Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht Neung-sur-Beuvron. Sorteren op datum Alle posts tonen
Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht Neung-sur-Beuvron. Sorteren op datum Alle posts tonen
maandag 31 maart 2014
Neung sur Beuvron
Het volgende stukje heeft een tijdje 'op de plank' gelegen. In september vorig jaar ben ik ermee begonnen, maar door tijdgebrek maakte ik het niet af . Omdat de actualiteit op dit blog niet zo'n groot goed is en dit stukje toch over het eeuwige Frankrijk gaat, heb ik het alsnog afgemaakt..
De camping is een zogenaamde municipal. Meestal staat dat laatste voor uiterste eenvoud. Je kunt er je tent neerzetten en je moet tevreden zijn met basale sanitaire voorzieningen.
Zoniet in Neung. Onze tent staat onder een eik die waarschijnlijk ouder is dan ik en vijftig meter van de Beuvron. Die overigens niet meer is dan een langzaam stromend beekje van ongeveer vier meter breed. De WC-potten hebben een bril. Er is altijd warm water en in een apart hokje staat een grote vrieskist vol met plastic flessen bevroren water, waar naar behoefte uit mag worden geput om je eigen koelbox koud te houden. Als je er zelf ook maar een fles met water in legt, dan blijft de voorraad op peil.
De vijftig meter tot de Beuvron wordt grotendeels in beslag genomen door een soort lager gelegen uiterwaard, die volgens een andere, min of meer vaste bewoonster van de camping, in het voorjaar geheel was gevuld met water. Nu loopt ze onverrichterzake met haar emmer en haar hengel langs de oever. Het is te ondiep. Er zijn geen grote vissen, alleen hele kleintjes.
In de omgeving kakelen groene spechten en soms hoor je andere spechten kloppen.
De geschiedenis ademt hier zwaar maar regelmatig. Al duizenden jaren gebeurt er van alles op deze plek en toch lijkt er een eeuwige rust te heersen.
Bij de campingbaas liggen foldertjes met wandelingen, uitgegeven door de gemeente. En passant wordt in die folders ook de historie van deze plek uit de doeken gedaan. De Galliërs hadden hier al voor de komst van de Romeinen een oppidum. Dat is een nederzetting, omgeven door een aarden wal ter verdediging. De folder beweert dat resten van die wal nog steeds herkenbaar zijn. En inderdaad; als we van de camping naar de dorpskern lopen, gaat de weg, net voor het bereiken van centrum, omhoog. Rechts zijn inderdaad de restanten van een wegbuigend dijklichaam zichtbaar. Het is inmiddels begroeid en wordt eigenlijk door de weg doorsneden. Het centrum, met de Mairie, de kerk en het postkantoor, lijkt op een soort terp te liggen. Het oppidum.
Dat is nog niet alles. Vercingetorix, de Gallische leider die aan het begin van het eerste Asterix-album een verzameling wapens op de voeten van Caesar laat vallen, zou hier geweest zijn.
Neung-sur-Beuvron ligt in de bossen. Ik ben niet zo'n liefhebber van bossen. Meestal vind ik het teveel van hetzelfde. Je ziet letterlijk door de bomen het bos niet meer. De blik heeft te weinig ruimte; er is geen uitzicht en geen perspectief. Maar de bossen rond Neung zijn anders. Een grote afwisseling van boomsoorten. Niet van die eindeloze naaldwouden, maar vooral loofbomen. Oude loofbomen. De meesten zijn eiken. Is dat belangrijk? Ja; dat is belangrijk. Wie in noordwest Europa 'eik' zegt, die heeft het alweer over geschiedenis. Voor Kelten en Germanen waren eiken heilige bomen. De Nazi's kenden het Eiserne Kreuz mit Eichenlaub als onderscheiding voor getoonde moed, beleid en trouw. Volgens een Engels volkslied heeft Engeland "a heart of oak". Een symbool van kracht onvergankelijkheid, kortom.
Daar staan ze, met die grillige takken die alle kanten uit lijken te kronkelen. Vooral in de winter lijken eiken in wanhoop naar de hemel grijpen. Je kijkt door je oogharen en je ziet de druïden eronder lopen.
