zondag 21 september 2025
Het politieke landschap wordt een slagveld
maandag 23 december 2024
Mijn Nieuwjaarswens voor Nederland en de wereld
![]() |
| bron: someecards.com |
Lezers die de titel van dit stukje vinden getuigen van misplaatste hoogmoed kan ik geruststellen; u mag die titel rustig beschouwen als een met ironie doordrenkte bon mot.
Zo maakte ze onder andere duidelijk wat, volgens Huizinga, een politiek leider tot een succesvolle leider maakte. Daarbij ging het volgens hem in eerste instantie om deugden in de definitie van Aristoteles. Zo'n leider moest niet alleen slim zijn, maar vooral zó slim dat hij daarbij het hogere doel nooit uit het oog verloor, en dat op een zodanige manier dat er recht werd gedaan het belang van land en volk in de breedst mogelijke zin. Die deugden worden ook benoemd: beheersing, rechtvaardigheid, wijsheid en moed. De latere kerkvader Augustinus heeft daar nog geloof, hoop en liefde aan toegevoegd. Volgens Beatrice waren die zeven begrippen sinds de vroege middeleeuwen "het scharnierpunt" voor mensen die geacht werden te handelen in het publieke belang.
Huizinga schrijft in het genoemde boek onder meer: de gemakkelijk bevredigde maar nooit verzadigde behoefte aan banale verstrooiing, de zucht tot grove sensatie, de lust aan massavertoon. (...........) Een aantal eigenschappen, die psychologisch dieper geworteld liggen dan de genoemde, en die men eveneens het best onder den term puerilisme kan begrijpen, zijn het ontbreken van gevoel voor humor, het warmloopen op een woord, de verregaande engdenkendheid en onverdraagzaamheid tegenover nietgroepsgenooten, de matelooze overdrijving in lof en blaam, de toegankelijkheid voor elke illusie die de eigenliefde of het beroepsbesef vleit.
De taal is misschien, evenals de genoemde deugden, een beetje archaïsch, maar het kan niet worden ontkend dat het hierboven beschreven gedrag ook vandaag weer volop aanwezig is in het publieke domein en zelfs in de tweede kamer en de regering opgang maakt.
Beatrice was van mening dat de deugden van Aristoteles, Augustinus en Huizinga bij veel van de huidige (wereld)leiders nogal op de achtergrond zijn geraakt. Dat valt ook niet te ontkennen, lijkt me. Mensen als Trump en Wilders zouden niet door de ballotage van het bovengenoemde drietal komen.
Ik wens u allen plezierige dagen van ontspanning en bezinning, benevens een goede start van 2025
Keep calm and carry on.
maandag 13 november 2023
De Eindtijd
donderdag 15 maart 2018
Granada
| Het Alhambra en Granada vanuit het Generalife |
In dit tijdsgewricht is het nauwelijks voorstelbaar, maar ooit was er een tijd waarin islamieten een serieuze bijdrage leverden aan wat we de vooruitgang zouden kunnen noemen. De periode van 750 tot 1250 geldt volgens Wikipedia als het "Islamitische gouden tijdperk". We spreken dan vooral over wetenschap en techniek. Omdat de moslims destijds openstonden voor wat oudere beschavingen, zoals de Griekse, hadden voorgebracht en zij daarop voortbouwden, beleefden ze eigenlijk al vijfhonderd jaar vóór Europa hun renaissance. Bijzonder, want in Europa gelden de Middeleeuwen als tijd van stilstand of zelfs achteruitgang. Zoniet in de islamitische wereld. Wiskunde, geneeskunde en astronomie werden door de moslims op een hoger plan gebracht.
Dat alles nam echter niet weg dat de Islam ook een bekeringsdrang in zich had, die op haar beurt een zucht naar territorium met zich mee bracht. Aan het eind van het eerste millenium van de christelijke jaarteling beheerste de Islam geheel Noord-Afrika en het grootste deel van het Iberisch schiereiland.
Dat laatste gebied noemen we heden ten dage Spanje en Portugal. In het huidige Andalusië stichtten de uit Noord-Afrika afkomstige Moren dicht bij de Sierra Nevada een stad. Die uiteindelijk de residentie werd van opeenvolgende Moorse vorstenhuizen; het huidige Granada.
In samenhang daarmee ontstond, vanuit een vesting die uitkeek over de honderd meter lager geleden stad, van lieverlee het Alhambra, een paleizencomplex dat in de loop van enkele eeuwen door verschillende Islamitische vorsten is gebouwd en uitgebreid en dat zonder twijfel hèt hoogtepunt van Moorse bouwkunst in Europa is. Het is daarmee ook Granada's voornaamste claim to fame.
Van 26 februari tot 5 maart waren we in de stad. Vanzelfsprekend om het Alhambra te zien, maar ook om in de omgeving rond te kijken (we hadden een auto ter beschikking) en wat wandelingen te maken. De afstand tussen natuur en cultuur is in Granada namelijk niet heel groot.
