Posts tonen met het label samenleving. Alle posts tonen
Posts tonen met het label samenleving. Alle posts tonen

vrijdag 6 februari 2026

Your hometown



















Niet zo lang geleden was ik op een crematie. Het betrof één van mijn neven; een zoon van een zus van mijn vader. Geboren in Zwijndrecht, had hij vanaf zijn huwelijk gewoond en gewerkt in Ridderkerk. Desondanks vond de uitvaart plaats in Zwijndrecht, waar aan de rand van het dorp al jaren een relatief nieuwe begraafplaats met crematorium is. 
De ceremonie startte met 'My hometown' van Bruce Springsteen. 
Ik moet bekennen dat ik even vol schoot. Dat gebeurt me vaker bij dit soort gelegenheden, als de muziek op de één of andere manier zó passend is bij de persoon en zijn leven, dat ze sterke emoties oproept. Een paar jaar geleden had ik hetzelfde bij de crematie van de man die ooit mijn zwager was, en die ik in de laatste maanden van zijn leven nog beter had leren kennen dan in de dertig jaar daarvoor al het geval was geweest. Toen was het 'Wild Horses' van de Rolling Stones. Het had in zijn geval niks anders kunnen zijn, en ik zal het nummer nooit meer kunnen horen zonder aan hem te denken. Het lied op zich is er alleen maar mooier op geworden, wat mij betreft.

Mijn neef was dus oorspronkelijk een Zwijndrechter, net als ik. Maar hij was veel meer Zwijndrechter dan ik ooit geweest ben. Dat komt mede door het gegeven dat ik nooit erg ben opgenomen in de Zwijndrechtse gemeenschap. Behalve het lidmaatschap van gymnastiekvereniging O & O (Oefening en Ontspanning), dat mij min of meer werd opgedrongen omdat gymnastiek heilzaam zou zijn tegen de bronchitus, waaraan ik in mijn jeugd leed, ben ik nooit lid geweest van een vereniging die toegang gaf tot het sociale leven in Zwijndrecht. Mijn lidmaatschap van de lokale bibliotheek, waar ik wèl de deur platliep, leverde in sociale zin weinig tot op. De vriendjes van de lagere school verloor ik na het verlaten daarvan al snel uit het oog. Bijna niemand ging naar de L.T.S., en de paar die er wèl naar toe gingen waren op de lagere school al geen vriendjes. Na de L.T.S. volgde de M.T.S., maar die stond in Dordt en gek genoeg kwam een aanzienlijk deel van mijn klasgenoten daar uit de Alblasserwaard. Na schooltijd zag ik de jongens uit mijn klas niet. Eén klasgenoot van de L.T.S, deed ook toelatingsexamen, maar hij zakte. Ik slaagde wel, hoewel ik dacht dat ik gezakt was. Een voor die tijd significant detail. 

Na de militaire dienst ging ik al vrij snel op kamers in Dordt. En hoewel ik begin jaren '80 nog even in een flatje 'op Zwijndrecht' woonde (hoewel Zwijndrecht toen al zo'n 30.000 inwoners moet hebben gehad, woonden autochtone Zwijndrechters nog steeds 'op Zwijndrecht'), vertrok ik rond 1986 naar Delft. Voor het werk en de liefde. Ik had definitief afscheid genomen van mijn geboortedorp. Ik kwam er eigenlijk alleen nog om mijn moeder en mijn goede vriend T. op te zoeken. Maar dat was dan ook de enige vriend die ik aan Zwijndrecht had overgehouden.

Mijn neef heeft de banden met zijn geboortedorp echter nooit ècht doorgesneden. 
Hij was een toegewijd voetballer en voetbalde hij het grootste deel van zijn voetballende leven bij VVGZ (Voetbalvereniging Geluksvogels Zwijndrecht). Daar voetbalde ook een andere neef van me die wèl Valk heette, en sowieso was VVGZ de thuisbasis van alle voetbalminnende Valken. Ook mijn vader is het grootste deel van zijn leven lid geweest; hij was het nog toen hij in 1983 op 64-jarige leeftijd overleed. De eerstgenoemde neef bleef, ook toen hij al jaren in Ridderkerk woonde en werkte, contact onderhouden met de Zwijndrechtse vrienden uit zijn jeugd en de tijd bij VVGZ. In essentie was hij een Zwijndrechter gebleven.
Mijn vader, nog een generatie ouder dan ik en mijn neef, was bij wijze van spreken 'wereldberoemd in Zwijndrecht'. Dat kwam mede doordat hij vanaf 1945 deel uitmaakte van de Zwijndrechtse gemeentepolitie. Maar zijn vader, mijn opa, had nog een tuinderij, en omdat Zwijndrecht van oorsprong een dorp van tuinders is, kun je rustig zeggen hij dat Zwijndrechtser dan Zwijndrecht was. In mijn jeugd werd mij, als een autochtone Zwijndrechter hoorde dat ik 'Valk' heette, regelmatig gevraagd of ik "er één van Janus Valk was" (iemand die door zijn ouders was getooid met de naam 'Adrianus' werd in Zwijndrecht automatisch 'Janus'), Inderdaad, dat was ik; ik was zelfs de enigste 'van Janus'.
Hoe bekend hij was in Zwijndrecht merkte ik pas toen hij was overleden. In het condoleance-register stonden uiteindelijk meer dan vierhonderd namen..

In Delft integreerde ik evenmin. Van mijn directe collega's op de TU woonde slechts een enkeling in Delft en die verloor ik na een paar jaar weer uit het oog, omdat ik bij een andere hoogleraar en een ander werkverband terecht kwam. Mijn kennissen in Delft waren de kennissen van mijn vriendin, die al langer in Delft woonde. Ik ontleende niets aan de stad dat enigszins op een identiteit leek. Sterker nog: ik vond de Delftenaren lichtelijk irritant. Waaraan ze het precies ontleenden is mij nooit volledig duidelijk geworden, maar in het plaatselijke sufferdje, feitelijk niet meer dan een advertentie blaadje, stond zelden of nooit ook maar één negatief woord over de stad of zijn bewoners. Delft was dit en Delft was dat; Delft was geweldig. Zelf vond ik Delft een tikkeltje benauwd. De binnenstad heeft een zekere kwaliteit, maar is eigenlijk maar piepklein en daarbuiten beginnen, na wat dertiger jaren-architectuur, al snel de eenvormige buitenwijken, die in iedere Nederlandse stad precies hetzelfde zijn.

Eigenlijk is dat laatste één van de universele Nederlandse drama's.
Zwijndrecht had, in de tijd dat ik een jochie was nog de Ringdijk, met z'n bebouwing die plaatselijk al honderden jaren oud was. Die bebouwing heeft men begin jaren '70 vakkundig verwijderd. Het was nodig voor een dijkverhoging. Zei men. Het gevolg is, dat Zwijndrecht op wat panden langs de Rotterdamseweg na, nauwelijks nog bebouwing heeft die ouder is dan honderd jaar. Hoewel er al voor de tweede wereldoorlog de nodige industrie in Zwijndrecht was, is het oorspronkelijke karakter van een tuindersdorp al heel lang verleden tijd. Zwijndrecht verschilt in allerlei opzichten eigenlijk niet meer van volledig identiteitsloze oorden als Alphen aan den Rijn en Zoetermeer.