Maar goed. Het is nu zomer; de druïden slapen en alles hult zich in een weelderig bladerkleed.
Eerlijk gezegd zijn we niet voor de geschiedenis naar Neung gekomen.
We hebben begrepen dat dit gebied, dat de Sologne wordt genoemd, overeenkomsten vertoond met de Brenne, waar we al eerder waren. Het is tamelijk vlak, met slechts kleine hoogteverschillen hier en daar. Een heuveltje van meer dan 25 meter hoogte is hier echt een event.
We maken ontspannen wandelingen en fietsen rond op onze vouwfietsjes; bezigheden die hier, in vergelijking met veel andere streken in Frankrijk, weinig moeite kosten.
De belangrijkste overeenkomst met de Brenne is dat ook hier veel plasjes zijn. In Nederland zouden we ze vennen noemen. Ze liggen vaak in een weelderig begroeide omgeving en vormen als het ware kamers in het landschap. Het bijzondere van die plasjes is dat de meesten zijn aangelegd. Niet in het afgelopen decennium, bij wijze van nieuwe natuur, of zo, maar vaak al honderden jaren geleden.
Tot in de 13e eeuw bestond de Sologne volledig uit vochtige bossen. In de middeleeuwen begon men grote delen van deze bossen te kappen om ruimte te maken voor landbouw en veeteelt. Omdat er daarna veel minder bomen waren om het vocht op te nemen en te verdampen ontstonden vervolgens moerassen. Om die moerassen te ontwateren werden tenslotte de diepst gelegen delen van die moerassen uitgegraven, waarbij een deel van de vrijgekomen aarde langs de laagste rand van de uitgraving werd gedeponeerd, waardoor een dijkje werd gevormd. Het water liep van de van de hogere delen van het moeras de put in en bleef achter de opgeworpen dijk staan. Meestal lopen er nu paden over die dijkjes, waar vanaf zich mooie doorkijkjes op het water openen. De waterstand in de étangs werd en wordt geregeld met kleine houten sluisjes.
In tweede instantie bleken ook die plasjes nog een economisch nut te hebben: men kweekt er vis.
Water en vis betekent reigers en sterns. In zowel de Brenne als de Sologne kan men alle Europese reigersoorten vinden. De Kwak, met z'n rode oogjes, is in Nederland een zeldzaamheid. Hier kost het weinig moeite om er een te spotten, als je eenmaal de plekjes kent.
Ze zijn niet allemaal even mooi, die ètangs, maar sommige zijn van een poëtische schoonheid.
Na de middeleeuwen kwam de renaissance. De opeenvolgende Franse koningen maakten van kastelen bouwen een serieuze liefhebberij. Parijs was weliswaar het centrum van de macht, maar de meeste gekroonde hoofden hielden ook van het buitenleven en bovenal van jagen.
De Sologne, ten oosten van Blois en maar 150 km van Parijs, was een fijn jachtgebied, met everzwijnen en edelherten in overvloed.
De bekendste koning uit de Franse renaissance was Francois Premier. Hij bezat al diverse optrekjes in het Loire-gebied, toen hij het idee kreeg om in de Sologne een gigantisch jachtslot te bouwen. In 1519 werd met de bouw begonnen en naar het schijnt heeft zelfs Leonardo da Vinci aan het ontwerp gewerkt.
Van Neung naar Chambord is het ongeveer 25 km fietsen naar het westen, over doodstille D-wegen.
Wie heden-ten-dage vanuit het dorp Thoury, over de D33 het Réserve Nationale de Chasse de Chambord binnenrijdt, ziet na een kilometer of vijf aan de rechterhand een onaards object van witte kalksteen opdoemen. De vele schoorstenen lijken net dikke antennes. Een ruimteschip uit de renaissance.
De geschiedenis ligt hier opgestapeld.
Chambord hebben we al eens eerder van binnen gezien. Maar buiten, langs de weg van Thoury naar het kasteel liggen nog wat kleine afslagen, die naar een paar wildkansels leiden. In één daarvan kijken we naar een stukje Franse savanne. Her en der staan verspreide eiken. Een naderend onweer verduistert de hemel en hult het landschap in een beginnende schemer. En ja hoor, aan de randen van dit stukje savanne zien we ze rondscharrelen. Wilde zwijnen en een enkel edelhert.
