zondag 24 mei 2026

Nagelknipper uit Kirkenes















Sinds ongeveer vier weken heb ik een nieuwe nagelknipper. Ik kreeg er een keurig houdertje bij; je kunt hem desgewenst  aan de muur hangen. 
In het verleden zat er altijd één in mijn toilettas, maar ze hebben de neiging om op zeker moment daaruit te verdwijnen, en dan ben ik gedwongen mijn heil te zoeken bij de nagelknipper voor thuisgebruik, die in een kastje in de badkamer ligt. 
Maar ik was niet thuis, toen ik het ding vier weken geleden nodig had. Ik was in Kirkenes.

Voor we daar arriveerden, hadden we al een reeks van havens en haventjes langs de Noorse kust aangedaan. De genius loci varieerde van plaats tot plaats. Trondheim en Tromsø, bijvoorbeeld, zijn serieuze steden. Torvik is waarschijnlijk het kleinste gehucht waar werd aangelegd. 
Torvik bestaat uit een paar huizen en een goederenloods met kade, korter dan het schip zelf. Evengoed wordt vanuit de flank van het schip een klep neergelaten. Een heftruck rijdt een paar keer in en uit met een paar pakketten en één auto gaat van boord. Een kwartier nadat het schip, de Nordkapp in ons geval, heeft aangelegd, is het weer onderweg.
























































Samenvattend: we hebben gevaren wat de scheepvaartmaatschappij Hurtigruten de 'klassieke kustreis' noemt: in 12 dagen van Bergen naar Kirkenes en weer terug.
De maatschappij vaart al sinds 1893 een vaste route langs de Noorse kust. Aanvankelijk van Trondheim naar Tromsø en Hammerfest. Men vervoert van oudsher een combinatie van passagiers en vracht, maar de schoonheid van de Noorse kust heeft er in de loop der jaren toe geleid dat het toeristische aspect de overhand heeft gekregen.

Het laatste stuk van de route voor het keerpunt Kirkenes is, landschappelijk gesproken, niet het meest spectaculaire deel, maar Kirkenes zelf is de ultieme buitenpost van Noorwegen. 
De plek waar de Nordkapp aanlegt, ligt hemelsbreed iets meer dan 7 km. van de grens met Rusland. Misschien heeft dat gegeven invloed op de manier waarop het dorp (Kirkenes heeft 4000 inwoners) wordt ervaren. 
Wij liepen er op zaterdagmorgen een paar uur rond en constateerden dat er een soort oostblok-sfeer hing, totaal afwijkend van andere Noorse dorpen van vergelijkbare grootte. Alles leek grauwer doodser. Alle winkels waren gesloten en buiten onze mede-passagiers vertoonde zich vrijwel niemand op straat.
Tijdens de tweede wereldoorlog werd Kirkenes in oktober 1944 bevrijd door het Russische leger. Na de oorlog was er, ondanks de koude oorlog en zeker na het beëindigen daarvan, toch het één en ander aan verkeer over de grens. Hoewel Noorwegen in de jaren '80 en '90 van de vorige eeuw nog niet zo rijk was als tegenwoordig, was er van alles te koop waar men in Moermansk, hemelsbreed 100 km. van Kirkenes, best in geïnteresseerd was. En omdat er derhalve regelmatig Russen in Kirkenes kwamen, waren de Noren zo vriendelijk om de belangrijkste straten in het dorp van tweetalige straatnaamborden te voorzien: Noors en Russisch.



















Sinds de Russische inval in Oekraïne zijn de verhoudingen opnieuw bekoeld.
Wandelend van het schip naar het centrum van het dorp, kwamen we toevallig langs het monument dat de bevrijding van Kirkenes door de Russen gedenkt. Vermoedelijk is het door de Russen zelf neergezet; het spreekt helemaal de stalinistische beeldtaal die Russische oorlogsmonumenten steevast aankleeft. Een Russische soldaat die met zijn wapen in de aanslag moedig voorwaarts gaat.
De Noren hebben er inmiddels een contrapunt naast gezet in de vorm van een blauw-geel gespoten busje met de tekst "STOP WAR STOP PUTIN".



















Op de terugweg uit het centrum passeerden we nòg een herinnering aan de tweede wereldoorlog; een Duitse bunker die uitziet over de fjord die Kirkenes verbindt met de zee.  Een pragmatisch ingestelde Noor vond het na de oorlog een goede fundering voor zijn houten huis, dat hij pontificaal bovenop de bunker bouwde. Mogelijk is het de oostelijkse bunker van de Atlantic Wall. Niet de noordelijkste, want enkele uren later, niet ver van Värdø, zag ik een Blockhaus,  dat in noordelijke richting uitkeek richting de Noordpool, en Vardø ligt noordelijker dan Kirkenes. Het huis lijkt ondertussen alweer leeg te staan; de geschiedenis gaat voort.



















Vlakbij de aanlegplaats van de Nordkapp, eigenlijk buiten het dorp, was de supermarkt waar ik de nagelknipper kocht. Eén van de weinige faciliteiten in Kirkenes die wèl open was.