Nu ik min of meer een oud mannetje ben geworden, en ondanks het feit dat ik mijn identiteit nooit erg heb laten bepalen door mijn afkomst, betrap ik mezelf soms op een vage melancholie. Het gevoel dat ik eigenlijk nergens meer ècht thuis ben. Dat ik feitelijk nergens meer wortels heb. Hoewel ik er in mijn jongere jaren nooit over nadacht, zou ik er heden ten dage veel voor over hebben om eens een kijkje te kunnen nemen op de tuinderij van opa Valk. Een tuinderij waar mijn vader en zijn broers nog hebben gewerkt en die eigendom was van een man die ik nooit heb gekend.  Dat alles is verdwenen in de nevelen van het verleden. Niet alleen de mensen, maar ook de tuinderij, die al kort na de oorlog is overspoeld door het uitbreidende Zwijndrecht. Dat gebeurde al voor ik geboren was, waarschijnlijk.
Zelfs het Zwijndrecht dat ik nog heb gekend, bestaat niet meer. Evenals het Eiland IJsselmonde van mijn jeugd.

Ondertussen woon ik al bijna dertig jaar in Dordrecht. En dat al dertig jaar in hetzelfde huis. Dat huis is in de eerste twintig jaar dat ik er woonde helemaal door m'n handen gegaan, om het beeldend uit te drukken. Eigenlijk is dàt wel deel van mijn identiteit geworden. Dat het in Dordrecht staat is mooi meegenomen; het is van alle steden in het westen van Nederland één van aardigste, hoewel de buitenwijken precies dezelfde bloedarmoede hebben als in Delft en Alphen aan den Rijn. De binnenstad ligt aan de rivier; dat maakt ook veel goed. 
Toch zal ik nooit een Dordtenaar worden zoals de broers en zusters van mijn moeder dat waren. Ondanks het gegeven dat ik soms Zwijndrechters (meestal mensen die er ook niet zijn geboren) pest met de opmerking: "het mooiste in Zwijndrecht is het gezicht op Dordt".

My hometown.. Is dat de plaats waar ik ben geboren? Ooit, heel lang geleden, was dat zo. De herinnering kwam even boven op die crematie, door toedoen van Bruce Springsteen.




zondag 6 april 2025

Easy Rider




















Vier maanden geleden schreef ik een stukje over de film Lawrence of Arabia, zoals die mij werd voorgeschoteld door omroep ONS. Een maand of twee verder bleek dat de nostalgie van ONS alle kanten op kan; het kanaal had Easy Rider geprogrammeerd. 
In tegenstelling tot de eerstgenoemde film weet ik zeker dat ik Easy Rider wèl eerder had gezien. En niet op televisie, maar ècht in de bioscoop. Wanneer dat precies was, weet ik niet meer exact, maar het zal niet meer dan een paar jaar ná het verschijnen van de film zijn geweest. De Amerikaanse première was in 1969; wanneer de film in Nederlandse bioscopen werd uitgebracht heb ik niet kunnen achterhalen. Ik vermoed dat het ergens in de eerste helft van de jaren '70 was en ik vermoed bovendien dat er een relatie was tussen het feit dat de twee hoofdrolspelers op een Harley-Davidson reden en een ander feit: het gegeven dat mijn beste vriend (die dat overigens nog steeds is) net zelf een Harley had gekocht. Die hij vervolgens helemaal uit elkaar haalde om hem eens grondig te reviseren, wat tenslotte, jaren later, uitdraaide op het in onderdelen te verkopen, zonder er zelf ooit verder dan een paar kilometer op te hebben gereden. Maar dat is weer een heel ander verhaal.

Het eerste wat opviel, toen ik de film opnieuw bekeek, was de beeldkwaliteit. Die was, zelfs op mijn relatief kleine televisie, veel beter dan je van een low-budgetfilm van vijf-en-vijftig jaar geleden zou verwachten. Er blijkt al een aantal jaren geleden een 4K-scan van het oorspronkelijke materiaal te zijn gemaakt. Mogelijk was dit de versie die ONS vertoonde.
Mede daardoor was de film, al was het alleen maar om de mooie weergaven van de diverse Amerikaanse landschappen, een genoegen om naar te kijken.

Maar Easy Rider is niet alleen om z'n soms fraaie beelden de moeite waard. 
Het scenario toont de kijker een reeks van aspecten van het Amerika van eind jaren zestig. Mede in het licht van de recente ontwikkelingen in de VS is dat een interessant gegeven. 
De marketing blurp waarmee de film destijds werd geadverteerd luidde: A man went looking for America and couldn’t find it anywhere. Op het moment dat beide hoofdrolspelers na een lucratieve dope deal op pad gaan is het nog niet zo duidelijk dat ze ergens naar op zoek gaan. Het is slechts duidelijk dat ze naar de Mardi Gras in New Orleans willen. De mensen en gebeurtenissen waarmee ze onderweg te maken krijgen leidden niet zozeer tot een zoektocht als wel tot het maken van keuzes. 
Dat de film een soort document van zijn tijd is geworden lijkt van meet af aan de bedoeling te zijn geweest. Dennis Hopper, die meeschreef aan het scenario, heeft later verklaard: "I wanted Easy Rider to be kind of a time capsule for that period". Dat kan een later verworven inzicht zijn, maar achteraf moeten we constateren dat de makers aardig in die opzet zijn geslaagd.

Dat ik het nog steeds een aardige film vind, is natuurlijk een puur persoonlijk oordeel; ik was jong toen hij uitkwam en hij zit al vijftig jaar in mijn herinnering. Ik denk een beetje te begrijpen wat de film de kijker wil tonen. Maar ik ben geen modern mens, die zich een aanzienlijk deel van zijn tijd laat verdoven met de moderne versie van brood en spelen. Op de website Moviemeter vond ik de volgende recensie:

Poeh wat een lange zit.

Netflix weer eens aangeslingerd in de hoop van een klassieker. Dat zat er niet in. Het eerste half uur is nauwelijks door te knagen: veel motorrijden, veel tenenkrommende hippies, en twee suffe personages gespeeld door Hopper en Fonda. Vooral Dennis ‘man’ Hopper is erg vervelend. Eigenlijk doet hij dit personage in Apocalypse Now dunnetjes over.

Nicholsons intrede in de film is een godsgeschenk. Eindelijk een wat intrigerender karakter, wat ook de interessantere scènes met zich meebrengt. Hij weet de film echter niet te redden. Alleszeggend is de vage LSD trip op het eind...pff.

Op naar de volgende Netflix.