Terug in Thoury eten we bij het café, waar we vanmorgen, op de heenweg, wat dronken. De uitbaatster heeft ons lekker gemaakt met wat haar pot die avond schaft. Een grote salade met een mooi stukje vlees. Terwijl we op het terras achter het café wachten op ons maal, knipt zij nog wat kruiden in haar tuintje.
Als we zijn uitgegeten begint het al te schemeren en omdat we geen licht op onze fietsjes hebben, zetten we er flink de sokken in. Tijdens de laatste kilometers is het ècht donker en raken we hier en daar bijna van de weg. Het asfalt is heerlijk glad, maar de witte strepen ontbreken. Bij terugkomst in Neung is alles al in diepe rust. Morgen gaan we naar huis.
De stop in Neung was niet van tevoren gepland, maar ik heb het idee dat ik het hart van Frankrijk heb gevonden. Franser dan op deze voormalige stamping ground van Kelten, Romeinen en generaties Franse koningen wordt het niet.
Het geeft rust te weten dat dit gebied, met z'n weinig spectaculaire maar innemende landschap, z'n dieren en z'n geschiedenis daar ligt, maar 700 km naar het zuiden.
Labels: algemeen
cultuur,
Frankrijk,
geschiedenis,
natuur,
persoonlijk,
vogels
zondag 15 december 2024
Het hart van Frankrijk
Ook deze zomer werd het land door de redactie van Het Ondermaanse weer bezocht en misschien verval ik in herhaling, maar de liefde voor dit op twee na grootste land van Europa blijft groeien. Met de aantekening dat je jezelf kunt afvragen in hoeverre de nummers 1 en 2, qua grootte, tot Europa kunnen worden gerekend. Nummer 1, Rusland, ligt voor het grootste deel in Azië en Oekraïne mag van Rusland niet bij Europa horen.
Frankrijk is ook
zo'n land waarvan veel mensen het silhouet, dat de buitengrenzen
vormen, wel herkennen. Als je het bij de grote lijnen houdt, kun je
constateren dat dit silhouet zes hoeken heeft, reden waarom de
Fransen zichzelf wel Les Hexagones noemden.
Die bijnaam is
vooral bij oudere Fransen nog bekend, denk ik.
De Franse cultuur in
zijn algemeenheid is wat aan slijtage onderhevig.
Door een speling
van het lot kwamen we in zes weken tijd één keer in een Nederlandse en
wel twee keer in een Franse vestiging van MacDonalds terecht, waar we
konden constateren dat aan het interieur en de manier waarop je
tegenwoordig bij deze keten geacht wordt je bestelling te plaatsen
(via een groot touchscreen) niet was te zien in welk land je
was. Het interieur in Nederland en Frankrijk is exact gelijk. De taal waarin de etenswaar
op het scherm werd gepresenteerd was weliswaar nog die van het land
in kwestie, maar het is waarschijnlijk een kwestie van tijd voor in
elke MacDonalds, waar ook ter wereld, Engels de voertaal wordt.
Gelukkig verkeren
wij in Frankrijk meestal en campagne.
Bijna schreef ik: 'platteland', maar dit woord is in deze zeshoek zelden op z'n
plaats. Hoe dan ook; in dit al dan niet golvende, of zelfs regelrecht
bergachtige buitengebied zijn tendenzen als de bovengenoemde
nog nauwelijks merkbaar.
Gelukkig niet, want waarom zou je
genoegen nemen met de prijs/kwaliteitverhouding van MacDonalds, als
je rond het middaguur in het eerste dorpsrestaurant dat je tegenkomt
een menu kunt eten voor iets tussen de vijftien en twintig
euro, waarna je 's avonds aan een stuk stokbrood en een kop soep
voldoende hebt?
