Posts tonen met het label persoonlijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label persoonlijk. Alle posts tonen

maandag 16 februari 2026

Passanten 7: Rob




















Rob was een collega van Willem, de hoofdpersoon van Passanten 6. 
Wàs, want Rob ging al iets eerder dan ik met pensioen. Ook hij was plantoetser bij de Omgevingsdienst.
Maar Rob was veel meer dan dat. Eigenlijk had hij, nog meer dan Willem, het uiterlijk dat velen bij een ambtenaar vinden passen, maar in de praktijk was Rob een heel stuk kleurrijker dan Willem. Rob was ooit voorbestemd om een veel prominenter en belangwekkender leven te gaan leiden dan hij deed, toen ik hem ruim twintig jaar geleden tegenkwam. Hij was in Delft afgestudeerd als civiel ingenieur en zou normaal gesproken daarna aan een glansrijke carrière in het bedrijfsleven of bij de overheid zijn begonnen.
Wat er in de periode tussen zijn afstuderen en het moment dat wij kennismaakten precies is gebeurd, is mij nooit helemaal duidelijk geworden, maar Rob was niet te beroerd om zèlf een tipje van de sluier op te lichten. Hij draaide er niet omheen dat hij ooit alcoholist was. 
Voor hij bij Bouw- en Woningtoezicht in Dordrecht terechtkwam, had hij bij dezelfde gemeentelijke dienst in Delft gewerkt. Of hij ooit werk heeft gedaan dat meer op maat was voor de academicus die hij in feite was, weet ik niet. Wel dat Klaas in de periode dat ik hem kende min of meer de loner was die hij mogelijk zijn hele leven is geweest. Hij was niet getrouwd en had, voor zover ik heb kunnen nagaan ook geen vriendin. Of dat hij die ooit wèl had, weet ik niet.
In de omgang was Rob vormelijk, of misschien moet ik zeggen quasi-vormelijk. Hij wilde graag een gedistingeerde indruk wekken, maar soms kreeg ik de indruk dat er iets ironisch schuil ging in die opstelling.
Met Rob kon je over veel onderwerpen een boom opzetten; hij was op tal van terreinen goed geïnformeerd. Over de geschiedenis van Nederland kon je hem alles vragen. Zo wist hij me te vertellen dat het huidige koningshuis in het geheel niet afstamde van Willem de Zwijger. Er was ergens gefrauduleerd om de bloedverwantschap ogenschijnlijk te doen doorlopen.
 
Rob had echter ook een misantropische trekje: soms leek hij er genoegen in te scheppen aanvragers van een bouwvergunning tot wanhoop te drijven. Dit door een combinatie van archaïsche taal, waarvan sommige lager opgeleide aanvragers niets begrepen enerzijds, en anderzijds door een niet altijd even behulpzame opstelling in het algemeen. Binnen het toetsersteam kon hij ook nogal eens cynisch uit de hoek komen. De leiding van de Omgevingsdienst haalde opgelucht adem toen hij met pensioen ging

Het gespreksonderwerp dat Rob ècht deed opleven was klassieke muziek. 
Iets dat hem vermoedelijk al heel lang het nodige plezier in het leven bood. Misschien had ie het al van thuis meegekregen.
Zelf was ik in die tijd min of meer bezig klassieke muziek te ontdekken. Hoewel mijn moeder een groot deel van haar leven lid was geweest van een vrouwenkoor en daarbij de nodige klassieke stukken had gezongen, was mijn belangstelling voor het genre pas tot leven gekomen toen mijn toenmalige vriendin, nu mijn vrouw, een deeltijd-opleiding in de muziek volgde, die qua theorie min of meer tot conservatorium-niveau reikte. In het kader daarvan werden door haar ladingen klassieke CD's aangeschaft. Wat ik hoorde kon me vaak wel bekoren. Op zeker moment begon ik ook zelf klassieke CD's te kopen en gingen we ook regelmatig naar concerten en concertjes.
Toen Rob eenmaal van mijn nieuwe liefhebberij op de hoogte was, gingen onze gesprekken meestal over klassieke muziek. Hij zette me bijvoorbeeld op het spoor van de Duitse liederen. En dan niet alleen die op muziek van Schubert, maar ook de Vier letzte Lieder van Richard Strausz, die ietwat zwaarder op de maag liggen dan Schubert's verklankingen van de diverse romantische Duitse dichters.

Rob vergat ook niet dat hij in essentie een academicus was.
Hij was erachter gekomen dat de eerste dirigent van het Concertgebouworkest, Willem Kes, in Dordrecht was geboren en schreef een wetenschappelijk verantwoorde biografie over hem. Op zeker moment reisde hij zelfs naar Moskou, omdat Kes daar enkele jaren directeur van het conservatorium was geweest. 
Kes had bepaalde ideeën met betrekking tot de manier waarop van klassieke muziek moest worden genoten. Het publiek dat concerten van klassieke muziek bezocht, was tot vér in de 19e eeuw gewend om tijdens het concert de gesprekken, waaraan men voor de aanvang ervan was begonnen, gewoon voort te zetten. Kes schijnt op enig moment een concert te hebben stilgelegd, om vervolgens aan het publiek te vragen: "ik stoor toch niet, hoop ik?" Toen hij in 1895 bij het Concertgebouworkest vertrok, had hij het orkest internationaal op de kaart gezet en was de traditie dat het publiek zich tijdens concerten stil hield, en pas enkele seconden na de laatste noot applaudiseerde, gevestigd.
Toen Rob met pensioen ging, was zijn biografie nog niet af. 
In de laatste tijd dat wij samenwerkten, was hij op zoek naar een promotor, want hij wilde de biografie gebruiken als dissertatie en daarmee van ingenieur (ir.) alsnog tot doctor promoveren. 

In de periode daarna kwam ik hem nog af en toe tegen in de stad. Het werk vorderde gestaag, zo vertelde hij bij die gelegenheden. De laatste keer dat ik hem sprak ligt alweer jaren in het verleden.
Wèl merkte ik een paar jaar terug dat zijn biografie van Willem Kes in 2017 in druk was verschenen. De officiële presentatie ervan blijkt een groot evenement te zijn geweest. 
Voor het schrijven van dit stukje heb ik zijn naam gegoogeld.
Ik vond het bericht van zijn overlijden, in 2024, in een artikel waarin ook de door hem geschreven biografie wordt genoemd, plus de opmerking dat de beoogde promotie nooit heeft plaatsgevonden. Mogelijk lagen zijn oorspronkelijke vakgebied (civiele techniek) en de muziekwetenschap te ver uiteen om een promotor zo ver te krijgen hem als promovendus aan te nemen.