De recensent mist naar mijn idee het één en ander, maar in één opzicht heeft hij wèl een punt: Dennis Hopper's acteerwerk lijkt inderdaad erg op zijn verbeelding van de verwarde fotograaf die hij in Apocalyse Now speelt.
Helaas voor de recensent op Moviemeter is de rol van Nicholson in de film vrij beperkt. Hij heeft zich eigenlijk nog maar nèt bij de twee hoofdrolspelers aangesloten, als hun gezamenlijke bivak, na wat onschuldig geflirt met een stel lokale tienermeisjes, wordt aangevallen door een aantal rednecks uit hetzelfde dorp, die van buitenbeentjes als zij niks moeten hebben. Nicholsons personage overleefd die aanval niet.
Zijn invloed bepaalt echter wèl in grote lijnen het verdere verloop van verhaal.
Voor hij het tijdelijke met het eeuwige verwisselt heeft hij het oorspronkelijke duo namelijk het adres van een bordeel in New Orleans gegeven, met de aanbeveling daar vooral langs te gaan.
Fonda en Hopper (Wyatt en Billy in de film) volgen zijn raad op en doen met twee dames uit het bordeel een LSD-trip, die uitmondt in een nachtmerrie. Alle positiviteit lijkt ineens verdwenen.
In een van de laatste scenes zitten beiden weer, ontnuchterd, in hun bivak bij een vuurtje. 
"We blew it", zegt Wyatt tegen Billy. Billy begrijpt er niks van: ze hebben geld en ze gaan naar Florida om er daar  van te gaan genieten! Maar Fonda maakt er verder geen woorden meer aan vuil en herhaalt: "We blew it".
In de laatste scene blijkt dat ze het niet alleen verprutst hebben; ze komen nooit in Florida aan, maar worden door wéér andere rednecks van hun motorfiets geschoten.

Wyatt lijkt zich te hebben gerealiseerd dat vrijheid niet te koop is. Zeker niet als het geld waarmee je die wilt kopen afkomstig is van een schimmige drugsdeal. Want hoe vrij zijn drugsverslaafden? En hoe verhoudt jouw vrijheid zich met hun onvrijheid? Wyatt doorziet dat vrijheid niet bestaat zonder een zekere verantwoordelijkheid en dat ieder voor zich en God voor ons allen niet per definitie leidt tot vrijheid voor iedereen. 
Eigenlijk trekt de film de conclusie die voor de meesten pas in de loop van de jaren '70 goed doordrong: het optimisme en de vrijheidsdrang uit de jaren zestig was verdampt tot hedonisme, dat doorsloeg in egoïsme en zelfs naar destructief gedrag. 
Velen wijzen de gebeurtenissen tijdens het gratis festival dat de Rolling Stones organiseerden in Altamont in december 1969 als het einde van tijdgeest van de jaren zestig. Easy Rider verscheen echter al een half jaar eerder, in juli 1969, en de opnames begonnen al in de eerste helft van 1968. De makers hadden een vooruitziende blik. 
In dit verband is het overigens interessant om te constateren dat Fonda en Hopper in 1968 al respectievelijk 29 en 32 jaar oud waren. Niet direct leeftijden die je associeert met de flower power generation.
Je zou zomaar kunnen vermoeden dat beiden met een zekere afstand naar de toenmalige tegencultuur keken en dus ook wat makkelijker het failliet ervan konden erkennen.

Wie de film in het heden bekijkt, kan zich afvragen of er in Amerika sindsdien veel is veranderd. Easy Rider geeft namelijk ook een beeld van de mentaliteit in small town America anno 1968, die je in de terminologie van vandaag anti woke zou kunnen noemen. De meest conservatieve elementen verzetten zich ook destijds al op vrij gewelddadige wijze tegen alles wat afweek van hetgeen ze kenden. Datzelfde conservatisme lijkt in het Amerika van nu opnieuw de boventoon te voeren
Toch stemde in 2024 maar iets meer dan de helft van de Amerikanen op Trump en of dat vooral vanwege zijn weerzin tegen woke was, is ook een vraag.

Aan de andere kant: het menselijk tekort is er altijd geweest en zal wel nooit helemaal verdwijnen. Slechts de mate waarin het opspeelt en de manier waarop het zich manifesteert verschilt van tijdsgewricht tot tijdsgewricht.






zaterdag 13 januari 2024

Parijs



De eenmansredactie van Het Ondermaanse heeft een paar turbulente dagen achter de rug, waarvan ik u de details zal besparen. Ik noem slechts de hoofdrolspelers. Dat waren naast mijn vrouw en ik: een weinig doortastende ANWB (met name de vestiging Lyon) en een nogal gemakszuchtige Franse garagiste.

De eerste week van het nieuwe jaar, daarentegen, bezochten wij de Franse hoofdstad. 
Het waren genoeglijke dagen. Mijn laatste bezoek aan de stad lag alweer ruim twaalf jaar in het verleden en het was een prettig weerzien. 
Er leek niet heel veel te zijn veranderd; men slaapt er nog steeds in aanzienlijke aantallen onder de bruggen, maar in de details waren er toch wel wat verschillen te zien.
 
















Zo is de Eiffeltoren inmiddels omgeven door een transparante schutting. Je kan er niet meer onderdoor lopen zonder je te scharen onder de bezoekers die daadwerkelijk de toren willen bestijgen. Aan de zuidwestkant van de genoemde schutting is de ingang, waar je al meteen door een poortje moet en je tevens een veiligheidscontrole passeert. 
Mijn vrouw heeft hoogtevrees en wil voor geen goud de toren op, dus we hadden er verder vrede mee. Wel jammer dat een stuk openbaar gebied is opgeofferd vanwege de angst voor terrorisme. 
Ook werd duidelijk dat men binnenkort de toren zijn 20e schilderbeurt sinds de oplevering in 1889 gaat geven.

















We hebben heel ontspannen een aantal bezienswaardigheden en plekken bekeken waar we nog niet eerder waren geweest. 
Eén daarvan was eigenlijk pas sinds 2021 weer geopend. Het Musée Carnavalet, dichtbij Les Halles en het Centre Pompidou, was er eigenlijk al sinds 1880, maar was na 2017 vijf jaar gesloten vanwege een verbouwing en herinrichting van de collectie. Het museum behandelt de geschiedenis van Parijs, vanaf de prehistorie tot de huidige tijd. Wij vonden het zonder meer de moeite waard; ook na het feit dat we pakweg een half uur in de rij moesten omdat we vooraf geen kaartje hadden gekocht. We hebben niet alles bekeken; daar moet je een volledige dag voor uittrekken, en omdat het voor de tijd van het jaar eigenlijk best goed weer was, wilden we ook veel tijd buiten doorbrengen.
Het Centre Pompidou, waar we ook nog nooit binnen waren geweest, had exposities met werk van Chagall en Picasso, maar toen we voor de deur stonden, bleek er een mouvement social gaande; het gebouw was gesloten.

























In zo'n geval is altijd nog het Musée Picasso, dat vanaf Centre Pompidou met pakweg een kwartiertje lopen te bereiken is. Daar waren we ook nog nooit geweest. Net als het Musée Carnavalet zit het in een mooi oud gebouw, van het type waarvan men in Parijs een onuitputtelijke voorraad heeft.
Hier was de verrassing dat er weliswaar een selectie uit het werk van Picasso te zien was, maar dat dit was verbannen naar de kelder. Een expositieruimte die overigens minstens zo sfeervol is als de verdiepingen daarboven. 
De overige verdiepingen waren geheel gewijd aan het werk van Sophie Calle, van wie wij nog nooit hadden gehoord; iets dat vermoedelijk aan ons ligt, want in Frankrijk is mevrouw overduidelijk iemand.


