dinsdag 14 juli 2026

Geen oorlogsheld


Het zicht in oostelijke richting vanaf Fort Honswijk. In de verte
de spoorbrug van Culemborg.























Mijn vader was geen prater. En àls hij praatte was er vaak een negatieve ondertoon. Hij maakt zich drukker over dingen die hem dwarszaten, dan dat hij de lof zong van iets dat hem plezier deed. Wat ik er uiteindelijk aan heb overgehouden, was de indruk dat het leven hem in laatste instantie lelijk is tegengevallen. 
Slechts zelden vertelde hij verhalen over wat hij zoal had meegemaakt. Over zijn jeugd, die zich voor een groot deel moet hebben afgespeeld op de tuinderij van zijn vader, sprak hij nooit. En over zijn vier broers evenmin. Soms ontviel hem wat over één van zijn zussen, maar altijd als die hem op de één of andere manier irriteerden.
Mijn vader had, zoals iedereen van zijn generatie, de oorlog meegemaakt. 
Er wordt wel eens beweerd dat die generatie daar een soort collectief wantrouwen tegenover de medemens aan heeft overgehouden. Niet direct regelrechte misantropie, maar voetstoots aannemen dat ieder mens van nature geneigd is tot het goede zat er niet meer in. In het geval van mijn vader heeft  zijn na-oorlogse werk bij de politie daar waarschijnlijk ook geen goed aan gedaan.

Over wat de familie van mijn moeder tijdens de oorlog heeft meegemaakt en doorstaan, heb ik hier al vaker geschreven. In dat kader deze keer een verhaal van de andere kant van mijn familie; die van mijn vader. Nog sterker: een verhaal over hemzelf, dat ik in eerste instantie uit zijn eigen mond vernam. Naar aanleiding waarvan hij ermee op de proppen kwam, weet ik niet meer; het moet meer dan vijftig jaar geleden zijn. Het was een uniek voorval; een verklaring voor het feit dat ik het al die jaren onthouden heb.
Dat het, nog maar een paar jaar terug, een hele nieuwe laag kreeg, die zijn mondeling geventileerde herinnering zwart op wit bevestigde en deze promoveerde van een indrukwekkend, maar mogelijk apocrief verhaal, tot een klein stukje waar gebeurde geschiedenis, was voor mij aanleiding om toch maar even op te schrijven.

Mijn vader, geboren in 1918, was al twee jaar voor de oorlog, in 1938, "opgekomen voor zijn nummer", zoals dat, in de tijd dat de dienstplicht nog bestond, werd genoemd. 
In 1938 was de wereldwijde economische crisis van de jaren dertig in Nederland nog steeds niet achter de rug. Ondanks de oorlogsdreiging, die rond die tijd ook al opspeelde, en in het licht van de nog altijd hoge werkloosheid, ging mijn vader, toen hij afzwaaide als dienstplichtig soldaat, in op een aanbod om voor bepaalde tijd vrijwillig bij het leger dienst te nemen als 'hulp-marechaussee'. Als zodanig werd hij gelegerd in Millingen aan de Rijn; pal aan de Duitse grens.

Op 10 mei 1940 werd in Millingen aan de Rijn geen schot gelost. De twee belangrijkste aanvalsrichtingen van de Wehrmacht liepen in de richting van de Grebbeberg, ten noorden van de Rijn en via Noord-Limburg en Noord-Brabant naar de Moerdijkbruggen en verder. Later tijdens de meidagen bleken de Duitsers echter wel degelijk ook via de Betuwe en het land van Maas en Waal naar het westen op te dringen, maar de Marechaussee-troepen te Millingen merkten daar op de vroege morgen van 10 mei nog niks van.
Mijn vader vertelde dat ze per direct het bevel kregen om Millingen te verlaten en in westelijke richting terug te trekken. Bij Beneden-Leeuwen stak men met de pont de Waal over, waarna de terugtocht door de Betuwe verder ging. 
Onderweg  had mijn vader gezien hoe een vliegtuig door luchtafweer brandend werd neergeschoten. Dat had al grote indruk op hem gemaakt. Maar wat daarop volgde had zich nog dieper in zijn geheugen genesteld.. 
Hij vertelde hoe zijn troep ergens werd opgevangen door een Nederlandse officier, die wilde dat zij zich zouden aansluiten bij een groep, die onder zijn bevel zou optrekken naar de spoorbrug van Culemborg. Die brug was nog intact en de officier vond dat ie moest worden opgeblazen.
Tijdens de tocht naar de brug kwam deze groep echter onder artillerievuur te liggen. Volgens mijn vader had ie een tijdlang plat op z'n buik gelegen, terwijl om hem heen de granaten ontploften. Van het opblazen van de brug was niks meer gekomen. 
Heel veel woorden besteedde hij niet aan de ervaring, maar dat het geen pretje was geweest leed geen twijfel. De angst van toen voelde hij tientallen jaren later nog steeds.