De Franse arbeiders hebben dat al heel lang door. Bij MacDonalds zie je ze niet, maar in die dorps-restaurants, vaak gevestigd op de kruising van twee D-wegen en in een dorp waar, buiten een bakker, meestal geen enkele winkel meer te vinden is, wèl. Een broodtrommeltje van thuis meenemen doen ze niet.
De Franse arbeiders hebben dat al heel lang door. Bij MacDonalds zie je ze niet, maar in die dorps-restaurants, vaak gevestigd op de kruising van twee D-wegen en in een dorp waar, buiten een bakker, meestal geen enkele winkel meer te vinden is, wèl. Een broodtrommeltje van thuis meenemen doen ze niet.
En omdat een exotisch spreekwoord luidt: Sī fuerīs Rōmae, Rōmānō
vīvitō mōre; sī fuerīs alibī, vīvitō sīcut ibī, wat je
meestal ziet in de Engelse uitvoering als: When in Rome, do as
the Romans do, is voor ons de keus niet moeilijk. Het is niet alleen eten, maar ook sfeer snuiven.
In Frankrijk kun je eten met een prijs/kwaliteitsverhouding die je doet beseffen dat de Nederlandse restauranthouders voornamelijk mensen zijn die snel rijk willen worden, en dat proberen klaar te spelen door een minimum aan kwaliteit te leveren voor veel geld.
In Frankrijk kun je eten met een prijs/kwaliteitsverhouding die je doet beseffen dat de Nederlandse restauranthouders voornamelijk mensen zijn die snel rijk willen worden, en dat proberen klaar te spelen door een minimum aan kwaliteit te leveren voor veel geld.
Sinds we daarachter zijn laten
wij ons in het land van de zeshoekigen graag het één en ander
voorzetten.
We
waren dit jaar achtereenvolgens in de Savoie (Saint-Jean-de-Sixt, om
precies te zijn), De Doubs (Saint-Hippolyte), de Berry (Vesdun en La
Minat, de plek waar onze katten geboren zijn) en de Brenne (Rosnay).
Eén en ander gespreid over één keer twee weken en na een paar weken
thuis nogmaals een week..
Tijdens
de eerste reis waren we eigenlijk al na België achter ons te hebben
gelaten in de campagne.
Vanaf Charleville-Mèzieres lieten
we de snelwegen voor wat ze waren en hebben we, zowel heen als terug
de Franse D-wegen, en de enkele Routes Nationales die er nog
zijn, gevolgd. Dat schiet vanzelfsprekend minder snel op dan
de pèage, maar je bent al ècht in Frankrijk, je ziet veel
meer, èn je komt die dorpsrestaurants tegen, waar ik het hiervoor
over had. Langs de pèage heb je die niet.
Ooit schreef ik over het dorp Neung-sur-Beuvron en zijn omgeving dat het Franser dan Frans is en dat ik meende het hart van Frankrijk te hebben gevonden. Maar als je het puur meetkundig en geografisch gaat bekijken, ligt het echte hart, zoals dat is bepaald door het Institute Geographipque National, pakweg 120 km. verder naar het zuid-zuidoosten.
De plek is te beschouwen als het punt waaraan je de zeshoek , waarvan hiervoor sprake was, kan optillen, terwijl die horizontaal en keurig in evenwicht blijft hangen.
Ooit schreef ik over het dorp Neung-sur-Beuvron en zijn omgeving dat het Franser dan Frans is en dat ik meende het hart van Frankrijk te hebben gevonden. Maar als je het puur meetkundig en geografisch gaat bekijken, ligt het echte hart, zoals dat is bepaald door het Institute Geographipque National, pakweg 120 km. verder naar het zuid-zuidoosten.
De plek is te beschouwen als het punt waaraan je de zeshoek , waarvan hiervoor sprake was, kan optillen, terwijl die horizontaal en keurig in evenwicht blijft hangen.
Net gearriveerd op
de camping te Vesdun keek ik op de 1 : 25.000 kaart van het gebied en
daar stond het, ongeveer 2,5 km. ten noordwesten van het dorp; een
vierkantje, omgeven door een rode ster: Centre de la France
continentale.
Vanzelfsprekend zijn
we op de plek gaan kijken.