De hele reis beschrijven is ondoenlijk. Om dat woorden soms tekortschieten, zou het uitmonden in vrij krachteloos proza.
We raakten wèl steeds meer in de ban van het noorden. 
Waar we vorig jaar de Lofoten nog èrg noordelijk vonden en twijfelden of we met ons mini-campertje ooit nog verder naar het noorden zouden rijden, zijn er inmiddels toch plannen in die richting ontstaan, op grond van wat we op deze reis hebben gezien.
Ik zou graag bijvoorbeeld nog eens naar het eerder genoemde Vardø gaan. 
Niet vanwege dat Blockhaus, maar vanwege de nabijheid van het eilandje Hornøya. 
Tijdens het uurtje dat we in Vardø mochten rondlopen, kwamen we erachter dat er in het voorjaar en de zomer een bootje naar Hornøya vaart. Hornøya is één van de belangrijkste broedplaatsen van zeevogels in Noorwegen.



















Tijdens het aanlopen van Vardø zagen we net ten zuiden van Hornøya enorme groepen zeevogels op het water. Maar zoals die dingen gaan: te ver weg om soorten goed te kunnen onderscheiden.

Hornøya, gezien van de verkeerde kant..



















Tijdens het wandelingetje op Vardø; een Papegaaiduiker van
héél dichtbij, maar helaas alleen de kop..




















Ik heb me dus voorgenomen om daar in de goeie tijd van het jaar nog eens terug te keren, als we de tijd aan ons zelf hebben.

We zagen een Zeearend van heel dichtbij bij de ingang van de Trollfjord op de Lofoten, en mijn vrouw spotte nabij Stamsund in een flits de rugvinnen van een groep Orca's, terwijl ik nèt aan de verkeerde kant van het schip stond..















Een ander moment dat ik nooit meer vergeet was de stop in Risøyhamn. 
Dat dorp is weer zo'n onaanzienlijk gehucht, waar de boot slechts voor korte tijd aanlegt. Het ligt op het eiland Andøya en telt volgens Wikipedia 222 inwoners. Een bijzonderheid is dat de zeestraat, die het dorp en het eiland Andøya scheidt van de rest van Noorwegen, heel ondiep is. Er liggen zandbanken en op veel plaatsen staat minder een meter water. Pas toen er ongeveer 100 jaar geleden vanuit het noorden een lange geul werd gebaggerd, werd de kade van Risøyhamn bereikbaar voor de schepen van de Hurtigruten. 

In de verte rechts Risøyhamn














We naderden de plaats rond half tien in de morgen, nadat we de nodige zware sneeuwbuien over ons heen hadden gekregen. Hier en daar lag een paar centimeter sneeuw aan dek. Terwijl we door het genoemde geultje voeren, klaarde het op en eenmaal voor de wal was het vrijwel windstil en zonnig. Het water werd als een spiegel, en dat is het moment dat je ook alles wat op het water zit ziet bewegen. Naast Eidereenden ook IJseenden, Zeekoeten en Zwarte Zeekoeten. Die laatste soort had ik nooit eerder gezien. Het water weerspiegelde de besneeuwde bergen in de omgeving, die soms nog werden omgeven door de restanten van sneeuwbuien.
De rest van de dag kon niet meer stuk.




Vertrek uit Risøyhamn (links); achteruit onder de brug door.




Honningsvåg. Over de weg 50 km van de Noordkaap







De Lofoten





















Een Sieidi; een voor de Sami heilige rotsformatie.


















































Stokvis in Svolvær




























Na terugkeer in Bergen zijn we daar nog twee dagen gebleven. 
De stad is even oud als Oslo, en telt 300.000 inwoners, die erg verspreid wonen; de stad kent uitbreide buitenwijken. Het historische centrum is prima te belopen en aangenaam kleinschalig. De stad staat bekend om het gegeven dat het er nogal vaak regent, maar wij troffen het: we hadden twee dagen stralend weer.
Een mooie groene plek is Nordnessparken, op de kop van het schiereiland waarop het grootste deel van het centrum ligt. Je wandelt er op enkele tientallen meters boven het water tussen oude loofbomen, langs een openluchtzwembad dat in de fjord ligt, de gebouwen van de Universiteit en een oud fort.

Bij het openluchtzwembad van Bergen.















In het centrum, niet ver van het station, ligt het Lille Lungegårdsvannet, een grote vijver in het vlakste deel van de stad. Aan de zuidwestkant ervan liggen de kunstmusea die de stad rijk is. Wij bekeken er de Rasmus Meyer-collectie. Zoals de naam al doet vermoeden een verzameling kunst, die door de verzamelaar van die naam aan de stad Bergen is geschonken. Er hangen veel 19e eeuwse romantische schilderijen, maar ook wel wat expressionistischer werk en een flink aantal schilderijen van Edvard Munch.















Ondanks al die cultuur is de natuur in Bergen niet ver weg
We gingen vanuit het centrum ruim 300 m. omhoog met de Fløybanen een tandradbaantje dat eindigt op de berg Fløyen bij een uitspanning vanwaar je een prachtig uitzicht over de stad en de fjord hebt. Er is het nodige te doen voor kinderen, inclusief het aaien van een aantal geiten, die bij de inventaris horen. 
Vanaf dit punt kun je nog een flink eind verder wandelen. Uiteindelijk kwamen wij tot ongeveer 500 m. boven zeeniveau in een landschap dat sterk doet denken aan de Hardangervida. Echte wildernis. Niet voor Noorse begrippen, natuurlijk, maar toch; de beschaving leek er, op hemelsbreed 3 km. van het centrum van Bergen, vér weg.