Het verhaal zat jaren in mijn achterhoofd, totdat ik, een paar jaar geleden, stuitte op een boek dat de titel 'De geschiedenis van het Wapen de Koninklijke Marechaussee' droeg.  Het voorwoord van de schrijver, mr. W. van den Hoek, is gedateerd: mei 1963. Ik herinnerde me wat mijn vader me had verteld en begon te bladeren. Tot mijn niet geringe verbazing trof ik vanaf pagina 399 het verhaal van mijn vader, maar nu in z'n volledige context en met veel meer details.
Een en ander bleek zich te hebben afgespeeld op 14 mei 1940. Het initiatief voor de actie kwam van een officier van brigade B, een legereenheid die aanvankelijk een stelling in het Land van Maas en Waal bezet had gehouden, maar zich op 14 mei al had teruggetrokken in Vreeswijk. Een kapitein van deze brigade B had binnen de Marechaussee-eenheid van mijn vader, die zich op dat moment kennelijk ook al in Vreeswijk bevond, vrijwilligers geronseld voor het innemen van de brug bij Culemborg, waaronder 14 "zogenaamde hulpmarechaussees". Daarna vervolgt het verhaal van de operatie, inclusief het gegeven dat er tijdens de artilleriebeschieting enige gewonden vielen. Voor het bereiken van de brug werd de terugtocht aanvaard, omdat vanuit de richting van de brug Duitsers op motorfietsen met zijspan, met daarop een mitrailleur naderden, die de Nederlandse soldaten onder vuur namen.

Ik wist uit eerder onderzoek naar andere onderwerpen dat het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) zo ongeveer alle beschikbare gevechtsrapporten van het Nederlandse leger uit de meidagen van 1940 heeft gedigitaliseerd. Je kunt ze gewoon thuis, achter je computer, doornemen.
Ik vond zonder veel moeite het rapport dat Kapitein Luchsinger van Brigade B op 19 mei 1940 schreef, en dat de actie in zo mogelijk nog meer detail beschrijft.

Op 14 mei bevond Brigade B zich inderdaad in Vreeswijk. Luchsinger beschrijft hoe zijn eigen eenheid daar in de nacht van 13 op 14 mei was gearriveerd. Die troepen waren als gevolg daarvan "alle zeer vermoeid en bovendien geheel incompleet (sic)". Rond de middag van 14 mei werd van de commandant van het Tweede Legerkorps bevel ontvangen om "met een compagnie de spoorbrug van Culemborg, die door parachutisten was bezet, te hernemen en daarna te doen opblazen." 
Kennelijk achtte Luchsinger de manschappen van zijn Brigade B daar niet toe in staat. Hij wendde zich tot een groep "marechaussees van de brigades Groesbeek, Nijmegen en Millingen", waarmee een detachement van 25 man werd samengesteld, dat met twee vrachtwagens naar fort Honswijk werd gebracht. Dit fort ligt ongeveer 7 km. ten zuidoosten van Vreeswijk, aan de Lek. Het maakte destijds deel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Na het ineenstorten van de Nederlandse weerstand op de Grebbeberg op 13 mei, was het Nederlandse leger begonnen aan een tamelijk wanordelijke terugtrekking op deze waterlinie. Men hoopte van daaruit de strijd nog enig tijd te kunnen volhouden. Onderweg naar het fort kwam men derhalve al veel, in Luchsingers woorden "groote ongeordende afdeelingen artillerie en infanterie" tegen en ook bij het fort bevonden zich Nederlandse troepen die zich uit het terrein tussen Honswijk en de brug hadden teruggetrokken, nadat, naar eigen zeggen, een deel van hun onderdeel door de Duitsers krijgsgevangen was gemaakt. Deze ontmoetingen deden het moreel van Luchsingers troep geen goed.
















Restand van een loopgraaf, ongeveer halverwege Fort Honswijk
en de Spoorbrug Culemborg.






