Alsof God zelf het zo heeft bedacht, ligt
het middelpunt op de top van een laag heuveltje, de Peu de
Vesdun. Naderend vanuit het zuiden stelt het niet veel voor. Het is
aan de zuidkant bebost, maar naar het noorden ligt een lange, flauwe
helling. In die richting heb je tientallen km's vrij uitzicht.
Op de heuvel
aangekomen denk je even dat het middelpunt in het terrein geen
markering heeft gekregen, maar als je even wat verder doorloopt
blijkt die er wel degelijk te staan. Half verscholen in een bosrandje
staat een uit houten balken en planken samengestelde piramide op een betonnen
voetstuk. Het monumentale ding, dat pakweg een meter of zes hoog is,
ontbeert verder elke aanduiding van wat het markeert, maar de kaart
op de telefoon, die ook onze positie laat zien, maakt het zonneklaar
dat we hier bij het middelpunt van Frankrijk zijn aangekomen.
Dat die ontbrekende
verklaring van wat die piramide voorstelt heel merkwaardig is, wordt
mede geïllustreerd door het feit dat diverse dorpen in de directe
omgeving claimen dat het middelpunt van Frankrijk in hun gemeente
ligt. Vesdun, bijvoorbeeld, heeft z'n eigen monumentje waarvan het
beweert dat dit het hart van Frankijk markeert.
Maar er is meer dat dit gebied, in Frankrijk bekend als de Berry, heel erg Frans maakt, namelijk het feit dat één van de beroemdste romans uit de Franse literatuur er voor een groot deel speelt.
In Nederland kennen waarschijnlijk alleen universitaire studenten Frans het boek nog, maar in Frankrijk weet iedereen met een klein beetje gevoel voor cultuur, en dat zijn er in Frankrijk aanzienlijk meer dan in Nederland volgens mij, welk boek ik bedoel.
De titel is Le Grand Meaulnes en vooral het eerste deel van het boek is min of meer een verbeelding van een jeugd op het Franse platteland rond 1900.
Wat overigens ook in niet geringe mate heeft bijgedragen aan de status van het boek is het feit dat de schrijver, Henri Alain-Fournier al jong sneuvelde. Hij kwam al bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, in augustus 1914, om het leven. Het boek verscheen een jaar eerder, in 1913. Fournier werd zo en passant ook de verbeelding van de verloren generatie, die niet terugkeerde uit de oorlog.
Zelf heb ik het, door mijn nog immer niet verholpen gebrekkige beheersing van de Franse taal, gelezen in Nederlandse vertaling. Het is, behalve die sfeerbeschrijving van een adolescentie in de Berry anno 1900, een tamelijk wanhopige beschrijving van een gevonden en weer verloren liefde, die zich soms in een droom lijkt af te spelen. Ondanks het feit dat andere literaire grootheden het boek hebben geprezen, vond ik het uiteindelijk niet heel erg boeiend.
In het dorp waar Alain-Fournier zijn jeugd doorbracht, Epineuil le Fleuriel, vijfentwintig km. ten noorden van Montluçon en 15 km. ten oosten van Vesdun, staat het schooltje waar hij lezen en schrijven heeft geleerd. Tegenwoordig is het een museum, waar van alles rond de schrijver van Le Grande Meaulnes te vinden is: foto's, brieven, en andere documenten. Het interieur is ook min of meer teruggebracht in de staat waarin het rond 1900 verkeerde en toont dus een Franse basisschool op het platteland uit die periode. We hebben de school bezocht en voelt als een soort tijdmachine. Het geheel ademt weemoedige nostalgie.
Frankrijk heeft, veel sterker dan in Nederland het geval was, in de afgelopen eeuw een trek van het platteland naar de stad meegemaakt. Het werd steeds minder een land van boeren, en steeds meer een natie van industrie-arbeiders en bureau-werkers.
Sindsdien is ook een ander fenomeen zichtbaar geworden: veel Franse stedelingen zien het platteland als een verloren Arcadië.
Maar er is meer dat dit gebied, in Frankrijk bekend als de Berry, heel erg Frans maakt, namelijk het feit dat één van de beroemdste romans uit de Franse literatuur er voor een groot deel speelt.