Rob was hoe dan ook iemand die niet snel uit mijn geheugen zal verdwijnen en zonder meer één van de witte raven onder de passanten in mijn leven.


zondag 8 februari 2026

Roeien
















In mijn vorige bericht schreef ik dat ik nu toch min of meer een oude man ben geworden. 
Er zijn een aantal verschijnselen die daarop wijzen. Er is een mentale of psychologische component: aan bepaalde dingen merk ik dat ik niet meer zo pas bij deze tijd. Of de tijd past niet meer bij mij. Er zit weinig anders op dan dit maar min of meer te accepteren; de tijd doet wat de mensheid wil. Zolang ik nog een beetje m'n eigen gangen en tempo kan bepalen en al te veel hysterie kan ontlopen, kom ik de tijd die mij nog rest wel prettig door.
Maar de laatste tijd is er bij mij ook wel degelijk het gevoel dat het lichamelijk minder wordt. Tot  voorbij m'n zestigste merkte ik daar nog niet zoveel van, maar ondertussen moet ik vaststellen dat mijn uithoudingvermogen en spierkracht afnemen. 
Ik heb nooit veel aan sport gedaan, behalve dat ik zo nu en dan eens een paar maanden achter elkaar twee of drie keer in de week een paar kilometer ging hardlopen. Nou ja.. hardlopen..; veel harder dan pakweg 10 kilometer per uur ging het niet, en vier tot zes kilometer ver was de laatste jaren wel het maximum. Wat daarbij kwam: eigenlijk is hardlopen op de verharde weg in een aantal opzichten ook een aanslag op je gestel. Het doet wat voor je conditie, maar het is tamelijk belastend voor je knieën. En mijn linkerknie begon ik al een beetje te voelen.

Toch wilde ik m'n conditie op peil brengen en tegelijkertijd wat spierkracht terugwinnen.
In eerste instantie denk je dan aan de sportschool. 
Ik heb altijd een aanzienlijke weerstand gevoeld tegen het instituut. Het is iets moderns, om niet te zeggen modieus. Sporten in de sportschool heeft iets machinaals. Iedereen in een sportschool is als individu bezig op zijn of haar hoogstpersoonlijke martelwerktuig. Samen met anderen in één ruimte met jezelf bezig zijn; ik vind het, ondanks het gegeven dat ik in essentie een individualist ben, een beetje ongemakkelijk. Bovendien is het altijd binnen en ik wilde graag buiten sporten.
Een sportschool-abonnement is trouwens ook niet goedkoop. Het kost, als je een beetje regelmatig wil trainen, al gauw iets van vier tientjes in de maand en dus zo'n € 500,- per jaar.

Toen ik me dit laatste realiseerde, herinnerde ik me dat ik enkele jaren geleden ook al eens had gekeken naar roeien bij de Koninklijke. 
'De Koninklijke'; dat is hier in Dordt de Koninklijke Dordtse Roei- en Zeilvereniging. Roeien is een sport waarbij je bijna alle spieren in je lichaam gebruikt en als je een beetje door roeit, bouw je ook conditie op.  En roeien doe je in de open lucht, en als je dat wilt, samen met anderen.
Destijds had ik óók gezien dat de jaarlijkse contributie wèl wat hoger was dan van de gemiddelde voetbalclub: zo'n € 400,- per jaar. Dat vond ik in eerste instantie teveel.
Maar nu ik deze optie vergeleek met de sportschool, leek het ineens wèl een te overwegen mogelijkheid.
Ik ging nog eens kijken op de website van de KDR&ZV en zag dat je kon komen kennismaken èn twee keer gratis een proefles (want roeien moet je leren, daarover later) kon krijgen. Er was dus een mogelijkheid om de sfeer in de vereniging te proeven en te zien of roeien iets voor je was.

Die sfeer was voor mij wel een dingetje.
De KDR&ZV bestaat uit twee delen. Het roeideel heeft z'n plek aan het Wantij. Van daaruit wordt geroeid en daar liggen ook alle boten waarmee men dat doet. Het andere deel is het 'zeildeel'. Dat heeft z'n basis in de Nieuwe Haven in de binnenstad. In essentie is dat een jachthaven, met heden-ten-dage vooral motorboten. De sfeer in die haven kende ik al enigszins; mijn Wadloper overwintert er de laatste jaren nogal eens. 
Maar toch; 'Koninklijke' roept bij een patjepeeër als ik, in combinatie met 'vereniging' al snel een sfeer op van blauwe blazers en een kakkineus ledenbestand. In de jachthaven van de Koninklijke had ik er nooit veel van gemerkt, maar ik heb er, buiten de havenmeester, ook nooit veel mensen gesproken. Daarnaast heeft 'roeien' als sport ook sterke associaties met studenten en het corps. Hoe kakkineus zou de sfeer bij de roei-poot van de Koninklijke zijn?
Het bleek in de praktijk erg mee te vallen. Tijdens de kennismaking en de proeflessen voelde ik me al snel op m'n gemak. Het gevoel en de proeflessen waren overtuigend genoeg om zonder mankeren lid te worden. 

Ondertussen ben ik al genoeg aardige mensen, maar niet één èchte kakker tegengekomen , en ook de roeilessen bevallen.
Lessen, inderdaad, want roeien volgens de KDR&ZV doe je met een bepaalde techniek. Een in eerste oogopslag zelfs vrij ingewikkeld geheel van houdingen, spiergebruik (inderdaad; maar weinig spieren blijven ongebruik), en bewegingen met de riemen ('roeispanen' voor niet-ingewijden). Het begint al met hoe je in en uit de boot stapt. Er hoort ook een bepaald jargon bij. Je leert 'rondmaken', 'strijken', 'clippen' en nog een aantal dingen, die je uiteindelijk tot een volleerd roeier moeten maken.
Ondertussen ben ik in opleiding voor het diploma 'Scullen 1'. Dat komt er op neer dat je kunt roeien met een zogenaamde 'wherry', het eenvoudigste type waarover men bij de KDR&ZV beschikt; u ziet er één linksboven op het plaatje bij dit blog. Eind februari is de eerstvolgende gelegenheid om 'af te roeien' voor dat diploma. Of ik aan dat examen mee doe staat nog te bezien, want aan mijn manier van 'clippen' mankeert nog het één en ander.