Vanaf Fort Honswijk ging het detachement te voet verder in de richting van de Culemborgse brug, die pakweg 4 km. verder naar het oosten ligt. Onderweg ontstond in de groep enig gemor; Luchsinger schrijft: "Er waren marechaussees die openlijk verklaarden dat het toch waanzin was om met enkele menschen voorwaarts te trekken, terwijl er duizenden wegliepen".
Als men de brug tot iets meer dan een kilometer is genaderd beginnen er in de nabijheid van de groep granaten te vallen. "Het resultaat dezer verschillende factoren was, dat, niettegenstaande herhaaldelijk halt gehouden werd om de menschen aan te sporen niet achter te blijven, bij het passeren van Hp.159 aan den Lekdijk nog slechts de volgende militairen zich bij mij bevonden:", waarop Luchsinger zeven namen noemt. Mijn vader is daar niet bij.
Enkele minuten daarna arriveren de eerder genoemde Duitsers op motorfietsen met zijspan. De troep van Luchsinger trekt zich terug in een boomgaard en levert van daaruit nog enige weerstand, maar omdat de granaten blijven vallen en de Duitsers over mitrailleurs en machinepistolen beschikken, trekt de troep zich onder voortdurend vuur terug. 
Uiteindelijk vallen er drie zwaar gewonden, waarvan er één, de marechaussee P.C. Teekens, wordt achtergelaten. Hij kreeg waarschijnlijk medische hulp van Duitse zijde.

Op het moment dat de hierboven beschreven gebeurtenissen plaatsvonden was Rotterdam al gebombardeerd en in de loop van dezelfde middag nam generaal Winkelman het besluit tot capitulatie. Kapitein Luchsinger en mijn vader waren daarvan niet op de hoogte; pas 's avonds, even na half zeven meldde de radio dat Nederland had gecapituleerd. Daarmee werd in tweede instantie duidelijk dat de actie tegen de Culemborgse brug, ook als ie was geslaagd, totaal zinloos was. 

Mijn vader maakte tijdens zijn latere leven ook nog wel een paar gevaarlijke situaties mee; hij schijnt als politieagent ooit een baksteen tegen zijn hoofd te hebben gekregen. Maar vermoedelijk kwam hij nooit dichter bij een voortijdig levenseinde dan op de middag van 14 mei 1940.
Ik heb ook nooit de indruk gekregen dat hij erg heeft geleden onder het gegeven dat hij zijn kans om een oorlogsheld te worden glansrijk heeft gemist.







dinsdag 30 juni 2026

Je leest weer 's een boek, of: op weg naar het einde

























Herstellende van een operatie, waarover ik voor dit moment even niet in detail wil treden, heb ik ongeveer zes weken in depressief makende inertie doorgebracht. Ook met dat laatste zal ik de lezer niet teveel vermoeien, maar één en ander nam, onder andere, de vorm aan van veel nutteloze uren op internet. Vooral die zogenaamde 'shorts' van YouTube zijn, ondanks het vaak volslagen debiele gehalte van de filmpjes, zonder meer verslavend. Je blijft klikken tot er weer een halve dag is verstrekken, om vervolgens te constateren dat het werkelijk niets anders heeft opgeleverd dan verbeuzelde tijd. En als je, om met Reve te spreken, op weg bent naar het einde, is dat een tamelijke sneue constatering. De laatste fase van het leven moet met iets beters te vullen zijn. 
Voor  u nu van alles gaat denken: ik ben niet méér of sneller op weg naar het einde dan elk willekeurig ander mens, maar soms is het besef dat vroeg of laat de koek op is wat sterker aanwezig dan op andere momenten.
Een weekje geleden had ik qua YouTube-verslaving kennelijk mijn tax bereikt; ik besloot naar de bibliotheek te wandelen om een paar boeken te lenen. Geen romans, natuurlijk. Ik heb hier al vaker betoogd dat als ik lees, ik liever over èchte levens lees. 

Over Hermans en Mulisch heb ik op dit blog al eens geschreven, Aan Reve, volgens de canon eveneens behorend tot de zogenaamde 'grote drie' van de Nederlandse literatuur uit de tweede helft van 20e eeuw, heb ik tot nu toe nooit veel woorden besteed. 
Vanzelfsprekend heb ik in de loop der jaren wel het nodige meegekregen over zijn kleurrijke levensloop. En ik heb een paar boeken van hem gelezen. Ook was ik mezelf ervan bewust dat geen enkele andere Nederlandse schrijver een fanbase had, en heeft, die vergelijkbaar is met die van Reve. De 'reviaan' is een bestaand type mens, en ik vermoed dat de revianen er tot in lengte van jaren voor zullen zorgen dat Reve voorlopig niet vergeten wordt.

