Posts tonen met het label beeldende kunst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label beeldende kunst. Alle posts tonen
maandag 5 januari 2026
Sporen naar Berlijn
In 1936, toen zo langzaamaan het ware karakter van de nieuwe Duitse werkelijkheid zichtbaar werd, schreef Ed Hoornik het gedicht 'Het is maar tien uur sporen naar Berlijn'. Hij leek toen al te voorzien dat deze Duitse werkelijkheid vroeg of laat ook in Nederland de status quo zou worden.
Toen wij in de week na Kerstmis naar Berlijn spoorden, heb ik nog wel een paar keer aan die tien uur van Hoornik gedacht. We reisden weliswaar grotendeels met een snelle Duitse trein, maar kwamen redelijk dichtbij een reistijd van tien uur. Op de heenweg hadden we ruim een uur vertraging en op de terugweg bijna twee uur. Bij de laatste gelegenheid hadden we om 12.06 uur moeten vertrekken vanaf Berlin Hauptbahnhof. Dat werd een ruim een uur later, en tijdens de rit zelf wist de Deutsche Bundesbahn er nog eens bijna een uur extra vertraging aan toe te voegen. Inclusief de reistijd in Nederland, waar de NS ondanks het winterweer goed presteerde (de vertraging bleef beperkt tot enkele minuten), waren we van Berlijn tot Dordrecht bijna negen uur onderweg.
Berlijn is onder de wereldsteden nog steeds een unicum. Nergens drukt de geschiedenis zó zwaar op een stad als in Berlijn.
Al vele jaren geleden las ik de stukken die Armando, die in de jaren '80 een tijd in Berlijn woonde en werkte, over de stad schreef. De "grote hoop zand", waar de muur langs liep en waar ooit "het statige gebouw van de Gestapo" stond is er niet meer. Het "restant van het Reichsluftfahrtministerium" dat aan de andere kant van de muur stond "drüben, dus" is er nog, maar ik heb er niet naar gezocht..
Armando schreef zijn verhalen over Berlijn nog voor de Wende. Na het verdwijnen van de muur zijn veel sporen van het verleden die min of meer in het niemandsland tussen oost en west lagen waarschijnlijk in hoog tempo verdwenen. Overigens is niet de hele muur verdwenen; langs de Mühlenstrasze in de wijk Friedrichshain, die parallel loopt aan de Spree, is nog een flink stuk bewaard gebleven. Het is over de volle lengte voorzien van muurschilderingen, die moeten worden beschouwd als kunstwerken, geloof ik. De lokale autoriteit heeft bepaalde kunstenaars toestemming toestemming verleend voor het aanbrengen ervan, zo te zien. Zonder toestemming aangebracht 'wild' geklieder wordt zonder mankeren overgeschilderd met witte verf. Ook daar zagen we wat bewijzen van.
Normaal zijn er in dit deel van Berlijn weinig toeristen, maar hier liepen ze met drommen.
De meeste braakliggende stukken, erfenissen van de bombardementen en de slag om de stad in 1945, zijn ondertussen zo'n beetje verdwenen, maar toch kent de stad in de zone net buiten het echte centrum nog steeds veel lege plekken. of plekken die ooit leeg waren maar nu, al dan niet met goedkeuring van de overheid, zijn ingevuld met marginale bedrijfjes of kleine vrijstaatjes, die bewoond worden door mensen die met het nodige sloophout en golfplaten hun eigen woonomgeving hebben geschapen. Die overigens vaak door meer dan manshoge schuttingen is gescheiden van de openbare weg; reclame maken voor hun alternatieve mini-maatschappij vinden de bewoners kennelijk niet nodig, of men wil geen pottenkijkers. Daardoor doet het vaak wel een beetje unheimisch aan.
Heb je eenmaal het centrum bereikt, dan is elke vierkante meter ingericht. Vooral met grote, tamelijk anonieme gebouwen, die vaak tientallen verdiepingen de lucht in reiken. Ook op straatniveau is alles keurig ingericht, hoewel ook hier vaak stukken straat zijn opgebroken, omdat er weer voor het één of ander in de grond moeten worden gewroet. Hier wordt nog wel gewoond, maar in het beeld zijn de winkels en het zakenleven dominant. Het kapitalisme in één van zijn meest ultieme vormen grijnst je continue aan.
Ons hotel stond in voormalig Oost-Berlijn, vlak bij het S+U Bahnhof Frankfurter Allee. De directe omgeving was een rustige, nette woonomgeving, maar tussen de Frankfurter Allee en de Spree zijn de nodige rommelhoekjes van de hierboven genoemde soort te vinden. Een groot contrast met het centrum, waar de grond inmiddels heel duur is en het grote geld de broek aan heeft.
Vergeleken met Parijs ontbeert Berlijn veel charme en eerlijk gezegd vind ik Rotterdam (ook een stad die zijn Stunde 0 gekend heeft), in veel opzichten gemutlicher.
Was het bezoek aan de stad dan verloren moeite? Nee; integendeel.
Want hoe je het ook wendt of keert, de Duitse cultuur is, samen met de Franse, de Britse en de Italiaanse één van de grote steunpilaren van de cultuur van Europa als geheel. Duitsland als natie ontstond pas in de tweede helft van de 19e eeuw, maar de Duitse cultuur is veel ouder.
Het slot Charlottenburg, dat als gebouw, vergeleken met Versailles of de paleizen in Potsdam niet buitengewoon indrukwekkend is, herbergt wèl een interessante expositie over het Pruisische Huis van de Höhenzollern, dat z'n wortels heeft in de vroege middeleeuwen en dat in 1701 een koninkrijk stichtte, dat in feite de basis vormde van het latere Duitsland.
In Nederland heeft het Pruisische een slechte naam, maar in de praktijk traden de Pruisische koningen vaak op als mecenas ten gunste van allerlei vormen van wetenschap en kunst. Binnen die cultuur konden grote geesten als Goethe en dichters als Wilhelm Müller zich ontwikkelen.
Daarnaast bood een bezoek aan de Alte Nationalgalerie op het Museuminsel de gelegenheid om eindelijk eens wat schilderijen van Caspar David Friedrich in het echt te zien.