 






















Sophie fotografeert en maakt installaties, en ten dele beschouwt ze zichzelf ook als een kunstwerk, geloof ik. Zo was er een film te zien waarin de volledige inventaris van haar vrij luxueuze stulpje werd getaxeerd. Die inventaris werd ook in het museum geëxposeerd; een merkwaardige verzameling curiosa, die een aardige inkijkje bood in haar interesses, die vaak enigszins aan de morbide kant zijn, zoals ook uit andere installaties bleek.
Sophie Calle is ook niet vies van wat koketterie, die soms een regelrecht pesterige vorm aannam. Aan het eind van haar expositie was een 'troostzaaltje'. Een kleine ruimte waar welgeteld één schilderij van Picasso hing. Alsof mevrouw wilde zeggen: "ik begrijp best dat je hierin de eerste plaats bent voor Picasso, maar helaas pindakaas; ik vul hier nu de meeste ruimte.."
Eigenlijk was ik, zoals dat in de moderne newspeak heet, al een beetje klaar met Sophie Calle. Na dit pesterijtje had mevrouw het voor altijd bij mij verbruid.

Gelukkig was één kelder vol met Picasso's genoeg om ook dit bezoek de moeite waard te maken. We weten inmiddels dat hij een vrouw-onvriendelijke eikel was, maar het blijft zonder meer één van de grootste kunstenaars van de 20e eeuw. 
De selectie gaf een mooi inzicht in de verschillende periodes en de stijlen die hij daarbinnen hanteerde. Picasso maakte vrij kort na de eeuwwisseling 1900 al de vervormde mens- en dierfiguren waaraan hij zijn grootste beroemdheid ontleend, maar tussendoor maakte hij bijvoorbeeld ook een naar de werkelijkheid geschilderd portret van één van zijn kinderen, dat een grote liefde voor het kind uitstraalt, zonder dat het een sentimentele draak wordt.

Nou ja, verder zijn we natuurlijk even naar Montmartre gegaan, waar de hekken bij de Sacré Coeur inmiddels zó dicht met slotjes zijn behangen dat je er niet meer doorheen kan kijken.

















Het Bois de Boulogne hadden we ook nog nooit gezien. Het eigenlijke bois is niet erg bijzonder. De oude bomen die ik verwacht had zijn er bijna niet; het bestaat om de één of andere reden vooral uit tamelijk jonge aanplant.
In en bij het bos zijn echter twee plekken die we wèl bezienswaardig vonden.
Bij het zuidelijk uiteinde van het bos bevindt zich de Jardin des Serres d'Auteuil, een verzameling plantenkassen uit de late 19e eeuw, die een botanisch tuin, met voornamelijk tropische en subtropische planten vormen. Het is allemaal gratis te bekijken.

















In het bos zelf ligt het Parc Bagatelle. Het is een klein landgoed, door een muur afgescheiden van de rest van het Bois de Boulogne. Aan de westkant staan een klein chateau, het zogenaamde Trianon en wat andere bijgebouwen, waarin o.a. een restaurant is gevestigd. Aan de zuidkant bevindt zich een Frans-formeel vormgegeven rozentuin. Voor het overige is het park ingericht als een landschapstuin, met kronkelende paden, kleine en grotere waterpartijen, romantisch nep-ruïnes en ander folies. Er lopen pauwen en in de de vijvers kun je Mandarijneenden zien. 
Een fijne plek om een paar uur door te brengen als je de drukte van Parijs en de toeristenmassa's even zat bent. Toen wij er rondliepen kwamen we vooral Franse gezinnetjes tegen. Geen toerist te zien.


Tja, dan kan ik verder nog even uitweiden over het graf van Napoleon, over wie we net, uit de recente speelfilm over zijn leven, hadden geleerd dat hij Josephine de Beauharnais bij voorkeur nogal ruw van achteren nam. Of over het legermuseum dat in hetzelfde complex (Les Invalides) is gevestigd en dat best interessant is, maar dat doe ik maar even niet.

Wat in Parijs een opvallend ding is: het enorme aantal mensen van kleur. En het gegeven dat dit niet in de eerste plaats Marokkanen of Algerijnen zijn, maar vooral ècht zwarte mensen. Tot op zekere hoogte lijken ze tamelijk geïntegreerd in de Parijse samenleving, maar anderzijds klonteren ze toch op bepaalde plekken bij elkaar. 
Toen wij op zeker moment over de Boulevard de Strasbourg liepen, bleek deze over een lengte van een paar honderd meter alleen te bestaan uit zwarte kapsalons, die kennelijk ook een sociale functie vervullen, want voor de deur, op het trottoir, zag het zwa.., uhm.. was het drukte van belang met zwarte mensen. Er ging geen enkele dreiging van uit, men had het gezellig onder elkaar; er hing een opgewekte positieve sfeer.
Ook opvallend in dit verband: we hebben veel daklozen gezien in Parijs, maar niet één zwarte. In de metro zijn ook veel zwarte mensen. Voor een deel tamelijk gesoigneerd, soms met een aktentas onder de arm.

Anne Hidalgo, burgemeester van Parijs, had overal een poster op laten hangen, met daarop een meisje op een typisch Parijs balkon, dat met een hand aan de mond "Bonne Année!" roept. Ze wenst ons een mooi 2024 toe.


Kortom: Parijs boezemde, ondanks de alomtegenwoordige waarschuwingen voor een mogelijke Attentat, geen enkele angst in. Voor ons was het een ontspannen ervaring. En dat in een stad die ik nog steeds beschouw als de overtreffende trap in stedelijkheid. Stadser dan in Parijs, met z'n straatprofielen van pakweg twintig meter breed, met aan weerszijden gevelwanden van zes tot acht verdiepingen en ongeveer dezelfde hoogte, wordt het nergens ter wereld.
Moderne stedebouwkundigen gruwen er waarschijnlijk van, maar zolang je jezelf er veilig voelt, geven die straten ook een merkwaardig gevoel van geborgenheid.

Zoals ik al schreef: het was een gelukkig weerzien. 
There will always be an England, maar Parijs straalt, ondanks z'n dynamiek, ook een bepaald gevoel van eeuwigheid uit.

dinsdag 28 november 2023

Wat is het risico?

foto: NY Times

















Eigenlijk heb ik geen idee waar de voorkeuren liggen van de mensen die met enige regelmaat mijn stukjes lezen. Niet dat ik me erg veel gelegen zou laten liggen aan die voorkeuren als ze ooit boven water zouden komen, maar ik kijk regelmatig terug naar mijn epistels en de afgelopen tijd valt me op dat ze wel èrg vaak over politiek gaan. 
En als ik er even wat langer over nadenk, moet ik toegeven dat deze politieke teksten waarschijnlijk vrij zinloos zijn. Dat ik met mijn uiterst beperkte lezersschare ook maar enige invloed op de publieke opinie uitoefen, lijkt me vrijwel uitgesloten. Het lucht m'n gemoed weliswaar een beetje, want ik kan niet ontkennen dat ik zo nu en dan tamelijk gefrustreerd ben over de gang van zaken in de Nederlandse politiek, maar dan hebben we het voor wat betreft het nut van dit soort geschrijf echt wel gehad.
Dit even als inleiding op wat, naar wat ik me heb voorgenomen, voorlopig m'n laatste stukje over politiek is.