Dat laatste is overigens niet iets waar ik me zorgen over maak. Voorlopig vind ik roeien in de wherry heerlijk, en het buiten zijn in combinatie met de lichaamsbeweging blijkt precies waarnaar ik op zoek was. Wat ook fijn is, is het gegeven dat de vereniging beschikt over een overdekte oefenruimte waar de nodige roeimachines staan, zodat ik ook buiten het echte roeien op het water (1x per week, tot nu toe), nog wat meer kan doen aan conditie en spieren. Eerder had ik de aanschaf van zo'n roeimachine overwogen; iets waar mijn vrouw mordicus tegen was, want "waar moet zo'n ding staan?" Dat ik het geld ervoor in m'n zak heb gehouden en veel beter heb besteed door lid te worden van de Koninklijke is een meevaller.

Kortom: uw correspondent werkt onder de meest prettige omstandigheden denkbaar aan zijn lichamelijke welzijn. Mogelijk zal dit, voor wat betreft dit blog, leiden tot vrolijker en meer levenslustige stukjes. Waarbij ik de realiteit wel onder ogen wil blijven zien. Het volgende stukje zou zomaar 's 'Ondermaans ongenoegen 3' als titel kunnen hebben. 
U bent gewaarschuwd!

vrijdag 6 februari 2026

Your hometown



















Niet zo lang geleden was ik op een crematie. Het betrof één van mijn neven; een zoon van een zus van mijn vader. Geboren in Zwijndrecht, had hij vanaf zijn huwelijk gewoond en gewerkt in Ridderkerk. Desondanks vond de uitvaart plaats in Zwijndrecht, waar aan de rand van het dorp al jaren een relatief nieuwe begraafplaats met crematorium is. 
De ceremonie startte met 'My hometown' van Bruce Springsteen. 
Ik moet bekennen dat ik even vol schoot. Dat gebeurt me vaker bij dit soort gelegenheden, als de muziek op de één of andere manier zó passend is bij de persoon en zijn leven, dat ze sterke emoties oproept. Een paar jaar geleden had ik hetzelfde bij de crematie van de man die ooit mijn zwager was, en die ik in de laatste maanden van zijn leven nog beter had leren kennen dan in de dertig jaar daarvoor al het geval was geweest. Toen was het 'Wild Horses' van de Rolling Stones. Het had in zijn geval niks anders kunnen zijn, en ik zal het nummer nooit meer kunnen horen zonder aan hem te denken. Het lied op zich is er alleen maar mooier op geworden, wat mij betreft.

Mijn neef was dus oorspronkelijk een Zwijndrechter, net als ik. Maar hij was veel meer Zwijndrechter dan ik ooit geweest ben. Dat komt mede door het gegeven dat ik nooit erg ben opgenomen in de Zwijndrechtse gemeenschap. Behalve het lidmaatschap van gymnastiekvereniging O & O (Oefening en Ontspanning), dat mij min of meer werd opgedrongen omdat gymnastiek heilzaam zou zijn tegen de bronchitus, waaraan ik in mijn jeugd leed, ben ik nooit lid geweest van een vereniging die toegang gaf tot het sociale leven in Zwijndrecht. Mijn lidmaatschap van de lokale bibliotheek, waar ik wèl de deur platliep, leverde in sociale zin weinig tot op. De vriendjes van de lagere school verloor ik na het verlaten daarvan al snel uit het oog. Bijna niemand ging naar de L.T.S., en de paar die er wèl naar toe gingen waren op de lagere school al geen vriendjes. Na de L.T.S. volgde de M.T.S., maar die stond in Dordt en gek genoeg kwam een aanzienlijk deel van mijn klasgenoten daar uit de Alblasserwaard. Na schooltijd zag ik de jongens uit mijn klas niet. Eén klasgenoot van de L.T.S, deed ook toelatingsexamen, maar hij zakte. Ik slaagde wel, hoewel ik dacht dat ik gezakt was. Een voor die tijd significant detail. 

Na de militaire dienst ging ik al vrij snel op kamers in Dordt. En hoewel ik begin jaren '80 nog even in een flatje 'op Zwijndrecht' woonde (hoewel Zwijndrecht toen al zo'n 30.000 inwoners moet hebben gehad, woonden autochtone Zwijndrechters nog steeds 'op Zwijndrecht'), vertrok ik rond 1986 naar Delft. Voor het werk en de liefde. Ik had definitief afscheid genomen van mijn geboortedorp. Ik kwam er eigenlijk alleen nog om mijn moeder en mijn goede vriend T. op te zoeken. Maar dat was dan ook de enige vriend die ik aan Zwijndrecht had overgehouden.

Mijn neef heeft de banden met zijn geboortedorp echter nooit ècht doorgesneden. 
Hij was een toegewijd voetballer en voetbalde hij het grootste deel van zijn voetballende leven bij VVGZ (Voetbalvereniging Geluksvogels Zwijndrecht). Daar voetbalde ook een andere neef van me die wèl Valk heette, en sowieso was VVGZ de thuisbasis van alle voetbalminnende Valken. Ook mijn vader is het grootste deel van zijn leven lid geweest; hij was het nog toen hij in 1983 op 64-jarige leeftijd overleed. De eerstgenoemde neef bleef, ook toen hij al jaren in Ridderkerk woonde en werkte, contact onderhouden met de Zwijndrechtse vrienden uit zijn jeugd en de tijd bij VVGZ. In essentie was hij een Zwijndrechter gebleven.
Mijn vader, nog een generatie ouder dan ik en mijn neef, was bij wijze van spreken 'wereldberoemd in Zwijndrecht'. Dat kwam mede doordat hij vanaf 1945 deel uitmaakte van de Zwijndrechtse gemeentepolitie. Maar zijn vader, mijn opa, had nog een tuinderij, en omdat Zwijndrecht van oorsprong een dorp van tuinders is, kun je rustig zeggen hij dat Zwijndrechtser dan Zwijndrecht was. In mijn jeugd werd mij, als een autochtone Zwijndrechter hoorde dat ik 'Valk' heette, regelmatig gevraagd of ik "er één van Janus Valk was" (iemand die door zijn ouders was getooid met de naam 'Adrianus' werd in Zwijndrecht automatisch 'Janus'), Inderdaad, dat was ik; ik was zelfs de enigste 'van Janus'.
Hoe bekend hij was in Zwijndrecht merkte ik pas toen hij was overleden. In het condoleance-register stonden uiteindelijk meer dan vierhonderd namen..