Sinds ik, lang geleden, een CD met Schubert's Winterreise kocht, heeft Friedrich me geïntrigeerd. Op de voorpagina van het boekje bij de CD stond namelijk een afbeelding van Friedrich's schilderij Winterlandschaft. Een desolaat beeld van een besneeuwd landschap met grotendeels dode bomen. Als je iets beter kijkt, zie je tussen de bomen ook nog een kromgebogen Wanderer.
Want dat is natuurlijk ook ontzettend Duits; de Romantiek als kunststroming in allerlei vormen.
De Alte Nationalgalerie is geheel gewijd aan de schilderkunst van de 19e eeuw en een groot deel van wat er te zien is valt zonder meer in de categorie Romantiek.
Winterlandschaft van Friedrich hangt er jammer genoeg niet, daarvoor moet je naar het Staatliches Museum te Schwerin, maar er zijn wel 16 andere Friedrichs te zien, waaronder Abtei im Eichwald en Eichbaum im Schnee. De eerstgenoemde heeft een sfeer van verlatenheid die de uitstraling van Winterlandschaft nog overtreft. En daar hebben we de eik ook weer; het Europese cultuursymbool bij uitstek. Friedrich laat deze ontbladerde bomen wanhopig naar de hemel grijpen, zoals alleen een eik dat kan.
En natuurlijk is er ook het Waldgefühl; landschappen waar de bomen nu eens geen eenling zijn. Ze zijn een bos, met hoge, dicht opeenstaande sparren. Vaak lopen er ook nog wel één of meer mensen rond. Maar de mens is hier klein ten opzichte van het bos. Een detail, niet belangrijker dan een vos of een ree.
Jammer genoeg kwamen we wat tijd te kort in de Alte Nationalgalerie, want we waren er op oudejaarsdag en het museum sloot al om 16.00 uur. Daardoor misten we een tijdelijke tentoonstelling met een particuliere collectie impressionistische schilderkunst.
Om dezelfde reden kreeg ik een ander schilderij dat in dit museum hangt, en dat voor mij een bijzondere betekenis heeft, niet te zien.
De oudste zus van mijn moeder had thuis een reproductie hangen van Die Toteninsel van Arnold Böcklin. Tante heeft me nooit verteld wat het voorstelde, maar die grote rots met cypressen en de in het wit geklede figuur in z'n bootje, die er naartoe vaart, was iets uit een andere wereld dan de mijne van dat moment. Het beeld van het schilderij heeft tientallen jaren in mijn geheugen gezeten voor ik er, minder dan tien jaar geleden, achter kwam dat het niet zomaar een niemanddalletje was, maar iets van kunsthistorische betekenis.
Tante Bets, want zo heette ze voor mij, liet zich er altijd wel een beetje op voorstaan dat ze binnen de familie (zeven zussen en vier broers) degene was met het meeste gevoel voor cultuur. Ze zong bij Kunst na Arbeid in Dordrecht, een aan de arbeidersbeweging gelieerd amateurkoor en werkte voor haar huwelijk bij de Co-Op, een winkel die uit dezelfde bron voortkwam.
Tante Bets had kennelijk zekere idealen, maar in laatste instantie heb ik het Toteninsel van Böcklin daarin niet kunnen plaatsen.
Ook erg Duits maar niet Berlijns is Potsdam. Je komt en vanuit centrum Berlijn in drie kwartier met de onvolprezen S-Bahn. Waarbij je overigens kilometers ver door de bossen rijdt, want Berlijn heeft een heel groene omgeving.
Eigenlijk is Potsdam het Duitse Versailles, de plaats waar de Pruisische vorsten hun paleizen bouwden. Die paleizen, Sanssouci, het Orangerieschlosz en het Neues Palais liggen aan de randen van een groot park. Bij de oostelijke ingang daarvan staat ook nog een mooie imitatie van een vroeg-christelijke Italiaanse basilica uit 1848, met zo'n typische campanile, zoals je ze ook in Siena kunt zien.
Ook bekeken we de Einsteinturm, een zonneobservatorium uit de jaren twintig. Hij staat in het eveneens naar Einstein vernoemde wetenschapspark net ten zuiden van het Hauptbahnhof van Potsdam. Je moet wel langs een slagboom om het park binnen te komen, maar de portier geeft je zeer bereidwillig een kaartje van het park waarop hij je de toren aanwijst.
De ontwerper van de Einsteinturm was Erich Mendelsohn. Hij tekende een ontwerp in een expressionistische stijl, die enige verwantschap vertoont met de Amsterdamse School. In de jaren dertig week Mendelsohn, die Joods was, uit. Eerst naar Engeland en in tweede instantie naar de Verenigde Staten. Daar ontwierp hij gebouwen die meer aansloten bij de stijl van het Bauhaus. Strakkere, zakelijke architectuur.
Van de meer bekende sights noem ik slechts de Gedachtniskirche, die we zagen staan vanuit de S-Bahn, toen we station Zooöligischen Garten binnenreden. In een impuls besloten we er even heen te lopen.
Van de oorspronkelijke kerk staat alleen de ingangspartij en de toren er nog. Het schip van de neo-gothische kerk werd in 1943 bij een bombardement verwoest. Ook de toren werd beschadigd en de gerafelde spits bleef behouden als Mahnmal.
Naast dit restant werd in 1954 een van buiten nogal sobere achthoekige kerk gebouwd, evenals een nieuwe klokkentoren. Van binnen werkt de nieuwe kerk echter heel goed. Het blauwe figuurglas, waaruit de gevels bestaan, gaat in het interieur pas spreken. Toen wij er waren zat er net een jonge pianist op een forte-piano Mozart te repeteren, waarschijnlijk voor een concert dat er op oudejaarsavond zou plaatsvinden.
We hebben een tijdje naar hem geluisterd en de sfeer op ons laten inwerken. We waren in Berlijn, maar de stad was eventjes ver weg.
Labels: algemeen
architectuur,
beeldende kunst,
cultuur,
geschiedenis,
muziek
zaterdag 19 november 2022
Levensteken
![]() |
| cartoon: Jill Parker |
Een paar dagen geleden kreeg ik een mailtje van de man die waarschijnlijk mijn trouwste lezer is. Dat het nu wel èrg lang stil bleef. En of het nog goed met me ging? Ik was geroerd, om niet te zeggen: ontroerd.