Derhalve was één van de boeken waarmee ik thuiskwam het eerste deel van de Reve-biografie van Nop Maas 'De vroege jaren 1923 - 1962'.
Snel samengevat was het lezen daarvan een tamelijk bevredigende ervaring, hoewel Maas als schrijver zelf ook wat merkwaardige trekjes vertoont. Zo hecht hij eraan om 'kloeg' te schrijven als hij 'klaagde' bedoelt. Deze schrijf- en zegswijze schijnt hier en daar in Vlaanderen nog voor te komen, maar is in Nederland nauwelijks bekend c.q. uitgestorven. Ook is er bij de biograaf een zekere voorkeur voor het gebruik van moeilijke woorden, ook als er een voor iedereen te begrijpen Nederlands equivalent voor bestaat. Maas schrijft 'irenisch' als hij 'vredelievend' bedoelt, bijvoorbeeld. 
Gelukkig worden de noten direct onderaan de betreffende pagina weergegeven. Ze zijn, om het eufemistisch uit te drukken, nogal talrijk. Steeds naar het eind van het hoofdstuk, of achterin het boek bladeren zou het leesplezier behoorlijk hebben bedorven.
De mate van detail leidde er soms wel toe dat ik regelmatig een paar bladzijden diagonaal las, tot mijn oog weer bleef hangen aan een naam of een zinsnede die mijn aandacht trok.

Wat betreft Reve's eerste veertig levensjaren zijn er twee dingen die er wat mij betreft uitspringen.
Ten eerste is daar het gegeven dat de schrijver, na het succes van zijn eerste boeken ('De avonden' en 'Werther Nieland/ De ondergang van de familie Boslowits') meer dan tien jaar op zoek is geweest naar zichzelf en naar de literaire vorm waarmee hij uiteindelijk pas ècht deel van de eerder genoemde 'grote drie' werd. 
Hoewel Maas het verhaal van deze periode doorspekt met lachwekkende anekdotes, is de algemene indruk van Reve in deze periode toch die van een getormenteerd mens, die bovendien vaker wel dan niet een plaag is voor zijn omgeving. Hij is weinig productief en zijn leven wordt vooral door anderen bekostigd. 'Parasitair is een woord dat opkomt.
Dat parasitaire, en dat is het tweede dat nogal op de voorgrond treedt, geldt vooral voor zijn huwelijk met Hanny Michaelis. Zij heeft nogal wat van Reve moeten verduren en heeft voor de steun die ze hem, gedurende de elf jaar dat ze met hem getrouwd was, gaf betrekkelijk weinig teruggekregen. 
Men kan zich afvragen wat er gebeurd zou zijn als Reve zich eerder had verzoend met zijn homoseksualiteit, en hij de relatie met Michaelis nooit was aangegaan. Er waren dan, naar mijn idee, twee opties geweest: één: Reve had eerder zijn vorm gevonden en was al in een veel eerder stadium een groot schrijver geworden, of twéé: hij was volledig vastgelopen in zijn neuroses, financiële problemen en algemene onaangepastheid, en was daar al ver voor zijn veertigste levensjaar aan ten onder gegaan.

Hoe dan ook, ondanks het gegeven dat het boek uitstekend leesbaar is, is het geen lectuur waar je van opknapt, als je eigen levensvreugde even wat minder is..
Deel 2 van de biografie heeft als ondertitel 'De rampjaren' Ik denk dat ik het lezen daarvan nog maar even uitstel. Het kan, in het geval van Reve, kennelijk allemaal nóg erger.

Van de weeromstuit ging ik aansluitend even op zoek naar wat ik zelf van Reve had staan en het eerste dat ik vond was 'Oud en eenzaam'. 
Daarin komt onder andere de bouw van zijn geheime kasteel 'Notre Reine' op een "platte, 749 m. hoge berg" aan de orde. Reve noemt ook het dorp La Paillette, dat er vlakbij ligt. Mijn fascinatie voor plekken waar iets gebeurd is, al dan niet schuldige landschappen zo u wilt, bracht me ertoe om via GoogleMaps en internet te achterhalen waar 'Notre Reine' precies lag.
Die zoektocht leidde me onder andere naar het blog Keesjemaduraatje
De maker van het blog had Reve's Franse stulpje, ondanks het feit dat hij een zelfbenoemd reviaan is, nooit ècht bereikt, maar in de reacties gaf iemand de coördinaten in lengte- en breedtegraden en zo weet ik nu precies waar het ligt; 5 km. ten zuiden van Vesc, in de Drôme, Frankrijk.