De politieke aardverschuiving (ik ben te lui om een nieuwe beeldspraak voor het fenomeen te bedenken) van afgelopen woensdag heb ik even op mezelf laten inwerken.
Ondertussen is er al weer van alles gebeurd, waardoor het gebeuren alweer wat bijgekleurd is, maar de vraag blijft wat het voorland van de Nederlandse samenleving is.
Een mooi woord: samenleving. Wat positiever dan het neutrale 'maatschappij'. Dat samen is toch een beetje waar het om draait. Een samenleving is geen maatschappij waarin ieder voor zich en God voor ons allen bovenaan staat. Een samenleving is ook geen maatschappij waarin de één minder rechten en meer plichten heeft dan de ander. 
Een béétje fatsoenlijk mens beaamt dat en gaat niet aan de grondwet morrelen om dat te veranderen. Tenminste, dat vind ik, want ik houd mezelf voor zo'n fatsoenlijk mens. 

Maar inmiddels is gebleken dat een groeiende groep Nederlanders daar anders over denkt. De mate waarin men daar anders over denkt loopt uiteen, maar het idee van hoe een fatsoenlijke maatschappij eruit dient te zien is duidelijk aan het schuiven. 
Dat meer dan 20 procent van de stemmers Wilders de ruimte wil geven om zijn programma door te voeren is één ding. Maar dat de stemmers op VVD en BBB in meerderheid een coalitie willen vormen met de milde versie van Wilders, die zijn partijprogramma gewoon handhaaft en alleen maar zegt dat een deel van dat programma in de ijskast gaat, is bedenkelijker. 
Negen-en-dertig procent van de Nederlandse kiezer wil na de verkiezingen een rechts kabinet, waarvan die kiezers ook wel weten dat dit zonder deelname van de PVV onmogelijk is. Dat de PVV meedoet is door de kiezer dus ingecalculeerd. 
Kortom, een aanzienlijk deel van het volk lijkt bereid bepaalde grondrechten te willen inleveren als er nu dan eindelijk maar eens een regering komt die orde op zaken stelt. Toen ik me dat realiseerde, schoot me onwillekeurig een uitspraak van mijn vader te binnen, die ik nooit meer ben vergeten: "Hitler was een klootzak, maar de treinen reden wèl op tijd!".
Als zo'n gedachtengang breed wordt gedragen, zijn we in Nederland zo langzamerhand en bijna zonder dat we het in de gaten hadden toch wel op een hellend vlak belandt, naar mijn idee.

Aanvankelijk was ik van mening dat het kabinet Wilders er maar gewoon moest komen. Want hoe democratisch is het om Wilders, na een dergelijke verkiezingsuitslag, opnieuw te isoleren en kalt zu stellen? Dit nog los van de kans dat hem dit bij een volgende verkiezing nog meer stemmen op zou leveren.
Maar gedurende die paar dagen dat ik de verkiezingsuitslag verwerkte, ben ik toch gaan twijfelen. 
In de Eerste Kamer heeft rechts geen absolute meerderheid (als je tenminste het CDA, 50 plus en OSF niet mee rekent), maar links is absoluut in de minderheid.
Als de VVD tòch meedoet met het te vormen rechtse kabinet, of het stevig gedoogt, zoals de bedoeling schijnt te zijn, heeft het in de Eerste Kamer een stevige basis om haar wetsvoorstellen erdoor te krijgen.
En stel nu eens dat men aan de grondwet zou willen gaan sleutelen; wie van de Eerste Kamerleden houdt dan zijn rug recht, als die wijzigingen ongelijkheid in de hand werken?
Die rechte ruggen waren bij het aanstellen van de eerste verkenner, een paar dagen geleden, al bijna onvindbaar. Tegen de eerdere afspreken in werd toch weer een politiek actieve verkenner goedgekeurd.

Toegegeven, dit is zo'n beetje het zwartste scenario dat denkbaar is, maar hoe onwaarschijnlijk is het? Wie durft daar na de laatste verkiezingsuitslag nog wat over te zeggen? Wie durft op zeker moment tegen de wil van het volk in te gaan als die wil niet strookt met de eigen morele principes?
Ziedaar het risico uit de titel van dit stukje.

Ik kan het nog dramatischer maken door te verwijzen naar de manier waarop de NSDAP in 1933 de absolute macht aan zich trok. Dat verhaal ga ik hier niet van a tot z opdienen, het Wikipedia-lemma Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij legt het allemaal keurig uit.
De essentie is dat Hitler aanvankelijk door verkiezingen aan de macht kwam en dankzij enkele ander rechtse partijen een regeringscoalitie kon vormen. Die partijen steunden hem toen hij vervolgens de Rijksdag ontbond en nogmaals nieuwe verkiezingen uitschreef, waarna hij zijn gelijkschakeling kon beginnen.

Nu was de situatie in Duitsland in de eerste helft van de jaren '30 heel anders dan in Nederland. De armoede en de werkloosheid waren van een heel ander niveau dan in het Nederland van nu. Het percentage mensen in Duitsland dat ècht wat te klagen had was een stuk groter dan in het huidige Nederland.
Maar de krachteloosheid van de Weimar-republiek vertoont wel enige gelijkenis met het beleid van vier kabinetten Rutte. En ook die krachteloosheid was veel Duitsers een doorn in het oog, net zoals die van de Nederlandse politiek in de afgelopen tien jaar dat bij de Nederlandse kiezer is.
Toch lijkt zo'n vergelijking nog steeds wat overdreven.

Voorlopig moet het kabinet Wilders er nog komen. 
Komt het er niet en worden nieuwe verkiezingen noodzakelijk, dan kan er van alles gebeuren.
Ik laat het voorlopig aan me voorbijkomen en hoop als volgend stukje iets te presenteren waarin wat meer waardenvrije romantiek zit. Hoe lang ik die houding volhoud zal moet blijken.
Wat de politiek betreft zien elkaar wel weer ergens aan de andere kant van de tunnel.







zaterdag 11 november 2023

Hildo

























Hildo en zijn vrouw Anne waren al twintig jaar mijn overburen, voor ik Hildo ècht leerde kennen. In die twintig jaar waren we incidenteel wel eens bij elkaar over de vloer geweest, maar door allerlei oorzaken, waar ik kortheidshalve niet verder over zal uitweiden, was er nooit een sterke vertrouwensband ontstaan. 
Hildo en en Anne waren duidelijk een stuk ouder dan ik. Ongeveer vijftien jaar, bleek achteraf. Toen covid de kop opstak, waren ze voor mijn gevoel kwetsbaarder voor besmetting dan ik zelf was. Bovendien was Hildo blind. Hun enige kind, een dochter, woonde met haar man in Antwerpen. 
In een opwelling van mede-menselijkheid bood ik omstreeks april 2020 aan om boodschappen voor ze te doen, zodat ze zich niet noodgedwongen onder de mensen behoefden te begeven en zodoende hun besmettingsrisico konden beperken.
Het aanbod werd geaccepteerd en vanaf dat moment ging ik wekelijks, op vrijdag of zaterdag met hun boodschappenkarretje voor hen naar Albert Heijn, die hier op ongeveer 500 m. afstand zit. 