Ons contact is ooit ontstaan toen ik begon met dit blog en nadat ik al een aantal maanden zijn blog onveilig had gemaakt met reacties die soms nog langer waren dan zijn eigen stukjes. Om hem (en andere bloggers daarvan te verlossen is dit blog ontstaan. Een persoonlijke uitlaatplek, die ik tien jaar lang op nogal onregelmatige basis van teksten voorzag. Voor zover ik dat kan beoordelen heeft hij zelf ook een goed gevuld leven, met een scala van activiteiten. Dat hij desondanks toch aan me dacht, was een aangename verrassing.
Wat het blog betreft had hij wèl een punt.
Zo'n lange stilte als die van het afgelopen jaar is er nog nooit ontstaan. En dat, nadat ik in mijn laatste bericht, van december 2021, constateerde dat ik het tienjarig bestaan van deze uitlaatklep al ongemerkt voorbij had laten gaan.
Gelukkig kon ik mijn meest volhardende volger laten weten dat ik in goede gezondheid verkeerde en dat drukke andere bezigheden de oorzaak waren van mijn afwezigheid op deze plek. Ik schreef hem voorts dat er binnenkort vast wel weer een moment zou komen om hier weer te schrijven, en ik suggereerde dat, nu 2022 ook op z'n eind loopt, het misschien wel een persoonlijk jaaroverzicht zou worden.
Want 2022 was me het jaartje wèl. Zowel op persoonlijk vlak als op wereldniveau.
Al in de eerste week maakte iemand uit mijn directe omgeving een eind aan zijn leven. Ik had dat twintig jaar eerder al eens meegemaakt met een collega op de TU in Delft, waar ik toen werkte. Die eerste keer zag ik het niet aankomen, maar de tweede keer was het èn een stuk dichterbij (het ging om iemand die mijn zwager had kunnen zijn, als hij niet al eerder van de zus van mijn vrouw was gescheiden) èn er waren wel degelijk tekenen aan de wand. Als het zó dichtbij is en je hebt juist in de maanden daarvoor intensiever contact met de persoon in kwestie gehad dan in de jaren daarvoor, ga je ook bij jezelf te rade over hoe je dat contact hebt aangepakt. Los daarvan was ook de nasleep niet alle opzichten therapeutisch, om het eufemistisch uit te drukken.
Daarmee hebben we dan het voor mij ergste van 2022 wel gehad.
Zowel ik als mijn vrouw liepen in augustus toch nog corona op, terwijl ik zelf in juli nog een herhalingsprik had gehaald. Zij had er iets meer last van dan ik. Bij mij uitte de besmetting zich voornamelijk door wat keelpijn en een klein beetje koorts ('verhoging' is het goede woord). Ondertussen lijkt ook in het algemeen de angel er, wat corona betreft, wel uit.
Net voor corona hadden we een fijne vakantie van drie weken in Noorwegen en in oktober zijn we nog een paar dagen in Wenen geweest, welke stad wij bereikten per slaaptrein, wat op zich al een ervaring was.
Ook zijn we, terwijl in de Oekraïne de oorlog uitbrak, nog een weekje gaan langlaufen in Seefeld met het mooiste weer dat denkbaar was. Een merkwaardig contrast van werkelijkheden.
Er werd dit jaar om allerlei vage redenen slechts mondjesmaat gezeild en als dat gebeurde vaak nog met opstappers, wat op zich wel gezellig is, maar voor mij, als schipper en dus eindverantwoordelijke, altijd wat meer stress oplevert dan zeilen in m'n dooie eentje.
Op wereldschaal, of zelfs maar nationale schaal, is er natuurlijk teveel om op te noemen.
De oorlog in de Oekraïne springt er uit in ongunstige zin, maar anderzijds lijkt er heel langzaam een soort kentering in de algemene ontwikkelingen te komen. De aandacht voor wat naar mijn idee het meest serieuze wereldprobleem van dit moment is; de opwarming van de aarde, krijgt steeds meer aandacht. De stem van de klimaatontkenners is vrijwel verstomd. Wie nog steeds volhoudt dat die klimaatverandering er ook zou zijn zonder menselijke invloed, staat zo langzamerhand bijna te kijk als een ongevaarlijke gek, ware het niet dat de overgebleven die-hards over veel meer dan alleen het klimaat rare en niet ongevaarlijke praatjes verkopen. In die kringen is ontkenning van klimaatverandering grotendeels vervangen door complottheorieën waarin allerlei vreemde fenomenen zoals reptielen een grote rol spelen.
Positief, daarentegen, is dat het er alle schijn van heeft dat de dagen van het marktdenken en de neo-liberale politiek geteld zijn.
Zo stond er deze week een klein interview met twee JOVD-ers (jonge VVD-ers) in de Volkskrant, waarin door hen onversneden linkse dingen werden gezegd, zoals je ze eigenlijk bij de PvdA verwacht, maar in de praktijk nauwelijks hoort. Als deze jongens ooit het programma van de VVD gaan opstellen, komt er nog een dag dat ik op die partij stem!
Opvallend is ook dat in de reeks MeToo-achtige schandalen steeds weer een nieuw opduikt. Vandaag is Matthijs van Nieuwkerk en zijn onder- en bovenknuppels de twijfelachtige eer te beurt gevallen. In dit geval extra interessant omdat het laat zien hoe bepaald gedrag op zeker moment zomaar normaal wordt gevonden en waarin mensen, die in meer alledaagse omstandigheden best aardig zijn, toch tot een soort beulen transformeren.
Wat me wel een beetje zorgen baart: de omvang die het verschijnsel 'wokisme' in het afgelopen jaar heeft aangenomen. Het gebruik van de term is een tikkeltje riskant, omdat ie vooral door allerlei rechts geboefte wordt gebruikt, maar ik weet op dit moment geen betere en over wat 'woke' is bestaat, geloof ik, geen verschil van mening.
Ik moet eerlijk bekennen dat ik ernstige twijfels heb bij al die excuses die in de afgelopen maanden door allerlei hoogwaardigheidsbekleders zijn gemaakt. Meestal ging het daarbij om betrokkenheid bij slavernij in een tamelijk grijs verleden.