In Delft integreerde ik evenmin. Van mijn directe collega's op de TU woonde slechts een enkeling in Delft en die verloor ik na een paar jaar weer uit het oog, omdat ik bij een andere hoogleraar en een ander werkverband terecht kwam. Mijn kennissen in Delft waren de kennissen van mijn vriendin, die al langer in Delft woonde. Ik ontleende niets aan de stad dat enigszins op een identiteit leek. Sterker nog: ik vond de Delftenaren lichtelijk irritant. Waaraan ze het precies ontleenden is mij nooit volledig duidelijk geworden, maar in het plaatselijke sufferdje, feitelijk niet meer dan een advertentie blaadje, stond zelden of nooit ook maar één negatief woord over de stad of zijn bewoners. Delft was dit en Delft was dat; Delft was geweldig. Zelf vond ik Delft een tikkeltje benauwd. De binnenstad heeft een zekere kwaliteit, maar is eigenlijk maar piepklein en daarbuiten beginnen, na wat dertiger jaren-architectuur, al snel de eenvormige buitenwijken, die in iedere Nederlandse stad precies hetzelfde zijn.

Eigenlijk is dat laatste één van de universele Nederlandse drama's.
Zwijndrecht had, in de tijd dat ik een jochie was nog de Ringdijk, met z'n bebouwing die plaatselijk al honderden jaren oud was. Die bebouwing heeft men begin jaren '70 vakkundig verwijderd. Het was nodig voor een dijkverhoging. Zei men. Het gevolg is, dat Zwijndrecht op wat panden langs de Rotterdamseweg na, nauwelijks nog bebouwing heeft die ouder is dan honderd jaar. Hoewel er al voor de tweede wereldoorlog de nodige industrie in Zwijndrecht was, is het oorspronkelijke karakter van een tuindersdorp al heel lang verleden tijd. Zwijndrecht verschilt in allerlei opzichten eigenlijk niet meer van volledig identiteitsloze oorden als Alphen aan den Rijn en Zoetermeer.

Nu ik min of meer een oud mannetje ben geworden, en ondanks het feit dat ik mijn identiteit nooit erg heb laten bepalen door mijn afkomst, betrap ik mezelf soms op een vage melancholie. Het gevoel dat ik eigenlijk nergens meer ècht thuis ben. Dat ik feitelijk nergens meer wortels heb. Hoewel ik er in mijn jongere jaren nooit over nadacht, zou ik er heden ten dage veel voor over hebben om eens een kijkje te kunnen nemen op de tuinderij van opa Valk. Een tuinderij waar mijn vader en zijn broers nog hebben gewerkt en die eigendom was van een man die ik nooit heb gekend.  Dat alles is verdwenen in de nevelen van het verleden. Niet alleen de mensen, maar ook de tuinderij, die al kort na de oorlog is overspoeld door het uitbreidende Zwijndrecht. Dat gebeurde al voor ik geboren was, waarschijnlijk.
Zelfs het Zwijndrecht dat ik nog heb gekend, bestaat niet meer. Evenals het Eiland IJsselmonde van mijn jeugd.

Ondertussen woon ik al bijna dertig jaar in Dordrecht. En dat al dertig jaar in hetzelfde huis. Dat huis is in de eerste twintig jaar dat ik er woonde helemaal door m'n handen gegaan, om het beeldend uit te drukken. Eigenlijk is dàt wel deel van mijn identiteit geworden. Dat het in Dordrecht staat is mooi meegenomen; het is van alle steden in het westen van Nederland één van aardigste, hoewel de buitenwijken precies dezelfde bloedarmoede hebben als in Delft en Alphen aan den Rijn. De binnenstad ligt aan de rivier; dat maakt ook veel goed. 
Toch zal ik nooit een Dordtenaar worden zoals de broers en zusters van mijn moeder dat waren. Ondanks het gegeven dat ik soms Zwijndrechters (meestal mensen die er ook niet zijn geboren) pest met de opmerking: "het mooiste in Zwijndrecht is het gezicht op Dordt".

My hometown.. Is dat de plaats waar ik ben geboren? Ooit, heel lang geleden, was dat zo. De herinnering kwam even boven op die crematie, door toedoen van Bruce Springsteen.




zondag 11 januari 2026

Passanten 6: Willem

























Net als Gerrit was Willem min of meer een collega. Eentje uit de laatste periode van mijn werkzame leven.
Hij werkte bij Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Dordrecht. Ik was vanaf november 2001 min of meer bij die dienst ingehuisd, omdat ik secretaris va de Welstandscommissie was. Tussen mij en de plantoetsers van die dienst was regelmatig overleg over ingediende bouwaanvragen. 'Redelijke eisen van welstand' was tenslotte een onderdeel van de 'heilige drie-eenheid' bestemmingsplan - bouwbesluit - redelijke eisen van welstand, waaraan een bouwplan moet voldoen om een bouwvergunning te krijgen. 
Bouw- en Woningtoezicht als zodanig bestaat inmiddels niet meer; een kleine twintig jaar geleden werd deze diensten landelijk samengevoegd met de milieudiensten en de daaruit resulterende dienst heet sindsdien 'Omgevingsdienst'.
In deze context was Willem gedurende veertien jaar mijn collega.

Bouw- en woningtoezicht van de gemeente Dordrecht maakte in de periode vóór de vorming van de Omgevingsdienst deel uit van de dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Dordrecht. Dit destijds vrij omvangrijke gezelschap was van een bonte pluimage. Zowel Monumentenzorg (Dordt heeft meer dan 1000 monumentale panden) als Stedenbouw maakten er deel van uit, evenals Vastgoedbeheer en Grondzaken.
Stadsontwikkeling had bovendien, binnen het gemeentelijke apparaat als geheel, ook een reputatie als zijnde een verzameling feestnummers en bonte honden. 
Dat gold in zekere mate ook voor het toenmalige Bouw- en Woningtoezicht. De dienst had een hoofd, maar een deel van de werknemers vulde de hun toegewezen taken geheel naar eigen inzicht in en maakte het zichzelf daarbij niet moeilijker dan strikt nodig was. Bij de dienst leerde ik bijvoorbeeld het begrip 'artikel 5' kennen. De toepassing daarvan kwam neer op het door de vingers zien van allerlei zaken die enerzijds niet helemaal in overstemming waren met de voorschriften, maar anderzijds niet zó schadelijk werden geacht dat er 'moeilijk' over moest worden gedaan.