Tot begin juni van dat jaar ging alles op die manier z'n gangetje.
Op zeker moment, het was een warme, zonnige dag geweest, zaten mij vrouw en ik achter het huis op ons balkon te eten, toen er een ambulance, met werkende sirene, door de Museumstraat roste. Het klonk alsof hij in de buurt stopte. We zijn geen sensatiezoekers, die bij elke calamiteit vooraan willen staan en we gingen er vanuit dat de ambulance werd bemand door capabel personeel, dat niet op onze hulp zat te wachten. We aten derhalve rustig door, in het vaste vertrouwen later nog wel te horen welk noodlot in de omgeving had toegeslagen.
Een uur later werd er gebeld. Mijn buurman Pieter, die vertelde dat Anne was overleden. Ze was, ik verzin dit niet, gestikt in een gehaktbal. 
Hildo was, toen hij doorkreeg wat er aan de hand was (hij kon het niet zien), in paniek de straat op gerend en had een willekeurige voorbijganger aangeklampt. Ook de buurman die links van hem woonde was er bij geweest. Wat hem, vertelde hij me achteraf, een tamelijk traumatiserende ervaring had opgeleverd. Ze hadden, tot de ambulance arriveerde, samen het één en ander geprobeerd, maar toen de ziekenbroeders het overnamen was het eigenlijk al te laat. Toen Anne enkele dagen later werd gecremeerd, kon ik daar niet heen, want: covid.

Vanaf dat moment was ik niet alleen de man die boodschappen deed voor Hildo, maar ook degene met wie hij wekelijks, voor het doen van de boodschappen, zo'n anderhalf uur van gedachten wisselde over dingen die hem in de voorgaande week zijn hadden beziggehouden.
Want Hildo mocht dan weliswaar nauwelijks meer de deur uitkomen; hij luisterde constant naar de radio en was van het hele wereldgebeuren op de hoogte. 
Hij had ook een stoïcijnse karaktertrek. Van verdriet over zijn plotseling overleden vrouw liet hij weinig blijken. In plaats daarvan wisselden we verhalen uit over de actualiteit, onze jeugd en onze reizen. Zo kwam ik er ook achter dat hij niet blind was geboren. Tot ongeveer 50-jarige leeftijd was zijn gezichtsvermogen normaal geweest. Veel beelden uit de tijd voor zijn blindheid waren bewaard gebleven als herinneringen. 
Hij moet strijdvaardig met zijn opkomende blindheid zijn omgegaan en bovendien was een zekere kunstzinnigheid hem niet vreemd. Hij was gaan beeldhouwen. Er stonden de nodige beelden en beeldjes van zijn hand in huis. Zelfs van de blindengeleidehond die hij een tijdje had, maakte hij een beeldje. Ik heb de levende hond ook gezien; het beeldje was een perfecte karakterisering van het beest

Hildo bleek, ondanks zijn handicap, ook verbazingwekkend goed in staat om elke dag een warme maaltijd klaar te maken. Daarbij werd onvermijdelijk soms behoorlijk geknoeid; de inductie-kookplaat in de keuken zag er, nèt voordat zijn schoonmaakster langskwam, meestal uit als een beest. 
Aanvankelijk at hij nog regelmatig verse groente, later werden dat in toenemende mate kant-en-klaar maaltijden, die hij in de magnetron schoof. Die kon hij ook blindelings bedienen. En vis, veel verse vis. Hij was een groot liefhebber van Zeebaars en Zwaardvis en als dat er onverhoopt niet was, ik kocht dat altijd op de markt, kon een tong ook wel. En soms paardeworst; een hele of een halve. Dat was afhankelijk van de vraag of zijn dochter met haar hond en zijn kleinzoon binnenkort nog langskwam.

Nadat het vaccineren was begonnen, duurde het nog behoorlijk lang voor hij een oproep kreeg voor een injectie met het vaccin van zijn keuze. Hij wilde namelijk persé het Jansen-vaccin. Uiteindelijk zijn we samen, op een regenachtige avond, naar een priklocatie aan de rand van de stad gereden. Toen bleek al dat zijn loopvermogen behoorlijk was teruggelopen. Op de terugweg van de vaccinatieruimte naar de auto mochten we gelukkig een rolstoel lenen.
Dat was eigenlijk al een voorteken.

Toen de covid-storm een beetje luwde, probeerde ik hem af en toe wel eens zover te krijgen om weer een eindje te wandelen door de stad, wat hij voor covid regelmatig deed. Omdat hij een lange pluizige baard had, altijd een soort van leren cowboy-hoed droeg en met zijn stok tikkend en schrapend over het trottoir zijn weg zocht, was hij een bekende verschijning in de binnenstad. Als ik in een winkel of bij een marktkraam vertelde dat ik boodschappen deed voor mijn blinde overbuurman, wist men meestal wel over wie het ging.
Maar Hildo vertoonde, toen het weer kon, weinig animo om naar buiten te gaan. Veel meer dan de hele dag op de bank zitten, naar de radio luisteren en voor zijn natje en droogje zorgen, deed hij eigenlijk niet meer. 

Hildo was een meester in het regelen van zaken via de telefoon. Als hij wat nodig had, of er moest iets worden geregeld, dan ging hij bellen. Hij deed dat met inzet van alle middelen. en schroomde ook niet om zijn blindheid als argument in de strijd te gooien. "Ik ben bind, meneer, en ik ben aan huis gebonden! U moet hierheen komen!" 
Op zeker moment moest er een nieuwe matras voor een een-persoonsbed komen. Iemand van de matrassenwinkel kwam opmeten hoe groot hij moest zijn, en een week later sliep Hildo beneden in de woonkamer, op zijn nieuwe matras. Hij kon het niet meer opbrengen elke avond de trap op te gaan naar zijn slaapkamer.

Zo werd het 2022. De groente was al een tijdje van de boodschappenlijstjes, die we samen opstelden, verdwenen. Wèl altijd een pak stroopwafels en veel sinaasappel- en druivensap.
Als je iemand regelmatig ziet, dan vallen veranderingen in gedrag en eetpatroon niet zo snel op, maar achteraf bekeken leefde Hildo uiteindelijk vooral op vocht en suiker, denk ik.
Soms werd zijn gedrag ook tijdelijk minder coherent. Op zeker moment dacht hij dat de stroom was uitgevallen, omdat de magnetron het niet meer deed. Dat kon ik in de meterkast snel genoeg controleren. De stroom was niet uitgevallen; Hildo was vergeten hoe de magnetron werkte. Het leek op de eerste verschijnselen van dementie, maar als we eenmaal in gesprek waren over andere actualiteiten klonk hij weer volledig bij de tijd.

Soms kwamen er nog andere mensen bij hem langs, zoals bijvoorbeeld zijn voorlezer. Hildo kon braille lezen, maar had daar kennelijk een hekel aan, dus kwam er in bepaalde periodes een kennis langs die een roman van zijn keuze voorlas. Af en toe kwam er met vaste intervallen ook nog iemand op bezoek vanuit de WMO. Die deed onder andere zijn administratie en zijn bankzaken. Het was waarschijnlijk deze persoon die het begin juni 2022 nodig vond om er een arts bij te roepen. Die constateerde dat hij vanwege zijn lichamelijke conditie moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Zijn voorlezer kwam het me vertellen.