Verhalen over het Alhambra zijn in reisgidsen en op internet in ruime mate te vinden. Daar zal ik de lezer dus niet verder mee vermoeien. Ik beperk me tot de mededeling dat een bezoek de moeite meer dan waard is. Een dag is eigenlijk te kort om alles goed te bekijken en zelfs zonder de paleizen binnen te gaan is het er, door de parkachtige setting en de weidse uitzichten, heel prettig vertoeven.
| Gezicht op het Generalife vanuit de tuinen van het Alhambra |
In het paleis dat Karel de Vijfde (voor ons is ie een Duitse keizer, maar de Spanjaarden zien dat anders) pal naast de islamitische paleizen neerpootte, zitten enkele musea en was een mooie beeld- en geluidspresentatie over de taal die de ornamentering van het Alhambra spreekt. Onder het dak boven de galerij die uitkijkt op de binnenplaats van dit paleis, zaten ook nog Rotszwaluwen. Wat wil een mens nog meer?
| De binnenplaats van het Palaccio Carlos V |
Wij vonden Granada een prettige stad. Het is er buitengewoon levendig; die typische hang naar gezelligheid buitenshuis, die je vrijwel overal in Zuid-Europa aantreft, is hier sfeerbepalend. Het beeld wordt desondanks niet volledig door toeristen beheerst. Dat zal mogelijk ook iets te maken hebben met het gegeven dat het een studentenstad is. De universiteit van Granada trekt veel buitenlandse studenten, die hier het Europese Erasmusprogramma volgen.
Er is een scala aan stadse biotopen; van de middeleeuwse Moorse wijk Albaicin, via de feitelijke binnenstad (grotendeels tijdens de renaissance gebouwd, vermoed ik), die een voetgangersparadijs is waar auto's ontbreken, tot de 20e eeuwse buitenrand, die wordt gedomineerd door woongebouwen van al snel zeven, acht verdiepingen hoog.
Het is geen dure stad. Betaalbaar buiten de deur eten is goed te doen, met een goede prijs-/kwaliteit-verhouding. Dronken worden is ook niet duur. Voor € 3,00 heb je een halve liter Spaanse pilsener.
Jammer genoeg viel het weer nogal tegen, terwijl wij er waren. We hadden eigenlijk maar één dag waarop het niet regende. De andere dagen varieeërden van buiig tot totaal verregend. Van het wandelen kwam minder dan we ons aanvankelijk hadden voorgenomen. We reden, tussen de buien door, om de Sierra Nevada heen. Langs de spectaculaire kustweg A-7 van Motril naar Almeria en via het binnenland, langs de woestijn van Tabernas (waar spaghettiwesterns zijn opgenomen), La Calohorra en Guadix weer terug. Ondanks het slechte weer waren de dreigende wolkenluchten, de landschappen en de uitzichten prachtig, maar als je nauwelijks de auto uit kan, blijft het een soort televisiekijken.
| Almeria en zijn haven vanaf het Moorse fort |
Dus wat is er verder in de stad nog te beleven? Qua binnenactiviteiten, vooral!
Granada heeft in culturele zin nog twee dingen waar het op kan bogen.
Aan de zuidwestkant, ingeklemd tussen de randweg en de stad ligt het Parque Federico García Lorca. In dat parkje ligt het voormalige buitenhuis van de familie Lorca. De schrijver en dichter Garcia Lorca heeft er vele zomers doorgebracht. In het huis is nu een museum over hem ingericht.
Toen we (in de stromende regen) bij het huis arriveerden bleek het echter al sinds september vorig jaar gesloten vanwege een renovatie. Wat we overigens hadden kunnen weten, want het staat op de website.
Blijft over die andere culturele trekpleister. Nou ja; trekpleister is een wat groot woord voor dit huisje, dat vanaf Lorca's vakantiehuis hemelsbreed ongeveer 1,5 km. naar het oosten ligt. Je kan er voor kiezen om er zigzaggend door de binnenstad heen te lopen. Maar de route wordt wat overzichtelijker als je een tijdje langs de Rio Genil loopt, die aan de zuidkant het centrum begrenst. Wandelend door een langgerekt parkje, tot je een paviljoen tegenkomt dat uit het fin-de-siècle van honderd jaar geleden lijkt te stammen. Of in ieder geval die indruk wil wekken.
| Granada - het pavillioen naast de Rio Genil |
En passant wordt je daar trouwens, als je blik de loop van de Rio Genil verder stroomopwaarts naar het zuidoosten volgt èn als het goed weer is, getrakteerd op de besneeuwde bergen van de Sierra Nevada.
| Granada - de Rio Genil, met de Sierra Nevada op de achtergrond |
Want daar komt het water dat nu, na de regen van de afgelopen dagen door de in beton gevatte rivierbedding kolkt, vandaan. Wie bereid is nog vierhonderd meter in oostelijke richting door te lopen kan nog even gaan kijken op de Placeta Joe Strummer. Joe (eertijds lid van de punkband The Clash) blijkt een band met Granada en Andalusië te hebben gehad. Mede vanwege het feit dat zijn vriendin er vandaan kwam. Het is een klein terrasje, gelegen in de lus van van een haarspeldbocht die zich hier boven kronkelt. De muren rondom zijn opgefleurd met sierlijke grafitti. Je kan er onder grote bomen lekker in de schaduw zitten. Als het zonnig is, hè.