In Nederland kennen waarschijnlijk alleen universitaire studenten Frans het boek nog, maar in Frankrijk weet iedereen met een klein beetje gevoel voor cultuur, en dat zijn er in Frankrijk aanzienlijk meer dan in Nederland volgens mij, welk boek ik bedoel.
De titel is Le Grand Meaulnes en vooral het eerste deel van het boek is min of meer een verbeelding van een jeugd op het Franse platteland rond 1900.
Wat overigens ook in niet geringe mate heeft bijgedragen aan de status van het boek is het feit dat de schrijver, Henri Alain-Fournier al jong sneuvelde. Hij kwam al bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, in augustus 1914, om het leven. Het boek verscheen een jaar eerder, in 1913. Fournier werd zo en passant ook de verbeelding van de verloren generatie, die niet terugkeerde uit de oorlog.
Zelf heb ik het, door mijn nog immer niet verholpen gebrekkige beheersing van de Franse taal, gelezen in Nederlandse vertaling. Het is, behalve die sfeerbeschrijving van een adolescentie in de Berry anno 1900, een tamelijk wanhopige beschrijving van een gevonden en weer verloren liefde, die zich soms in een droom lijkt af te spelen. Ondanks het feit dat andere literaire grootheden het boek hebben geprezen, vond ik het uiteindelijk niet heel erg boeiend.
In het dorp waar Alain-Fournier zijn jeugd doorbracht, Epineuil le Fleuriel, vijfentwintig km. ten noorden van Montluçon en 15 km. ten oosten van Vesdun, staat het schooltje waar hij lezen en schrijven heeft geleerd. Tegenwoordig is het een museum, waar van alles rond de schrijver van Le Grande Meaulnes te vinden is: foto's, brieven, en andere documenten. Het interieur is ook min of meer teruggebracht in de staat waarin het rond 1900 verkeerde en toont dus een Franse basisschool op het platteland uit die periode. We hebben de school bezocht en voelt als een soort tijdmachine. Het geheel ademt weemoedige nostalgie.
Frankrijk heeft, veel sterker dan in Nederland het geval was, in de afgelopen eeuw een trek van het platteland naar de stad meegemaakt. Het werd steeds minder een land van boeren, en steeds meer een natie van industrie-arbeiders en bureau-werkers.
Sindsdien is ook een ander fenomeen zichtbaar geworden: veel Franse stedelingen zien het platteland als een verloren Arcadië.
Misschien hebben ze
een opa of oma, die er nog steeds woont en die soms, als de afstand niet te groot is, op een zomerse zondag wordt
opgezocht. Maar ook als dat niet het geval is kennen veel stadsbewoners dat gevoel van een verloren paradijs. Hun voorouders woonden een eeuw geleden in veel gevallen nog in een klein dorp of op
een boerderij.
Zonder er zelf ooit gewoond te hebben, ervaren ze een
vage heimwee naar de kleinschalige eenvoud van la
campagne.
Ik vermoed zo maar, dat de bekendheid en de nog immer voortdurende populariteit van Le Grande Meaulnes een uiting is van die heimwee.
Labels: algemeen
cultuur,
Frankrijk,
geschiedenis,
literatuur
maandag 5 mei 2025
Twee weken Frankrijk
Terwijl steeds duidelijker wordt hoe zinloos het is om op dit moment te schrijven over, om met G.B.J. Hiltermann te spreken, "de toestand in de wereld", hebben mijn vrouw en ik een nieuwe episode toegevoegd aan onze eeuwigdurende queeste naar la France profonde.
In de twee weken die voor mijn wederhelft de meivakantie vormen, bereisden we de Franse kust tussen Calais en Le Mont Saint Michel.
In eerdere jaren deden we dit vaak kamperend met een tent, maar inmiddels hebben we een auto waarin we languit kunnen, en die tevens is voorzien van een elementaire kookgelegenheid èn, jawel, elektrische aandrijving.
Vorig jaar om deze tijd waren we toe aan een andere auto.
