschijnlijk onbekommerd, weg. Einde film.

Heeft zijn geweldsuitbarsting, die hij ternauwernood heeft overleefd, geleid tot de catharsis die hij nodig had en heeft hij zijn frustraties en trauma's verwerkt? Of is Bickle nog steeds de wandelende tijdbom die hij eerder was? De kijker mag z'n eigen oordeel vellen.

Taxi Driver is, ook na bijna vijftig jaar na zijn verschijnen, nog steeds een bijzondere film.






zondag 22 maart 2020

Communicatie in tijden van Crisis















Het is opvallend hoeveel collega-bloggers ondertussen, al of niet op dagelijkse basis, verslag doen van hun wederwaardigheden tijdens de heersende crisis. Mijn behoefte om aan die trend mee te doen is niet allesoverstijgend, maar juist vanmorgen stuitte ik weer op een nieuw bij-effect van social distancing.

Mijn vrouw geeft, sinds de scholen dicht zijn, les via internet. Ze maakt daarbij en passant veel meer uren  dan ze normaal deed, want er zijn allerlei wielen om uit te vinden en het duurt even voor ze draaien. De belangrijkste kanalen doen het inmiddels, maar om persoonlijk contact te kunnen hebben met individuele leerlingen, moet ook Skype worden geïnstalleerd.
Nu had mijn vrouw daar al eens wat mee gedaan, maar alleen via de smartphone. In de huidige constellatie is het handiger om dat te doen vanachter de PC, aangezien een (goede) laptop hier nog steeds ontbreekt en de laptops van de school 'op' waren. Vanmorgen (zondag) concludeerde mijn vrouw dus dat er een webcam moest komen.
Geen nood, dacht ik: de MediaMarkt zit hier op loopafstand en hij is nog open. Ook op zondag.
Om een idee te hebben van wat er op het gebied van webcams te koop is en wat het kost, ben ik even naar de website van MediaMarkt gegaan. Waarbij blijkt dat er in geen enkele winkel van de Mediamarkt ook nog maar één webcam op voorraad is.

Eén en ander bevestigt wat ik in m'n vorige stukje al opperde. Internet moet ons gaan redden. Als we al niet het grootste deel van ons leven achter (of vóór) beeldschermen doorbrachten, dan komt dat moment nu wel hèèl erg dichtbij.

Des te meer omdat de totale lockdown ook aanstaande schijn te zijn.
Op hetzelfde internet las ik, ook vandaag, iemand die iemand kent die wist dat alle verloven bij het leger zijn ingetrokken en dat de eenheden vandaag worden gebriefd over wat hen te doen staat.
Klinkt niet onlogisch, want een totale lockdown zal moeten worden gehandhaafd en daarvoor is meer man- en vrouwkracht nodig dan de politie kan leveren.

Hoe nodig zo'n totale opsluiting is, vraag ik me af.
Zelf ben ik, op de momenten dat ik dat nodig vond, gewoon naar buiten gegaan. Mijn boot ligt deze winter toevallig ook op loopafstand van mijn huis en nu het weer wat beter wordt, is het tijd voor wat noodzakelijke en minder noodzakelijke klusjes. Waarbij ik ervan uitga dat er inderdaad nog wat van zeilen komt, dit jaar. Al moet ik daarvoor vele nachten in splendid isolation achter het anker doorbrengen en mag ik alleen havens aanlopen voor drinkwater en proviand. Voor u klinkt dat misschien als een soort alternatief voor een strafkamp, maar mij lacht het idee wel toe, eerlijk gezegd. Ik ben ertoe bereid.
Hoe dan ook: gewoon wandelend op straat is afstand houden geen enkel probleem. Zelfs hier in het centrum van Dordt is het al véél rustiger dan normaal en eenmaal buiten de bebouwde kom is er al helemaal geen probleem, vermoed ik zo.
Maar kennelijk danst men op plaatsen waar ik niet kom hoogst onverantwoordelijk op de vulkaan. Wat het meest nerveuze deel van ons volk om opsluiting van ons allen doet roepen.

Ik vrees met grote vreze. Want naast het ineenstorten van internet vrees ik de totale lockdown nog het meest, eerlijk gezegd. De scholen hoefden ook niet dicht, maar gingen dat wèl, omdat de stem des volks dat verordonneerde. Met de totale lockdown zal het ook wel zo gaan.

Waar dat dan, na een paar weken, weer toe gaat leiden is de vraag. Honderden mensen die het spoor volledige bijster raken en overmand door waandenkbeelden rare dingen gaan doen? Totale anarchie?

Eén verzoek aan Netflix, Film zoveel en hoe die amusementsfabrieken ook allemaal mogen heten, géén rampenfilms programmeren, alstublieft.