Naar mijn idee is dat voornamelijk symboolpolitiek. Het lijkt mij constructiever om ervoor te zorgen dat de nazaten van slaven, in Nederland zijn dat voornamelijk mensen van Surinaamse en Antilliaanse afkomst, dezelfde kansen hebben als autochtone Nederlanders en dat tegen hen gerichte discriminatie op alle fronten wordt bestreden.
Erkennen van bedenkelijke aspecten van de Nederlandse geschiedenis is prima, maar het herschrijven of verwijderen van hele stukken ervan, is dat niet.
Gelukkig maakt al te extreem wokisme zichzelf van tijd tot tijd belachelijk, zoals deze week gebeurde met verwijderen van een schilderij bij de Universiteit Leiden. Het schilderij, van de Dordtse kunstenaar Rein van den Dool, toont op tamelijk ironische wijze een College van Bestuur uit de jaren '60. Eén blik is voldoende om te begrijpen dat de kunstenaar de verheven status van College met een korreltje zout neemt. Eigenlijk is het vrij verbazingwekkend dat het geportretteerde college het schilderij destijds heeft aanvaard en het doodleuk op een prominente plek heeft laten ophangen.
Nog ironischer maar ook bespottelijk is het, als vijftig jaar later vooral vrouwelijke academici het beschouwen als een voorbeeld van wat bij vrouwelijke wokisten "giftige mannelijkheid" is gaan heten en het geheel op eigen gezag hebben verwijderd.
Gelukkig beseft het huidige College van Bestuur dat er grenzen zijn aan wokistische zelfwerkzaamheid en hangt het schilderij inmiddels weer op z'n oude plek.
Het wokisme is voor mij ook een soort blast from the past.
In eerdere stukjes heb ik geschreven over de links-intellectuele cultuur van de jaren '70, waarin prinzipienreiterei het in veel gevallen won van nuchter nadenken over sociaal-democratische politiek en daardoor contraproductief werkte.
Van mij mag het wokisme dus liever vandaag dan morgen verdwijnen. Het is geen medicijn tegen rechts-extremisme, maar werkt feitelijk als een catalysator daarvan.
Wat naar mijn idee de werkelijke bedreiging voor onze democratie vormt, is de alledaagse politiek en de visie-loze regeringen van de afgelopen tien tot twintig jaar.
In een volgend stukje kom ik daar vast nog wel een keer op terug.
Labels: algemeen
algemeen,
beeldende kunst,
crisis,
cultuur,
Dordrecht,
geschiedenis,
maatschappij,
nederland,
persoonlijk,
politiek
maandag 23 november 2020
Bergen
Zo af-en-toe zijn mijn vrouw en ik ineens toe aan een uitstapje.
Dat doen we vaak met zogenaamde Fletcher-bonnen. Die kun je voor een bescheiden bedrag kopen bij de gelijknamige hotelketen. Ze zijn een bepaalde tijd geldig en geven je recht op een goedkope overnachting in een Fletcher-hotel naar keuze. De enige restrictie is, dat boeken pas twee weken voor de overnachtingsdatum kan. Het is kennelijk een manier van Fletcher om van leeg blijvende kamers af te komen.
In de praktijk werkt het naar twee kanten heel aardig: wij overnachten met een aanzienlijke korting in een hotelkamer en omdat je meestal toch het één en ander eet en drinkt in het hotel, heeft dat een zekere omzet, die het anders niet zou hebben. Een levensechte win-win-stituatie!
Afgelopen zaterdag liep de geldigheidsduur van zo'n bon bijna af, dus was het tijd voor een kort uitje. Het weer zou op zondag in het noorden droog zijn en omdat we altijd graag naar buiten willen, moest de bestemming dus ergens in het noorden liggen. Omdat het slechts om één nachtje ging, wilden we ook niet te ver rijden. Het moest daarom in het noordwesten zijn.
Het duingebied tussen Egmond aan Zee en Schoorl kenden we nog niet echt.
Bovendien kent het dorp Bergen wat architectuur betreft een bijzonder wijkje (Meerwijk) en stond er Museun Kranenburgh, dat zich liet voorstaan op het bezit van een aanzienlijke collectie schilderijen uit de zogenaamde Bergense School.
Ik kon me bovendien niet herinneren dat ik ooit eerder in Bergen was geweest. Wèl wist ik dat Thé Lau, oprichter van The Scene en lang geleden gitarist in Neerlands Hoop Express, er was geboren. In laatste instantie bleek hij trouwens indirect met de Bergense School verbonden te zijn. Zijn opa, waarnaar hij vernoemd is, was één van de exponenten ervan.
Op zondagochtend wandelden we eerst even naar Meerwijk, dat op een paar minuten lopen van het hotel bleek te liggen.
Het is een verzameling villa's, die begin jaren '20 zijn ontworpen door architecten van de Amsterdamse School. Dat betekent: vloeiende lijnen, vaag aan Indië refererende details en in dit geval, waarschijnlijk vanwege de landelijke omgeving, maar ook vanwege de vormgevingsmogelijkheden, vooral rieten kappen. In eerste instantie werden er vijftien villa's gebouwd
Die rieten kappen werden al kort na de bouw drie villa's in de wijk fataal. Ze brandden af en werden nooit meer herbouwd. Een andere ging in 1952 eveneens door brand verloren en werd wèl herbouwd, waarbij van de oorspronkelijke architectuur weinig overbleef. Maar wat wèl bleef staan is nog steeds de moeite waard.
Via de Meerwijklaan, die als een halfverhard wandelpad tussen de huizen doorloopt, kun je over de Lijtweg en de Meerweg een rondje lopen, waarbij je de mooiste resterende exemplaren te zien krijgt. Alleen van buiten, want de huizen worden nog gewoon door particulieren bewoond.
Een mooi monument voor de tijd toen het bouwen van een vrijstaand huis nog als een culturele daad werd beschouwd en de opdrachtgevers er ook een paar centen voor over hadden. Wie nu een eigen huis bouwt en niet over een paar miljoen beschikt, moet zich vanwege de huidige grondprijzen tevreden stellen met een catalogus-woning. Het tuinhuisje van De Ark vormt een schil contrast met de houten tuinhuisjes van de bouwmarkt, waarmee de moderne mens zijn achtererf volbouwt.