Dat was het echter op onze dag niet. Wij lopen vanaf het paviljoen, zigzaggend door straten en steegjes ruwweg in noordoostelijke richting omhoog in de richting van het okerkleurige Alhambra Palace Hotel dat onder het Alhambra tegen de helling is gedrapeerd.
Net links daarvan ligt, aan een uitloper van de Calle Antequeruela Baja, het huisje waar Manuel de Falla van 1921 tot 1939 woonde. De deur naar de binnenplaats staat open. De kassajuffrouw, tevens gids, rondt snel haar telefoongesprek af. Omdat er verder geen belangstellenden zijn, krijgen we voor € 5,- per persoon een privé-rondleiding in het Engels.
Het huisje is piepklein, maar in de drie kwartier die het bekijken in beslag neemt, krijgen we een prachtig verhaal over De Falla en zijn verblijf in Granada.
Volgens onze gids was De Falla een hypochonder. Niet zozeer depressief, maar naar eigen zeggen wel vaak ziek, zwak en misselijk. De gids toont een stoeltje, met aan de poten wieltjes. Dat werd door De Falla als een soort rollator gebruikt.
| De Falla's 'rollator' |
We zien zijn huiskamer, waar hij ook componeerde en zijn slaapkamer, met tal van pillendoosjes op het nachtkastje.
Aan het feit dat het huis heden-ten-dage weer is ingericht zoals het was in de tijd dat De Falla er woonde, is trouwens een bijzonder verhaal verbonden. In één van de andere kamers die we zien, hangt een reeks schetsen van het interieur van het huis, die zijn gemaakt voor de componist in 1939 naar Argentinië vertrok.
| Aan de muur de schetsen van het oorspronkelijke interieur |
Bij dat vertrek werd de inboedel van het huis verdeeld onder vrienden en kennissen van de Falla. In 1962 kocht de gemeente Granada het pand en kwamen bovendien de interieurschetsen weer tevoorschijn. Het grootste deel van de inboedel werd geretourneerd en aan de hand van de schetsen werd het huis opnieuw ingericht, maar nu als museum.
En passant vertelt de gids ook nog wat over de relatie tussen De Falla en Garcia Lorca.
Hoewel Lorca ruim twintig jaar jonger was dan de Falla, hadden ze een gezamelijke interesse: de flamenco-cultuur van de Spaanse zigeuners. Vanaf 1922 beijverden ze zich samen om het Concurso de Cante Jondo, een jaarlijks terugkerende wedstrijd in Granada, waar Flamencozangers en -dansers streden om de eer van de beste uitvoering, onder de aandacht te brengen Tot dat moment werd Flamenco in Spanje beschouwd als een niet serieus te nemen cultuuruiting. Mede onder invloed van Lorca en De Falla is dat geleidelijk veranderd. In El sombrero de tres picos (The three cornered hat) van De Falla, uit 1919 is de Flamenco-invloed al merkbaar. Lorca zou later het gedicht Poema del cante jondo publiceren. Ongeveer tegelijktijd werkten Lorca en de Falla samen aan een muzikaal toneelstuk voor kinderen.
Hoe lang de vriendschap tussen Lorca en De Falla heeft geduurd, is niet duidelijk. In een aantal opzichten waren ze namelijk tegenpolen. De Falla was een vrome katholiek, waar Garcia Lorca, zeker in de tweede helft van de jaren '20, steeds meer een links georiënteerde modernist werd. Bovendien was hij homoseksueel, iets dat in het Spanje van die tijd formeel niet bestond en niet mocht bestaan.
Op mijn vraag aan de gids hoe De Falla's katholicisme en Lorca 's moderniteit combineerden, volgt een wat ontwijkend antwoord. Over dat soort verschillen werd en wordt in Spanje bij voorkeur niet gesproken. Picasso, ook niet bekend om zijn vroomheid, was eveneens een regelmatige gast in huize De Falla. De tweedeling links-rechts is in het huidige Spanje nog springlevend en bepaalt nog steeds heel sterk het politieke klimaat. In de privésfeer laat men deze tegenstelling echter het liefst voor wat ie is.
Lorca's modernisme en homoseksualiteit hebben hem in laatste instantie het leven gekost. Hij was in Granada, toen in juli 1936 de Spaanse burgeroorlog uitbrak en werd in augustus van dat jaar door een nationalistische militie opgepakt en waarschijnlijk in de omgeving van de stad vermoord.
De aanleiding voor de verhuizing van De Falla naar Argentinië in 1939 is niet helemaal duidelijk. Sommige bronnen suggereren dat dit te maken had met het gegeven dat Franco in dat jaar de strijd om de macht in Spanje in zijn voordeel besliste. De gids weet nog wel te vertellen dat een verzoek van de nationalistische Spaanse regering, tijdens De Falla's laatste jaren in Argentinië, om een muziekstuk te componeren voor een bepaalde officiële gelegenheid, door hem beleefd werd afgewezen. Hij had het te druk. De Falla heeft Spanje na 1939 nooit meer teruggezien, maar werd na zijn dood in 1946 wèl met veel eerbetoon in zijn geboorteplaats Cadiz begraven.