Uit de kop van het blog ("0ver Palestijnen, terrorisme, islam, Israël misstanden en persoonlijke belevenissen") bleek echter dat het reviaanse verhaal een uitzondering op de regel was. De schrijver, die in het echt ook Kees heet, put zich al sinds december 2005 voornamelijk uit in agitprop tegen de Palestijnse zaak en de Islam, en vóór Israël. Zeker in de eerste jaren scheef hij honderden berichten per jaar. Na het lezen van een paar van die berichten kom je tot de conclusie dat het woord 'rabiaat' hier op z'n plaats is; elke nuance ontbreekt. Kees ziet slechts één kant van de zaak; de tienduizenden doden in Gaza spelen in zijn overwegingen geen enkele rol.
Eén en ander was dusdanig intrigerend, dat ik nog even verder zocht op 'keesjemaduraatje'. Uiteindelijk vind je dan dat Kees ook actief was in de krakersbeweging van de jaren tachtig.

Het kan verkeren.
 
Ooit stuitte ik op de theorie dat links en rechts extremisme, naarmate ze extremistischer worden, zich soms in een soort tegenstelde cirkelbeweging bewegen, waardoor ze uiteindelijk elkaar naderden en links-extremisme bij individuen soms vrij abrupt kan omslaan in rechts-extremisme.  
Hoewel het misschien te ver gaat om Pim Fortuyn een extremist te noemen, zijn er wel mensen geweest die zijn omslag van radicaal links naar radicaal rechts op deze manier hebben verklaard. Ook Reve maakte een dergelijke omwenteling in denken door en om bij mezelf te blijven: zonder dat ik het toen in de gaten had was ik lang geleden zelf ook 'rechts', waarna ik van lieverlee steeds 'linkser' ben geworden. Maar ik geloof dat ik er redelijk in ben geslaagd om weg te blijven van extremisme.

Hoe een vrij onschuldige obsessie met 'plekken', na het lezen van een biografie waarin verloren tijd een grote rol speelt, uiteindelijk leidt tot het opduikelen van nòg iemand die zijn tijd en energie op grote schaal verspilt met bezigheden die uiteindelijk tot niets positiefs leiden.

Ook Kees, die waarschijnlijk niet veel jonger is dan ik, is op weg naar einde.  
Soms probeer ik me wel eens een voorstelling te maken van waar je aan zou kunnen denken als je laatste uur geslagen heeft. Dat je dan hopelijk het idee hebt dat je, ondanks alles, je leven niet verspild hebt, bijvoorbeeld
In de biografie van Reve komt ergens, eind jaren vijftig, ook nog een brief van W.F. Hermans aan Reve aan de orde, waarin hij aangeeft ten aanzien van laatstgenoemde "agressief medelijden" te voelen. Hij was  het geklaag en de vruchteloze pogingen van Reve om een  Engelstalige schrijver te worden een beetje zat, en zei om die reden de aanvankelijke vriendschap min of meer op.
Zelf ben ik het totaal niet eens met de politieke stellingname van Keesjemaduraatje, maar meer nog ben ik ontdaan door de zinloosheid van zijn al twintig jaar voortdurende fanatisme. Naast wrevel met betrekking tot zijn politieke standpunt, voel ik een zekere medelijden. Ik heb, bij wijze van spreken, met hem te doen.
Agressief medelijden; ik begrijp nu pas goed wat Hermans daarmee bedoelde, denk ik.

zondag 14 juni 2026

There's something in the water!





















Afgelopen vrijdagavond, rond half negen, werden de inwoners van Dordrecht, Zwijndrecht en Hendrik-Ido-Ambacht verrast met een mailtje van Evides, het lokale waterleidingbedrijf. De E-coli bacterie was aangetroffen in het drinkwater en Evides adviseerde voor de eerstkomende 72 uur het water voor consumptie 3 minuten te koken.
Ongeveer twee uur volgde een NL-Alert van dezelfde strekking, via de telefoon. Toch goed dat de vanouds vertrouwde luchtalarm-sirenes voorlopig niet door het NL-alert worden vervangen, dacht ik.
Nu had mijn vrouw, die altijd wat gevoeliger is voor de mogelijkheid van allerlei calamiteiten, al paar 2-liter pakken bronwater klaar staan; nog niet zo lang geleden aangeschaft toen de burgers van Nederland werd aangeraden een noodpakket in huis te nemen. Bovendien kookte ze meteen het nodige water en vulde daarmee een verzameling doppers en thermosflessen die uit alle hoeken en gaten werden verzameld.
In de loop van de volgende dag bleken we daar als dagvoorraad ruim voldoende aan te hebben. Extra bronwater werd dus niet aangeschaft en de pakken die we wel hadden bleven voorlopig dicht.
Gisterenavond (zaterdag) kwam er om kwart voor acht een nieuw mailtje met de boodschap dat het eerdere kookadvies was opgeheven. Nadere onderzoeken hadden uitgewezen dat er van besmet leidingwater geen sprake was. Een vals alarm dus waarschijnlijk. NL-Alert was dit keer wat meer bij de tijd; enkele minuten na de mail gaf dat dezelfde melding.