In een vorig epistel over Noorwegen heb ik me wel eens lichtelijk negatief uitgelaten over de Noren zelf. Na onze reis van vorig jaar en helemaal na deze reis, moet ik bekennen dat ik daarmee te voorbarig was.
Hoewel de Hurtigruten een commerciële organisatie is, was de sfeer aan boord van de boot aangenaam informeel en ontspannen. Het personeel moet, met name tijdens de maaltijden, hard werken, maar doet dat heel joyeus en heeft daarbij vaak nog tijd voor praatje. Ook in Bergen troffen we dezelfde sfeer. Eén behulpzame Bergenaar liep zelfs enkele honderden meters met ons mee, om ons bij het busstation de halte van de bus naar vliegveld te tonen.
Want, ja; we hebben wel weer 2x anderhalf uur gevlogen dit jaar.

We zijn niet voor de laatste keer in Noorwegen geweest, als het aan mij ligt.





 

vrijdag 15 mei 2026

Komen er Tribunalen?

cartoon: Paresh Nath

















Mogelijk zet ik de lezer met de titel van dit epistel op het verkeerde been. 
Ooit was er een lid van Forum voor Democratie, Pepijn van Houwelingen, tevens Tweede Kamer-lid, die een ander kamerlid; Sjoerd Sjoerdsma van D'66, waarschuwde met de tekst "er komen tribunalen". D'66 is óók een partij die democratie in de partijnaam heeft verwerkt, want daar staat de 'D' van D'66 voor.
Dat zet de a-politieke lezer ook al lelijk op het verkeerde been, want of FvD en D'66 dezelfde definitie van democratie hanteren moet ernstig worden betwijfeld.

Het gaat mij in dit verband echter om de democratie in een ander land, te weten de Verenigde Staten van Amerika. Daar is op dit moment een regering aan de macht die ook zo zijn eigen opvatting heeft over wat democratie nu eigenlijk inhoudt.
We kunnen rustig stellen dat de manier waarop Donald Trump en consorten met de veegwagen door de Amerikaanse instituties razen en van alles doen en niet doen, vaak zonder de daarvoor benodigde toestemming van het Congres en/of het Huis van Afgevaardigden te vragen, niet ècht democratisch is. Zonder overdrijven kan worden gezegd dat de regering-Trump autocratische en zelfs fascistische kenmerken vertoont.
De volle omvang van de schade die dat de VS nu en op langere termijn berokkend is nog niet duidelijk, maar zelfs Trump's politieke achterban in de vorm van de MAGA-beweging binnen de Republikeinse Partij begint in te zien dat er sprake is van schade 
Veroordeelde gevangen, zoals de aanstichters van de Capitoolbestorming,  zonder meer gratie verlenen en vrijlaten werd, hoewel illegaal, nog luidkeels verwelkomd. Ook het schaamteloos combineren van het presidentschap met allerlei commerciële activiteiten, die Trump en zijn gevolg geld in het laadje brachten, veroorzaakte nauwelijks ophef. 
Maar het op straat doodschieten doodschieten van twee onschuldige burgers, zonder dat daar veroordelingen op volgden, en vooral het starten van een oorlog, waarvan Trump beloofde dat hij dat nooit meer zou doen, heeft zelfs de hardliners onder Republikeinen aan het denken gezet.
De betere leefomstandigheden die Trump zijn kiezers heeft beloofd blijven uit. De Amerikanen beginnen zich te realiseren dat ze er sinds zijn aantreden eigenlijk alleen maar op achteruit zijn gegaan. 

De actualiteit van de laatste weken laat zien dat de oorlog tegen Iran een degelijk strategisch plan ontbeert. De strijd duurt al veel langer dan Trump, zijn vice-president Vance en de Minister van Oorlog (inderdaad: van Oorlog) Hegseth verwachtten, iets dat zelfs ik ze vooraf had kunnen vertellen. Al sinds de Tweede Wereldoorlog is duidelijk dat het onmogelijk is een oorlog te winnen met alleen luchtaanvallen. Tijden die laatste oorlog dacht 'Bomber' Harris, het hoofd van het Britse Bomber Command, dat Duitsland op de knieën kon worden gedwongen door de Duitse steden één voor één volledig plat te gooien. Dat platgooien op zich lukte wel, maar de Duitsers keerden Hitler niet de rug toe, zoals Harris verwachtte. 
In Vietnam probeerden de Amerikanen het opnieuw. Drie-en-een-half jaar lang, van maart 1965 tot november 1968 bombardeerden de Amerikanen Noord-Vietnam, zonder dat dit veel resultaat had in hun voordeel; uiteindelijk werden zij de indirecte verliezers van die oorlog; Vietnam werd geheel communistisch.
Maar mede op advies van een Minister van Oorlog, die weliswaar enige militaire ervaring heeft, maar toch vooral carrière maakte als tv-presentator, probeert Trump het nu toch weer in Iran.

Eigenlijk lijkt het erop dat de Trump administration steeds verder wegzakt in een moeras van door diezelfde regering veroorzaakte problemen. Het wordt steeds duidelijker dat men handelt op basis van een falend gevoel van intuïtie en misplaatste overmoed. Er is geen doordachte strategie, en een plan B is er ook niet. 
De Amerikaanse publieke opinie ziet dit ook.
Dit, opgeteld, bij de in aantocht zijnde mid-term verkiezingen in de VS, zou wel eens kunnen inhouden dat de macht van de regering Trump over ruim een half jaar grotendeels gebroken zou kunnen zijn.
Tenminste, als we ervan mogen uitgaan dat die verkiezingen eerlijk verlopen en Trump er niet in slaagt om met onrechtmatige ingrepen de verkiezingsuitslag hoe dan ook in zijn voordeel te laten uitpakken. Voor zover we hem nu kennen gaat Trump dat ongetwijfeld proberen. Het opnieuw indelen van kiesdistricten (gerrymandering), waar de Republikeinen nu druk mee zijn, is in dat opzicht een slecht voorteken.