Buiten gekomen blijkt het droog te zijn. We besluiten nog even een middagje te gaan genieten van natuur en wandelen. Na een korte autorit lopen we nog een paar uur door de de kloof van Monachil. Het weer is bijna Nederlands te noemen. Na de verregende ochtend volgen er felle opklaringen en genieten we volop van de voorjaarszons in de foothills van de Sierra Nevada.
De dag erop gaan we naar huis.
zaterdag 25 november 2017
Hoe ruimdenkend kun je zijn?
Het Ondermaanse is niet nationalistisch of gewoon rechts; dat weet u ondertussen wel als u een regelmatige lezer van dit blog bent.
Maar de vraag of schrijver dezes toevallig niet ook een zogenaamde Gutmensch moet worden genoemd, is gerechtvaardigd, vind ik. Voor wie de term in kwestie nog niet kende: een Gutmensch is een begrip dat tegenwoordig wordt gebruikt door personen ter rechterzijde van het politieke spectrum; de hoek waarin zich GeenStijl en de Annabel Nanninga's van deze wereld bevinden. Een kort synoniem voor iemand die te allen tijde politiek correct is; zoiets.
Overigens schijnt de term afkomstig te zijn van Nietzsche. Voor hem was de Gutmensch ook een verachtelijk persoon, want het exacte tegendeel van de eveneens door Nietzsche geïntroduceerde Übermensch.
U begrijpt: als we nog even op dit thema doorgaan, dan zijn we voorlopig nog niet klaar.
Hoe dan ook, de vraag in hoeverre Het Ondermaanse zich altijd conformeert met de links-progressieve canon drong zich deze week weer eens even flink op.
Dat het gedoe rondom Zwarte Piet weer aanzwol, is zo langzamerhand een traditie geworden. Wel één die ineens een nieuw gezicht kreeg door de actie van een aantal mensen uit noordoost Friesland, die een demonstratie van anti-Zwarte Piet-activisten tegenhielden.
Uit dit laatste kwam trouwens weer een heel andere discussie voort, die misschien nog wel belangrijker is dan de Zwarte Piet-controverse, namelijk de kloof tussen de Randstad en de landelijke gewesten in het noorden en oosten van ons land.
Al wat langer speelt de #MeToo hausse. Dat begint eigenlijk pas de laatste week op een discussie te lijken. Daarvoor was het vooral een kwestie van naming and shaming waarbij het onderscheid tussen slachtoffers en daders zonneklaar was. Geen discussie, maar algemene en breed uitgemeten ontzetting.
Begin deze week, tenslotte, was er de uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens, dat bepaalde dat de islamitische politieambtenaar Sarah Izat een hoofddoek mag dragen tijdens haar werk op het politiebureau. De crux hierbij is dat mevrouw Izat die hoofddoek mag combineren met het politieuniform. Eerder had haar werkgever overigens al aangegeven dat zij het werk ook in burger mag doen en dat de werkgever dan geen bezwaar had tegen het dragen van een hoofddoek.
Ik begin maar even met het laatste nieuwsfeit en om meteen met de deur in huis te vallen: wat mij betreft heeft het College een verkeerde afweging gemaakt.
Een uniform is en betekent precies wat het woord zegt: allen die het uniform dragen zijn exact gelijk gekleed. Zeker als men in uniform een openbare functie uitoefent, lijkt me dit van belang. Tegenover de burger dien je niets meer en niets minder te tonen dan wat je functie inhoudt. Als agent draag je ook geen willekeurig wollen mutsje of een hoge hoed. Nog problematischer wordt het als een ambtenaar in functie een overduidelijk zichtbaar religieus symbool draagt. Wat de hoofddoek in dit specifieke geval is. Mevrouw draagt die hoofddoek omdat de al dan niet geschreven mores binnen haar religie dat in de openbare ruimte voorschrijft. Ze presenteert zich daarbij dus nogal nadrukkelijk als politieambtenaar èn als aanhanger van de Islam.
Dat lijkt me in een land waar we formeel scheiding van kerk en staat hebben niet goed.
Eerlijk gezegd vind ik dat die scheiding in Nederland nog flink wat aanscherping kan gebruiken, maar dit terzijde
Dat mevrouw zelf totaal niet begrijpt dat die scheiding van kerk en staat in Nederland bestaat, blijkt trouwens wel uit het feit dat het haar ambitie is ooit de eerste Nederlandse rechter met een hoofddoek te worden. Nou, mooi niet, mevrouw; hier geldt het Nederlandse recht en niet de Sharia.
Ben ik dan toch géén Gutmensch?
Nou.. een beetje wel. Dat gezeur over Zwarte Piet, bijvoorbeeld moet nu zo langzamerhand maar eens eindigen. Zoals mevrouw Douwes uit Harkema zei: het is een kinderfeest en we willen daarbij geen demonstranten. Dat vind ik ook. Dus ook geen demonstranten die persé willen vasthouden aan pikzwarte pieten.
