Posts tonen met het label internet. Alle posts tonen
Posts tonen met het label internet. Alle posts tonen

vrijdag 28 november 2025

De digitale deceptie

bron: Chapatte.com















Lang geleden, in 1980, verscheen het boek The third wave. 
Het was geschreven door wat destijds een futuroloog werd genoemd; iemand die een visie had met betrekking tot hoe de maatschappij en de techniek zich in de niet al te ver verwijderde toekomst zouden gaan ontwikkelen. En als zodanig meende de toekomst te kunnen voorspellen.
Je hoort het woord tegenwoordig zelden meer gebruiken. Het lijkt alsof de futuroloog een beetje heeft afgedaan, of minder serieus wordt genomen. Misschien niet zonder reden, zoals later in dit stukje zal blijken.

De futuroloog die The third wave schreef was Alvin Toffler. 
De hoogleraar waarvoor ik toen werkte op de TU-Delft, was nogal van het boek onder de indruk, en aan de lunchtafel was het meermalen onderwerp van gesprek.
De 'derde golf' van Toffler was niks meer of minder dan de digitale revolutie, die in 1980 min of meer op het punt van beginnen stond. In de visie van Toffler was die digitale revolutie van een zelfde orde als de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw en veeteelt die de mensheid zo'n zevenduizend jaar eerder had doorgemaakt (de eerste golf), en als de industriële revolutie van de 19e eeuw, die, naast een enorme technologische omwenteling, een trek van het platteland naar de steden had bewerkstelligd. Toffler zag die industriële revolutie als de tweede golf.

We kunnen, denk ik, wel constateren dat Toffler, met het bestempelen van de digitale revolutie als de derde golf in de ontwikkeling van de menselijke samenleving, er niet ver naast zat. 
De opkomst van de personal computer, het internet en de smartphone hebben de maatschappij blijvend veranderd, en de invloed van één en ander op het persoonlijke leven van mensen, en de maatschappij als geheel, is nog steeds groeiende.
Dat zijn dingen die Toffler al in 1980 voorspelde. De eerste IBM PC verscheen in augustus 1981 en internet voor algemeen gebruik kwam in de eerste helft van de jaren '90 van de grond.

Toffler's visie op deze ontwikkelingen was optimistisch van aard.
Hij stelde dat het industriële tijdperk, zoals dat zich in de 20e eeuw in zijn ultieme vorm had gemanifesteerd, werd gekenmerkt door massa-productie, standaardisatie, organisatie van bedrijven en instellingen die van boven naar beneden werkte (top down), en wat Toffler een factory-type education system noemde. Massaliteit en grootschaligheid waren bepalende factoren.
De Derde Golf, zoals Toffler die zich voorstelde, zou daarmee in scherp contrast staan. In het algemeen zou er in de toekomst sprake zijn van post-industriële samenleving. Productiemethodes zouden kleinschaliger worden en massa-productie en one size fits all zou worden vervangen door maatwerk en productie on demand.
Het top down principe bij het maken van beleid door regeringen en organisaties zou plaats maken voor een gedecentraliseerde, meer open en meer democratische vorm van beleid maken en leiding geven. Dat zou mede worden bevorderd door het gegeven dat de digitalisering en iets als internet ieder individu onbeperkt toegang zou geven tot alle vormen van informatie. 
Er zou een open samenleving ontstaan, waarbij iedere wereldburger in contact zou staan met iedere andere wereldburger, en onbeperkt informatie zou kunnen uitwisselen. In dat verband werd ook het begrip Global Village gemunt. 
Wat Toffler ook voorspelde: het afnemen van de betekenis van natie-staten. Daar zou zowel van beneden als van boven aan geknabbeld worden. Van beneden door het uiteenvallen van nationale samenlevingen in kleinere eenheden als deel-republieken, en van boven af door toenemende invloed van NGO's en multinationals. Met betrekking tot de wenselijkheid en de uiteindelijke uitkomst van de laatstgenoemde ontwikkelingen zijn door Toffler nooit uitspraken gedaan. Ik kom daar nog op terug.

We kunnen, denk ik, vijf-en-veertig jaar na het verschijnen van 'TheThid Wave' constateren dat Toffler's voorspellingen deels zijn uitgekomen. 
Internet heeft gezorgd voor een enorme hoeveelheid beschikbare informatie. De mogelijkheden  voor allerlei vormen van communicatie zijn groter dan ooit tevoren. Eén en ander heeft het levenstempo van veel mensen overigens ook sterkt opgevoerd. In een mate waarbij hypes en hysterie nogal al eens de sfeer bepalen. Of één en ander in alle opzichten een positieve ontwikkeling is valt te betwisten.
 
Helaas moet ook worden vastgesteld dat veel van Toffler's toekomstvisioen niet is uitgekomen. Van een open samenleving is misschien nog minder sprake dan tijdens de jaren '70 het geval was. Het onderwijs is grotendeels nog steeds een vrij massale en weinig individuele aangelegenheid.
Democratischer is de wereld ook niet geworden sinds die tijd. Integendeel: Er is een beweging richting niet-democratische vormen van bestuur op gang gekomen die zo'n beetje wereldwijd is. Het idee van een Global Village staat wel ver af van de politieke polarisatie die ook bijna overal de kop op heeft gestoken. 
Veel mensen hebben zich, op internet, opgesloten in hun eigen, al dan niet politieke bubbles. Dat laatste is trouwens ook een gevolg van de toepassing van bepaalde algoritmes die de digitalisering mee zich mee heeft gebracht. Internet registreert voorkeuren van individuen en geeft die individuen vervolgens nog slechts informatie en inzichten die stroken met die voorkeur. 
Internet werkt daardoor niet verbindend, zoals Toffler hoopte, maar scheidend, polariserend en vervreemdend.

Wat wel min of meer stookt met Toffler's visie is het gegeven dat de macht niet langer volledig in handen is van natiestaten. Multinationals, en dan vooral bedrijven als Google, Meta en anderen die aan de knoppen zitten van internet, hebben wereldwijd een enorme invloed verworven en zijn in staat politieke ontwikkelingen te beïnvloeden op een schaal die zorgwekkend is, omdat deze bedrijven aan geen enkele vorm van democratische controle zijn onderworpen.
Een vraag zou kunnen zijn in hoeverre de hierboven gesignaleerde trend naar niet-democratische vormen van bestuur in de hand is gewerkt door de bronnen waaruit mensen hun informatie halen en de bubbles waar ze door de algoritmes van Google, Meta en consorten in terecht zijn gekomen. 
Inmiddels is ook wel duidelijk dat de digitale infrastructuur en diezelfde bubbles door natiestaten, waarvan de macht nauwelijks is verminderd sinds 1980, worden misbruikt om de publieke opinie in andere natiestaten te beïnvloeden als er verkiezingen in aantocht zijn. Rusland schijnt erg zijn best te doen op dat front.
Dat roept op zijn beurt de vraag op of de grote IT-bedrijven een gericht beleid voeren op dit front. Met andere woorden: doet men moeite om nepnieuws en onderhuidse, maar grootschalige politieke propaganda tegen te gaan. Een tijdje heeft er op geleken dat dit het geval was: Google en Meta hadden fact checkers in dienst, die hun best deden om waarheid van fictie te scheiden. Inmiddels zijn we echter zover dat deze bedrijven, die in essentie toch gewoon Amerikaans zijn, op last van de zich snel ontwikkelende autocratie in de VS, met dat factchecken zijn gestopt.
Kennelijk is de macht van de Amerikaanse regering en daarmee van een natiestaat als de VS toch altijd nog groter dan die van Google en Meta.

Nog iets verder doordenkend lijkt er in die zin toch iets bijzonders aan de hand. 
Die anti-democratische tendens in de wereld kenmerkt zich door een soort conservatisme dat zich bedient van een instrument dat in essentie niet conservatief is. 
Het anti-democratische conservatisme wil allerlei dingen, die in de afgelopen tientallen jaren vrij algemeen zijn geaccepteerd als een gegeven, ontkennen, en de acceptatie daarvan terugdraaien. Een voorbeeld is afwijkende seksuele geaardheid in al zijn veelkleurigheid. Volgens de conservatieve tendens zijn er slechts mannen en vrouwen en alleen seks tussen mannen en vrouwen is normaal. 
Ook bestaat er in het conservatieve universum een universeel wantrouwen en weerzin tegen de wetenschap en wetenschappelijke feiten. Het klimaatprobleem bestaat niet in deze bubble. Corona was ook een Hoax en soms is er een duidelijke hang naar alternatieve geneeswijzen, die in de praktijk vaak op kwakzalverij lijken.
Wat in deze sfeer universeel is, is het terugvallen op een naar binnen gericht nationalisme. Make America Great Again is er een uiting van, en in ons eigen Nederland pleit Geert Wilders vooral voor het eigenbelang van de Nederlander. Als men daardoor in Afrika het wat minder heeft, is dat jammer, maar helaas. Naar de toekomst wordt nauwelijks gekeken. "Na ons de zondvloed" hoor ik nergens hardop roepen, maar lijkt wel een andere peiler te zijn waarop dit conservatisme steunt.
Het liefst zou men met de rug naar de rest van de wereld gaan staan en in veel opzichten wil men terug naar een maatschappij zoals die vijftig jaar geleden nog bestond. In de VS lijkt dat ondertussen zover te gaan dat men zelfs de rassenscheiding en de ongelijke behandeling van niet-blanken weer terug wil brengen. Wat anders zou er kunnen zitten achter het verwijderen van de panelen bij de ere-begraafplaats van Margraten die wezen op het werk van zwarte Amerikanen?
Dit conservatieve wereldbeeld is min of meer het tegendeel van wat Alvin Toffler van de derde golf verwachtte. Het tweeslachtige bij dit alles is dat het conservatisme juist de digitale infrastructuur heeft ingezet om de conservatieve, anti-democratische boodschap erin te hameren.

Maar wat Toffler toch goed heeft gezien; uiteindelijk is de digitale infrastructuur in zijn wezen toch beter geschikt voor het verruimen van de blik, het kennis nemen van andere inzichten en in het algemeen verder kijken dan je eigen neus lang is. Het ronddraaien in de eigen bubble is alleen mogelijk door de aanwezigheid van bepaalde algoritmes. 
Bevrijd van die algoritmes. en na het opheffen van de digitale vissenkommen waarin veel internetgebruikers zich inmiddels hebben laten opsluiten, zou die digitale infrastructuur alsnog kunnen worden wat Toffler voor ogen had.