Maar stel dat Trump en zijn regering deze mid-terms verliezen; wat gaat er dan gebeuren? 
Ongetwijfeld is de president dan grotendeel vleugellam en zou er zelfs een begin kunnen worden gemaakt met het herstel van de normale rechtsorde, of in ieder geval het temporiseren van de verdere aantasting daarvan. 
De vraag is ook of de regering Trump nog in staat is om het beleid dusdanig bij te stellen dat de Amerikaanse kiezers bij de eerstvolgende presidentsverkiezingen, over twee-en-een-half jaar, opnieuw in meerderheid op een Republikeinse kandidaat zullen stemmen en dat een opportunist uit het het eigen kamp Trump zal afvallen en zich als een redelijk alternatief zal presenteren bij de volgende presidentsverkiezing. Vice-president J.D. Vance acht ik wel tot zo'n actie in staat. De Democratische Partij heeft zo'n alternatief nog niet, en staart nog steeds nog steeds als een konijn in de koplampen van Trumps destructieve machinerie.

Er zit, op het moment dat de Democratische Partij in de volksvertegenwoordiging en de Senaat de meerderheid heeft, ook nog steeds een Hooggerechtshof waarvan zes van de negen rechters zijn benoemd door Republikeinse presidenten, waaronder drie die door Trump zijn benoemd.
Desondanks zullen de Democraten proberen een impeachment procedure op gang te brengen. De daden van Trump tot nu toe geven daar alle aanleiding toe. 
Het lijkt me echter ook dat er tenminste sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid, Een groot deel van Trumps ministers heeft zonder blikken of blozen meegewerkt aan het uitvoeren van Trumps programma, zonder zich af te vragen of alles legaal was en in overstemming met de wetten en regels van het Amerikaanse staatsbestel.
Met andere woorden: gaat er na Trumps aftreden op alle fronten rechtgedaan worden en zullen de verantwoordelijken voor het gevoerde onrechtmatige beleid en de nagelaten rechtspleging (de ICE-agenten die in Minneapolis twee burgers doodschoten zijn niet berecht) worden gestraft?

Misschien zijn de eerste scheuren in de machtsbasis van Trump inmiddels zichtbaar, maar het Amerika van voor zijn presidentschappen is nog lang niet terug. De VS gaan nog jaren van interne strijd en chaos tegemoet, ben ik bang. De mensen die door een nieuwe (democratische) regering worden aangeklaagd, zullen zich tot het uiterste verzetten tegen veroordeling. 
Toch lijkt het van belang dat de abberatie die de oorspronkelijke Amerikaanse rechtsstaat heeft geteisterd wordt erkend èn bestraft. Eén en ander 'laten gaan' als er een nieuwe democratische regering is geïnstalleerd, zou een buitengewoon slecht signaal zijn in de richting van anti-democraten wereldwijd.

En wat daarbij komt: worden de oude relaties tussen de VS en Europa hersteld, of is er blijvend iets veranderd in de onderlinge verhouding? 
Wij, in Europa, hebben voorlopig vooral de taak goed voor ons eigen continent te zorgen.

maandag 16 februari 2026

Passanten 7: Rob




















Rob was een collega van Willem, de hoofdpersoon van Passanten 6. 
Wàs, want Rob ging al iets eerder dan ik met pensioen. Ook hij was plantoetser bij de Omgevingsdienst.
Maar Rob was veel meer dan dat. Eigenlijk had hij, nog meer dan Willem, het uiterlijk dat velen bij een ambtenaar vinden passen, maar in de praktijk was Rob een heel stuk kleurrijker dan Willem. Rob was ooit voorbestemd om een veel prominenter en belangwekkender leven te gaan leiden dan hij deed, toen ik hem ruim twintig jaar geleden tegenkwam. Hij was in Delft afgestudeerd als civiel ingenieur en zou normaal gesproken daarna aan een glansrijke carrière in het bedrijfsleven of bij de overheid zijn begonnen.
Wat er in de periode tussen zijn afstuderen en het moment dat wij kennismaakten precies is gebeurd, is mij nooit helemaal duidelijk geworden, maar Rob was niet te beroerd om zèlf een tipje van de sluier op te lichten. Hij draaide er niet omheen dat hij ooit alcoholist was. 
Voor hij bij Bouw- en Woningtoezicht in Dordrecht terechtkwam, had hij bij dezelfde gemeentelijke dienst in Delft gewerkt. Of hij ooit werk heeft gedaan dat meer op maat was voor de academicus die hij in feite was, weet ik niet. Wel dat Rob in de periode dat ik hem kende min of meer de loner was die hij mogelijk zijn hele leven is geweest. Hij was niet getrouwd en had, voor zover ik heb kunnen nagaan ook geen vriendin. Of dat hij die ooit wèl had, weet ik niet.
In de omgang was Rob vormelijk, of misschien moet ik zeggen quasi-vormelijk. Hij wilde graag een gedistingeerde indruk wekken, maar soms kreeg ik de indruk dat er iets ironisch schuil ging in die opstelling.
Met Rob kon je over veel onderwerpen een boom opzetten; hij was op tal van terreinen goed geïnformeerd. Over de geschiedenis van Nederland kon je hem alles vragen. Zo wist hij me te vertellen dat het huidige koningshuis in het geheel niet afstamde van Willem de Zwijger. Er was ergens gefrauduleerd om de bloedverwantschap ogenschijnlijk te doen doorlopen.
 