Ik stel voor dat Zwarte Piet vanaf volgend jaar gewoon Piet heet. De relatie met zijn werk (een paar roetvegen) is prima, maar de link met ras halen we eraf. Hou dat een paar jaar vol en de kinderen weten niet beter. Zou het hen ècht wat uitmaken welke kleur Piet heeft? Wat is een traditie voor kinderen? Het begrip heeft voor hen nauwelijks betekenis, waarschijnlijk. Alleen wij ouderen zitten met de erfenis van een Piet die koste wat kost zwart moet zijn. Onzin, natuurlijk. Wij volwassenene zijn er alleen bij om ervoor te zorgen dat ons grut niet in zeven sloten tegelijk loopt en eventueel om ze te troosten als ze toch schrikken van Sinterklaas of Piet.
Gewoon doén en over vijf jaar praat niemand er meer over.
Als we over vijf jaar tenminste nog Sinterklaas vieren, want Santa Claus en Halloween staan al een tijdje klaar om die nieuwe eindejaars-traditie te worden. Dáár zou ik me als hoeder van het Nederlandse cultuurgoed zorgen over maken.
Over #MeToo en daders en slachtoffers een andere keer. Misschien kristalliseert één en ander in de komende maanden nog wat verder uit. Voorlopig vind ik al die verhalen vooral erg vermoeiend en de volksgericht-achtige sfeer eromheen nogal ongemakkelijk.
vrijdag 20 november 2015
Pierre Palla
Er zijn weinig geheugenplaatsen in m'n brein bezet door herinneringen uit m'n vroegste jeugd. Zeker niet als het over details gaat. Maar één van die zeldzaamheden heb ik altijd onthouden. Mijn vader noemde mij, tijdens zijn vrolijke buien, die in mijn vroege jeugd een stuk talrijker waren dan in latere jaren, nogal eens Pierre Palla. Ik was in die tijd een jaar of zes, zeven, denk ik en ik vond het wel grappig. Pierre Palla. Het klonk als de naam van een clown; er ging een zekere vrolijkheid van uit. Ik onthield de naam als een fantasienaam.
Toen veertien jaar geleden mijn moeder overleed, moest er muziek worden uitgezocht voor de begrafenis. Het zou geen plechtigheid worden met een dominee en de daarbij behorende psalmen en gezangen. De verhouding van ons gezin met het geloof was, sinds ik me kon herinneren, nogal ambivalent geweest. Dat had een oorzaak. Mijn vader's persoonlijkheid had namelijk ook een andere kant. Hij was nogal opvliegend.
Nadat ik was geboren, kreeg mijn moeder een nieraandoening, die uiteindelijk tot resultaat had dat er één nier werd verwijderd. Het gevolg van die operatie was weer dat het mijn moeder werd afgeraden om opnieuw zwanger te worden. Een nieuwe zwangerschap zou voor die ene nier een te zware belasting betekenen. Het gezag van medici was in de jaren vijftig nog onaantastbaar. Er kwamen in ons gezin dus geen kinderen meer.
Enkele jaren ná mijn geboorte kregen mijn vader en moeder, die toen nog trouwe kerkgangers waren, bezoek van een gezelschap ouderlingen. Deze bezochten gewoontegetrouw met enige regelmaat de leden van de gemeente, om te toetsen hoe het met de kracht van het geloof en de bijbelvastheid stond.
Eén van deze ouderlingen rekende het tot zijn plicht om bij mijn vader te informeren of hij de aloude bijbelse leuze "gaat heen en vermenigvuldigt u" wel goed had begrepen.
Mogelijk leefde er bij mijn vader al weerstand tegen bepaalde aspecten het gereformeerde geloof en de manier waarop dit werd gepractiseerd. Bovendien zullen hij en mijn moeder het feit dat ons gezin al na één kind zijn definitieve grootte had bereikt, niet direct als een zegen van boven hebben ervaren. Hoe het ook zij: alle agressie die zich ook toen al van tijd tot tijd in mijn vader verzamelde, kwam er in één keer uit. De ouderlingen werden, onder begeleiding van de nodige harde woorden, het huis uit gezet en ons gezin kwam vanaf dat moment niet meer in de kerk.
Desondanks heeft mijn vader zich nooit laten uitschrijven als lid.
Toen hij in 1983 nogal plotseling overleed, was mijn moeder vanzelfsprekend van de kaart en zelf was ik ook nog een andere persoonlijkheid dan ik nu ben. Een groot deel van de familie was de kerk wèl onverkort trouw gebleven en tegen onze wil en dank hadden zij een grote invloed op de uitvaart. Mijn vader werd dus alsnog vanuit de kerk begraven.
In 2001 had ik een wat duidelijker wereldbeeld en bovendien voelde ik me veel verantwoordelijker voor mijn moeder dan in 1983 het geval was. Ze was dement geëindigd en hoe vreemd het ook mag klinken: onze band werd in die laatste jaren toch nog behoorlijk intiem. Voor ze uiteindelijk onderdak kreeg in een verpleeghuis, vulde ik zoveel mogelijk de gaten die overbleven tussen de bezoeken van de thuiszorg.