Dit laatste is meteen een mooi aanknopingspunt om wat meer te vertellen over passant Willem.
Voor Willem bestond 'artikel 5' namelijk niet. Hij deed alles volgens het boekje. Een standaard ambtenaar zoals die leeft in de voorstelling van de gemiddelde niet-ambtenaar. Binnen het gezelschap van plantoetsers was hij één van de hoger opgeleiden; als ik me niet vergis had hij de HTS voltooid. Willem was een peuteraar, niet alleen in zijn werk, maar, zoals  bleek toen ik hem wat beter leerde kennen, ook op andere fronten.
Dat hij van wijn bleek te houden zou wat mij betreft weer in zijn voordeel kunnen spreken. Kennelijk was hij in bepaalde opzichten toch een levensgenieter. Maar dat hij regelmatig wijn dronk werd pas duidelijk toen hij me op een onbewaakt ogenblik vertelde dat hij de bezitter was van een klimaatkast voor zijn wijnvoorraad. Ook hier had de hang naar perfectie toegeslagen. 
Van lieverlee werd duidelijk dat Willem ook door zijn directe collega's als een wat wereldvreemd buitenbeentje werd beschouwd. Toen Bouw- en woningtoezicht eenmaal was opgegaan in de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid en we waren verhuisd naar een ander gebouw in de stad, leidde deze verandering tot aanzienlijke problemen met zijn werkplek. Willem maakte melding van lichamelijk ongemak dat hij weet aan straling die volgens hem uit het plafond kwam. De bron zou, dacht hij, leidingwerk zijn dat electro-magnetische golven uitzond. Tot welke lichamelijke klachten dit bij hem leidde, is mij nooit helemaal duidelijk geworden. 
Zijn klachten werden door de leiding in zoverre serieus genomen dat er binnen de grote ruimte waar de plantoetsers zaten, met zijn persoonlijke werkplek werd geschoven. Uiteindelijk werd er een plek gevonden waar hij minder last had van de door hem ervaren negatieve effecten, maar helemaal tevreden is hij na de transitie van de dienst nooit meer geworden, geloof ik.
Cynisme kreeg bij Willem de overhand.  
Toen, al vrij kort na de vorming van de Omgevingsdienst, de Tweede Kamer besloot dat plantoetsing en bouwtoezicht op termijn bij marktpartijen zouden worden ondergebracht en plantoetsers en inspecteurs een mogelijk ontslag zagen opdoemen, was Willem steevast degene die het meest zwarte scenario schilderde. 

In 2016 ging ik met pensioen. De Omgevingsdienst huisde inmiddels in het oude (en eigenlijke ook meteen het laatste) postkantoor van Dordrecht, dat op loopafstand van mijn huis ligt. Sommige jongens van de Omgevingsdienst liepen bij mooi weer en rond lunchtijd graag een rondje door de binnenstad, terwijl ze ondertussen de meegebrachte boterhammen oppeuzelden. Zo kwam ik Willem, meestal in het gezelschap van één of meerdere anderen, nog diverse keren tegen.
De laatste keer dat dit gebeurde moet in de periode 2020 - 2022 zijn geweest. Het was Corona-tijd. Willem was alleen en misschien was dat de reden dat we even de tijd namen voor een praatje.
Als ik het me goed herinner was het ergste van de Corona-epidemie al achter de rug; in ieder geval werd er bij Omgevingsdienst weer op kantoor gewerkt. Vanzelfsprekend was de achterliggende periode vrijwel direct onderwerp van gesprek. Al heel snel bleek hoe Willem daar naar keek; Corona was een complot. Het was niet gewoon een epidemie van een tot dan toe onbekend virus. Er waren duistere krachten de gang geweest en ze waren nog lang niet klaar met ons, onwetende burgers.
In een poging om het gesprek in andere vaarwater te leiden, probeerde ik van onderwerp te veranderen en begon ik over een ander maatschappelijk fenomeen. Wat dat precies was weet ik niet meer, maar ook hier zag Willem allerlei geheime manipulaties van de overheid of andere machten.
Eén en ander leidde tot een versneld afscheid. Daarna heb ik Willem niet meer gezien.

De hele traditie van het rondje rond het middaguur schijnt sowieso te zijn afgeschaft, want ook de andere collega's kom ik tegenwoordig nooit meer tegen. 

woensdag 29 oktober 2025

Door Zweden en Denemarken naar huis




















Het afscheid van de Døvrefjell viel niet ècht zwaar. 
Het weer was na een paar dagen met veel zon, maar van lieverlee dalende temperaturen weer buiïger geworden. Op onze laatste dag aldaar zouden vlakbij, in Dombås,  de eerste sneeuwvlokken van na de zomer zijn gevallen. We hebben ze zelf niet gezien, maar het alwetende Google dacht het te weten. Bovendien wilden we genoeg tijd overhouden voor de thuisreis en tegelijkertijd ook nog wat van Zweden zien.

Eind jaren '90 van de vorige eeuw was ik al eens in Zweden, maar heb toen alleen Stockholm gezien. Het was een studiereis met de studentenvereniging Stylos van de Faculteit Bouwkunde van de TU-Delft, waar ik toen werkte. Veel kan ik me er niet meer van herinneren, maar wèl dat hier en daar lussen van electriciteitsdraden uit regenwaterafvoeren, die op de openbare weg uitkwamen, staken. Het bleek dat die in vorstperiodes met sneeuw de regenpijpen verwarmden, om te voorkomen dat ze verstopt raakten met ijs, waardoor bij de eerste dooi de dakgoten zouden gaan overlopen, waarbij het dooiwater ongecontroleerd op straat zou kletteren.

De reis van Dovrefjell  richting Zweden liep in ons geval via het Gudbrandsdal, Hamar, Elverum en Kongsvinger. Vanaf Elverum loopt de weg door de vallei waardoor de Glomma stroomt . Een rustige rivier, die vanwege de vele zandbanken soms een beetje aan de Loire doet denken. De weg loopt hier hoofdzakelijk door cultuurland, met vrij veel bewoning. De bossen beginnen pas op een enige afstand van de rivier .
We overnachtten, net ten noorden van Kirkenær, op een parkeerplaatsje langs de weg èn naast de rivier, met een keurig onderhouden toilet; de campings op dit deel van de route zijn schaars. 's Morgens bij het eerste ochtendkrieken hoorden we wat gerucht bij het toilet; de schoonmaker (m/v; we hebben hem of haar niet gezien) deed zhaar werk. Toen we eenmaal ècht wakker waren en de zon boven de heuvel aan de andere kant van de weg uitkwam, bleken en op de zandbanken in de rivier groepen van tientallen kraanvogels te bivakkeren. Vrij ver weg, maar met de kijker goed te herkennen.

