De geschiedenis heeft altijd goflbewegingen gekend. Ook de nu op z'n hoogtepunt zijnde conservatieve golf zal wegebben. Op het moment dat er ruimte voor is, zal de macht van de algoritmes moeten worden gebroken en kunnen de Meta's en de Googles weer op hun plaats worden gezet: een dienende rol, met een daarop aangepast 'verdienmodel'.

Ik hoop het nog mee te maken.

zondag 21 september 2025

Het politieke landschap wordt een slagveld



















U zag het al aan de titel; dit wordt weer een politiek stukje. 
Kan ook bijna niet anders, met verkiezingen die nog maar iets meer dan een maand in de toekomst liggen en het algemeen gevoelde grote belang van die verkiezingen. 
De directe aanleiding was een opmerking van de hoofdredacteur van Vrij Nederland, die ik gisteren in de Volkskrant las.
Sander Heijne, want zo heet die hoofdredacteur, stelde het volgende: "We leven ook in een tijd waarin links-rechts niet meer de belangrijkste tegenstelling is in het politieke debat. We kunnen de partijen nu ook verdelen langs de as van democratisch en anti-democratisch".
Het laatste lijkt mij zonder meer een feit. Op de mening dat die onderverdeling daarmee ook belangrijker is dan het onderscheid links-rechts valt nog wel wat af te dingen, denk ik. Kenmerkend is namelijk wèl dat Heijne vervolgens PVV en Forum voor Democratie ondemocratisch noemt en BBB, JA21 en de VVD bestempelt als partijen, die als het hen zo uitkomt, ook wel 's ondemocratische praatjes verkopen. Daarmee heeft ie wel zo'n beetje alle serieus rechtse partijen genoemd.
 
Nu zijn er ter linkerzijde ook wel wat clubs waarvan je het democratische gehalte kunt betwijfelen. De SP, bijvoorbeeld, lijkt zijn Maoïstische verleden nog steeds niet helemaal te zijn ontgroeid. Maar verder kan ik aan de linkerkant van het politieke spectrum geen partij of andere organisatie noemen die wel eens twijfels oproept over haar houding tegenover de democratie.

Wat zou dus de conclusie kunnen zijn? 
Naar mijn idee dat de meest serieuze bedreiging voor de democratie inmiddels toch van rechts komt. Sander Heijne kan wel net doen alsof hij een nieuwe scheidslijn heeft ontdekt, die afwijkt van de traditionele links-rechts tegenstelling, maar in werkelijkheid is er, zeker sinds het communisme in de Nederlandse en zelfs in de internationale politiek geen factor van betekenis meer is, niks nieuws onder zon. Anti-democratisch is zo'n beetje synoniem met extreem rechts. 

Toen ik begon te schrijven aan dit stukje was op het Malieveld in Den Haag nèt de demonstratie begonnen die Els Rechts had georganiseerd tegen massa-immigratie in het bijzonder en alles wat links, woke en afwijkend is in het algemeen. Dit overigens zonder dat ik daarvan op de hoogte was. Pas gisterenavond, toen ik de bovenstaande regels al had geschreven, kwam het nieuws over Els, haar demonstratie en hoe die was geëindigd, tot mij.
Ik had eerlijk gezegd nog nooit van Els Rechts gehoord, maar wie haar website bezoekt, komt erachter dat Els een soort christelijke uitvoering is van andere extreem rechtse dames als Eva Vlaardingerbroek en Raïsa Blommensteijn. 
Ze was erin geslaagd om onder haar volgers enkele tienduizenden Euro's bij elkaar te scharrelen, waarmee ze de demonstratie had georganiseerd. Want de mensen die een podium met geluidsinstallatie voor je bouwen doen dat natuurlijk niet gratis.
 
Zo stond Els, die op dat moment eigenlijk niet veel meer vertegenwoordigde dan zichzelf, heel vredelievend op het Malieveld haar mening uit te dragen. Ik heb er wat video's van gezien en behalve veel Nederlandse vlaggen, een enkele oranje-blanje-bleu vlag (eertijds de vlag van de NSB) en een paar van BV-NL, de partij van meester-opportunist  Wybren van Haga, die er ook het woord voerde, waren er niet er niet veel uitingen van andere extreem rechtse partijen te zien. Geen vlaggen of andere reclame voor de PVV of FvD, bijvoorbeeld. Hoewel Geert Wilders de grote held van Els is en zij ook op de PVV zegt te stemmen.
Wel waren er wat christelijke uitingen, zoals mensen die met een geheven kruis rondliepen.

Vervolgens werd het hele gebeuren overgenomen door een legertje extreem rechtse relschoppers van clubjes als White Power Scheveningen en Netherlands Freedom Fighters, die de omgeving in een slagveld veranderen, twee politieauto's in brand staken en, na het ingooien van de ruiten, een poging deden het partijkantoor van D'66 in brand te steken.
Els was in tranen; dit was natuurlijk helemaal nooit de bedoeling geweest! 

Ik ben ervan overtuigd dat het geen krokodillentranen waren. 
Els is nog maar 26 jaar oud en heeft nog niet helemaal door wie er allemaal op een manifestatie als de hare afkomen. Els denkt dat zij christelijke waarden en extreem-rechts gedachtengoed, zoals geloof in de islamisering van Nederland, kan combineren. 
Bij alle christelijke waarden die Els zegt te verdedigen, kun je jezelf afvragen of zij daar niet een beetje selectief mee omgaat. 
Ik heb zelf ongeveer 12 jaar op christelijke scholen gezeten en hoewel ik inmiddels niet meer geloof in een hemel of een hel, onderschrijf ik in grote lijnen nog steeds de waarden die naar voren komen uit het Nieuwe Testament. 
Jezus brak een lans voor het helpen van de zwakken en behoeftigen en maakte ondubbelzinnig duidelijk dat men zijn welvaart moest delen met hen die minder welvarend waren. 
Naar mijn smaak strookt dat niet helemaal met de leus: 'Nederland voor de Nederlanders', die Els op haar website voert.

Wat Els zich kennelijk nooit heeft gerealiseerd, is dat er ook héél veel Nederlanders zijn die niet eens weten wat een christelijke moraal zoal zou moeten of kunnen inhouden, òf, als ze dat wèl weten dat aan hun laars lappen, maar de wèl haar rechtse denkbeelden delen En dat in nog veel extremere mate dan zij zelf. Een deel daarvan schroomt ook niet om hun mening met geweld over het voetlicht te brengen.

Nu is een verbond tussen extreem-rechts en bepaalde christenen niks nieuws.
In de Verenigde Staten bestaat het al jaren. Trump is daar mede aan de macht gekomen omdat veel orthodoxe christenen op hem hebben gestemd, nadat Trump dat kiezerspotentieel bewust had aangeboord door zich tegen abortus en anti-lhbti uit te spreken. En hoewel Trump, gezien zijn daden, helemaal niet gelooft in de hel, maakt hij wel degelijk zijn beloftes in dit opzicht waar. Dat dit zomaar blijkt te kunnen had niemand een paar jaar geleden voor mogelijk gehouden, maar het gebeurt gewoon en heel Amerika staat erbij en kijkt ernaar.
Ook hier in Nederland zien we de SGP al opschuiven richting extreem rechts.

Ik ben benieuwd wat het bovengenoemde gedoe op het Malieveld zal betekenen voor de komende verkiezingen.
Mogelijk zullen allerlei talking heads ter rechterzijde ook wat tranen plengen naar aanleiding van het gebeurde. Maar in tegenstelling tot de tranen van Els zullen dat wel in meer of mindere mate krokodillentranen zijn, ben ik bang. Mensen als Geert Wilders en Thierry Baudet hebben de geesten van de Nederlandse rechts-extremisten rijp gemaakt voor wat er gisteren gebeurde. En hoewel de volgende uitspraak op internet direct een Godwin zou worden genoemd, roept één en ander toch wel wat herinneringen op aan de bruinhemden die Hitler's machtsovername voorbereidden.

Het is nu wel duidelijk uit welke hoek de wind, ook in Nederland, inmiddels waait, denk ik.


zondag 14 januari 2024

Mike Oldfield


















Zoals die dingen gaan: kort geleden, tijdens een YouTube-binge, zoals ik er in dit vreemde tijdsgewricht nogal eens één heb, stuitte ik ineens op een BBC-documentaire over Mike Oldfield. Een golf van herinneringen en nostalgie overspoelde me en voor ik het wist had ik de CD's van het meest belangwekkende deel van Oldfield's oeuvre besteld bij Bol.com. 
 
Mike Oldfield. Wie van de millenial-generatie zou die naam nog kennen?
Ik weet zelf niet meer precies hoe mijn kennismaking met Oldfields muziek in z'n werk ging. Bij het doorscharrelen van mijn LP-collectie bleek ik Hergest Ridge ooit op vinyl te hebben aangeschaft. Op de linkerbovenhoek van de hoes staat in een witte band, onder 45 graden, de tekst "THE NEW MIKE OLDFIELD". Op de rechterbovenhoek zit een smal, langwerpig stickertje met het handgeschreven nummer "3462". Dat zegt verder niemand iets, maar voor mij maakt het duidelijk dat ik de plaat heb aangeschaft bij De Bengel in Dordrecht. Daar voorzag men de platen die men verkocht op die manier van een merkje. Kennelijk was het nummer 3462 in hun catalogus. "Destijds" was in dit geval hoogstwaarschijnlijk 1974, het jaar waarin Hergest Ridge werd uitgebracht. 
De andere twee hoofdwerken van Mike Oldfield, zo mogen we Tubular Bells en Ommadawn in zijn geval wel noemen, denk ik, heb ik nooit gekocht. Ik heb ze in diezelfde periode opgenomen op band, na de platen van een vriend te hebben geleend. Die banden zijn echter al vele jaren geleden, samen met de het apparaat waarmee ze waren opgenomen, afgeleverd bij het gemeentelijke afval-brengstation, wat ik in dit geval een mooier woord vind dan 'vuilstort', de naam die ik meestal gebruikte toen ik er puin en sloophout uit mijn huis naartoe bracht.