Sinds ik in 1997 één van de eerste Peugeot Partner bestelauto's kocht (ik geloof dat het ding in een eerder Frankrijk-verhaal over Neung-sur-Beuvron nog te zien is), heb ik een voorliefde voor dit soort auto's. Na de Partner, waarmee ik 18 jaar heb gereden, kwam een tweedehands Citroën Berlingo in personenauto-uitvoering, dus met een achterbank. Daar deden we tien jaar mee. Ook een fijne auto, maar jammer genoeg ging hij in de laatste van die tien jaren nogal wat kosten aan reparaties.
Los daarvan hadden we al een tijdje ideeën met betrekking tot een kampeer-auto. Maar we wilden geen 'normale' auto èn een camper. Te duur en te patserig. Het moest iets worden dat geschikt was voor dagelijks gebruik èn we moesten erin kunnen slapen.
Eind april vorig jaar was mijn vrouw de Berlingo helemaal zat. Met enige regelmaat mankeerde er wat aan en ze wilde er niet meer mee op vakantie.
Door een gelukkig toeval stuitte op ik op internet op een XL-uitvoering van de Peugeot Rifter (dat is Peugeot's nieuwe naam voor wat vroeger de Partner was; niemand weet wat het woord betekent, maar soit). Deze voiture is 35 cm. langer dan de normale Rifter en kan eventueel met een extra achterbank worden geleverd; dan is het een 7-persoons auto.
Dit betreffende exemplaar had die extra achterbank niet, maar was wel nagelnieuw (kenteken van februari 2024, met 10 km. op de teller en volledige fabrieksgarantie) en werd om onduidelijke reden 10.000 Euro goedkoper aangeboden dan waar de auto op dat moment voor in de catalogus stond. De betreffende Peugeot-dealer zat in Lisse; vanuit Dordrecht een uurtje rijden.
We zijn dezelfde dag gaan kijken en na een rondje rijden op het bedrijventerrein waar de dealer zat, hebben we de auto gekocht.
Ondanks het gegeven dat de Rifter volledig elektrisch is, kregen we nèt geen subsidie. Ik schaam me nog steeds een beetje voor het geld dat we aan het ding hebben uitgegeven (het woord patserig is al gevallen), dus de prijs krijgt u niet van me, maar met de voorgaande mededeling in het achterhoofd, kunt u zich wel enigszins een idee vormen.
Ooit heb ik plannen gehad om de achterbank uit de eerder genoemde Berlingo te halen en die auto als kampeerauto in te richten, maar eigenlijk was dat vehikel voor mijn 185 cm. net 10 cm. te kort om lekker te kunnen slapen.
Omdat we inmiddels in een tamelijk spilzuchtige fase waren gekomen, hebben we die kampeerinrichting, inclusief kussens, gordijntjes, kookgelegenheid en 230V stroomaansluiting, er door een gespecialiseerd bedrijfje in Baarn in laten bouwen, wat nog eens het één en ander kostte, maar toen hadden we ook wat. Een eigenlijk best te verantwoorde keuze in het kader van ons streven om arm te sterven, als het ware.
Het huidige vervoermiddel heeft ook een nieuwe manier van reizen met zich mee gebracht, die met name in Frankrijk, dat naast de bekende pèages ook een onmetelijk netwerk aan Routes Departementales en Route Nationales kent, zeer ontspannen en genietbaar is.
De reikwijdte op een acculading is het grootst bij snelheden tussen 70 en 80 km/u. Bij de bebouwde kommen die je onvermijdelijk tegenkomt (in veel dorpen zijn tegenwoordig 30 km/u-zones), rem je niet; je laat het 'gas' los en terwijl je remt op de motor, laadt de accu bij.
En, wat ik al in een eerder bericht noemde; je ziet veel meer en je kunt onderweg, rond het middaguur, tegen een fatsoenlijk bedrag fatsoenlijk eten in de restaurants die je tegenkomt. We hebben ons kookstelletje dus niet eens zóveel gebruikt.
Aldus toerend begonnen we in Calais en reden we vervolgens langs D940 naar Ambleteuse aan de mond aan de Slack. We kwamen daar in heb begin van de avond aan. De receptie van de camping die we op het oog hadden was al dicht. De straat ervoor bood echter een prima parkeerplek en de toiletten achter de slagboom, die te voet prima te passeren was, waren vlakbij. Behalve het feit dat we geen stroom hadden geen probleem, dus.