Kongsvinger is een oude vestingplaats met een serieus, hooggelegen fort, dat de vallei en de rivier overziet. Waarschijnlijk is de plaats een uitgebreider bezoek waard, maar wij hebben er bij de lokale Circle K slechts onze auto opgeladen en koffie met koek genuttigd.
Na het passeren van Kongsvinger wordt het landschap weer bossiger en minder gecultiveerd. Bij de grens is geen enkele sprake van enige douane-activiteit, ondanks het gegeven dat Noorwegen in economische zin niet bij de de Europese Unie hoort. Wèl valt op dat er direct ná de grens meer Noorse auto's rijden dan Zweedse. Het vermoeden rijst dat veel Noren uit de grensstreek boodschappen doen in Zweden.
Het landschap blijft grotendeel hetzelfde: veel bos, met hier en daar plukjes cultuurland. Wel zijn er nu ook de nodige meren van variërende grootte en weer veel vakantiehuisjes, vooral bij de meren. 
Bij Åmål bereiken we bijna de oever van het Vänernmeer. Het is volgens Wikipedia het grootste meer van de Europese Unie, maar blijft echter voorlopig nog verborgen achter de horizon, omdat de weg naar het zuiden op enkele kilometers van het meer blijft. Die weg leidt vanaf hier weer door uitgebreide graanvelden
Vijftig kilometer verder vinden een aardige landelijke camping aan het meer, met een klein jachthaventje. Vandaar naar het noordoosten kijkend is er inderdaad een strakke horizon met alleen maar water. De overkant van het meer is niet te zien.































Hier is aan de oever van het meer nog het een en ander aan bos. 
Het weer in Zweden is op dat moment een stuk beter dan in Noorwegen. De temperatuur zit hier overdag nog rond de 20 graden en het is zonnig.

De volgende dag rijden we door in de richting van Vänersborg, dat een mooi oud centrum blijkt te hebben, met veel gebouwen die meer dan honderd jaar oud zijn. Ook een uitgebreider bezoek waard, vermoed ik. Wij gaan echter door naar Hunnebergs Gård, een combinatie van een kleine camping en een hostel, waar je een kamer kunt huren en daar overnachten. Men heeft in het hostel ook weer een grote keuken waar we een eenvoudige, doch voedzame maaltijd kunnen bereiden, die we vervolgens nuttigen in de grote 'huiskamer'. Het hostel is gevestigd in statig 19e eeuws landhuis. Slapen doen we in ons campertje. We zijn er een paar dagen gebleven. Een fijne rustige plek, met een paar oude loofbomen, waarin we regelmatig Boomklevers en Spechten horen en zien.

















Het landhuis ligt tussen het stadje Vargön en het natuurreservaat Hunneberg - Halleberg. Aan dat reservaat zit een bijzonder verhaal vast. Het vormt een soort enclave in het omringende, tamelijk grootschalige cultuurland, dat daarnaast wordt gekenmerkt door een paar flinke stedelijke agglomeraties. Naast Vänersborg en Vargön ligt namelijk ook de industriestad Trollhättan, ooit de hoofdvestigingsplaats van SAAB, op minder dan 10 km. van het gebied.
Hunneberg - Halleberg bestaat uit twee plateau's die zich een kleine honderd meter boven het omringende vrij vlakke landschap verheffen. Het zijn een soort tafelbergen die bestaan uit vulkanisch gesteente, het gevolg van een ondergrondse vulcanische eruptie van miljoenen jaren geleden, waarbij de lava zich als een pannekoek in de ondergrond heeft verspreid. Na de stolling daarvan heeft zich, in de miljoenen jaren daarna een proces van bodemdaling en erosie voltrokken, waardoor de pannekoeken van graniet aan de oppervlakte zijn gekomen en uiteindelijk als genoemde tafelbergen boven het omringende gebied uitsteken.
Deze tafelbergen hebben nu een toplaag van veen, begroeid met bos. Sommige delen liggen lager dan andere en daar hebben zich moerassen en meertjes gevormd.





































Het gebied is klein; Hunneberg en Halleberg zijn samen pakweg 70 vierkante kilometers groot, desondanks herbergt het gebied ongeveer 90 elanden. Beide plateaus worden gescheiden door een vijfhonderd meter brede vallei, die ruwweg van zuidwest naar noordoost loopt.
We hebben er een paar wandelingen gemaakt. Onder andere naar de noordelijk punt van Halleberg, die steil afdaalt in het Vänernmeer en een wijds uitzicht over dat meer biedt. Zie het plaatje waarmee dit bericht opent.
Helaas hebben we opnieuw geen eland gezien.

Door dit deel van Zweden loopt ook het Götakanaal, dat zuid Zweden doorsnijdt van Söderköping aan de Baltische Zee tot Gotenburg aan de Skagerak/Noordzee. Het kanaal maakt daarbij zoveel mogelijk gebruik van bestaande meren en rivieren en passeert ook het Vänernmeer. Omdat het Vänernmeer enkele tientallen meters boven zeeniveau ligt is onder andere bij Trollhättan een sluizentrap aangelegd met kolken die per stuk een verval van om en nabij de tien meter hebben. Wat meer dan we in Nederland gewend zijn; hier is dat zelden meer dan 2 m. We zijn er natuurlijk even gaan kijken. Het heeft nog steeds enige economische betekenis, maar meeste gebruikers zijn plezierboten.





































De verdere reis verliep, om een beetje op te schieten, voornamelijk over autosnelwegen. Eerst langs Gotenburg naar Malmö, waar we nog een korte stop hebben ingelast in Falsterbo, net ten zuiden van Malmö. 
Het was inmiddels eind augustus en we hadden enige hoop dat er misschien al wat van de vogeltrek te zien zou zijn. Want om dat laatste staat Falsterbo bekend. Omdat de Sont, de zeestraat tussen Zweden en Denemarken hier op z'n smalst is, kiezen veel vogels die vanuit Scandinavië naar het zuiden willen deze plek om over te steken naar Denemarken. 
Onderweg, tussen Gotenburg en Malmö zagen we vanuit de auto regelmatig één of meerdere Rode Wouwen; mogelijk waren ze op weg naar Falsterbo.
Het dorp Falsterbo zelf doet denken aan de dorpen op de Nederlandse en Duitse Waddeneilanden. Er staan veel huizen en huisjes van rond de eeuwwisseling 1900 en ik vermoed dat het van oudsher populair is als badplaats.
Wij hebben een half uurtje rondgewandeld over de golfbaan die het dorp scheidt van de zee en even gepost bij het pittoreske vuurtorentje, maar de enige vogel die zich, buiten enkele kokmeeuwen, vertoonde was een havik. En dat is, bij mijn weten, niet eens een trekvogel.



