In de BBC-documentaire zien we Oldfield en de mensen die hem kennen hun verhaal vertellen. Zijn jeugd, die sterk getekend werd door zijn geestelijke labiele moeder, die uiteindelijk aan haar medicijnen verslaafd raakte, had z'n weerslag; ook in zijn latere leven. Mike trok zich terug op zichzelf en werd een begenadigd gitarist. De Oldfield die we zien vertellen ziet eruit als de gemiddelde, welgedane zestig-plusser, maar begin jaren zeventig was Oldfield zelf ook een geestelijk wrak. Naast de doorleefde ellende in zijn jeugd schijnt ook LSD-gebruik daar een rol in te hebben gespeeld.
Na een duo te hebben gevormd met zijn zus en een korte periode in de band van Kevin Ayers, werkte Oldfield als sessie-gitarist. In die hoedanigheid kwam hij op zeker moment in de toen gloednieuwe Manor studio's van Richard Branson terecht. Hij had al een deel van Tubular Bells als demo opgenomen  en wist die via de opnametechnicus van The Manor onder de aandacht van Branson te brengen. Die liep op dat moment rond met het plan een platenlabel op te richten. Oldfield kreeg van Branson een week gratis studiotijd. Na wat vijven en zessen werd Tubular Bells zo het eerste album dat op het Virgin label werd uitgebracht. 
De buisklokken uit de titel van het album kwamen op een vrij toevallige manier in het stuk terecht. Ze waren gebruikt bij een andere opname in The Manor en Oldfield zag ze toen ze op het punt stonden de studio weer te verlaten. Hij kreeg gedaan dat ze nog even bleven om te worden gebruikt bij zijn eigen opnames. Een andere toevalligheid was dat de Bonzo Dog Doo-dah Band de studio zou gebruiken nadat Oldfield daar de opnames van Tubular Bells had afgerond. Zo werd Vivian Stanshall de man die tegen het eind van het stuk de instrumenten voorstelt.

Voor iemand die nog nooit echt naar klassieke muziek had geluisterd, zoals ik in die tijd, viel de muziek van Tubular Bells met niets te vergelijken. Er waren vóór dat album door popgroepen al nummers opgenomen die een hele LP-kant besloegen en daarbij voor een groot deel instrumentaal waren. Op het album Meddle van Pink Floyd bijvoorbeeld, besloeg het nummer Echoes de hele tweede kant van de LP. Het duurde ruim drieëntwintig minuten. Maar in Echoes wordt de sfeer en de beelden die bij de luisteraar opkomen nog mede bepaald door gezongen tekst.
Tubular Bells was echter volledig instrumentaal. Op de onverstaanbare tekst van de Piltdown Man, die ergens halverwege kant twee zijn onverstaanbare holbewonerstaal laat horen, na. Die Piltdown man roept overigens weer associaties op met een andere prehistorische bewoner van de Britse Eilanden op; de wildeman die brult in Several Species of Small Furry Animals Gathered Together in a Cave and Grooving with a Pict, dat Pink Floyd opnam op het album Ummagumma. Die Pict heeft overigens een duidelijk Schots accent. 

Tijdens mijn diensttijd bij de 76 ZauCie (de 76ste Ziekenauto Compagnie) werd er op de legeringskamer van mijn peloton altijd muziek gedraaid. Ons groepje bestond uit mensen met een verscheidenheid van smaak en de muziek varieërde derhalve van Fairport Convention, via Jethro Tull, The Who, Emerson, Lake en Palmer en Pink Floyd tot, inderdaad, Mike Oldfield. Op zeker moment merkte één van mijn mede-dienstplichtigen zelfs op dat hij het "verliefde muziek" vond. 
Nog niet eens zo'n vreemde opmerking, want verliefdheid leidt, zeker in de beginfase, nogal eens tot aanzienlijke stemmingswisselingen. En Oldfield's muziek kenmerkt zich door tempowisselingen en verschillen in dynamiek. 

Ondertussen is Mike Oldfield een min of meer vergeten artiest. 
De enige producten uit zijn koker die zo nu en dan nog wel eens te horen zijn op de radio, zijn de liedjes die hij op single uitbracht met de zangeres Maggie Reilly. Met name Moonlight Shadow en To France. 
Natuurlijk heb ik bij het schrijven van dit stukje even Wikipedia geraadpleegd. 
Er blijkt wel degelijk een single te zijn uitgebracht van Tubular Bells. Het nummer staat zelfs in de Radio 2 top 2000; in 1999 nog op nr. 159, maar inmiddels (2023) gezakt tot nummer 800. Die laatste notering is nog steeds bijzonder, want ik kan me uit de afgelopen dertig jaar geen moment herinneren dat ik Tubular Bells op de radio hoorde.
Uit Wikipedia blijkt ook dat Oldfield sinds de jaren '70 niet stil heeft gezeten, maar ik moet toch constateren dat niet alleen het hoofdbestanddeel van zijn oeuvre vergeten is, maar dat ook zijn producten uit latere tijd grotendeels door de media zijn genegeerd.

Inmiddels is een deel van de popmuziek uit de jaren '60 en '70 'klassiek' geworden. De stemmen die in dezelfde periode verklaarden dat al dat modieuze gedoe vijftig jaar later vergeten zou zijn, hebben geen gelijk gekregen. Het lijkt er ook op dat de liefde voor de muziek uit deze periode niet uitsterft met de generatie die er destijds naar luisterde. De jeugd van tegenwoordig heeft de platenverzameling van hun ouders ontdekt en treft daar van alles aan dat ook bij hen in de smaak valt.
Waarmee we terug zijn bij de vraag die ik aan het begin van dit stukje stelde: kennen de millenials Mike Oldfield en zijn muziek nog? 
Misschien zijn het er meer dan we weten. Nu (pop-)muziek vooral het domein van Spotify en aanverwante bedrijven is geworden, lijken de diverse muziekculturen zich, juist in dit informatie-tijdperk, steeds meer in het verborgene op te houden.
Er zijn inmiddels ontelbare bands waarvan ik nog nooit heb gehoord, maar die, als je er dan op een onbewaakt moment wèl wat van ziet, een enorme fanbase blijken te hebben.
Daarnaast worden sommige genres nieuw leven ingeblazen, terwijl de liefhebbers daarvan nauwelijks een idee lijken te hebben van het feit dat er niks nieuws onder de zon is.
De cultuurredactie van de Volkskrant verklaarde het album False Lankum van de band Lankum tot het beste album van 2023, en nu ik er even op googel, zie ik dat zelfs de Guardian tot dezelfde conclusie kwam.
Na het beluisteren van wat nummers van de band moet ik vaststellen dat de muziek van Lankum tamelijk traditioneel uitgevoerde Ierse volksmuziek is. Zij het dat de band een voorkeur lijkt te hebben voor de morbide kant van het genre. Aan de muziek is weinig vernieuwends te ontdekken, en ook weinig dat uniek is.
Het gekke is dat er in de jaren '70 tal van bands waren, die puur dreven op min of meer genietbaar gemaakte Ierse volksmuziek. Groepen als Planxty, The Bothy Band en (iets gladder) Clannad waren in beperkte kring beroemd, maar niet bepaald mainstream.
Des te verbazingwekkender is het dat een album als False Lankum nu ineens top-of-the-bill is.

Maar goed; waar had ik het ook alweer over? Oh ja, Mike Oldfield..
Laat ik maar afsluiten met de conclusie dat Oldfield's muziek uniek was. Er is nooit een stroming in de hedendaagse (pop-) muziek ontstaan waarin zijn composities pasten. Latere genres als ambient kennen veel minder tempo- en dynamiekwisselingen en in het lijstje van ambient-artiesten dat Wikipedia presenteert, komt Oldfield dan ook niet voor.
De muziek, bijna vijftig jaar oud inmiddels, is wat mij betreft volledig overeind gebleven. Ik vind het nog even mooi als destijds. Vooral Ommadawn*, met z'n Afrikaanse drums en het kinderlijke liedje On Horseback* is atmosferisch als geen andere muziek uit de jaren zeventig. Er zit zelfs een stukje uileann pipes in. De muziek van Oldfield heeft ook iets onmiskenbaar Keltisch; er horen beelden bij uit een lang vervlogen verleden.

Misschien moet Radio 4, dat inmiddels NPO Klassiek heet en dat, toen het nog z'n oude naam had, ook het één en ander aan wereldmuziek liet horen, maar eens wat aandacht aan Oldfield besteden.

*) De link opent Ommadawn (Part Two) als mp3.






zondag 12 november 2023

Jonathan Raban

Foto: Murdo Macleod/The Guardian
















Iets meer dan twee jaar geleden schreef ik op dit blog een stuk over Zeilende schrijvers.
Daarin refereerde ik onder meer aan Jonathan Raban (uit te spreken als Rébèn).

Ik kwam Raban op het spoor door een boekrecensie in de Volkskrant. 
Dat moet ergens in de tweede helft van de jaren tachtig zijn geweest. De recensie handelde over de Nederlandse vertaling van zijn boek Coasting. Dat bleek over het Verenigd Koninkrijk en zeilen te gaan. Voor mij een onweerstaanbare combinatie en kort na het lezen van die recensie heb ik de oorspronkelijke versie (in het Engels) aangeschaft. 
Het boek bleek niet veel minder dan een openbaring. 
Het was een combinatie van persoonlijke observaties, gesprekken met al dan niet toevallige passanten en geschiedkundige feiten. En dat alles van een kwaliteit die ik eigenlijk nooit eerder had gezien.

Wat nog mooier was: Coasting was niet Raban's eerste boek, noch was het, zoals in de jaren daarna zou blijken, zijn laatste. 
Ik raakte, bij wijze van spreken, verslaafd aan zijn boeken. Om de zoveel maanden controleerde ik de mij ter beschikking staande bronnen om erachter te komen of er al weer een nieuw boek van hem was verschenen. Zeker toen halverwege de jaren '90 internet van de grond kwam, was dat een fluitje van een cent.
Hoewel Brit van geboorte, spelen de meeste boeken die hij na Coasting schreef in de Verenigde Staten. Aan het eind van Hunting Mr. Heartbreak, dat emigreren naar de Nieuwe Wereld en Raban's eigen ervaringen als vreemdeling in de VS als thema heeft, belandt hij in Seatlle, aan de Amerikaanse noordwestkust. De stad en haar culturele klimaat bevallen hem en hij besluit er zich te vestigen. Niet in het minst omdat hij er ook een vrouw vindt en de stad aan zeilwater blijkt te liggen. De liefde voor boten en het water heeft Raban na Coasting nooit meer verlaten.
De fascinatie voor Amerika was er overigens al eerder.
Voor Coasting schreef Raban Old Glory, waarin hij in een klein open bootje met een buitenboordmotor de Mississippi afzakt, van Saint Louis naar de mond van de rivier aan de Golf van Mexico. Ook dat boek heeft die unieke afwisseling van dingen die Raban onderweg ziet en de gesprekken die hij voert met mensen die hij ontmoet, met af en toe intermezzo's over de geschiedenis van de plek. De lezer krijgt een sfeervol beeld voorgeschoteld van het Amerika van de kleine dorpen. Wat de mensen langs de Mississippi zoal zeggen blijkt een afwisseling van boerenwijsheid en regelrechte achterlijkheid. De confrontatie met Raban's Britse gereserveerdheid leidt niet zelden tot hilarische situaties.