Rob had echter ook een misantropische trekje: soms leek hij er genoegen in te scheppen aanvragers van een bouwvergunning tot wanhoop te drijven. Dit door een combinatie van archaïsche taal, waarvan sommige lager opgeleide aanvragers niets begrepen enerzijds, en anderzijds door een niet altijd even behulpzame opstelling in het algemeen. Binnen het toetsersteam kon hij ook nogal eens cynisch uit de hoek komen. De leiding van de Omgevingsdienst haalde opgelucht adem toen hij met pensioen ging

Het gespreksonderwerp dat Rob ècht deed opleven was klassieke muziek. 
Iets dat hem vermoedelijk al heel lang het nodige plezier in het leven bood. Misschien had ie het al van thuis meegekregen.
Zelf was ik in die tijd min of meer bezig klassieke muziek te ontdekken. Hoewel mijn moeder een groot deel van haar leven lid was geweest van een vrouwenkoor en daarbij de nodige klassieke stukken had gezongen, was mijn belangstelling voor het genre pas tot leven gekomen toen mijn toenmalige vriendin, nu mijn vrouw, een deeltijd-opleiding in de muziek volgde, die qua theorie min of meer tot conservatorium-niveau reikte. In het kader daarvan werden door haar ladingen klassieke CD's aangeschaft. Wat ik hoorde kon me vaak wel bekoren. Op zeker moment begon ik ook zelf klassieke CD's te kopen en gingen we ook regelmatig naar concerten en concertjes.
Toen Rob eenmaal van mijn nieuwe liefhebberij op de hoogte was, gingen onze gesprekken meestal over klassieke muziek. Hij zette me bijvoorbeeld op het spoor van de Duitse liederen. En dan niet alleen die op muziek van Schubert, maar ook de Vier letzte Lieder van Richard Strausz, die ietwat zwaarder op de maag liggen dan Schubert's verklankingen van de diverse romantische Duitse dichters.

Rob vergat ook niet dat hij in essentie een academicus was.
Hij was erachter gekomen dat de eerste dirigent van het Concertgebouworkest, Willem Kes, in Dordrecht was geboren en schreef een wetenschappelijk verantwoorde biografie over hem. Op zeker moment reisde hij zelfs naar Moskou, omdat Kes daar enkele jaren directeur van het conservatorium was geweest. 
Kes had bepaalde ideeën met betrekking tot de manier waarop van klassieke muziek moest worden genoten. Het publiek dat concerten van klassieke muziek bezocht, was tot vér in de 19e eeuw gewend om tijdens het concert de gesprekken, waaraan men voor de aanvang ervan was begonnen, gewoon voort te zetten. Kes schijnt op enig moment een concert te hebben stilgelegd, om vervolgens aan het publiek te vragen: "ik stoor toch niet, hoop ik?" Toen hij in 1895 bij het Concertgebouworkest vertrok, had hij het orkest internationaal op de kaart gezet en was de traditie dat het publiek zich tijdens concerten stil hield, en pas enkele seconden na de laatste noot applaudiseerde, gevestigd.
Toen Rob met pensioen ging, was zijn biografie nog niet af. 
In de laatste tijd dat wij samenwerkten, was hij op zoek naar een promotor, want hij wilde de biografie gebruiken als dissertatie en daarmee van ingenieur (ir.) alsnog tot doctor promoveren. 

In de periode daarna kwam ik hem nog af en toe tegen in de stad. Het werk vorderde gestaag, zo vertelde hij bij die gelegenheden. De laatste keer dat ik hem sprak ligt alweer jaren in het verleden.
Wèl merkte ik een paar jaar terug dat zijn biografie van Willem Kes in 2017 in druk was verschenen. De officiële presentatie ervan blijkt een groot evenement te zijn geweest. 
Voor het schrijven van dit stukje heb ik zijn naam gegoogeld.
Ik vond het bericht van zijn overlijden, in 2024, in een artikel waarin ook de door hem geschreven biografie wordt genoemd, plus de opmerking dat de beoogde promotie nooit heeft plaatsgevonden. Mogelijk lagen zijn oorspronkelijke vakgebied (civiele techniek) en de muziekwetenschap te ver uiteen om een promotor zo ver te krijgen hem als promovendus aan te nemen.