Vanmorgen keek ik even bij AD-De Dordtenaar, waar ik, voornamelijk om ook enigszins op de hoogte blijven van het lokale nieuws, een digitaal abonnementje heb lopen.
Vanzelfsprekend was ook het afgegeven en weer snel ingetrokken kookadvies nieuws waaraan de krant niet voorbij kon gaan. 
‘Valse’ melding van poepbacterie in drinkwater, hoe kon dat gebeuren? luidde één de koppen. Want gewoontegetrouw moet er een schuldige worden gevonden voor het leed dat de burger is aangedaan.
Het voornaamste leed deden burgers echter zichzelf aan.
Onder de kop Massale run op waterflessen na besmet drinkwater in Drechtsteden: ‘Mensen denken alleen aan zichzelf’ berichtte AD-De Dordtenaar over de taferelen die zich bij de Dordtse supermarkten hadden afgespeeld. Het hamsteren had tamelijk hysterische vormen aangenomen; sommige klanten namen in één keer bijna100 liter bronwater mee. Bij de Jumbo in Sterrenburg liep het hamsteren vrijdagavond zó uit de hand dat de politie eraan te pas moest komen.
Aangezien de meeste supermarkten op vrijdag om 21.00 u. sluiten en het nieuws om ongeveer 20.30 u. bekend werd, zijn hele volksstammen dus in het laatste halfuurtje dat de supermarkten open waren direct in actie gekomen, om toch maar vooral niks tekort te komen. Of zouden er andere motieven aan de orde zijn geweest, zoals speculeren op een langdurig tekort en zwarthandel? Of was het een combinatie van het één en het ander?

Ik vraag me af hoe snel de vlam in de pan gaat, als zich in de nabije toekomst een ècht serieus probleem voordoet. Het lijkt er wel eens op dat er in meer dan één opzicht sprake is van something in the water.
Het menselijk tekort was hier en daar weer eens vrij onontkoombaar aanwezig.








zondag 24 mei 2026

Nagelknipper uit Kirkenes















Sinds ongeveer vier weken heb ik een nieuwe nagelknipper. Ik kreeg er een keurig houdertje bij; je kunt hem desgewenst  aan de muur hangen. 
In het verleden zat er altijd één in mijn toilettas, maar ze hebben de neiging om op zeker moment daaruit te verdwijnen, en dan ben ik gedwongen mijn heil te zoeken bij de nagelknipper voor thuisgebruik, die in een kastje in de badkamer ligt. 
Maar ik was niet thuis, toen ik het ding vier weken geleden nodig had. Ik was in Kirkenes.

Voor we daar arriveerden, hadden we al een reeks van havens en haventjes langs de Noorse kust aangedaan. De genius loci varieerde van plaats tot plaats. Trondheim en Tromsø, bijvoorbeeld, zijn serieuze steden. Torvik is waarschijnlijk het kleinste gehucht waar werd aangelegd. 
Torvik bestaat uit een paar huizen en een goederenloods met kade, korter dan het schip zelf. Evengoed wordt vanuit de flank van het schip een klep neergelaten. Een heftruck rijdt een paar keer in en uit met een paar pakketten en één auto gaat van boord. Een kwartier nadat het schip, de Nordkapp in ons geval, heeft aangelegd, is het weer onderweg.
























































Samenvattend: we hebben gevaren wat de scheepvaartmaatschappij Hurtigruten de 'klassieke kustreis' noemt: in 12 dagen van Bergen naar Kirkenes en weer terug.
De maatschappij vaart al sinds 1893 een vaste route langs de Noorse kust. Aanvankelijk van Trondheim naar Tromsø en Hammerfest. Men vervoert van oudsher een combinatie van passagiers en vracht, maar de schoonheid van de Noorse kust heeft er in de loop der jaren toe geleid dat het toeristische aspect de overhand heeft gekregen.