Raban's thematiek is door recensenten wel beschreven als een zoektocht naar the concept of home. In veel van zijn boeken duikt bij de schrijver de overweging op of hij misschien zou willen wonen in de plaatsen die hij tijdens zijn reizen passeert. In Coasting komt al aan de orde dat de relatie met zijn geboorteland op de proef werd gesteld door de opkomst van Thatcher en de Falkland-oorlog. Engeland was niet langer 'zijn' Engeland.
In Seattle heeft Raban uiteindelijk toch min of meer zijn thuis gevonden, ondanks het gegeven dat zijn huwelijk geen stand hield. Passage to Juneau handelt daar, tegen het decor van een zeilreis naar Alaska, deels over. Uit dat huwelijk was overigens wel een dochter geboren; waarschijnlijk één van de dingen die hem in Seattle hebben gehouden.
Toch werd de band met Engeland niet helemaal verbroken. 
Zijn ouders, van oorsprong tamelijk conservatieve Britten; zijn vader was dominee en vertegenwoordigd in Raban's jeugd vooral 'God, King and Country', moeten in laatste instantie ook niks van Thatcher hebben en blijken halverwege de jaren tachtig veranderd in tamelijk linkse activisten, die zich vol overgave inzetten voor de onderkant van de samenleving. Ze accepteren Raban's keuze voor de VS, maar vragen zich af waarom hij zich in vredesnaam heeft gevestigd in dit neo-liberale land, waar ook toen al godsdienstwaanzin en andere gekkigheid van zich deden spreken. 
Maar Raban zag ook andere dingen in de Amerikaanse volksaard, zoals hun naïeve maar vriendelijke benadering van wildvreemden en de bereidheid om bij acute nood hulp te bieden. Hij is van de Amerikanen gaan houden, ondanks hun gektes.
In latere jaren, toen conservatisme en complottheorieën in de VS steeds meer invloed kregen, heeft Raban niettemin tegen dergelijke uitwassen in de Amerikaanse samenleving geageerd. 

Omdat ik Raban's naam om de paar maanden bleef Googelen, kwam ik er in 2011 achter dat hij was getroffen door een beroerte. 
Hoewel hij ogenschijnlijk goed herstelde, bleek het achteraf zo niet het einde, dan toch een breuk in zijn literaire carrière. Zelf bleef hij, onder het noodlot dat hem had getroffen, de typisch laconieke Engelsman. Toen hij door zijn behandelend arts werd aangesproken met de woorden: “You’re the one who used to be a writer.”, had hij geantwoord: “I very much hope that I’m still a writer.”
Desondanks is het de afgelopen tien jaar tamelijk stil gebleven rond zijn persoon. Afgezien van enkele essays en interviews heeft Raban nauwelijks meer van zich doen spreken.
Hoewel.. Zojuist googelde ik weer en kwam ik erachter dat in september j.l. zijn laatste boek Father and Son is verschenen. Hij heeft toch niet ècht stilgezeten.

Maar eerder dit jaar keek ik ook al op het net of er nieuwe informatie over Raban te vinden was. Dat hij op 17 januari 2023 bleek te zijn overleden kwam, ondanks zijn eerdere aandoening en de daarop volgende stilte, toch als een schok.

Het oeuvre dat Raban nalaat is niet bijzonder groot: acht reisboeken en drie romans. Maar buiten dat schreef hij negen hoorspelen en toneelstukken en zes boeken over literaire en politieke onderwerpen. Hij was ook actief als boekenrecensent.
Binnen de groep van reisboekenschrijvers was zijn bekendheid bij het publiek naar mijn idee niet evenredig met de kwaliteit van zijn werk.  Paul Theroux en Bruce Chatwin zijn veel bekender, maar niet per definitie beter dan Raban. Integendeel, wat mij betreft.

Zojuist heb ik Father en Son besteld. Volgens Bol.com wordt het over tien dagen bij me afgeleverd. 
Het boek is naar verluid puur autobiografisch.
Het zou me niks verbazen als het, met de voorkennis over zijn leven en zijn ouders die ik al heb uit zijn andere boeken, nog een paar emotionele momenten gaat opleveren.

zaterdag 18 december 2021

Onopgemerkt jubileum

cartoon: Debra Goldstein
























Zonder dat ik het zelf in de gaten had, heeft dit blog op 9 november j.l. de gezegende leeftijd van tien jaar bereikt.
 
Nu ben ik -mijn directe omgeving weet dit- geen man van verjaardagen. 
Mijn eigen verjaardag vier ik nooit, en verjaardagen van anderen bezoeken vind ik niet altijd een onverdeeld genoegen. Ja, het kan best gezellig zijn. Maar zodra zo'n verjaardag eigenlijk de enige reden wordt om de jarige nog op te zoeken, wordt het een vreemd mechanisme. Helemaal als zich, onder het gezelschap dat op zo'n verjaardag samenkomt, eigenlijk niemand bevindt waarvan je denkt: "leuk, dan zie ik die ook weer 's".
Al lang geleden heb ik moeten constateren dat ik niet echt, zoals dat in het moderne newspeak heet, een mensen-mens ben. Ik kan prima de schijn ophouden, en als ik mijn best doe ervaren anderen mij mogelijk als een welopgevoede, vriendelijke man, aan wie je jezelf niet snel een buil valt. Ik blijf altijd beleefd en ik heb tamelijk goed door hoe ik contact kan leggen, zonder dat mensen van me schrikken. Maar in de praktijk spreek ik mensen altijd aan met een doel. Zelf zit ik nooit om een praatje verlegen. Er zijn uitzonderingen op die regel, maar dan hebben we het over de intimi, en dat zijn er maar een paar.

Terug naar de verjaardag van dit blog. Wat kunnen we constateren, na tien jaar blogs schrijven? 
Voor wat betreft de statistiek het volgende: Het Ondermaanse telt inmiddels 128 'posts'. Er waren in 10 jaar tijd 44 reacties en het blog heeft 6 volgers. Inmiddels heeft het blog 50213 'hits' gescoord. 

Wat vind ik er zelf van? 
De belangrijkste conclusie moet zijn dat ik het schrijven nog steeds leuk vind. Het op schrift stellen van je gedachten is een bezigheid die blijft bevallen. Na tien jaar ligt er toch een neerslag van wat je in de loop der tijd heeft beziggehouden. 
Onwillekeurig betrap ik me ook op het gegeven dat ik graag verhalen vertel.
Ik mag dan nooit om een praatje verlegen zitten; als het gesprek een associatie opwekt met een verhaal dat ergens in mijn geheugen zit, dan heb ik dat meteen paraat en komt het er ook uit. Dat houdt voor de gesprekspartner ook een risico in, want eenmaal op mijn praatstoel kan het wel eens even duren voor ik er weer vanaf kom, en of wat ik te vertellen heb de toehoorder wel echt interesseert ontgaat me wel eens. Dit blog is een mooie gelegenheid om lekker uit te wijden over alles wat me interesseert, irriteert of verwondert, zonder dat ik anderen daar mee lastig val. Wie één en ander leest, doet dat op eigen risico.

Wat ik in dat licht wèl jammer vind, is het feit dat er in de loop der jaren slechts mondjesmaat is gereageerd op wat ik schreef. Daar verwachtte ik, toen ik het blog begon, wel wat meer van.
Niet dat ik zat te wachten op blijken van waardering, of zo. Na een jeugd die enigszins in het teken stond van overmatige bescheidenheid en ernstige twijfels aan de eigen voortreffelijkheid, ben ik ondertussen wel zover dat ik niet meer van aanmoediging afhankelijk ben om te blijven schrijven. 
De werkelijke reden waarom ik dat gebrek aan reacties met tegenviel, is dat ik wel houd een beetje discussie. Ik heb een verleden in de nieuwsgroepen op Usenet, waar men vaak nogal ongezouten meningen ventileerde. Usenet is de plek waar ooit Godwin's Law ontstond. De stelling dat een discussie eindigt, zodra iemand z'n toevlucht zoekt in vergelijkingen met Hitler of de Nazi's.
Gelukkig heb ik in de loop der jaren geleerd om zo'n discussie te gebruiken om je eigen mening te toetsen en eigenlijk vooral om niet alles in het extreme te trekken.
Maar toch: het zou best leuk zijn om te weten welke gedachten je stukjes bij anderen oproepen.

Misschien is de belangrijkste reden dat ik blijf schrijven toch een heel zelfgenoegzame.
Op het eerder genoemde Usenet trof ik, pakweg twintig jaar geleden, een schrijver aan wiens proza ik graag las. Hij was zelf een groot bewonderaar van Nescio en schreef korte stukjes, die een vage verwantschap hadden met de stijl en thematiek van deze schrijver. Ik was en ben nog steeds een liefhebber van Nescio's werk, maar dat was vermoedelijk wel zo'n beetje het enige waarover we het eens waren.
Nu ik zelf 128 stukjes het licht heb doen zien, realiseer ik me dat er nog één ding van hem was, waarin ik me bij nader inzien volledig kan vinden. Hij vond het heel leuk om na enige tijd z'n eigen stukjes weer eens te lezen. 
Ik ben zelf inmiddels ook ijdel genoeg om toe te geven dat dit ook voor mij geldt.


zondag 3 januari 2021

Nescio en het Marxisme


 



 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jongens waren we van Chris van Esterik is een lezenswaardig boek. 
De titel zal bij iedereen die ooit Nescio heeft gelezen direct de aandacht trekken. Het roept een sfeer van onbevangenheid op, iets waar op dit moment een schrijnend gebrek aan lijkt te zijn. Opnieuw, zou je kunnen zeggen, na lezing van dit boek. Mij sprak het wel aan, in ieder geval.
Anderzijds riep het ook een beetje achterdocht op. Je boek presenteren staande op de schouders van een literaire icoon, van wie bepaalde citaten inmiddels begrippen zijn geworden voor wie wel eens nadenkt over la condition humaine, om er nog een andere bon mot tegenaan te gooien, lijkt in eerste instantie een beetje verdacht. 
Maar na een paar bladzijden is al duidelijk dat Esterik dat Nesciaanse uithangbord helemaal niet nodig heeft. In een heldere, ontspannen stijl beschrijft hij de geschiedenis van de jaren zeventig, zoals die zich voltrokken op de Universiteit van Amsterdam en in het Amsterdamse politieke circuit. Waar, direct na de ludieke jaren zestig, "totalitaire verleiding", zoals de schrijver het noemt, de kop opstak. Esterik kàn dat als geen ander doen omdat ie er zelf bij was.
 