Na aldus in culturele zin voorlopig weer gelaafd te zijn, wandelden we door de duinen naar Bergen aan Zee. De route voerde voor een groot deel door een eikenbos. De takken van de ontbladerde bomen grepen in grillige vormen wanhopig naar de hemel, waar zich af-en-toe inderdaad een zonnetje vertoonde. Toen we even halt hielden omdat mijn vrouw een paddenstoel wilde fotograferen, vloog er en passant een Havik over.
Bergen aan Zee heeft niets van de bedaagde knusheid die Bergen kenmerkt.
De nederzetting bestaat vooral uit lelijkheid gebouwd in de jaren zestig en zeventig, hoewel het kerkje met een zeilschip als windwijzer op de toren wel vrolijk maakt.
Over het strand naar het noorden, waar een ruwharige teckel met tomeloze energie en uithoudingsvermogen alles in het werk stelde om een Drieteenstrandloper te vangen. Ik hoop dat het beest 's avonds een dubbele portie brokjes heeft gekregen. Dat zal hij nodig hebben gehad.
Via een duinovergang liepen we weer terug richting Bergen, want we wensten nog meer cultuur tot ons te nemen. Ik had 's morgens voor vertrek een tijdsslot gereserveerd bij Museum Kranenburgh, om de Bergense School eens wat beter te leren kennen. In andere musea hadden we wel eens werk van Leo Gestel, Charley Toorop en Jan Sluijters gezien, maar nu zouden we nog veel meer van hen en anderen gaan zien in de bakermat van de stroming: Bergen.
Dat laatste viel bitter tegen.
Eén zaal van het museum was gewijd aan de 'De luchten van de Bergense School', waar met behulp van pakweg vijftien schilderijen het thema 'luchten' binnen de Bergense School werd getoond.
En dat is het dan, op dit moment, wat de Bergense School betreft in Museum Kranenburgh. De andere zalen waren gewijd aan moderne kunst. Veelal van de soort die het moet hebben van pretentieuze ideeën die bij mij niet meer oproepen dan de gedachte "leuk verzonnen". Als het om modern ging, vond ik het zaaltje dat was gevuld door lokale scholieren onder het thema social distancing nog het meest inspirerend.
Binnen een uur waren we weer buiten.
De zegen van de Museumjaarkaart is dan weer dat je jezelf in een geval als dit niet bekocht hoeft te voelen.
Hoewel Bergen een soort Wassenaar met artistieke pretenties is, waar meisjes met influencer-achtige uitstraling hondjes aaien onder de uitroep: "Oh my God, hij is zó zàcht!", was het verder een uitstekende dag.
De link bij het kerkje opent een filmpje op YouTube over de geschiedenis ervan. Dat verklaart ook het gegeven dat Bergen aan Zee vooral uit lelijkheid uit de jaren zestig en zeventig bestaat. Natuurlijk weer de oorlog.
Labels: algemeen
architectuur,
beeldende kunst,
cultuur,
geschiedenis,
muziek,
natuur,
nederland,
persoonlijk,
vogels
maandag 12 maart 2018
Jongkind en vrienden.
Gisteren was het dan eindelijk zover. We deden wat we al maanden van plan waren. Steeds was er wat tussen gekomen.
In november en december moesten we een paar weken op twee hondjes passen, wat overigens op zich een genoegen is; mijn vrouw en ik zijn allebei dierenliefhebbers. Geen dier dat niet op onze sympathie kan rekenen. Van paard tot pimpelmees; we proberen ze alle ter wille te zijn en indien mogelijk te aaien, op het kopje te kriebelen, of geruststellend op de flank te kloppen. Maar hondjes kunnen slecht tegen alleen zijn (ook twee hondjes). En mèt hondjes ben je niet alleen bij de slager niet welkom.
Vervolgens kwamen de kerstdagen met in het kielzog oud- en nieuw. En de daarbij horende sociale aangelegenheden. Daarvoor en daarna had mijn vrouw, die nog werkt, het druk met allerlei beroepsmatige beslommeringen, die ook nogal eens een deel van het weekend opslorpten. Vorige week zaten we nog in Granada, waarover ik in een ander blog nog wat hoop te schrijven.
Maar vandaag zagen we ineens onze kans schoon: we liepen voor het eerst in meer dan een jaar de 150 meters die tussen onze voordeur en de ingang van het Dordrechts Museum liggen. In het museum is namelijk al sinds 29 oktober j.l. de tentoonstelling 'Jongkind en Vrienden' te zien.
We weten ondertussen eigenlijk allebei wel wat we het mooist vinden, als het om schilderkunst gaat: de periode vanaf het begin van de Romantiek tot en met het Impressionisme. Van Gogh kan nog best, natuurlijk. We zijn ook niet echt vies van Picasso of Bart van der Leck en zelfs niet van Karel Appel, maar omdat we allebei ook liefhebbers zijn van de natuur en karakteristieke landschappen, of vooruit: een mooi stadsgezicht, genieten we toch vooral van mooie plaatjes, waarin iets wordt gedaan met lichtval; schilderijen die een sfeer oproepen waarin we ons thuis voelen.
In de afgelopen jaren heb ik geleerd dat ik daarvoor met enige regelmaat volledig aan m'n trekken kan komen in het Dordrechts Museum. De vaste collectie biedt op dat front al het nodige en men is er ook sterk in om de aandacht te richten op minder bekende romantici en impressionisten, zelfs als die eigenlijk in hun eigen tijd al een anachronisme waren, zoals A.P. Schotel, over wie ik een paar jaar geleden schreef.
In dat kader stelde 'Jongkind en Vrienden' niet teleur.
Ook al omdat de vrienden van Jongkind, die het grootste deel van zijn schildersleven in Frankrijk doorbracht, niet de minsten waren. Monet, misschien wel de beroemdste onder de impressionisten (want indirect naamgever van de hele stroming), zei over hem: "Aan Jongkind dank ik de uiteindelijke ontwikkeling van mijn oog". Jongkind, eigenlijk net één generatie ouder dan Monet, leerde die laatste kijken. Van minder bekende schilders als Daubigny en Boudin is eveneens werk te zien van, wat mij betreft, hoge kwaliteit. Ook met hen was Jongkind bevriend en ook hen diende hij tot voorbeeld.