Het laatste stuk van de route voor het keerpunt Kirkenes is, landschappelijk gesproken, niet het meest spectaculaire deel, maar Kirkenes zelf is de ultieme buitenpost van Noorwegen. 
De plek waar de Nordkapp aanlegt, ligt hemelsbreed iets meer dan 7 km. van de grens met Rusland. Misschien heeft dat gegeven invloed op de manier waarop het dorp (Kirkenes heeft 4000 inwoners) wordt ervaren. 
Wij liepen er op zaterdagmorgen een paar uur rond en constateerden dat er een soort oostblok-sfeer hing, totaal afwijkend van andere Noorse dorpen van vergelijkbare grootte. Alles leek grauwer doodser. Alle winkels waren gesloten en buiten onze mede-passagiers vertoonde zich vrijwel niemand op straat.
Tijdens de tweede wereldoorlog werd Kirkenes in oktober 1944 bevrijd door het Russische leger. Na de oorlog was er, ondanks de koude oorlog en zeker na het beëindigen daarvan, toch het één en ander aan verkeer over de grens. Hoewel Noorwegen in de jaren '80 en '90 van de vorige eeuw nog niet zo rijk was als tegenwoordig, was er van alles te koop waar men in Moermansk, hemelsbreed 100 km. van Kirkenes, best in geïnteresseerd was. En omdat er derhalve regelmatig Russen in Kirkenes kwamen, waren de Noren zo vriendelijk om de belangrijkste straten in het dorp van tweetalige straatnaamborden te voorzien: Noors en Russisch.



















Sinds de Russische inval in Oekraïne zijn de verhoudingen opnieuw bekoeld.
Wandelend van het schip naar het centrum van het dorp, kwamen we toevallig langs het monument dat de bevrijding van Kirkenes door de Russen gedenkt. Vermoedelijk is het door de Russen zelf neergezet; het spreekt helemaal de stalinistische beeldtaal die Russische oorlogsmonumenten steevast aankleeft. Een Russische soldaat die met zijn wapen in de aanslag moedig voorwaarts gaat.
De Noren hebben er inmiddels een contrapunt naast gezet in de vorm van een blauw-geel gespoten busje met de tekst "STOP WAR STOP PUTIN".



















Op de terugweg uit het centrum passeerden we nòg een herinnering aan de tweede wereldoorlog; een Duitse bunker die uitziet over de fjord die Kirkenes verbindt met de zee.  Een pragmatisch ingestelde Noor vond het na de oorlog een goede fundering voor zijn houten huis, dat hij pontificaal bovenop de bunker bouwde. Mogelijk is het de oostelijkse bunker van de Atlantic Wall. Niet de noordelijkste, want enkele uren later, niet ver van Värdø, zag ik een Blockhaus,  dat in noordelijke richting uitkeek richting de Noordpool, en Vardø ligt noordelijker dan Kirkenes. Het huis lijkt ondertussen alweer leeg te staan; de geschiedenis gaat voort.



















Vlakbij de aanlegplaats van de Nordkapp, eigenlijk buiten het dorp, was de supermarkt waar ik de nagelknipper kocht. Eén van de weinige faciliteiten in Kirkenes die wèl open was.

De hele reis beschrijven is ondoenlijk. Om dat woorden soms tekortschieten, zou het uitmonden in vrij krachteloos proza.
We raakten wèl steeds meer in de ban van het noorden. 
Waar we vorig jaar de Lofoten nog èrg noordelijk vonden en twijfelden of we met ons mini-campertje ooit nog verder naar het noorden zouden rijden, zijn er inmiddels toch plannen in die richting ontstaan, op grond van wat we op deze reis hebben gezien.
Ik zou graag bijvoorbeeld nog eens naar het eerder genoemde Vardø gaan. 
Niet vanwege dat Blockhaus, maar vanwege de nabijheid van het eilandje Hornøya. 
Tijdens het uurtje dat we in Vardø mochten rondlopen, kwamen we erachter dat er in het voorjaar en de zomer een bootje naar Hornøya vaart. Hornøya is één van de belangrijkste broedplaatsen van zeevogels in Noorwegen.



















Tijdens het aanlopen van Vardø zagen we net ten zuiden van Hornøya enorme groepen zeevogels op het water. Maar zoals die dingen gaan: te ver weg om soorten goed te kunnen onderscheiden.

Hornøya, gezien van de verkeerde kant..



















Tijdens het wandelingetje op Vardø; een Papegaaiduiker van
héél dichtbij, maar helaas alleen de kop..




















Ik heb me dus voorgenomen om daar in de goeie tijd van het jaar nog eens terug te keren, als we de tijd aan ons zelf hebben.

We zagen een Zeearend van heel dichtbij bij de ingang van de Trollfjord op de Lofoten, en mijn vrouw spotte nabij Stamsund in een flits de rugvinnen van een groep Orca's, terwijl ik nèt aan de verkeerde kant van het schip stond..