Eigenlijk is de titel een vlag die de lading niet helemaal dekt. 
De jongens van Nescio waren op hun manier een soort hemelbestormers. De aardige jongens in het boek van Esterik (in casu de schrijver en zijn studievrienden) zijn dat uitdrukkelijk niet. Ze nemen met een mengeling van verbazing, afschuw en geamuseerdheid kennis van wat er in het universitaire universum gebeurt en doen er tot op zekere hoogte aan mee, maar blijven relatieve buitenstaanders als het om de politieke aspecten daarvan gaat. 
 
Dat Esterik zijn verhaal doet als ooggetuige èn deelnemer aan de geschiedenis van academisch en politiek Amsterdam heeft ook een keerzijde. Soms krijgt het verhaal net iets teveel het karakter van een afrekening. Enkele personen komen, door het hele boek heen, steeds weer terug als de kwaaie pieren, die alles vergiftigden met hun stijf-marxistische opvattingen. Een paar andere, volgens Esterik veel ruimdenkender personen, worden bij herhaling opgevoerd als lichtpunten in de grauwe, extreem-links geörienteerde massa, die het debat op de universiteit en in de Amsterdamse politiek beheerste. 
In de verantwoording bedankt Esterik de mensen die het manuscript vóór publicatie doorlazen. Hij verheelt daarbij niet dat sommigen van hen hem hebben behoed voor “te diep duiken in de academische perikelen van die tijd”. Eerlijk gezegd vind ik zelf dat er nog onvoldoende is geschrapt in de beschrijving van die perikelen.
Het is een schoonheidsfoutje dat nèt iets te veel in het oog springt, maar verder geen afbreuk doet aan de algemene teneur van het verhaal.
 
Het lijdt wat mij betreft geen twijfel dat de politieke sfeer, de manier van discussiëren en de kloof tussen theorie en praktijk in de jaren zeventig in ruwe lijnen zo waren als Esterik ze schetst. 
Ik heb die tijd zelf bewust meegemaakt en hoewel ik nog jong was en mijn wereldbeeld nog voor een deel was gebaseerd op valse sentimenten en onbegrepen axioma’s, heb ik de weerstand tegen het linkse gelijk van toen, zoals dat door Esterik wordt beschreven, zelf ook gevoeld. Beredeneren kon ik het nog niet, maar instinctief voelde ik dat er iets niet klopte. 
Al een paar jaar terug beschreef ik een confrontatie tussen mij en een rasechte marxist in mijn toenmalige stamkroeg. De parallel tussen de middelbare scholieren in dat café en de Amsterdamse studenten, die in hoog tempo werden omgevormd van naïeve provincialen uit de hogere en middenklassen tot beginselvaste communisten, is treffend. 

Maar er is meer dat ik herken bij Esterik. Net als hij kom ik uit wat in Engeland de lower middle class wordt genoemd. Een milieu waarin men zich een redelijk bestaan heeft verworven, maar waar men zijn wortels nog niet is vergeten. 
Interessant in dat verband is het verschil tussen opvoeden en grootbrengen, zoals Esterik dat signaleert. Voor hem is dat het verschil tussen een jeugd waarin een toekomst als academisch geschoold lid van de elite vanzelfsprekend is en al helemaal wordt voorgekookt, en eentje waarin je ouders zorgen voor een warm nest, je natje, je droogje en een zeker elementair normbesef, maar waarin je het verder, voor wat betreft opleiding en ambitie zelf moet uitzoeken. Je ouders maakten die keuzes niet voor je. 
Voor de ‘grootgebrachten’ leidde dat zelf uitzoeken tot het gretig opzuigen van een baaierd van kennis en opvattingen, waarmee ze onwillekeurig ook leerden over de grenzen van hun oorspronkelijke milieu heen te kijken. 
De ‘opgevoedden’ hadden vaker wèl dan niet last van de wet van de remmende voorsprong. Zij meenden vaak van alles en nog wat al te weten, hoewel dat voornamelijk was wat ze van thuis hadden meegekregen. Wat vervelender was: daar gedroegen ze zich naar. Ook toen ze ineens van rijkeluiskinderen transformeerden tot marxisten. Veel van de hardliners onder hen kwamen, volgens Esterik, uit de betere milieus. Ze waren gewend dat er naar hen werd geluisterd en wie niet luisterde was een vijand van het volk.
Dit beeld is waarschijnlijk een nogal grove generalisatie, maar een kern van waarheid zit er wel in, denk ik. 
 
Het boek eindigt in het begin van de jaren tachtig, waarin het failliet van het streven naar een arbeidersrevolutie overgaat in een andere extreme visie op hoe het dan wèl zou moeten met die nieuwe maatschappij. Het universum van de anarchistische krakersbeweging had met marxisme niet veel meer te maken, maar zorgde wel voor een laatste oprisping van politiek-maatschappelijk extremisme in Nederland. Sindsdien hebben we, behoudens incidenten als de moorden op Pim Fortuin en Theo van Gogh, hier weinig meer meegemaakt dat Nederland zó op z'n grondvesten deed schudden. 
Esterik begroet de teloorgang van de extreem-linkse dogma’s met instemming. Hij vindt de neiging tot een postmodernistische levensvisie, die er min of meer op volgt, verfrissend. Al in het begin van het boek hebben we kunnen lezen dat Nietzsche binnen de aardige jongens-groep als een baken in hun wereldbeeld wordt ervaren, dus dat sluit wel een beetje op elkaar aan. 
Dat is ook zo ongeveer het punt waarop de inzichten van de schrijver en de van mij uit elkaar beginnen te lopen. Foucault, Derrida en Sloterdijk zijn niet aan mij besteedt, eerlijk gezegd. Of Nietzsche’s geschriften een inspiratie waren voor het fascisme, wat iemand van de vriendengroep meent te moeten bestrijden, laat ik ook maar even in het midden.

Esterik constateert desondanks nog wel dat Marx niet alleen maar een utopist was, wiens theorie tegenwoordig geen enkele waarde meer heeft. Hij merkt terecht op dat Marx' voorspelling, dat het kapitalisme uiteindelijk leidt tot een maatschappij waarin niets meer wordt gegeven of geruild, maar alles onderdeel wordt van de markt en te gelde wordt gemaakt, volledig is uitgekomen. 

Maar ook op andere fronten leeft het marxisme en het streven naar revolutie nog. 
Het recente gedoe met de jongerenafdeling van de Socialistische Partij getuigt ervan. 
Zelf raakte ik nog maar negentien jaar geleden, op internet (in een nieuwsgroep genaamd nl.eeuwig.zonde) in discussie met iemand die de theorie van Marx onverkort als vaste leidraad hanteerde. 
Die discussie leverde uiteindelijk nog een prachtig voorbeeld op van de neiging van politieke ideologen om alles, dat niet past binnen de ideologie, maar waarvan men vindt dat het wèl moet passen, desnoods pas te máken.
De jongeman met wie ik in discussie was, had naast het marxisme nog een ander ijkpunt: Nescio. Hij was niet alleen een een politieke hardliner, maar ook een begaafd schrijver. Daar leverde hij in de betreffende nieuwsgroep regelmatig proeven van af. Die liefde voor Nescio was iets dat we deelden. 
Onze discussie spitste zich op een zeker moment toe op de vraag of Nescio al dan niet links was, als het ging om zijn politieke overtuiging. Ik dacht van niet. Veel van wat Nescio schreef is autobiografisch. Als Koekebakker in Titaantjes spreekt over de salonsocialist Hoyer, die alles zo zeker wist en Nescio rond 1918 in het verhaal Vea Victis schrijft over de angst voor de komst van de “rode horden” die zijn dochters de kleren van het lijf zullen rukken, dan is de schrijver zèlf aan het woord en niet een romanpersonage dat niets met hem te maken heeft. J.H.F. Grönloh was in 1918 al flink gestegen op de maatschappelijke ladder. Het moment dat hij directeur werd van de Holland-Bombay Trading Company was niet ver meer weg. Hij was al sinds 1914 procuratiehouder van dit bedrijf en toegetreden tot de bourgeoisie. De angst in Vea Victis was zijn eigen angst. 
Zo wenste de marxist in nl.eeuwig.zonde er echter niet naar te kijken. 
Nescio schreef in Vea Victis niet over zijn eigen gezin, volgens hem. Het verhaal hield niet in dat hij (citaat) “die bourgeoisfamilie, zoals beschreven in Vae Victis, een warm hart toedraagt - laat staan datti er zich mee zou identificeren. Hij was een nette meneer ondanks zichzelf en zijn hart zat duidelijk links.” 
Dat Nescio’s hele oeuvre toont dat hij zich aan geen enkele ideologie wenste te conformeren en dat hij met ironie, dan wel cynisme schreef over hen die dat wèl deden, was niet tot deze marxist doorgedrongen. Ook het contrast tussen Grönloh als publiek persoon en Nescio de schrijver was hem niet opgevallen. Niet alleen de socialist Hoyer, maar ook Van Eeden, met zijn idealen en zijn Walden, kreeg van Nescio een veeg uit de pan. Er waren ook in die tijd al fabrieksdirecteuren die goede woningen voor hun arbeiders bouwden, maar ik vermoed niet dat dit het links is dat mijn tegenstrever bedoelde. En ook niet iedereen met een grote liefde voor het landschap en de natuur is per definitie links.