Rob was hoe dan ook iemand die niet snel uit mijn geheugen zal verdwijnen en zonder meer één van de witte raven onder de passanten in mijn leven.


zondag 8 februari 2026

Roeien
















In mijn vorige bericht schreef ik dat ik nu toch min of meer een oude man ben geworden. 
Er zijn een aantal verschijnselen die daarop wijzen. Er is een mentale of psychologische component: aan bepaalde dingen merk ik dat ik niet meer zo pas bij deze tijd. Of de tijd past niet meer bij mij. Er zit weinig anders op dan dit maar min of meer te accepteren; de tijd doet wat de mensheid wil. Zolang ik nog een beetje m'n eigen gangen en tempo kan bepalen en al te veel hysterie kan ontlopen, kom ik de tijd die mij nog rest wel prettig door.
Maar de laatste tijd is er bij mij ook wel degelijk het gevoel dat het lichamelijk minder wordt. Tot  voorbij m'n zestigste merkte ik daar nog niet zoveel van, maar ondertussen moet ik vaststellen dat mijn uithoudingvermogen en spierkracht afnemen. 
Ik heb nooit veel aan sport gedaan, behalve dat ik zo nu en dan eens een paar maanden achter elkaar twee of drie keer in de week een paar kilometer ging hardlopen. Nou ja.. hardlopen..; veel harder dan pakweg 10 kilometer per uur ging het niet, en vier tot zes kilometer ver was de laatste jaren wel het maximum. Wat daarbij kwam: eigenlijk is hardlopen op de verharde weg in een aantal opzichten ook een aanslag op je gestel. Het doet wat voor je conditie, maar het is tamelijk belastend voor je knieën. En mijn linkerknie begon ik al een beetje te voelen.

Toch wilde ik m'n conditie op peil brengen en tegelijkertijd wat spierkracht terugwinnen.
In eerste instantie denk je dan aan de sportschool. 
Ik heb altijd een aanzienlijke weerstand gevoeld tegen het instituut. Het is iets moderns, om niet te zeggen modieus. Sporten in de sportschool heeft iets machinaals. Iedereen in een sportschool is als individu bezig op zijn of haar hoogstpersoonlijke martelwerktuig. Samen met anderen in één ruimte met jezelf bezig zijn; ik vind het, ondanks het gegeven dat ik in essentie een individualist ben, een beetje ongemakkelijk. Bovendien is het altijd binnen en ik wilde graag buiten sporten.
Een sportschool-abonnement is trouwens ook niet goedkoop. Het kost, als je een beetje regelmatig wil trainen, al gauw iets van vier tientjes in de maand en dus zo'n € 500,- per jaar.

Toen ik me dit laatste realiseerde, herinnerde ik me dat ik enkele jaren geleden ook al eens had gekeken naar roeien bij de Koninklijke. 
'De Koninklijke'; dat is hier in Dordt de Koninklijke Dordtse Roei- en Zeilvereniging. Roeien is een sport waarbij je bijna alle spieren in je lichaam gebruikt en als je een beetje door roeit, bouw je ook conditie op.  En roeien doe je in de open lucht, en als je dat wilt, samen met anderen.
Destijds had ik óók gezien dat de jaarlijkse contributie wèl wat hoger was dan van de gemiddelde voetbalclub: zo'n € 400,- per jaar. Dat vond ik in eerste instantie teveel.
Maar nu ik deze optie vergeleek met de sportschool, leek het ineens wèl een te overwegen mogelijkheid.
Ik ging nog eens kijken op de website van de KDR&ZV en zag dat je kon komen kennismaken èn twee keer gratis een proefles (want roeien moet je leren, daarover later) kon krijgen. Er was dus een mogelijkheid om de sfeer in de vereniging te proeven en te zien of roeien iets voor je was.

Die sfeer was voor mij wel een dingetje.
De KDR&ZV bestaat uit twee delen. Het roeideel heeft z'n plek aan het Wantij. Van daaruit wordt geroeid en daar liggen ook alle boten waarmee men dat doet. Het andere deel is het 'zeildeel'. Dat heeft z'n basis in de Nieuwe Haven in de binnenstad. In essentie is dat een jachthaven, met heden-ten-dage vooral motorboten. De sfeer in die haven kende ik al enigszins; mijn Wadloper overwintert er de laatste jaren nogal eens. 
Maar toch; 'Koninklijke' roept bij een patjepeeër als ik, in combinatie met 'vereniging' al snel een sfeer op van blauwe blazers en een kakkineus ledenbestand. In de jachthaven van de Koninklijke had ik er nooit veel van gemerkt, maar ik heb er, buiten de havenmeester, ook nooit veel mensen gesproken. Daarnaast heeft 'roeien' als sport ook sterke associaties met studenten en het corps. Hoe kakkineus zou de sfeer bij de roei-poot van de Koninklijke zijn?
Het bleek in de praktijk erg mee te vallen. Tijdens de kennismaking en de proeflessen voelde ik me al snel op m'n gemak. Het gevoel en de proeflessen waren overtuigend genoeg om zonder mankeren lid te worden. 

Ondertussen ben ik al genoeg aardige mensen, maar niet één èchte kakker tegengekomen , en ook de roeilessen bevallen.
Lessen, inderdaad, want roeien volgens de KDR&ZV doe je met een bepaalde techniek. Een in eerste oogopslag zelfs vrij ingewikkeld geheel van houdingen, spiergebruik (inderdaad; maar weinig spieren blijven ongebruik), en bewegingen met de riemen ('roeispanen' voor niet-ingewijden). Het begint al met hoe je in en uit de boot stapt. Er hoort ook een bepaald jargon bij. Je leert 'rondmaken', 'strijken', 'clippen' en nog een aantal dingen, die je uiteindelijk tot een volleerd roeier moeten maken.
Ondertussen ben ik in opleiding voor het diploma 'Scullen 1'. Dat komt er op neer dat je kunt roeien met een zogenaamde 'wherry', het eenvoudigste type waarover men bij de KDR&ZV beschikt; u ziet er één linksboven op het plaatje bij dit blog. Eind februari is de eerstvolgende gelegenheid om 'af te roeien' voor dat diploma. Of ik aan dat examen mee doe staat nog te bezien, want aan mijn manier van 'clippen' mankeert nog het één en ander.