Zweden beviel ons wel. 
De natuur in Zuid Zweden is minder groots dan op de Lofoten, op de Noorse hoogvlakten en bij de Noorse fjorden, maar in vergelijking met Nederland nog steeds heel uitgestrekt en oorsppronkelijk. Ook vanaf de snelweg tussen Trollhättan en Malmö was er landschappelijk nog genoeg te genieten. Het lijkt erop dat Zweedse horeca wat betaalbaarder is dan die in Noorwegen. Bij het bezoekerscentrum van Hunneberg genoten we van een uitstekende warme lunch tegen een heel redelijk bedrag. De Zweden zelf zijn ook wat toeschietelijker dan de Noren, lijkt het. Misschien moeten we het land in de toekomst nog eens wat uitgebreider bekijken.



















Over de snelweg op weg naar de brug over de Sont zie je weinig van Malmö, hoewel de stad vlak naast de brug ligt. Hetzelfde geldt voor Kopenhagen, dat eveneens net te noorden van de brug ligt. De brug zelf is een imposant ding, net als de brug over de Grote Belt, anderhalf uur rijden verderop.
Na Noorwegen en Zweden is het Deense landschap nogal gewoontjes; Zuid Limburg is op veel plekken mooier.
We overnachten wederom op een parkeerplaats, waar zomaar een heel troepje Roeken zit, een vogel die we in Nederland betrekkelijk zelden zien.



















Na nog een laatste brug, over de Kleine Belt, zijn we op het vasteland van Jutland en slaan we af richting Duitsland.

Het noorden van Duitsland confronteerde ons met de nodige files rond Hamburg en tussen Hamburg en Bremen. Men is daar al een aantal jaren met nogal ingrijpende wegwerkzaamheden bezig, waar we al eerder, en nog veel erger dan nu het geval was, mee te maken hebben gehad. We gaan binnenkort graag nog eens terug naar Scandinavië, maar beginnen het te betreuren dat alle routes er naar toe door Duitsland lopen.

Thuisgekomen blijkt dat de auto sinds vertrek uit Nederland zo'n 7000 km. heeft afgelegd. Ik heb daarvan maar ongeveer de helft meegemaakt. Mijn vrouw heeft elke kilometer gereden. Dat was haar wens en ze heeft er eveneens van genoten. 
Het was een road trip in z'n meest genietbare vorm.











vrijdag 3 oktober 2025

De hoogvlakte en de Kraanvogels


















De de veerboot die vertrekt vanaf Lødingen komt aan in Bognes. Meer dan de veerbootsteiger is daar niet, maar je zit vanaf aankomst wèl meteen op de E6.
Zo'n wegnummer roept bij de meeste Nederlanders waarschijnlijk een beeld op van een vierbaans snelweg. De E6 is echter voor het overgrote deel van zijn lengte geen vier-, maar een tweebaansweg. Er zijn ook hele stukken waar de E6 uit slechts één baan bestaat; daar ontbreekt zelfs een middenstreep. De weg kent voor het grootste deel van zijn lengte een maximum snelheid van 80 km/u.
Er zijn waarschijnlijk geen wegen in Europa, die een zó grote lengte combineren met zóveel overweldigend natuurschoon, als de E6. Hij toont je tussen begin- en eindpunt zo'n beetje alles wat er in dit opzicht in Noorwegen te zien is, inclusief steden als Trondheim en Oslo, hoewel we op deze reis niet langs Oslo zijn gekomen. De weg staat bekend als de Noordkaaproute, hoewel de ironie wil dat de laatste 100 km. naar de Noordkaap over de E69 voeren; de E6 slaat al voor de Noordkaap af richting Kirkenes. Van Oslo naar Kirkenes is het ruim 2300 km. 
Ik denk dat wij daarvan minder dan de helft hebben gereden, omdat we ter hoogte van Hamar zijn afgeslagen richting Zweden en ook niet in Kirkenes zijn geweest. Maar daarover later.
De E6 loopt overigens voor het overgrote deel van zijn lengte parallel aan de enige spoorlijn van Noorwegen die noord-zuid loopt. Een situatie die eigenlijk wordt afgedwongen door de terreingesteldheid. Soms ben je het spoor even kwijt, dan loopt het bijvoorbeeld aan de andere kant van de rivier, die door het betreffende dal loopt, maar na een een paar kilometer zie je de lijn altijd weer terug.



















Het stuk tussen Bognes en Rognan voert door tamelijk dichtbegroeid, maar ook bergachtig gebied, waar de blik meestal niet heel ver reikt, hoewel je nog wel vaak langs een fjord rijdt die in open verbinding staat met de zee, en je dan ineens weer wèl kilometers ver kan kijken.
In de laatstgenoemde plaats stonden we een nachtje op een een camping aan de Saltdalsfjorden. Jammer genoeg in de stromende regen, terwijl het ook nog flink waaide. 















Het water in die fjord schuimde overigens niet zoals ik van zout water gewend ben. Een vinger in het water en even likken bevestigde wat ik al vermoedde; het water van de fjord, althans de bovenste laag, was zoet. Dat schijnt voor meer fjorden in Noorwegen te gelden: het water aan de oppervlakte is, waarschijnlijk door toevloed van zoet water uit de bergen, zoet. Omdat de fjorden in dit gebied ook bijna altijd diep zijn (in dit geval gemiddeld ruim 200 m.), mengen de lagen zich nauwelijks.

Na Rognan loopt de E6 een eind door het binnenland. Tot Mo i Rana (voor Noorse begrippen een flinke stad met de nodige industrie) rijd je door een vallei met rechts de hoogvlakte Saltfjellet die tot 1400 m. reikt. De weg klimt tot een kleine 700 m. boven zeeniveau en ligt op zeker moment nog maar 5 km. van de grens met Zweden.
Ongeveer op dat punt kruis je ook de Poolcirkel. De plek wordt gemarkeerd door het Polarsirkel-senteret. Een kleine toeristenval, waar men een macht aan souvenirs verkoopt, maar ook een een rendier-stamppot, die we ons goed hebben laten smaken.



















Omdat er op de hoogste stukken van de omringende boomloze hoogvlakte ook nog sneeuw ligt, en het tamelijk guur weer was, deed deze plek meer aan de Noordpool denken dan de Lofoten, hoewel die veel noordelijker liggen.