Door de expositie wandelend, wordt ook duidelijk waarom juist het Dordrechts Museum het initiatief heeft genomen voor deze combinatie van kunstenaars: niet alleen Jongkind heeft regelmatig Dordrecht geschilderd; de stad had tussen 1870 en 1890 een zekere aantrekkingskracht op Franse schilders. Zowel Daubigny als Boudin hebben er geschilderd. Corot, op zijn beurt weer ruim twintig jaar ouder dan Jongkind, bezocht Dordrecht trouwens al in 1854 .
Overigens is deze tentoonstelling niet eerste die dat constateert; sterker nog: de belangstelling van beeldend kunstenaars voor de stad Dordrecht bestond al eerder en en kwam in eerste instantie vooral uit Engelse hoek. Al in 2005 presenteerde het Dordrechts Museum de tentoonstelling 'Dromen van Dordrecht', die liet zien dat Turner één van de eerste buitenlandse kunstenaars was die Dordrecht schilderden en tekenden. Hij bezocht de stad voor eerst in 1817. Hoewel op zijn schilderij The Dort packet-boat from Rotterdam becalmed uit 1819 slechts het silhouet van Dordrecht op de achtergrond te zien is.
![]() |
| J.M.W. Turner - The Dort packet-boat from Rotterdam becalmed - 1819 |
Turner was een liefhebber van het werk van Aelbert Cuyp, Dordtenaar van geboorte, die Dordrecht al in de 17e eeuw schilderde. Turner was met name onder de indruk van Cuyp's vaardigheid in het weergeven van "een intense atmosfeer, één allesomvattende damp". Hoewel Engeland ook destijds al z'n dampige dagen zal hebben gehad, vond Turner de inspiratie voor de stijl die hij zou gaan ontwikkelen en die zijn handelsmerk zou worden, dus eigenlijk in Nederland. Turner kwam in 1825 nog eens terug en werkte toen vooral in de stad. De schetsen die hij destijds maakte, bevinden zich nog steeds in de Tate Gallery in Londen. Later bezochten diverse Engelse en Amerikaanse prentkunstenaars de stad.
In tegenstelling tot de puur romantische schilders uit de school van Barbizon, die zich vooral richtten op pastorale landschappen, schilderden de latere impressionisten de wereld in principe zoals ze hem aantroffen, dus ook de industriële maatschappij, die na 1850 het beeld steeds sterker ging beïnvloeden. Jongkind was eigenlijk een voorloper van de impressionisten, maar beperkte zich evenmin tot puur landelijke taferelen. Op diverse schilderijen zien we bijvoorbeeld het werk aan het nieuwe Parijs, dat halverwege de 19e eeuw door toedoen van Baron Haussmann vorm aannam. De middeleeuwse stad maakte plaats voor de nieuwe boulevards en Jongkind schilderde het zonder mededogen, zoals later Breitner later bouwplaatsen in Amsterdam zou schilderen.
![]() | |||
| Démolition pour le Nouveau Boulevard du Pont Royal - 1875 |
De echte rode draad door het werk van Jongkind is echter het water, zeekusten en schepen. Ook hier behield hij echter een nuchtere blik. Hij toonde bijvoorbeeld ook schepen in aanbouw.
![]() |
| Chantier de construction navale, Honfleur - 1863 |
Boudin, die van huis uit een nautische achtergrond had, werd eveneens vooral een zeeschilder. Hij maakte bovendien naam als schilder van wolkenluchten. Corot noemde hem op zeker moment 'Le roi des ciels'.
![]() |
| Eugène Boudin - La Meuse à Dordrecht - 1884 |
Maar ook Boudin werd sterk door Jongkind beïnvloed en Jongkind schilderde niet alleen wolkenluchten, maar complete atmosferen. Hij verwierf tevens naam met scenes waarin niet de zon, maar de maan zijn onderwerp verlicht.
![]() |
| Notre Dame de Paris - 1864 |
Het leven van Jongkind kende hoogte- en dieptepunten.
Tijdens zijn leven genoot hij meer waardering in Frankrijk dan in Nederland, hoewel hij in het begin van zijn carriëre, in 1846, een beurs van 'Kunstkoning' Willem II ontving, zodat hij in Parijs bij de romantische schilder Isabey kon gaan studeren. Isabey nam hem mee naar de Normandische kust, waar hij zijn eerste grote werken schilderde.
Jongkind hield echter ook van feestvieren en op meerdere momenten tijdens zijn leven dreigde hij ten onder te gaan aan drank en bandeloosheid. Na 1850 verwierf hij een zeker aanzien in Parijs, maakte de nodige vrienden, maar echt aansluiting bij de top vond hij niet. Dat leidde in de tweede helft van het decennium 1850-1860 tot zijn terugkeer naar Nederland, waar hij , hoewel hij bleef schilderen, langzaam wegkwijnde. In Nederland had niemand veel belangstelling voor hem. Jongkind maakte schulden en verviel tot armoede. Hij dronk teveel en was eenzaam, zoals hij later zelf ook toegaf.
Toch had hij bij zijn schilderende vrienden in Frankrijk en de Franse kunstliefhebbers zoveel krediet opgebouwd, dat deze, door eigen werk en kunstbezit te verkopen, genoeg geld verzamelden om zijn schulden af te lossen en hem vervolgens in 1860 terug naar Parijs te halen.
Jongkind pakte zijn Franse carriëre weer op. De periode na 1860 geldt als de tijd waarin Jongkind zijn beste en voor hem meest karakteristieke werk maakte. Hij ging opnieuw schilderen aan de Normandische kust en in Parijs. Daarnaast ontmoette en inspireerde hij opnieuw tal van jongere schilders, waaronder de al genoemde Monet. Zijn eigen werk wordt impressionistischer en tussen 1866 en 1869 bezoekt hij Dordrecht meerdere malen.
![]() |
| Le port de Dordrecht - 1869 |
Desondanks was hij ondertussen meer een Fransman dan een Hollander; na 1869 is hij niet meer in Nederland geweest.
Hij vond een vrouw (Joséphine Fesser-Borrhee) die hem min of meer onder haar hoede nam en de rest van zijn leven bij hem bleef, ondanks het gegeven dat Jongkind zich met enige regelmaat opnieuw te buiten ging aan drank. Het stel verhuisde in 1878 naar het zuiden van Frankrijk waar Jongkind werk van kwaliteit bleef maken.