Toevallig verschijnt binnenkort de biografie van Nescio, geschreven door de Nescio-deskundige van dit moment, Lieneke Frerichs. Dat boek zal, naar ik vermoed, wel het laatste woord bieden als het gaat om Nescio’s politieke overtuiging. Als ie er al één had.

Het spijtige daarbij is wèl dat mijn tegenstrever uit nl.eeuwig.zonde (waar vooral onder pseudoniem werd geschreven) in de nevelen van de tijd is verdwenen. Zijn website, met daarop veel van zijn literaire productie, bestaat niet meer. Ik heb geen idee waar ik hem nu nog zou kunnen bereiken. Of hoe ik hem zijn gelijk zou kunnen geven, als Nescio toch een echte socialist blijkt te zijn geweest.

De discussie op nl.eeuwig.zonde is overigens nog steeds terug te vinden. Wie schrijft blijft!





dinsdag 29 oktober 2019

Bijzondere schrijvers




















Behalve de krant lees ik de laatste jaren weinig. Net nu ik min of meer de tijd aan mezelf heb, heeft een eigenschap die ik altijd al had vormen aangenomen die me helemaal niet bevallen, maar waar ik kennelijk geen goed verweer tegen heb.
Tien jaar terug noemde ik het nog "een brede belangstelling". Zodra ik iets tegenkwam dat me boeide, ging ik me erin verdiepen. Die onderzoekdrift ging alle kanten  op. De sporen die ik al doende volgde, liet ik soms na één artikeltje op Wikipedia weer rusten, maar vaker leidde het ene spoor naar het andere, of splitsten sporen zich. Dit soort activiteit is misschien aardig voor je algemene ontwikkeling, maar buiten veel feitenkennis leidt het in mijn geval uiteindelijk tot niets. Dat zo'n 'brede belangstelling' uiteindelijk wèl ergens toe kan leiden, behoort waarschijnlijk tot de uitzonderingen op de regel. Maar die uitzonderingen bestaan, zoals verderop zal blijken.

Dat we tegenwoordig zoiets hebben als internet, heeft ervoor gezorgd dat het verschijnsel bij mij wat uit de hand is gelopen. Temeer omdat mijn aandachtsspanne behoorlijk lijkt te krimpen. Eenmaal aangeland op YouTube spring ik van de hak op tak, want over alles dat me interesseert is wel wat te vinden. Soms in hoeveelheden waar ik van z'n lang-zal-ze-leven niet doorheen kom. En omdat de algoritmes van YouTube ondertussen aardig greep hebben gekregen op wat ik leuk vind, presenteert het in de zijlijn van alles en nog wat dat nog meer afleiding biedt.
Het zorgt er weliswaar voor dat ik me nooit verveel, maar stiekum miste ik toch wel het aangename van de wereld zijn als je voor de volle honderd procent wordt geboeid door een boek. Omdat het vergezichten opent die je nog niet eerder zag en niet, zoals YouTube, je slechts steeds meer geeft van wat je al kende.

Gelukkig is er op zeker moment het fenomeen vakantiereis. In het geval van mijn vrouw en mij betekende dit: kamperen in Frankrijk. Van de wifi op de meest Franse campings valt niet veel te verwachten, dus nam ik een paar boeken mee, waaronder Honorair Kozak van Tommy Wieringa. Een bundel korte stukjes; merendeels reisverhalen. Precies goed voor mijn beperkte attention span. Een aardig boekje, dat me bijna benieuwd maakte naar een roman van Wieringa.
Eén van de stukjes in Honorair Kozak ging over een reis naar de Oostkust van Engeland. Wieringa heeft een reden om daarheen te willen: hij is een liefhebber van de Duitse schrijver W.G. Sebald en in diens boek De ringen van Saturnus wordt een wandeltocht door Norfolk en Suffolk beschreven.

Als u het recente epos over mijn zeiltocht naar Engeland hebt gelezen, dan weet u dat ik tijdens deze tocht Suffolk heb bezocht. Ik koester al jaren een warme belangstelling voor de Engelse oostkust. Voor mij reden genoeg om de De ringen van Saturnus ook te willen lezen.
De Openbare Bibliotheek had dit boek niet, maar wel een andere bundel van Sebald: Campo Santo. Dat boek maakte in ieder geval duidelijk waarop Wierenga doelt, als hij schrijft over de onnavolgbare stijl van Sebald.

Om het eufemistisch uit te drukken: Sebald is geen rechtlijnige verteller. Het begint vaak met een wandeling of een bezoek aan een bepaald landschap of stad. Maar behalve dat hij een goed oog heeft voor wat de Britten sense of place noemen; het wezen van de plek, kan alles wat Sebald ziet aanleiding zijn tot associaties die leiden naar complete geschiedenissen, die zich mogelijk op een totaal andere plek of zelfs in een ander werelddeel hebben afgespeeld. Of handelen over een persoon waarvan vrijwel niemand ooit gehoord heeft, maar die voor Sebald (en na het lezen van het verhaal ook voor u) betekenis heeft.
 Aldus verschuiven Sebalds teksten van een enkel beeld naar een verhaal dat reeds lang is bedekt door het stof van de tijd. De schrijver blaast erover en toont ons het bijna verloren gegane detail. Om na een aantal pagina's weer terug te komen bij de plek of het object dat dit exposé teweeg bracht.

Wieringa noemt bijvoorbeeld het verhaal verbonden aan de brug over de Blyth in de buurt van Southwold en het smalspoor-treintje dat daar ooit overheen reed.

















Sebald passeert die brug en het noemt het gegeven dat op de locomotief die deze trein trok een heraldische Chinese draak schijnt te hebben gestaan. De locomotief en de rijtuigen werden namelijk ooit gemaakt in opdracht van het Chinese Keizerrijk. Dit leidt tot een bladzijden lange verhandeling over de verwikkelingen aan het Chinese hof die tot deze bestelling hebben geleid. Eindigend met de reden waarom die trein nooit in China terecht is gekomen en zijn werkzame leven uiteindelijk sleet op een lokaal lijntje in Suffolk van slecht 8 km. lang.
En passant heeft Sebald wel even uitgelegd hoe het Chinese Keizerrijk ophield te bestaan, wat de inleiding was tot tientallen jaren kommer en kwel voor de Chinezen in de vorm van koloniaal optreden door de Europese grootmachten van rond 1900, gevolgd door de Japanse bezetting, eind jaren '30 en het communistische regime van Mao Zedong, eind jaren '40.

Zelf toonde ik in mijn stukje over de Deben een plaatje van Bawdsey Manor, een laat-negentiende eeuws landhuis bij de mond van die rivier. Wandelend langs de kust komt Sebald ook daar langs, temeer omdat hij de Deben wil oversteken met de Felixstowe Ferry, een voetveer dat op de noordoever vlakbij Bawdsey Manor aanlegt. Ook de geschiedenis van dit stately home wordt bij Sebald een verhaal op zich. Of eigenlijk is het meer het verhaal van de man die Bawdsey Manor liet bouwen en die binnen de traditionele Britse klassen-maatschappij van die tijd een buitenbeentje was. Een typisch geval van nieuwe rijkdom, in plaats van oud geld.
Zo passeren, verspreid over de pagina's van het boek een reeks van historische personen en de dorpen, huizen of objecten waaraan hun namen zijn verbonden de revue. En over alles en iedereen vertelt Sebald in een geanimeerde stijl, die soms, als de ruimte en verlatenheid van het moorland waar hij doorheen wandelt, of de optredende natuurverschijnselen hem bedrukken, iets hallucinerends krijgt.
Uiteindelijk blijkt het één van de meer fascinerende boeken te zijn die ik gelezen heb en aanleiding om meer van dezelfde schrijver ter hand te nemen.

Na The rings of Saturn (dat ik in het Engels  las, ondanks dat het oorspronkelijk in het Duits is geschreven) volgde On the Natural History of Destruction,
Sebald is een oorlogskind. Hij werd geboren in Zuid-Duitsland in 1944. Zonder de oorlog bewust te hebben meegemaakt, werd hij in zijn jonge jaren wel geconfronteerd met de staat waarin grote delen van Duitsland en met name de steden verkeerden, terwijl het Wirtschaftwunder op gang kwam. Hij zag de puinhopen en ook het gebrek aan van alles en nog wat, waaronder de Duitsers gebukt gingen.

Die herinneringen leidden uiteindelijk tot een onderzoek naar hoe de Duitse literatuur in de late jaren '40 en jaren '50 omging met Stunde 0 en het trauma dat deze verwoesting teweeg moet hebben gebracht. De aandacht van de schrijver richt zich voornamelijk op de gevolgen van de luchtoorlog die in de tweede helft van de oorlog tegen de Duitse steden werd ontketend en hoe daarover in het na-oorlogse Duitsland werd geschreven.
Voor mijzelf een interessant thema, omdat ik, zoals ik in oudere stukjes wel heb laten doorschemeren, een tijd hevig geïnteresseerd was in die luchtoorlog. Aanvankelijk zonder me veel zorgen te maken over de rechtvaardigheid of de desastreuze resultaten. De ruim vijftigduizend gesneuvelden van Bomber Command deden me meer dan de honderduizenden Duitsers die als gevolg van die bombardementen om het leven kwamen. Maar naarmate je langer met die oorlog bezig bent groeit het besef van het universele drama en het gegeven dat een voortijdige dood of onmenselijk lijden door mensenhand nooit rechtvaardig is.
Sebald kijkt er met eenzelfde blik naar. De vraag of de bombardementen Duitslands verdiende loon waren laat hij in het midden. Zijn conclusie is vooral dat de Duitsers hun eigen lijden altijd zijn blijven ontkennen. Het trauma, dat er moet zijn geweest, blijft in de literatuur, maar ook maatschappelijk, grotendeels onbesproken.

Sebald woonde de tweede helft van zijn leven in Engeland. Hij werkte vanaf 1970 aan de universiteit van East Anglia in Norwich, waar hij uiteindelijk hoogleraar in de Duitse literatuur werd.
Niet toevallig herbergden Norfolk en het daarnaast gelegen Lincolnshire de vliegvelden van waaruit de luchtoorlog tegen Duitsland werd gevoerd. Sommige van die vliegvelden liggen er nog, soms gedeeltelijk overwoekerd door de natuur, als stukken schuldig landschap.
Ik denk dat dit gegeven en de gevoeligheid van Sebald voor dit soort sporen, mede aanleiding was om uiteindelijk On the Natural History of Destruction te schrijven.