Het viel me ondanks alles rauw op m'n dak. 
Had ik de zaak zelf verkeerd ingeschat en had ik eerder aan de bel moeten trekken bij zijn dochter en de instanties? Dat idee had ik niet gehad, de laatste keer dat ik hem zag, en dat kan nooit veel meer dan een paar dagen vóór zijn ziekenhuisopname zijn geweest.

Ik heb Hildo na zijn ziekenhuisopname niet meer gezien.
Wel heb ik, voor hij overleed, nog één of twee keer contact gehad met zijn dochter. Bij hem langsgaan in het ziekenhuis had niet zoveel zin meer, begreep ik.
Ik ben vanzelfsprekend nog wèl naar zijn uitvaart gegaan, maar het was toch een afscheid met gemengde gevoelens. Ik had hem graag nog alles verteld over vliegles die hij me, als dank voor mijn hulp, cadeau had gedaan. 
Maar die vond uiteindelijk pas plaats toen hij al meer dan een half jaar dood was.







zaterdag 23 september 2023

IJsland


















Het Alpensneeuwhoen knort als een varken. 
Terwijl we na het eten een avondwandelingetje maken, vliegt hij op uit het omringende grasland en maakt al roepend dat hij wegkomt. Voor een hoender kan hij, vergeleken met bijvoorbeeld een fazant, behoorlijk goed vliegen. Binnen enkele seconden is ie honderden meters van ons verwijderd..
Wij dachten hier in het voorjaar aan te komen, maar alle Alpensneeuwhoenders zijn nog spierwit. Dat is hun winterkleed; in het voorjaar ruien ze en krijgen ze hun broedkleed, dat gespikkeld bruinig en veel donkerder is. De soort is karakteristiek voor het land waar we, na wat voorafgaande vijven en zessen, verdeeld over een jaar of drie, ten lange leste toch zijn gearriveerd: IJsland.

We hebben het er jaren over gehad; we móesten er een keer naar toe. 
In de winter 2018-2019 voegden we de daad bij het woord. We regelden een vlucht en we regelden een camper. Op 27 april 2019 zouden we voor 19 dagen naar IJsland vertrekken.
Het was ons echter niet gegund. 
Wat zich het eerst voordeel weet ik niet meer, maar mijn vrouw kreeg netelroos en de vliegmaatschappij waar we de vluchten hadden geboekt (WOW-air; een IJslandse prijsvechter) ging failliet. 
Mijn vrouw verging voortdurend van de jeuk en moest op een streng dieet, zonder koemelk, eieren, kip en nog wat dingen en kon eigenlijk niet in slaap komen zonder eerst een uur in een warm bad met havermout (ik verzin dit niet) te hebben gelegen.
De reis werd derhalve geannuleerd. 
Het jaar daarop was de netelroos min of meer onder controle, maar vanaf maart 2020 legde covid de wereld grotendeels lam. In 2022 had het misschien weer gekund, maar uiteindelijk is het dus op 2023 uitgekomen; van 21 april tot 5 mei j.l. waren we op IJsland.

Zonder al te veel te overdrijven kan ik stellen dat het één van de mooiste reizen van ons leven is geworden. 
Dit ondanks het feit dat ik, vooral uit vogelaarsoogpunt, al snel de conclusie kon trekken dat we voor het mooi een maand te vroeg waren. Het nu gekozen tijdsbestek kwam voort uit de mei-vakantie van mijn vrouw, die in het onderwijs werkt. Die mei-vakanties vallen steeds vaker voor een groot deel in april.
Hoe dan ook: veel broedvogels waren helemaal nog niet gearriveerd. 
En of het nu een laatste koudegolf was of niet: in het oosten en noorden van het eiland lagen de temperaturen, gedurende de periode dat wij daar waren, zelfs overdag een paar graden onder nul. Bij Myvatn, dat algemeen wordt beschouwd als het beste vogelgebied van IJsland, vroor het 's nachts een graad of zeven. Ondanks het feit dat dit meer deels wordt gevoed met water uit warme bronnen, waren delen ervan bevroren. 
Er zat een klein dieselkacheltje in de camper, maar dat hadden we meestal alleen 's ochtends vroeg en 's avonds een uurtje aan staan. 

















De temperatuur in de camper is tenminste één nacht tot onder nul gedaald. Dat merkte ik doordat er op zeker moment geen water meer uit het, door een electrisch pompje bediende, kraantje kwam. Nadat de kachel eventjes gebrand had kwam de watertoevoer weer op gang. 
De kou verhinderde niet dat we lekker sliepen. Onder de meegebrachte slaapzakken en met een kruik aan het voeteneinde wisten we het aardig warm te houden. Ter compensatie hebben we overdag relatief veel zon gehad en maar twee dagen die je het predikaat 'regendag' zou kunnen geven. Nu, maanden later terugkijkend, kan ik vaststellen dat we ons eigenlijk op geen enkel moment ècht oncomfortabel hebben gevoeld.

De traditionele IJsland-reis bestaat meestal uit het rijden van weg nummer 1; de IJslandse ringweg, die grotendeels, maar soms op enige afstand daarvan, de kust volgt en zo het vrijwel onbewoonde centrum van het eiland omcirkeld. Van Reykjavik naar Reykjavik over de 1 is een afstand van ruim 1300 km. Die traditie hebben we na enige aarzeling gevolgd, hoewel we het bij een volgend bezoek anders aan gaan pakken.
Wie de ring tegen de klok in doet, krijgt de meest fabuleuze en soms regelrecht vervreemdende landschappen gepresenteerd, waarvan de schoonheid toeneemt naarmate men verder oost- en noordwaarts komt.

Het dooiwater van de grootste gletscher van IJsland, de Vatnajókull, stroomt voornamelijk naar de zuidoostelijke kust. De uitlopers van de gletscher hebben zich echter in de afgelopen tientallen jaren over een zekere afstand teruggetrokken. Vanaf de ringweg zie je de randen aan de horizon liggen. Tussen die gletschers en de kust ligt vaak een volledig kale vlakte van lavagruis. Een regelrecht maanlandschap van enorme omvang, alleen onderbroken door enkele rivieren en riviertjes die het smeltwater naar zee afvoeren. 

















Naarmate je oostelijker komt wordt het landschap bergachtiger en begin je langs een fjordenkust  te slingeren. Noorwegen in het kwadraat, zeg maar. Nog majestueuzer en nòg ongerepter. 
De dorpen hier zijn klein. Vaak niet meer dan een paar huizen rond een benzinepomp annex mini-supermarkt. De combinatie van een zekere desolaatheid met een benzinepomp wekt soms associaties op met de wegen door eindeloze, woestijnachtige vlakten, zoals we ze ook kennen uit Amerikaanse films.

Sommige dorpen hebben desondanks toch een zekere charme, zoals Djúpivogur, waar we een aardig gesprekje hadden met de eigenaar van hotel Framtid, die tevens de plaatselijke camping exploiteerde. 

