Johan Barthold Jongkind, geboren in Lattrop (Twente) in 1819, overleed in La Côte-Saint-André in 1891.
We hebben in 2018 qua cultuur al wat mooie dingen gezien, maar wat mij betreft was deze tentoonstelling tot nu toe het hoogtepunt. Hij maakt ondubbelzinnig duidelijk wat een rijke periode de 19e eeuw voor de schilderkunst is geweest.
Alle in deze blog getoonde schilderijen, met uitzondering van dat van Turner, zijn op de tentoonstelling 'Jongkind en Vrienden' te zien. Schilderijen waarbij geen naam is vermeld zijn van Jongkind.
Labels: algemeen
beeldende kunst,
cultuur,
Dordrecht,
geschiedenis
maandag 25 september 2017
Het andere Ierland
Ruim twee jaar geleden bezochten mijn wederhelft en ik voor het eerst Ierland.
Meer precies: we gingen naar de westkust, nog preciezer: het graafschap Kerry, waar we ruim twee weken doorbrachten in een voormalig boerderijtje met witte muren. De dichtstbijzijnde buren woonden honderden meters verderop. Officieel heette het oord Mastergeehy, maar met pakweg vijf, vrij ver van elkaar staande huizen en boerderijen was alles gezegd. De bewoners van die andere huizen hebben we nooit gesproken of zelfs maar gezien.
Toen al zeiden we tegen elkaar: "nu we hier geweest zijn moeten we ook een keer Ierland in z'n meest stedelijke vorm zien". Wie een beetje op de hoogte is van de Ierse geografie, begrijpt wat dit betekent: een bezoek aan Dublin.
Vorige week woensdag was het zover.
De reis omvatte meteen al twee firsts. Het was de eerste keer dat we met zo'n goedkope vliegmaatschappij vlogen (vanzelfsprekend Ryanair, in dit geval) èn we logeerden voor het eerst op een airbnb-adresje.
Het laatste viel 100% mee. Het eerste viel niet ècht tegen, hoewel zonder meer duidelijk werd met welke problemen Ryanair te kampen heeft. Deze week was in het nieuws dat men een flink aantal vluchten in de komende tijd wil schrappen, anders kunnen de piloten niet met vakantie. Op de heenweg kon de vertraging nog geweten worden aan de eerste herfststorm die over Nederland raasde. Op de terugweg was de oorzaak wat minder duidelijk, maar vertrokken we evengoed een uur te laat en werd er bij andere vluchten nogal hap-snap van gate gewisseld. Bij Ryanair doet men de dingen maar zoals ze kunnen, als het niet kan zoals het zou moeten.. Maar gezien de eerder genoemde berichten mogen we niet klagen. Het wàs goedkoop en de vlucht gìng door.
De eerste aanwijzing met betrekking tot het wel en wee van het andere Ierland kreeg ik al in het vliegtuig. In de stoel rechts van me zat geen Ier, maar een Nederlander, die al 15 jaar in Ierland bleek te wonen. Hij was IT-er en specialist in het ontwikkelen van bepaalde administratieve applicaties en deed als freelancer allerlei projecten door heel Europa.
Hij ging nu terug naar huis, maar wat hem betreft verkaste dat thuis op zo kort mogelijke termijn naar een ander buitenland; hij had het helemaal gehad met Ierland. Een door-en-door corrupt zooitje; dat was het. De banken waren misdadige organisaties, die hem veel geld door de neus boorden. Wist ik wel dat in Ierland 10 procent van de bevolking dakloos was? Ja, de mensen in het dorp waar hij woonde hadden voor hem klaargestaan toen zijn vrouw overleed, maar dat naoberschap was dan ook het enige positieve aan het land. In Dublin bestond dat niet, trouwens; hij begreep niet wat ik er te zoeken had; het was een rotstad!
Het eerste dat opvalt aan Dublin is dat het een 19e eeuwse stad is. In het centrum resteren, op de kerken en een aantal grote panden na, weinig gebouwen van voor 1800. Ook valt op dat er, zowel in de binnenstad als in het gebied daar direct omheen, in de afgelopen jaren veel nieuw is gebouwd. In het centrum gaat het daarbij vooral om woningen. Aan de oostkant van het centrum is in de Docklands (analoog aan Londen) een mengsel van woningen en kantoren gebouwd.
Hoewel Dublin hier en daar wordt beschreven als een stedelijk dorp, is het autoverkeer in de stad enorm druk. Omdat de stad ook in september nog vol zat met toeristen en de trottoirs hier en daar niet al te breed zijn, is het jezelf te voet voortbewegen niet altijd een onverdeeld genoegen. In de hoofdstraten staan bovendien vrijwel nergens bomen. Het bereiken van een parkje, waarvan er gelukkig wèl een aantal zijn, voelt om die reden soms als een verademing.
Dublin profileert zich nadrukkelijk als een literaire stad. De namen Joyce, Yeats en Wilde komen steeds weer voorbij. Men is in het bezit van een schrijversmuseum, dat ons overigens een beetje tegenviel. Hoewel ik nu wel de piano van James Joyce heb kunnen aanraken.
Merkwaardig in dit verband is het gegeven dat de stad opvallend weinig boekwinkels lijkt te tellen.
Wel kwamen we langs een overdekte markt, waar het nodige aan antiquarische boeken te koop was. Voor nieuwe boeken is in Dublin kennelijk weinig markt..
Ook opvallend zijn de nogal wisselende kosten van museumbezoek. De grote staatsmusea, zoals de National Gallery, de diverse vestigingen van het National Museum of Ireland en het Irish Museum of Modern Art zijn allen gratis te bezoeken. Het eerder genoemde schrijversmuseum is echter weer relatief duur voor wat er uiteindelijk te zien is (€ 7,50). Voor een expositie over de Paasopstand van 1916 in het General Post Office vraagt men zelfs € 13,00; dat hebben we maar aan ons voorbij laten gaan.
Die staatsmusea zijn overigens prachtig. Vooral in de National Gallery is alleen al het interieur een feest voor het oog. Er is (waarschijnlijk nog voor de crisis ook Ierland trof) veel geld in de inrichting gestoken en alles ziet er spic en span uit.