Het oeuvre van Sebald is helaas beperkt gebleven. In 2001 verloor hij als gevolg van een verkeersongeluk het leven. Hij werd slechts 57 jaar oud.

Er blijken ondertussen meer van dit soort schrijvers te zijn. Onbekend (in Nederland, althans) maar zeer lezenswaardig.
Toen wij vorige week enige tijd doorbrachten in het Franse huis van een oud-collega, vond ik daar een boek van Norman Lewis: Stemmen van de oude zee. Ik heb het nog niet uit, maar nu al weet ik dat ik meer van deze Lewis wil lezen. En hij heeft veel geschreven!

Tenslotte bracht internet (het staat niet helemaal vol met useless information) me, in de vorm van een stukje van een collega blogger, op het spoor van Patrick Leigh Fermor. Ik lees nu zijn Een voettocht lang Rijn en Donau. Ook het oeuvre deze Leigh Fermor is behoorlijk groot. Mogelijk voor jaren leesvoer.

Misschien komt het toch nog goed met mijn pogingen aan de klauwen van het internet te ontsnappen.


maandag 21 mei 2018

Cultuuroorlog
















Er zijn tegenwoordig momenten waarop het virtuele werkelijkheid wordt, of de werkelijkheid zich virtueel toont. Althans; bepaalde mensen ervaren dit zo. Wanneer het één en wanneer het ander het geval is, is niet altijd even duidelijk. Soms lijkt men zelf ook niet meer precies te weten wanneer er sprake is van een echte tegenstelling en wanneer we slechts kijken naar een woord-en-beeld-oorlog, waarbij men de realiteit allang uit het oog heeft verloren en men feitelijk vecht tegen windmolens.

Ik keek gisteren naar een aflevering van VPRO's Tegenlicht, die al een paar weken oud was. Ik had hem opgenomen en kwam er nu pas toe hem te bekijken. De uitzending staat nog steeds online. U kunt hem hier bekijken.

Sinds Pim Fortuyn opkwam heb ik al niet begrepen waar mensen het precies over hadden, als ze zich met veel aplomb en hevig verontwaardigd beklaagden over alles "wat niet gezegd mocht worden". Zelf was ik juist doordrongen van het gegeven dat sinds de jaren '60, met televisieprogramma's als Zo is het toevallig ook nog 's een keer, eigenlijk alles gezegd mocht worden. En ook gezegd werd.
Maar met de komst van Pim bleek er een hele bevolkingsgroep te bestaan, een soort zwijgende meerderheid, die sterk het gevoel had dat bepaalde zaken niet mochten worden uitgesproken. Dat je de pest had aan buitenlanders en immigranten, bijvoorbeeld. Of dat je de islam een gevaarlijke godsdienst vond. Diezelfde groep mensen muntte ook het begrip Linkse Kerk. Dat was namelijk de maatschappelijke macht die verordonneerde dat je dat soort dingen niet mocht zeggen.

Ik heb daar altijd een beetje om moeten lachen. Toen men veertig jaar eerder dingen riep die eigenlijk niet gezegd mochten worden, was dat nog voorbehouden aan het linkse deel van de samenleving. Destijds heb ik nooit iemand van die groep horen klagen dat men dat niet mocht. Men deed het gewoon. En zelfs toen al had het zelden of nooit tot gevolg dat de roeptoeters voor het gerecht werden gesleept of anderszins ter verantwoording werden geroepen.

De geschiedenis herhaalt zich nooit, zegt men. Toch dacht ik na het zien van die aflevering van Tegenlicht: "daar hebben we het weer.."

Zo'n vijftien jaar terug, toen ik me nog regelmatig in de krochten van Usenet en zijn  nieuwsgroepen begaf, kon je al merken dat de geest Pim Fortuyn op internet was doorgedrongen. Ik raakte nogal eens in discussie met mensen die rechtse praatjes verkochten, maar de kern van waar het volgens mij om ging volledig misten. Er was een onstuitbare drang om een zondebok aan te wijzen, waar men al z'n frustraties op kon uitleven en die de schuld moest dragen van alles wat er in de maatschappij was misgegaan. Daarbij ging men uit van het vreemde idee dat de macht in Nederland in de afgelopen veertig jaar in handen was geweest van de eerder genoemde Linkse Kerk. Eén blik op de parlementaire geschiedenis van Nederland sinds de jaren '70 is voldoende om te zien dat de macht in deze periode vooral is uitgeoefend door coalities van confessionelen en liberalen. Linkse partijen (in de praktijk de PvdA en in mindere mate D'66) kwamen er pas weer aan te pas met de paarse kabinetten, die halverwege de jaren negentig aantraden. Toen had de PvdA echter z'n ideologische veren al afgeschud. De partij deed enthousiast mee aan het neo-liberale beleid dat toen pas ècht vorm kreeg. Dus ook van die regeringen kan worden betwijfeld of ze links waren.
Dat derhalve en feitelijk centrum-rechts de bron van de frustratie van de Fortunisten was, ontging diezelfde groep volledig. Wat vreemd is, want de groep in kwestie bestond over het algemeen niet uit de bovenlaag van onze maatschappij; integendeel. De arbeidersklasse had zich bekeerd tot het Fortunisme and they were barking up the wrong tree, om het maar eens op z'n Engels te zeggen.

Ondertussen speelt zich op internet weer iets vergelijkbaars af. Waarvan ik zelf nog het meest frappant vind dat het me tot op heden grotendeels is ontgaan.
De documentaire die ik noemde, laat zien dat er een internetforum is dat 4chan heet. Vanuit dat forum is Kekistan ontstaan. Een virtueel land, met zelfs een heuse vlag (zie hierboven) waarvan de inwoners worden onderdrukt door de Normies. Wie zijn dan de Normies? Dat zijn de leden van de dominante, politiek correcte groep die de bepaalt wat wel en niet mag worden gezegd. Die Normies zitten volgens de Kekistani vooral in de linkerhoek van het politieke spectrum. Wordt er om een nadere specificatie gevraagd, dan worden genoemd: feministen, communisten en mensen die het individu proberen te corrumperen met hun "right and wrong"-denken. Zij stellen de normen, vandaar: Normies.
De Kekistani voelen zich vrijdenkers. Individuen, die geen ijzeren stelsel van normen en waarden opgelegd willen krijgen en vooral niet over één kam geschoren willen worden. Men is bijvoorbeeld tegen wat men identiteitspolitiek noemt; het in hokjes stoppen van mensen en die hokjes bestempelen met 'links' of  'rechts', 'racistisch' of 'fascistisch'.
Dat het verzet hiertegen juist de vorm aanneemt van het bedenken van een nieuwe groep, met een zekere identeit (je ben een Kekistani of niet, tenslotte), is al meteen de eerste tegenstrijdigheid in de opstelling van deze tegenstanders van identiteitspolitiek.

'Terence', die zich Kekistani noemt, zegt in de documentaire: "Normies zijn mensen die in de mainstream zitten, die niks van gamercultuur begrijpen, die eigenlijk niet kunnen internetten; die alles voor het eerst op Facebook zien".
Zo'n citaat maakt wat mij betreft al veel duidelijk. De Kekistani spelen vooral dat ze onderdrukt worden, maar in werkelijkheid voelen ze zich superieur aan de Normies, met hun achterlijke normen en waarden.
En ja; gamercultuur? Ik wil niet bestrijden dat dit een (sub)cultuur is, maar sinds wanneer is de cultuur van mensen, die een groot deel van hun tijd (want gamen doet men, zoveel is ook wel bekend, niet voor een halfuurtje per dag) doorbrengen in een virtuele droomwereld, van essentieel belang voor de gang van zaken in de echte wereld? Moeten we ons voor een goed begrip van de wereld daar ècht in verdiepen? En wanneer kun je niet internetten?  Joost mag het weten.

Wat zou gamercultuur en kunnen internetten betekenen in de wereld van de grote bedrijven, multinationals en het neo-liberalisme, waar vooralsnog de grootste macht in de wereld ligt? In sommige gevallen is die macht groter dan die van nationale regeringen. Helemaal niets, ben ik bang. Ja, gamers zijn mogelijk een doelgroep waaraan men zijn producten (games) wil slijten. Veel verder zal het niet gaan. Dat de macht in de maatschappij ligt bij Normies, komt mij dan ook als een schromelijke vergissing voor.

Nu gaat het de Kekistani vooral om de macht die via de media wordt uitgeoefend. Zo zou bijvoorbeeld de publieke omroep geheel in handen zijn van de Normies; het linkse geluid zou daar overheersen. Toch hebben we tegenwoordig omroepen als WNL en PowNed. Met name die laatste omroep, voortkomend uit GeenStijl, lijkt de verpersoonlijking van het gedachtengoed van de Kekistani; niet-politiek-correcte grappen maken. Toch worden de Kekistani kennelijk niet massaal lid van PowNed, want ondertussen is duidelijk geworden dat deze omroep een kwijnend bestaan lijdt en op het punt staat weer uit het medialandschap te verdwijnen. Of zijn er in de praktijk gewoon heel erg weinig Kekistani en vormen ze daarom geen macht van betekenis?

Het lijkt er dus veel op dat we hier te maken hebben met het schijn-probleem van een groep mensen die verward zijn geraakt in een vreemde virtuele werkelijkheid en die op internet een heroïsche strijd tegen windmolens voeren. Voor wat naar mijn idee de werkelijke  problemen in de wereld zijn (klimaatverandering en een rechtvaardige verdeling van de welvaart, om maar een paar dingen te noemen) heeft men in het geheel geen aandacht.
In plaats daarvan maakt men herrie binnen volledig in zichzelf gekeerde werelden als de internet-fora 4chan en Reddit, waar men lekker onder elkaar is en de meest gore grapjes kan maken zonder dat de Mainstream daar ook maar iets van merkt. Want hoewel ik zelf vind dat ik al teveel tijd op internet doorbreng, had ik tot het zien van bovengenoemde aflevering van Tegenlicht nog nooit van de heroïsche strijd van de Kekistani gehoord.