Een ander moment dat ik nooit meer vergeet was de stop in Risøyhamn. 
Dat dorp is weer zo'n onaanzienlijk gehucht, waar de boot slechts voor korte tijd aanlegt. Het ligt op het eiland Andøya en telt volgens Wikipedia 222 inwoners. Een bijzonderheid is dat de zeestraat, die het dorp en het eiland Andøya scheidt van de rest van Noorwegen, heel ondiep is. Er liggen zandbanken en op veel plaatsen staat minder een meter water. Pas toen er ongeveer 100 jaar geleden vanuit het noorden een lange geul werd gebaggerd, werd de kade van Risøyhamn bereikbaar voor de schepen van de Hurtigruten. 

In de verte rechts Risøyhamn














We naderden de plaats rond half tien in de morgen, nadat we de nodige zware sneeuwbuien over ons heen hadden gekregen. Hier en daar lag een paar centimeter sneeuw aan dek. Terwijl we door het genoemde geultje voeren, klaarde het op en eenmaal voor de wal was het vrijwel windstil en zonnig. Het water werd als een spiegel, en dat is het moment dat je ook alles wat op het water zit ziet bewegen. Naast Eidereenden ook IJseenden, Zeekoeten en Zwarte Zeekoeten. Die laatste soort had ik nooit eerder gezien. Het water weerspiegelde de besneeuwde bergen in de omgeving, die soms nog werden omgeven door de restanten van sneeuwbuien.
De rest van de dag kon niet meer stuk.




Vertrek uit Risøyhamn (links); achteruit onder de brug door.




Honningsvåg. Over de weg 50 km van de Noordkaap







De Lofoten





















Een Sieidi; een voor de Sami heilige rotsformatie.


















































Stokvis in Svolvær




























Na terugkeer in Bergen zijn we daar nog twee dagen gebleven. 
De stad is even oud als Oslo, en telt 300.000 inwoners, die erg verspreid wonen; de stad kent uitbreide buitenwijken. Het historische centrum is prima te belopen en aangenaam kleinschalig. De stad staat bekend om het gegeven dat het er nogal vaak regent, maar wij troffen het: we hadden twee dagen stralend weer.
Een mooie groene plek is Nordnessparken, op de kop van het schiereiland waarop het grootste deel van het centrum ligt. Je wandelt er op enkele tientallen meters boven het water tussen oude loofbomen, langs een openluchtzwembad dat in de fjord ligt, de gebouwen van de Universiteit en een oud fort.

Bij het openluchtzwembad van Bergen.















In het centrum, niet ver van het station, ligt het Lille Lungegårdsvannet, een grote vijver in het vlakste deel van de stad. Aan de zuidwestkant ervan liggen de kunstmusea die de stad rijk is. Wij bekeken er de Rasmus Meyer-collectie. Zoals de naam al doet vermoeden een verzameling kunst, die door de verzamelaar van die naam aan de stad Bergen is geschonken. Er hangen veel 19e eeuwse romantische schilderijen, maar ook wel wat expressionistischer werk en een flink aantal schilderijen van Edvard Munch.















Ondanks al die cultuur is de natuur in Bergen niet ver weg
We gingen vanuit het centrum ruim 300 m. omhoog met de Fløybanen een tandradbaantje dat eindigt op de berg Fløyen bij een uitspanning vanwaar je een prachtig uitzicht over de stad en de fjord hebt. Er is het nodige te doen voor kinderen, inclusief het aaien van een aantal geiten, die bij de inventaris horen. 
Vanaf dit punt kun je nog een flink eind verder wandelen. Uiteindelijk kwamen wij tot ongeveer 500 m. boven zeeniveau in een landschap dat sterk doet denken aan de Hardangervida. Echte wildernis. Niet voor Noorse begrippen, natuurlijk, maar toch; de beschaving leek er, op hemelsbreed 3 km. van het centrum van Bergen, vér weg.















In een vorig epistel over Noorwegen heb ik me wel eens lichtelijk negatief uitgelaten over de Noren zelf. Na onze reis van vorig jaar en helemaal na deze reis, moet ik bekennen dat ik daarmee te voorbarig was.
Hoewel de Hurtigruten een commerciële organisatie is, was de sfeer aan boord van de boot aangenaam informeel en ontspannen. Het personeel moet, met name tijdens de maaltijden, hard werken, maar doet dat heel joyeus en heeft daarbij vaak nog tijd voor praatje. Ook in Bergen troffen we dezelfde sfeer. Eén behulpzame Bergenaar liep zelfs enkele honderden meters met ons mee, om ons bij het busstation de halte van de bus naar vliegveld te tonen.
Want, ja; we hebben wel weer 2x anderhalf uur gevlogen dit jaar.

We zijn niet voor de laatste keer in Noorwegen geweest, als het aan mij ligt.