Er was geen testament en ik vond daarom dat ik degene moest zijn die gang van zaken bij haar begrafenis zou bepalen. Omdat de band met het geloof bij mijn moeder geheel afwezig was, werd er dit keer begraven zonder dominee en zonder kerk.
In overleg met de begrafenisondernemer maakte ik een soort programma voor de plechtigheid. Ik schreef een toespraak en er zou muziek zijn, want mijn moeder hield van weinig dingen meer dan van muziek.
Het uitzoeken van die muziek was niet zo moeilijk.
Moeder had dertig jaar bij een koor gezongen. Wat lag meer voor de hand dan 's te gaan zoeken in het repertoire van dat koor? Dat overigens in 2001 al jaren niet meer bestond, want opgeheven door vergrijzing. Er waren echter nog wel wat oud-leden in leven. Via hen achterhaalde ik een paar titels van muziekstukken die ooit door het koor waren gezongen.
Een van de stukken die boven kwam drijven was Panis Angelicus van Cesar Franck. Daarmee werd onwillekeurig toch weer een geestelijk lied geïntroduceerd, maar dit terzijde. Ik vond een cd van Aafje Heijnis, waar het lied op stond.
Aafje Heijnis. Ze stond me vaag voor de geest als de personificatie van het christelijke lied. Dat blijkt op de bewuste cd alles mee te vallen. Er is zelfs ruimte voor volksliedjes. Maar op de cd staan ook een paar aria's uit de Mattheus Passion en een lied van een zekere S. Ochs, dat wèl weer heel christelijk is en waarbij ik helemaal stuk ga. Ik kwam er overigens achter dat dit Dank sei Dir Herr onderwerp is van enige mystificatie. Siegfried Ochs heeft het stuk bewerkt, maar Händel zou de werkelijke componist zijn.
Het meest stuk was ik echter bij het lezen van de naam van de man die mevrouw Heynis tijdens dit lied op het orgel begeleidt: Pierre Palla.
De opname stamt uit 1956 en Google, dat als vriend eigenlijk nooit teleurstelt, leerde me dat Pierre Palla in die tijd een aanzienlijke bekendheid genoot in Nederland. Hij speelde onder andere regelmatig op het AVRO concertorgel, lees ik bij Wikipedia.
Zo was er weer een piepklein cirkeltje rond.
Een van de velen die al rond zijn of dat mogelijkerwijs in de toekomst nog worden.
vrijdag 30 november 2012
De romantiek van het zeilen
Eeuwenlang was varen iets dat de mens deed omdat ie het nodig vond. Om een plek te bereiken waar men over land niet kon komen. Om te vissen. Om handel te drijven en rijkdommen te vergaren. De zucht naar deze zaken was zó sterk dat men daarvoor zijn leven op rivieren en meren en in tweede instantie op zee riskeerde. De goede afloop van een expeditie op zee was in hoge mate onvoorspelbaar. Hoewel het leven ooit in zee schijnt te zijn ontstaan, was het millieu de mens inmiddels vijandig. De zee was een instrument in handen van wraakzuchtige goden. Niet zelden werd een ongelukkig bemanningslid tijdens een storm overboord gegooid als offer, in een ultieme poging de zee tot bedaren te brengen. De schepen van de oudheid waren naar huidige maatstaven onveilige pieremachochels.Varen was gewoon gevaarlijk.
In Nederland weten we er, met onze vermeende VOC-mentaliteit, alles van.
Eind 16e, begin 17e eeuw was de nog jonge Republiek der Zeven Provinciën door een merkwaardige mengeling van koopmansgeest en zin voor avontuur in hoog tempo, en tegen de verdrukking in, een rijke en machtige natie geworden.
Varen was desondanks nog steeds geen leuke bezigheid. We geloofden inmiddels in een God die niet slechts een oud-testamentische God der wrake was, maar ook genade kende en wat meer was: aan onze kant stond. Maar de schepen waren nog steeds traag en de zee onmetelijk groot. De voorstuwing door middel van roeiende galeislaven was achterhaald door een primitief benul van zeiltechniek. De toenmalige zeilschepen konden echter nog niet veel meer dan zogenaamde 'ruime' koersen zeilen. Vóór de wind of op z'n best met wind die van opzij inkwam, zogenaamde 'halve' wind. Bij Texel lagen de schepen van de VOC soms weken te wachten tot de wind naar noordwest wilde ruimen, zodat men het zeegat bij Den Helder uit kon zeilen.
Maar dan begon het pas. Als je geen zeemansgraf vond doordat het schip met man en muis verging, dan was er altijd nog de optie van doodgaan aan scheurbuik, Voor het Indisch land was bereikt, had de dood je waarschijnlijk al meerdere keren aangegrijnsd. De zee, dat was de hel. Niet meer en niet minder. "Naar zee gaan" was, voor wie niet tot de hogere rangen behoorde, nog steeds alleen iets voor hen die op het land geen fatsoenlijk bestaan wisten te verwerven of voor wie het er te heet onder de voeten was geworden.