Dat laatste is overigens niet iets waar ik me zorgen over maak. Voorlopig vind ik roeien in de wherry heerlijk, en het buiten zijn in combinatie met de lichaamsbeweging blijkt precies waarnaar ik op zoek was. Wat ook fijn is, is het gegeven dat de vereniging beschikt over een overdekte oefenruimte waar de nodige roeimachines staan, zodat ik ook buiten het echte roeien op het water (1x per week, tot nu toe), nog wat meer kan doen aan conditie en spieren. Eerder had ik de aanschaf van zo'n roeimachine overwogen; iets waar mijn vrouw mordicus tegen was, want "waar moet zo'n ding staan?" Dat ik het geld ervoor in m'n zak heb gehouden en veel beter heb besteed door lid te worden van de Koninklijke is een meevaller.

Kortom: uw correspondent werkt onder de meest prettige omstandigheden denkbaar aan zijn lichamelijke welzijn. Mogelijk zal dit, voor wat betreft dit blog, leiden tot vrolijker en meer levenslustige stukjes. Waarbij ik de realiteit wel onder ogen wil blijven zien. Het volgende stukje zou zomaar 's 'Ondermaans ongenoegen 3' als titel kunnen hebben. 
U bent gewaarschuwd!

vrijdag 6 februari 2026

Your hometown



















Niet zo lang geleden was ik op een crematie. Het betrof één van mijn neven; een zoon van een zus van mijn vader. Geboren in Zwijndrecht, had hij vanaf zijn huwelijk gewoond en gewerkt in Ridderkerk. Desondanks vond de uitvaart plaats in Zwijndrecht, waar aan de rand van het dorp al jaren een relatief nieuwe begraafplaats met crematorium is. 
De ceremonie startte met 'My hometown' van Bruce Springsteen. 
Ik moet bekennen dat ik even vol schoot. Dat gebeurt me vaker bij dit soort gelegenheden, als de muziek op de één of andere manier zó passend is bij de persoon en zijn leven, dat ze sterke emoties oproept. Een paar jaar geleden had ik hetzelfde bij de crematie van de man die ooit mijn zwager was, en die ik in de laatste maanden van zijn leven nog beter had leren kennen dan in de dertig jaar daarvoor al het geval was geweest. Toen was het 'Wild Horses' van de Rolling Stones. Het had in zijn geval niks anders kunnen zijn, en ik zal het nummer nooit meer kunnen horen zonder aan hem te denken. Het lied op zich is er alleen maar mooier op geworden, wat mij betreft.

Mijn neef was dus oorspronkelijk een Zwijndrechter, net als ik. Maar hij was veel meer Zwijndrechter dan ik ooit geweest ben. Dat komt mede door het gegeven dat ik nooit erg ben opgenomen in de Zwijndrechtse gemeenschap. Behalve het lidmaatschap van gymnastiekvereniging O & O (Oefening en Ontspanning), dat mij min of meer werd opgedrongen omdat gymnastiek heilzaam zou zijn tegen de bronchitus, waaraan ik in mijn jeugd leed, ben ik nooit lid geweest van een vereniging die toegang gaf tot het sociale leven in Zwijndrecht. Mijn lidmaatschap van de lokale bibliotheek, waar ik wèl de deur platliep, leverde in sociale zin weinig tot niks op. De vriendjes van de lagere school verloor ik na het verlaten daarvan al snel uit het oog. Bijna niemand ging naar de L.T.S., en de paar die er wèl naar toe gingen waren op de lagere school al geen vriendjes. Na de L.T.S. volgde de M.T.S., maar die stond in Dordt, en gek genoeg kwam een aanzienlijk deel van mijn klasgenoten daar uit de Alblasserwaard. Na schooltijd zag ik de jongens uit mijn klas niet. Eén klasgenoot van de L.T.S, deed ook toelatingsexamen, maar hij zakte. Ik slaagde wel, hoewel ik dacht dat ik gezakt was. Een voor die tijd significant detail. 

Na de militaire dienst ging ik al vrij snel op kamers in Dordt. Begin jaren '80 woonde ik nog even in een flatje 'op Zwijndrecht'. Hoewel Zwijndrecht toen al zo'n 30.000 inwoners moet hebben gehad, woonden autochtone Zwijndrechters nog steeds 'op Zwijndrecht'. 
Rond 1986 vertrok ik naar Delft. Voor het werk en de liefde. Ik had definitief afscheid genomen van mijn geboortedorp. Ik kwam er eigenlijk alleen nog om mijn moeder en mijn goede vriend T. op te zoeken. Maar dat was dan ook de enige vriend die ik aan Zwijndrecht had overgehouden.