Terugkerend naar de vergelijking met de Fortunisten uit het eerste decennium van de 21e eeuw is er wel een duidelijk verschil tussen hen en de Kekistani. De harde kern van de Fortunisten kwam vooral voort uit gefrustreerde voormalige PvdA-stemmers, veelal arbeiders, modalen en beneden-modalen; als ik kijk naar Terence en andere Kekistani die in de documentaire aan het woord kwamen, dan dringt zich het idee op dat die groep bestaat uit hoog-opgeleide jongeren. Die bovendien een inkomen hebben waarvan ze zich een nieuwbouw-appartement in de Rotterdamse binnenstad kunnen veroorloven. Ik zie Terence tenminste van pakweg twintig hoog uitkijken over het centrum van die stad.
Misschien verklaart dat waarom het vermeende probleem van de Kekistani zo virtueel is. Materieel komen de dames en heren weinig te kort, zo te zien. Zou je jezelf dan van lieverlee en onvermijdelijk met schijnproblemen gaan bezighouden?





zondag 30 maart 2014

Vuile oorlog





 
Afgelopen maandag bleek mijn computer, zomaar, ineens, geïnfecteerd door een vervelend programma (malware, in de newspeak van het digitale tijdperk), dat geheel zelfstandig en ongevraagd mailtjes verzond. Die mailtjes zullen waarschijnlijk een of andere vorm van spam hebben bevat. Eén en ander kwam aan het licht door het gegeven dat ik een hele reeks mails terugkreeg, vooral van mailservers, die meldden dat het adres waarnaar het mailtje was verstuurd niet bestond. Ook waren er automatisch verzonden mails bij van mensen die meldden inmiddels een ander mailadres te hebben. Gek genoeg stond niet één van die oude adressen in het adresboek van mijn mailprogramma, maar dit terzijde.

Het gebeuren was een noviteit, in mijn geval. Ik wist dat het fenomeen bestond; iedereen krijgt wel eens spam van hem onbekende ogenschijnlijke privé-personen en waarschijnlijk wordt er duizenden keren per dag ingebroken in computers en worden er vervolgens honderdduizenden van dergelijke mailtjes verstuurd. Als ik zo'n mailtje ontving, dacht ik onwillekeurig aan de sukkel die er indirect voor verantwoordelijk was, omdat ie de beveiliging van zijn computer niet op orde had.
De wereld had me dus weer eens op m'n nummer gezet en me wat nieuwe bescheidenheid bijgebracht.

Nu was mijn computer wel een bijzonder geval. Hij kon namelijk opstarten met Windows XP èn met Ubuntu, zo'n beetje de meest gebruiksvriendelijke Linux-variant die ik had kunnen vinden. Op de XP-partitie gebruikte ik de de virusscanner die mijn provider gratis levert bij een abonnement. Het Ubuntu-deel had geen virusprotectie. Dat zou, volgens iedereen die er wat van meende te weten, niet nodig zijn, omdat Linux gewoon veel beter in in elkaar zat dan Windows en niet zo makkelijk te kraken zou zijn.

Mijn provider, XS4all, greep in voordat ik dat kon doen.
Het ophalen en versturen van mail via hun server werd geblokkeerd, maar via webmail kon ik nog wel bij mijn postbak. Daarin bevond zich een keurig mailtje van XS4all, waarin mij werd uitgelegd wat me te doen stond.
Ik moest twee andere antivirusprogramma's installeren. Het bestaande programma kon namelijk beschadigd zijn door de infectie. Nadat met behulp van die programma's de boel was opgeschoond, moest ik mijn mailwachtwoord veranderen en bij XS4all een deblokkeringsformulier invullen en indienen.
Zo gezegd, zo gedaan. Het ging allemaal redelijk voorspoedig. Bij het opschonen vonden de nieuwe virusscanners het nodige op de XP-schijf. Ook voor Linux bleken inmiddels antivirusprogramma's te bestaan. Dat zal wel een reden hebben, maar ook dit terzijde. Op de Ubuntu-partitie liet ik dus ook wat draaien, maar er werd niks gevonden. Of Linux ondertussen ook niet meer virusbestendig is, blijft me dus onduidelijk.

En passant werd één en ander wèl aanleiding om meteen maar een nieuwe start te maken, wat computers betreft. De geïnfecteerde machine stamde uit 2003, de harde schijf was al aardig volgelopen en bovendien heeft Microsoft aangekondigd dat de ondersteuning van XP per 8 april  ophoudt. Misschien blijkt op 1 april dat dit laatste een grapje is, maar met de voortvarendheid waar ik tegenwoordig nogal last van heb, was een beslissing snel genomen: er moest een nieuwe computer komen. Binnen een half uur was, na wat research op internet, een keuze gemaakt en aangezien wij hier in Dordt tegenwoordig een Saturn hebben (ideale winkels om iets snel te scoren als je weet wat je hebben wilt), stond het apparaat van mijn keuze woensdagavond al thuis.

De computer in kwestie was onvermijdelijk uitgerust met Windows 8.
Iets anders is eigenlijk niet meer te koop; een jaartje geleden lukte het me nog een netboekje te kopen met Windows 7, maar inmiddels is het slikken of stikken, wat Windows 8 betreft.
Tenzij je een Apple koopt, natuurlijk. Nu waren mijn eerste twee eigen computers allebei Macs en was ik ooit een echte Apple-exegeet, maar sinds Apple zich van een licht-anarchistisch bedrijfje heeft ontwikkeld tot één van de vuigste multinationals die er bestaan, ben ik wel een beetje klaar met het merk.

Wat scheelt is dat mijn vriendin al vorig jaar met Windows 8 te maken kreeg en ik haar nieuwe computer gebruiksklaar moest maken.
Het was de eerste keer dat ik me realiseerde dat de digitale revolutie op me was uitgelopen. Ik heb heb mezelf namelijk altijd beschouwd als iemand die ooit in de voorhoede van die revolutie zat. Op de TH-Delft stonden we in 1981, op wat toen nog het Rekencentrum heette, te kijken naar de eerste IBM PC en werd ons verteld dat dit de toekomst was. In 1985 aanschouwde ik het wonder van de grotendeels muisgestuurde oer-Macintosh, met een menubalk die je binnen een paar uur helemaal vertrouwd maakte met een wildvreemd programma. Begin jaren negentig hingen de universiteiten als eerste aan het internet. Ik had dus al wel het één en ander gezien, dacht ik.
Maar Windows 8 was het eerste stuk software dat grote irritatie en zelfs woede in mij opwekte. Ook twee dingen die ik in de afgelopen jaren steeds beter had leren te vermijden. Microsofts grootste innovatie van de laatste jaren zette me dus  in allerlei opzichten een paar stappen terug. Tel uit je winst.
Eén en ander nam eigenlijk ook meteen de vorm aan van een generatieconflict. Ik wilde helemaal niks te maken hebben met een besturingssysteem dat het computerscherm eruit laat zien als een hele grote smartphone en dat vindt dat mail ophalen bij je provider uit de tijd is. Dat moet volgens de jongens en meisjes van MS namelijk exclusief uit de cloud komen. Liefst het wolkje van MS zelf, natuurlijk, dat spreekt.

Nou ja; uiteindelijk blijkt dat die superfeestelijke tegels, waarmee de computer opstart, wel te vermijden zijn en mailen via de provider kan gewoon worden geregeld door een apart mailprogramma te installeren. 'Thunderbird' van Mozilla, bijvoorbeeld. Ook de onvermijdelijke kantoorsoftware haalde ik uit diezelfde hoek, namelijk OpenOffice. Een programma dat vrijwel exact hetzelfde kan als MS Office, maar geheel gratis kan worden gedownload. Welke machinaties achter dit laatste zitten, heb ik tot heden niet weten te achterhalen. De ervaring leert dat niets van enige kwaliteit in deze wereld gratis is. Maar het feit ligt er: OpenOffice werkt, heeft geen ongewenste bijwerkingen en het kost niks.
Tot zover lukte het, na de aanvankelijke boosheid om zoveel eigenwijsheid en dwingelandij van Windows 8, nog wel.

Toen ik opnieuw met Windows 8 aan de gang ging op mijn eigen nieuwe computer, stuitte ik echter op een fenomeen dat ik bij mijn eerste confrontatie met het systeem nog niet was tegengekomen.
MS levert bij Windows 8 nog steeds de eigen internetbrowser, Internet Explorer.
Over de strijd tussen de verschillende browsers, om een zo groot mogelijk stuk van de taart in te pikken, is al veel geschreven, maar dat IE inmiddels wordt ingezet om het downloaden van MS-onwelgevallige zaken tegen te gaan, was nieuw voor me.
Bij een poging opnieuw Thunderbird en OpenOffice te downloaden, vond ik de bewuste sites moeiteloos, maar bleek het downloadknopje onvindbaar. Het bleef een vrij raadselachtig gegeven, totdat ik ergens op internet de tip vond om die downloads niet via IE te benaderen, maar met Firefox, een van de concurrenten van IE en niet toevallig uit dezelfde OpenSource-stal als Thunderbird en OpenOffice. Het downloaden van Firefox lukt zonder meer. De sites van Thunderbird en OpenOffice, benaderd met Firefox, tonen wèl de downloadknoppen op plekken, waar IE niks laat zien.

Eén en ander heeft mijn idee van normen en waarden binnen de schimmige wereld van de IT-multinationals opnieuw bijgesteld. Het begint alle trekken van een vuile oorlog te krijgen, die over de rug de van consument wordt uitgevochten. Het lastige is ook dat er geen good guys en bad guys lijken te zijn. Iedereen vecht om zijn eigen graaicapaciteit zo groot mogelijk te houden. De leveranciers van Thunderbird, OpenOffice en Firefox lijken in dit verhaal filantropische instellingen, maar ik twijfel er niet aan of ook in die hoek spelen financiële belangen een rol. Niemand werkt voor niks en zeker niet in de IT-industrie. Die gratis software kost iets, hoewel de leverancier graag de mythe in stand houdt dat het allemaal vrijwilligerswerk is.
Dat neemt niet weg dat de consument met een beetje manoeuvreren zijn eigen optimum kan en moet zoeken, als hij zich niet door een gigant als Microsoft voor enkele honderden euro's MS-Office wil laten aansmeren. Want vanzelfsprekend is een proefversie van dat programma wel degelijk meegeleverd op mijn nieuwe computer. Dertig dagen mag ik daarmee spelen, daarna moet er betaald worden, of werkt het programma niet meer.

Het icoontje van MS-Office, dat standaard op de onderste menubalk van Windows 8 stond, heb ik inmiddels verwijderd.