Bij Mo i Rana hebben we mogelijkheid om de E6 tijdelijk te verlaten en het mooiste stuk van de Kystriksveien, de kustweg, te gaan volgen. Die is volgens de boekjes bijna net zo mooi als de Lofoten. Het weer aan de kust is echter voorlopig, eufemitisch uitgedrukt, nog zeer wisselvallig en omdat we door hebben gekregen dat op de Døvrefjell de eerstvolgende dagen de zon schijnt, rijden we door in die richting.

Wat je trouwens veel ziet langs de E6 zijn borden die waarschuwen voor overstekende elanden. Er staan zóveel van die borden, dat je de indruk krijgt dat je vroeg of laat wel een èchte te zien moet krijgen. Mijn vrouw dacht er in een flits één gezien te hebben op de Vesterålen, maar daarna vertoonde zich niets meer wat op een eland leek.
Wat we wel zagen, in het dal dat we van Moi i Rana af naar het zuiden volgden: Kraanvogels. In het verleden zagen we ze in Frankrijk wel eens in een grote groep overvliegen, of op enige afstand in een weiland staan. Nu zagen we ze vanuit de auto; soms op maar enkele meters van de weg en vaak ook nog in de buurt van boerderijen of woningen. Steeds maar enkele vogels, nooit grote groepen, maar wel met een zekere regelmaat.

We passeerden Trondheim, met ruim 200.000 inwoners de derde stad van Noorwegen. Het is een agglomeratie die zich over een flink oppervlak uitstrekt en in een opvallend gecultiveerd landschap ligt. De omgeving is meer glooiend dan heuvel- of bergachtig en wordt gekenmerkt door grote graanvelden. Veel noordelijker wil het graan waarschijnlijk niet goed groeien.















De volgende plaats met een zekere omvang is Oppdal.
Een nogal modern uitziend stadje, met een toeristisch karakter en een grote shopping mall. Tegen de hellingen ten noordwesten van het stadje zijn diverse skiliften te zien en ook in de winkels proef je dat de wintersport hier een van de grootste economische factoren is. Volgens Wikipedia heeft het stadje bij 7400 inwoners.
Bij het verlaten van Oppdal laat een matrixbord zien dat Døvrefjell 'Åpen' (open) is en wat de actuele windsnelheid is. Oppdal ligt op ongeveer 550 m. boven zeeniveau. Hoewel het stuk van de E6, dat over de bewuste hoogvlakte loopt tot het hoogste punt bij Hjerkinn maar tot ruim 1000 m. klimt, is ie dus, met name 's winters, niet altijd begaanbaar. De weg heeft over dat traject niet echt het karakter van een bergpas. Hoewel hier en daar bochtig zit er geen enkele haarspeldbocht in. Wèl rijden we, voor we echt op de hoogvlakte komen, door een vele kilometers lange kloof met de naam Drivdalen. Wij rijden omhoog; het water in de kloof stroomt de andere kant op, naar het noorden.

Eenmaal op de 
Døvrefjell  installeren we ons voor de komende paar dagen op de Døvrefjell Lodge, een vakantiepark in Noorse stijl. De core business bestaat uit de verhuur van de typisch Noorse Hytter (vakantiehuisjes) in variërende grootte en luxe. Maar er zijn ook plekken voor campers. En men heeft, in ons geval niet onbelangrijk, een mooie ruime en verwarmde keuken, die is voorzien van alle faciliteiten. Van vierpits-fornuis met oven tot een waterkoker. Je eigen borden, bestek en pannen hoef je ook niet mee te nemen. De mengkraan bij het aanrecht hing weliswaar op half zeven, maar een kniesoor die daarop let.

















Vanuit Døvrefjell Lodge, een modieuze naam voor een plek die op de kaart Furuhaugli heet, hebben we een paar mooie wandelingen gemaakt over de omringende fjell.
De paden zijn niet altijd even makkelijk te volgen. Soms loopt het om onverklaarbare reden dood, hoewel het op de kaart gewoon door loopt, en moeten we met gebruik van ons richtinggevoel dwars door de lage of hogere begroeiing waden, om honderden meters verder weer iets op te pikken dat op een pad lijkt en soms wèl en soms niet op de kaart staat. Ik heb heel Noorwegen op schaal 1 : 25.000 op de telefoon, dus we komen altijd wel zo'n beetje waar we willen zijn, maar verwarrend is het soms wel. Hier en daar lopen we ook bijna vast in moerassige stukken, want die zijn er, ondanks het gegeven dat we gemiddeld zo'n 1000 m. boven zeeniveau wandelen, ook. Het klimmen en dalen hier is van bescheiden aard; meer dan 300 m. hoeven we in het algemeen niet omhoog te lopen.



































































Het dierenleven dat we zien blijft beperkt tot schapen en een enkele tapuit
Het weer is, zeker de eerste paar dagen, wat het Noorse weerbericht ons beloofde: droog en zonnig. 
Het Noorse weerbureau heeft een uitstekende app, met betrouwbare lokale weersverwachtingen. Wel wordt het van lieverlee kouder en in de nachten nadert de temperatuur het vriespunt.

Niet ver van Døvrefjell Lodge ligt het natuurreservaat Fokstugumyrin. Het is een een mengeling van moeras, heide en terrein met kruipwilg en ligt op de bodem van de vallei tussen Hjerkinn en Dombås, pakweg een kilometer ten westen van de E6. Er is een wanderloute van ongeveer 5 km. in uitgezet. In het broedseizoen moeten en er onder andere Kemphaantjes en Blauwe Kiekendieven te zien zijn.






 












































Half augustus is het nogal stil, maar we zien wel de nodige kraanvogels, die we door de kijker goed kunnen bekijken. Sommigen hebben een kastanjebruine vlek op de rug. In eerste instantie denk ik dat dit de mannetjes zijn, maar als ik in de vogelgids de Kraanvogel opzoek, kom ik er achter dat het bruin feitelijk modder is. De mannetjes nemen kennelijk zo nu en dan een modderbad, om kort daarna een vrouwtje te bestijgen, waarbij ze die bruine vlek op de rug van het vrouwtje achterlaten. Wie klikt op de foto hieronder, ziet een paar Kraanvogels foerageren.



















Met nog een week vakantie te gaan, besluiten we Døvrefjell achter ons te laten, om via Hamar en Kongsvinger richting Zweden te rijden.

Over Zweden en de rest van de thuisreis leest u in het laatste deel van dit verslag.