Mijn neef heeft de banden met zijn geboortedorp echter nooit ècht doorgesneden. 
Hij was een toegewijd voetballer en voetbalde hij het grootste deel van zijn voetballende leven bij VVGZ (Voetbalvereniging Geluksvogels Zwijndrecht). Daar voetbalde ook een andere neef van me die wèl Valk heette, en sowieso was VVGZ de thuisbasis van alle voetbalminnende Valken. Ook mijn vader is het grootste deel van zijn leven lid geweest. Hij was het nog toen hij in 1983 op 64-jarige leeftijd overleed. De eerstgenoemde neef bleef, ook toen hij al jaren in Ridderkerk woonde en werkte, contact onderhouden met de Zwijndrechtse vrienden uit zijn jeugd en de tijd bij VVGZ. In essentie was hij een Zwijndrechter gebleven.
Mijn vader, nog een generatie ouder dan ik en mijn neef, was bij wijze van spreken 'wereldberoemd in Zwijndrecht'. Dat kwam mede doordat hij vanaf 1945 deel uitmaakte van de Zwijndrechtse gemeentepolitie. Maar zijn vader, mijn opa, had nog een tuinderij, en omdat Zwijndrecht van oorsprong een dorp van tuinders is, kun je rustig zeggen dat hij Zwijndrechtser dan Zwijndrecht was. In mijn jeugd werd mij, als een autochtone Zwijndrechter hoorde dat ik 'Valk' heette, regelmatig gevraagd of ik "er één van Janus Valk was" (iemand die door zijn ouders was getooid met de naam 'Adrianus' werd in Zwijndrecht automatisch 'Janus'), Inderdaad, dat was ik; ik was zelfs de enigste 'van Janus'.
Hoe bekend hij was in Zwijndrecht merkte ik pas ècht toen hij was overleden. In het condoleance-register stonden uiteindelijk meer dan vierhonderd namen..

In Delft integreerde ik evenmin. Van mijn directe collega's op de TU woonde slechts een enkeling in Delft en die verloor ik na een paar jaar weer uit het oog, omdat ik bij een andere hoogleraar en een ander werkverband terecht kwam. Mijn kennissen in Delft waren de kennissen van mijn vriendin, die al langer in Delft woonde. Ik ontleende niets aan de stad dat enigszins op een identiteit leek. Sterker nog: ik vond de Delftenaren lichtelijk irritant. Waaraan ze het precies ontleenden is mij nooit volledig duidelijk geworden, maar in het plaatselijke sufferdje, feitelijk niet meer dan een advertentie blaadje, stond zelden of nooit ook maar één negatief woord over de stad of zijn bewoners. Delft was dit en Delft was dat; Delft was geweldig. Zelf vond ik Delft een tikkeltje benauwd. De binnenstad heeft een zekere kwaliteit, maar is eigenlijk maar piepklein en daarbuiten beginnen, na wat dertiger jaren-architectuur, al snel de eenvormige buitenwijken, die in iedere Nederlandse stad precies hetzelfde zijn.

Eigenlijk is dat laatste één van de universele Nederlandse drama's.
Zwijndrecht had, in de tijd dat ik een jochie was nog de Ringdijk, met z'n bebouwing die plaatselijk al honderden jaren oud was. Die bebouwing heeft men begin jaren '70 vakkundig verwijderd. Het was nodig voor een dijkverhoging. Zei men. Het gevolg is, dat Zwijndrecht op wat panden langs de Rotterdamseweg na, nauwelijks nog bebouwing heeft die ouder is dan honderd jaar. Hoewel er al voor de tweede wereldoorlog de nodige industrie in Zwijndrecht was, is het oorspronkelijke karakter van een tuindersdorp al heel lang verleden tijd. Zwijndrecht verschilt in allerlei opzichten eigenlijk niet meer van volledig identiteitsloze oorden als Alphen aan den Rijn en Zoetermeer.

Nu ik min of meer een oud mannetje ben geworden, en ondanks het feit dat ik mijn identiteit nooit erg heb laten bepalen door mijn afkomst, betrap ik mezelf soms op een vage melancholie. Het gevoel dat ik eigenlijk nergens meer ècht thuis ben. Dat ik feitelijk nergens meer wortels heb. Hoewel ik er in mijn jongere jaren nooit over nadacht, zou ik er heden ten dage veel voor over hebben om eens een kijkje te kunnen nemen op de tuinderij van opa Valk. Een tuinderij waar mijn vader en zijn broers nog hebben gewerkt en die eigendom was van een man die ik nooit heb gekend. Dat alles is verdwenen in de nevelen van het verleden. Niet alleen de mensen, maar ook de tuinderij, die al kort na de oorlog is overspoeld door het uitbreidende Zwijndrecht. Dat gebeurde al voor ik geboren was, waarschijnlijk.
Zelfs het Zwijndrecht dat ik nog heb gekend, bestaat niet meer. Evenals het Eiland IJsselmonde van mijn jeugd.

Ondertussen woon ik al bijna dertig jaar in Dordrecht. En dat al dertig jaar in hetzelfde huis. Dat huis is in de eerste twintig jaar dat ik er woonde helemaal door m'n handen gegaan, om het beeldend uit te drukken. Eigenlijk is dàt wel deel van mijn identiteit geworden. Dat het in Dordrecht staat is mooi meegenomen; het is van alle steden in het westen van Nederland één van aardigste, hoewel de buitenwijken precies dezelfde bloedarmoede hebben als in Delft en Alphen aan den Rijn. De binnenstad ligt aan de rivier; dat maakt ook veel goed. 
Toch zal ik nooit een Dordtenaar worden zoals de broers en zusters van mijn moeder dat waren. Ondanks het gegeven dat ik soms Zwijndrechters (meestal mensen die er ook niet zijn geboren) pest met de opmerking: "het mooiste in Zwijndrecht is het gezicht op Dordt".

My hometown.. Is dat de plaats waar ik ben geboren? Ooit, heel lang geleden, was dat zo. De herinnering kwam even boven op die crematie, door toedoen van Bruce Springsteen.