Ergens in die 17e eeuw waren een aantal mensen in Amsterdam zó welvarend geworden, dat constant werken niet langer nodig was. De rijke elite kreeg de beschikking over wat we nu 'vrije tijd' noemen. Tegelijkertijd kondigden de eerste signalen van de verlichting zich aan. De kennis van de natuur en de elementen ontwikkelde zich in een hoger tempo dan voorheen. In 1643 vond Torricelli de barometer uit. Men verkreeg de vage notie dat het gedrag van het weer misschien toch niet helemaal onvoorspelbaar was. Sterker nog: misschien lag het lot van de mens wel veel minder in Gods hand dan men steeds had gedacht. Door de zich ontwikkelende kennis van water, weer en zeiltechniek leek zeilen langzaam maar zeker minder gevaarlijk te worden dan het aanvankelijk was.
De combinatie van het een en het ander deed een aantal rijke kooplui beseffen dat varen en zeilen naast nuttig en noodzakelijk, ook leuk en aangenaam kon zijn.
Deze hedonisten lieten 'speeljachten' bouwen. Een 'jacht' was van oorsprong een klein, maar snel zeilschip, waarmee hoogwaardigheidsbekleders zich lieten vervoeren naar de plekken waar zij ambtshalve werden verwacht. Het type werd door de elite geadopteerd om puur voor het plezier vaartochtjes te maken. In Amsterdam werd de eerste jachthaven ter wereld aangelegd. De Lage Landen hadden het tijdverdrijf, dat men later 'de watersport' zou gaan noemen, uitgevonden.
Eerder in de 19e eeuw waren er ook al wel wat eenzame schrijvende zeilers geweest die het zeilen op zee als karaktervormend beschreven, maar daarbij had het accent toch meer gelegen op hardheid en doorzettingsvermogen.
In de 20e eeuw sloeg het romantische gevoel bij de zeilers pas ècht toe. De hang naar de natuur, het afwijzen van de zakelijke kanten van de westerse maatschappij, de voorkeur voor intuïtie boven rationaliteit; alle typische kenmerken van de Romantiek als culturele en maatschappij-beschouwende stroming kwamen bij het zeilen pas tot uiting toen de Romantiek op het land al weer duidelijk aan belang had ingeboet.
In de jaren '20 en '30 vond de Franse zeiler Alain Gerbault tijdens zijn eenzame wereldreis de ideale maatschappij op de eilanden in de Stille Zuidzee. Het aloude idee van de nobele wilde in 20e eeuwse vorm. Een andere Fransman, Bernard Moitessier, deed eind jaren '60 mee aan de eerste single-handed zeilrace om de wereld. Vlak voor aankomst verlegde hij zijn koers en zeilde opnieuw naar de andere kant van de wereld. Om "zijn ziel te vrijwaren", zoals hij het zelf uitdrukte. Moitessier wilde niet meer terugkeren in de westerse maatschappij. De zee was zijn thuis en als er al land moest worden aangelopen, dan liever Tahiti dan de Franse kust.
Het wereldomzeilen is sindsdien gegroeid tot een hype van flinke proporties. U kent vanzelfsprekend ons zeilmeisje Laura Dekker. Ze zei het niet zo rechtstreeks, maar ook Laura wilde niet langer deel uitmaken van de maatschappij, zoals wij hem kennen. Er was een mooier leven ergens achter de horizon.

Maar Laura is vooral bekend geworden vanwege haar leeftijd en haar clash met de autoriteiten. In de wereld van de grote mensen en zeker onder de zeilers, is een zeiltocht rond de wereld zo langzamerhand iets dat je een keer gedaan moet hebben, zoals een Moslim tenminste één keer in zijn leven Mekka moet bezoeken. In zeilerskringen zijn de 'vertrekkers' een begrip geworden. Elk jaar vertrekken naar schatting enkele tientallen Nederlanders voor een rondje om de wereld, een 'rondje Atlantic' of gewoon een jaartje Middellandse Zee.
De romantiek heeft ondertussen wèl wat stappen terug gedaan. De meeste vertrekkers vertrekken niet definitief. De reizen worden gepland. Soms al jaren van tevoren. Dan-en-dan vertrekken we; we volgen die-en-die route en rond die-en-die datum zijn we weer terug. Daarna gaat de maatschappelijke carriére gewoon weer verder. Vaak is men meer toerist dan reiziger. Omdat veel vertrekkers ook baby-boomers zijn, is geld meestal geen probleem. De boten worden volgeladen met alle denkbare gadgets. Korte golfzenders en satelliettelefoons voor het contact met het thuisfront en een watermaker die uit zout water zoet maakt, zodat je tenminste niet dat vieze water in één of andere derde wereldhaven hoeft te tanken.
Maar laat ik de wereldomzeilers vooral niet over één kam scheren. De romantici onder hen zijn nog niet volledig uitgestorven. Bekend zijn ook de verhalen van de teruggekeerden die hun draai niet meer kunnen vinden. Weer in het gareel stappen is, als je er eenmaal ècht uit bent geweest, niet makkelijk.