Een camping die normaal open was; iets dat in april en begin mei op IJsland bepaald niet strijk en zet is. Met name langs de zuidkust bleken de meeste campings in deze periode nog gesloten. Je mocht er vaak wel staan met je camper, maar toiletten en douches zaten op slot. In Vik hebben we dat opgelost door gebruik te maken van het zwembad, waar we èn konden weken in water van 40 graden èn onder de douche konden. Het aardige is namelijk dat veel IJslandse gehuchten, ondanks alles wat ze nièt hebben, wèl een (verwarmd) zwembad hebben. Warm water is op de meeste plekken op IJsland min of meer gratis; het komt gewoon warm uit de aarde.
De campings hebben, als ze open zijn, ook meestal een gemeenschappelijke ruimte, die goed verwarmd is en waar je vaak zelf kunt koken. Koude ochtenden en avonden zijn derhalve prima te overleven; je hoeft niet urenlang de kachel in je camper te stoken.

Terugkomend op 'aardige gesprekjes': wij hebben de IJslanders ervaren als vriendelijke, behulpzame mensen. Ze zijn veel tegemoetkomender dan de Noren, met wie we ruim een half jaar eerder nog te maken hadden en die soms een hekel aan buitenlandse toeristen lijken te hebben. De IJslanders houden niet van moeilijk doen, maar als uitvloeisel daarvan zijn ze ook niet zo geneigd de puntjes op de i te zetten. Op veel plekken wordt de voorbijganger getroffen door een zekere rommeligheid. Ik hou daar wel van; het is bijna een mediterraans trekje, dat je bij een volk dat deels van Scandinavische herkomst is, niet verwacht. Mogelijk komt het van het deel aan Keltisch bloed, dat ook door de IJslandse aderen schijnt te stromen, omdat de eerste kolonisten op IJsland Ierse monniken waren. De Vikingen schijnen pas later te zijn gekomen.


















Terwijl de landschappen, voor een deel nog met een winterse uitstraling, van de overtreffende trap waren en het vulcanisme, ook door de zwavelstank die op veel plaatsen ruikbaar is (soms stinkt zelfs het leidingwater ernaar) indrukwekkend, viel het voor wat betreft de vogels dus wat tegen.

















Zoals ik al schreef: veel broedvogels waren domweg nog niet of nauwelijks gearriveerd. We hebben niet één levende Papegaaiduiker gezien en ook een karakteristieke soort als Grauwe of de Rosse Franjepoot was er nog niet. Wèl zagen we duizenden Noordse Stormvogels, die ook al druk aan het broeden waren. Het zijn eigenlijk kleine Albatrosjes en de kunst van het vliegen met zo min mogelijk vleugelslagen, gebruik makend van stijgwinden langs steile rotswanden, beheersen ze even goed als hun grotere familieleden. 

















Ook Goudplevieren en Watersnippen waren al in grote aantallen aanwezig. De laatste twee kun je, vooral tijdens de trek, ook in Nederland zien, maar dan moet je het meestal stellen zonder het baltsgedrag, waar deze soorten in IJsland rond eind april heel druk zijn. De Goudplevier produceert tijdens de balts een roep die je Nederland nooit hoort en vliegt daarbij als een overmaatse Leeuwerik: hij klimt met snelle vleugelslagen de lucht in, waarna hij met gestrekte, omhoog geheven vleugels omlaag zweeft. De Watersnip maakt op IJsland duidelijk waarom hij in Nederland de bijnaam hemelgeitje heeft gekregen: tijdens zijn baltsvlucht maakt de Watersnip duikvluchten, waarbij opgezette veertjes aan z'n achterlijf in trilling komen en een mekkerend geluid voortbrengen. Het geluid is in de typische Watersnip biotopen, vochtige heidevelden en moerassen onontkoombaar en de hele dag te horen.
Daarnaast zagen we rond Myvatn vele exemplaren van de IJslandse Brilduiker en een paar Harlekijneenden; beiden typische IJslandse soorten. Ook zeevogels als de Alk, en de Kleine Alk waren in flinke aantallen aanwezig langs de zuidwestkust. De Kleine Jager hebben we daar ook gezien evenals de IJsduiker.
Opvallend is dat veel vogels op IJsland minder schuw lijken dan in Europa. Goudplevieren scharrelen in dorpen rond in tuinen en plantsoenen, en laten zich vrij dicht benaderen. 

















Op de parkeerplaats bij het ijsmeer Jökulsárlón, waar stukken ijs van een uitloper van de Vatnajókull afbreken en naar zee drijven, kon ik de Sneeuwgors formaatvullend fotograferen.


IJsland gaat door voor een dure bestemming. Wij hebben ervaren dat het qua boodschappen niet goedkoop is, maar zolang je winkelt bij de wat grotere supermarkten en je zorgvuldig je keuzes maakt zijn de dagelijkse levensbehoeften niet heel veel duurder dan in Nederland. De winkeltjes die onder één dak zitten met de lokale benzinepomp in een klein gehucht zijn aanzienlijk duurder. Eten in een restaurant kent daarentegen niet dezelfde prijs/kwaliteitverhouding als in Nederland. Voor een een eenvoudig hamburger-menu met een drankje zit je al snel op een (omgerekend) bedrag van € 50,-. We hebben derhalve bijna alle dagen zelf gekookt. 
Onze duurste uitspatting was een rit van anderhalf uur door het IJslandse landschap op, vanzelfsprekend, een IJslandse pony, voor ongeveer € 70,- per persoon. Mijn vrouw had een beetje voorgaande ervaring, maar ik had nog nooit op een paard gezeten. Het viel me niet tegen. Ik voelde me na een paar minuten eigenlijk volledig op m'n gemak. Qua besturing is het in principe eenvoudiger dan autorijden, maar ik had vast een heel lief en gewillig paard. Zeker in de context (klimmen en dalen; een riviertje doorwaden) was het een bijzondere ervaring.


















We gaan zeker nog een keer terug naar deze merkwaardige noordelijke lavaklont.
Hoewel het reizen met een (eenvoudige) camper ons goed is bevallen, gaan we het bij een volgende gelegenheid zeker anders aanpakken. Twee weken bleken genoeg om de ringweg in z'n geheel te kunnen rijden en daarnaast nog een paar zijsprongen in het aangrenzende gebied te kunnen maken, maar je zit alles bij elkaar toch teveel tijd achter het stuur. Bij een volgende reis maken we een keuze voor een paarplekken waar we langer willen blijven en zullen we de afstanden daartussen steeds overbruggen met rit van pakweg 300 km. Dat is zo'n beetje de maximale afstand die je in een dag rijden met een paar stops kunt overbruggen zonder te jakkeren. Over het algemeen geldt op de ringweg een maximale snelheid van 90 km/u., maar het gemiddelde komt toch vaak niet hoger dan zo'n 60 - 70 km/u.

Wanneer de terugkeer op IJsland z'n beslag zal krijgen is nog niet duidelijk. Bij voorkeur gaan we als mijn vrouw gestopt is met haar werk in het onderwijs, zodat we van de schoolvakanties bevrijd zijn. Als we tegen die tijd nog mogen vliegen, tenminste.