In de National Gallery is veel aandacht voor de Ierse beeldende kunst door de eeuwen heen. Het gebouw beslaat vele zalen. Je kunt er, zonder je te vervelen, een hele dag zoekbrengen. Wij hebben ons beperkt tot de Ierse kunst van de 20e eeuw. Zo leerden we onder andere dat de broer van William Butler Yeats, Jack, een opmerkelijke schilder was. Zijn latere werk is expressionistisch te noemen. Het vroege werk is romantischer van aard. Naast schilder was Jack Yeats ook illustrator. In het schrijversmuseum zagen we boeken van anderen met tekeningen van zijn hand.
Het Museum of Modern Art bezochten we vooral omdat de hoofdingang tegenover Kilmainham Gaol ligt, en we twee uur moesten wachten voordat we aan de eerstvolgende rondleiding door deze voormalige gevangenis konden deelnemen.
Het gebouw van het kunstmuseum, een voormalig 18e eeuws hospitaal, is prachtig. Het heeft een lunchroom waar men je een cappucino met veel te veel chocoladepoeder serveert (het wordt uiteindelijk iets dat het midden houdt tussen chocolademelk en koffie) en ook een keurige, Frans-formele tuin. Een zeldzaam iets in de Angelsaksische wereld.
Maar de kunst, tja... Na een paar werken in de categorie "dat kan mijn zoontje van vijf ook" (om maar eens een populistische platitude te gebruiken) was de tijd op en hadden we het eigenlijk ook wel gezien.
Kilmainham Gaol is, voor wie belangstelling heeft voor de Ierse geschiedenis van de afgelopen 200 jaar, zonder meer de moeite waard. Wie een dergelijke belangstelling koestert, moet de plek (want dat is het in de meest Armando-achtige betekenis van het woord) zelf maar gaan bekijken. Ik beperk me tot het feit dat straatarme Ieren op het hoogtepunt van de grote hongersnood in 1847 zich voor allerlei kleine vergrijpen (voedsel stelen, bijvoorbeeld) lieten arresteren om vervolgens een aantal weken of maanden te worden opgesloten in Kilmainham Gaol. Daar kregen ze namelijk hoe dan ook één of meer maaltijden per dag en konden ze overleven. Als ze tenminste niet stierven door één of andere besmettelijke ziekte, die in deze periode ook welig tierden in de gevangenis. Dat beperkte de kans op overleving dan weer aanzienlijk. Uiteindelijk was het aantal gevangen een veelvoud van het aantal waarvoor de gevangenis in eerste instantie bedoeld was, met navenante sociale en hygiënische condities.
Nou ja; eigenlijk hebben we toch ook een beetje the sights afgelopen. We zagen het Book of Kells, maar ook het standbeeld van Phil Lynott, de alweer lang overleden frontman van het inmiddels legendarische bandje Thin Lizzy, waarvoor ik altijd een zwak heb gehouden.
Wat altijd en overal, binnen het door twee kanalen omgeven centrum, aanwezig is en het beeld bepaalt, is de Victoriaanse architectuur. Veelal opgetrokken in rode baksteen heeft die sterke neo-renaissance invloeden en dan vooral van de Italiaanse renaissance. Allerlei details doen denken aan de Italiaanse palazzo's in Florence en Venetië. Hoewel de toeristenmarketing niet verder komt dan de vaak vrolijk gekleurde voordeuren, geplaatst in even kenmerkende ingangspartijen, vind ik vooral de eerder genoemde detaillering, met allerlei reliëfs, kleine zuiltjes in de raamopeningen en karakteristieke schoorstenen, één van de aantrekkelijkste kanten van die architectuur.
Eigenlijk zijn wij vooral natuurliefhebbers.
Daarom werd een uitstapje naar Howth, het schiereiland dat net ten NO van de stad ligt, wat mij betreft misschien wel hoogtepunt van de reis. Je kunt er een prachtige cliff walk maken, met prachtige uitzichten over de Ierse Zee en de baai waaraan Dublin ligt. Het laatste stuk van de wandeling voert zelfs langs de woning van fairy Alice!
Je komt er in half uurtje met de Dart, een treintje dat vanuit Dublin naar het noorden en het zuiden rijdt. Het zuidelijke eindpunt is Greystones, het stadje waar Maarten Toonder tientallen jaren woonde.
Toch werden we al explorerend in de stad steeds weer herinnerd aan het gesprek in het vliegtuig, waar ik eerder aan refereerde.
Het aantal bedelaars en daklozen is inderdaad schrikbarend hoog. Zelfs direct voor het General Post Office had iemand met kartonnen dozen en slaapzakken zijn bivak opgeslagen.
Langs het Grand Canal, dat het centrum aan de zuidkant omzoomd en, omdat langs de hele lengte bomen staan, voor een soort groene gordel om de stad zorgt, had iemand direct naast het fietspad zijn tentje opgezet.
Onze gastvrouw, die trouwens uit Brazilië kwam en pas vier jaar in Dublin woonde, bevestigde het feit dat er in Ierland en speciaal in Dublin sprake was van een housing crisis. Ook nu de economische crisis min of meer voorbij is, kunnen vele Ieren de huur of de hypotheek niet meer betalen en worden ze uit hun huis gezet. Onderweg van ons logeeradres naar het centrum (we deden bijna alles lopend) kwamen we tenminste één keer langs een woning waarvan de volledige inboedel in de tuin stond.
In contrast daarmee keken we bij de luxe kledingwinkel Brown Thomas, in Grafton street (er staat permanent een portier met een hoge hoed bij de deur), op het prijskaartje van een Chanel-jasje van € 5600,- Toch liepen er in die winkel, naast sloebers zoals wij, mensen die daadwerkelijk iets kochten.
In Nederland wordt de laatste tijd steeds meer gepraat over de groter worden kloof tussen arm en rijk. In Dublin heeft die kloof al forse afmetingen aangenomen, geloof ik.
We gaan vast nog een keer terug naar Ierland. En hoewel Dublin een ervaring is die ik niet had willen missen, zal het doel dan toch weer het Ierse platteland zijn. Voor zover je van plat kunt spreken, dan..
Klikken op de foto's toont ze in een grotere versie.
Labels: algemeen
architectuur,
beeldende kunst,
geschiedenis,
literatuur,
maatschappij,
natuur,
persoonlijk
Abonneren op:
Reacties (Atom)