Wie dit blog vaker leest, weet dat ik zelf ook van wind, water en zeilen houd. Maar hoe zit het met mijn drang om naar Mekka te gaan? Ben ik ook een romanticus? Volgende keer meer over mijn persoonlijke beleving van de romantiek van het zeilen.
dinsdag 13 maart 2012
Opleuken
Dit wordt een calvinistisch stukje.
Het Calvinisme is niet ouderwets of verwerpelijk. Het wordt de nieuwe trend voor de jaren '10 van de 21e eeuw. Wat is het Calvinisme? Het is voor zuinig zijn met wat je hebt en voor goed rentmeesterschap. Het is voor recht door zee en er niet omheen draaien. Het is voor doe maar gewoon dan doe je gek genoeg. Het is ook nog tègen een aantal dingen, die ik kortheidshalve maar even achterwege laat.
Maar goed: u bent gewaarschuwd.
Waar ik het even over wil hebben: de Engel van 's-Hertogenbosch. U kent haar wel. Al in het voorjaar van 2011 kwam ze in het nieuws, toen de restauratie van de Sint Jan kathedraal in Den Bosch werd afgerond met het plaatsen van dit beeld van een pedante tante die belt met een mobiele telefoon. Nou ja; pedant: beperkt tot het hoofd en recht van voren (zie de foto bij deze link) glimlacht ze nog heel bescheiden en allebeminnelijkst. Dat is echter niet het perspectief waarmee wij, gewone stervelingen, tegen haar aan moeten kijken. Van onder gezien (zie hierboven) staat ze erbij als de moderne carriërevrouw. Degene die ze aan de lijn heeft kan haar niet zien, maar haar lichaamstaal straalt iets uit waar de beller aan de andere kant van de lijn rekening mee dient te houden. "Wat is nu eigenlijk je probleem? Maak het kort; ik heb weinig tijd!" Mevrouw neemt een houding aan die een engel niet past, wat mij betreft. Wat eerst een lieve glimlach was, wordt een uiting van minachting.
De Sint Jan van Den Bosch is een monumentaal gebouw. Het hoogtepunt van de Brabantse Gothiek. Het is sinds de late middeleeuwen één van de sterkste uitingen van geloof, ambachtelijkheid en doorzettingsvermogen die in Nederland te vinden zijn. Dat geloof in combinatie met dat doorzettingsvermogen mag ons nu naief lijken; als een belangrijk stuk cultureel erfgoed en een voorbeeld van hoe devoot het Nederlandse volk ooit was, verdient het zo veel mogelijk in originele staat bewaard te blijven.
Het relativeren van dat kinderlijke geloof is een goede zaak; het belang van godsdienst in de moderne tijd kan wat mij betreft niet genoeg worden ondergraven. Dat dient echter naar mijn idee niet te gebeuren door het opleuken van een monumentaal gebouw met een bellende engel.
Je zou denken dat 'relativeren' bij de kerkelijke authoriteiten, die tenslotte hebben besloten tot de plaatsing, niet aan de orde was. Dat is ook niet te verwachten, nu er een nieuwe golf van conservatisme door de Katholieke Kerk waart.
Wat was dan het motief dat tot plaatsing van de engel heeft geleid? Nou, dat zit zo: engelen onderhielden van oudsher de communcatie tussen het opperwezen en zijn schepselen. En omdat de kerk toch 'eigentijds' uit de hoek wil komen, doet deze engel dat met een mobieltje. Dat was zo'n beetje de redenatie.
Via een omwegje blijkt er toch sprake van ironie. "Geloof met een glimlach", noemt de parochie dat.
Desondanks: net zo min als engelen in Mozes' tijd met brieven heen en weer vlogen, hebben ze heden-ten-dage een mobiele telefoon nodig, natuurlijk. Een beetje Godheid is volledig telepatisch, net zoals zhaar engelen.
Ja maar; wij mensen kunnen dan toch bellen? De meesten van ons zijn niet telepathisch en bovendien zijn we tegenwoordig te ongeduldig om te wachten tot de engel aan ons verschijnt, zoals in minder hijgere tijden de normale gang van zaken was.
En inderdaad; bijna een jaar na plaatsing komt bij de kerk de aap uit de mouw. De engel kan ècht worden gebeld, zo heeft de parochie ons laten weten. Niet voor niks natuurlijk; een 0900-nummer kost geld. Voor 80 cent per minuut kan "een boodschap aan de hemel worden doorgegeven".
Boodschappen aan de hemel doorgeven; hier wordt de grens tussen een geintje en bloedige ernst wel erg vaag. We hebben hier tenslotte te maken met de Moederkerk, niet met Sinterklaas of een natuurgodsdienst.
Ziehier een kerk in verwarring. Haar dienaren hebben op grote schaal gerommeld met minderjarige jongetjes. Een verlichte geloofsopvatting wordt niet op prijs gesteld, evenmin als het gebruik van voorbehoedsmiddelen of het praktizeren van de herenliefde. Om dit te compenseren biedt de kerk vanaf heden de mogelijkheid om boodschappen door te bellen aan de hemel.
Als we nog even afwachten, zijn er binnenkort ook weer aflaten te koop, denk ik.