We hebben nog even een strandwandeling gemaakt richting het noordelijker gelegen Audresselles. De kust bestaat hier uit duinen, hoewel er op het strand de nodige, tamelijk platte rotsen liggen. Achteraf bleek dat we nèt de verkeerde kant op liepen. De mond van de Slack ligt aan de zuidkant van het dorp en daar staat ook nog een klein fort, dat is ontworpen door de vestingbouwmeester Vauban.
De volgende dag was de enige dag met flink wat regen, hoewel het in de middag aardig opklaarde. De D940 verder volgend passeerden we achtereenvolgens Wimereux en Boulogne. In die stad waren we ook nog nooit geweest. We hebben er geen stop gemaakt, maar doorkruisten en passant wel het centrum. Het leek ons een levendige stad met tal van zaken die het bekijken waard zijn. We kwamen o.a. (eigenlijk omdat we per vergissing even de D940 verlieten) langs de Ville Fortifiée in het centrum van de stad, een citadel die eigenlijk een soort dorp in de stad vormt. Hier staat ook de Basilique de Notre Dame, met de toren-met-koepel, die skyline van Boulogne beheerst. We namen ons voor om op de terugweg Boulogne te bekijken, wat er uiteindelijk niet van gekomen is. Later!
Na Boulogne gaat de D940 even landinwaarts.
Via Etaples, aan de mond van Canche, arriveerden we in Groffliers, net ten zuidoosten van Berck-Plage. Eigenlijk vooral om het gebied rond de mond van de Authie te bekijken, een kleine zandige delta, omringd door duinen, schorren en slikken. De receptie van de lokale camping bleek opnieuw gesloten en de camping complet. Opnieuw geen nood. Tegenover de camping lag een keurig, door groen omgeven parkeerplaatsje. Eigenlijk bedoeld voor bezoekers van het nabijgelegen natuurgebied, maar wij hebben er, na een wandeling met zicht op een Visarend en zeehonden, heerlijk rustig overnacht. Ook het piepkleine, bij laagwater droogvallende haventje La Madelon aan de Authie bleek een arcadische plek. Met een, naar het schijnt goed, restaurant ernaast.
De campings langs deze kust zijn overigens geen echte campings. Ze zijn voor het merendeel gevuld met stacaravans op vaste plaatsen. Met een beetje geluk heeft men wel toiletten en douches voor algemeen gebruik en een paar plekken voor passanten, waar dan altijd campers staan. Wij hebben in twee weken tijd slechts drie of vier kampeerders met tenten gezien.
Langs de route liggen, buiten Boulogne-sur-Mer, vooral kleine tot middelgrote dorpen. De plaatsnaamborden van diverse, vooral kleinere agrarische dorpen zijn omgekeerd. Wat een vorm van boerenprotest blijkt te zijn. Het Franse equivalent van de omgekeerde vlag in Nederland.
Mijn vrouw wilde graag Deauville zien. Dat is vanaf Groffliers een flink stukje rijden. Via de Pont de Brotonne waren we er het grootste deel van de dag mee bezig. Het dal van de Seine is in deze buurt diep, met tamelijk steile beboste wanden en hier en daar heuse krijtrotsen. De bruggen die erover heen gaan (iets verder westelijk ligt nog de pont de Tancarville) zijn bijgevolg tamelijk imposante, hoge constructies. We vonden een leuke camping bij Auberville, waar we een paar nachten zijn gebleven.
De kust ter plaatse is weer van een heel ander type dan de duinen tussen Calais en Saint Valery-sur-Somme, of de krijtrotsen tussen Ault en Etretat. Lokaal spreekt men van les Falaises des Vaches Noires.
Dat van die koeien met je niet letterlijk nemen. In de praktijk is het een steile kust met kliffen van leem, die inderdaad bijna zwart is en door erosie en afslag hier en daar groteske vormen aanneemt.
Het strand ervoor is geen badstrand. Het ligt vol met grote en kleine rotsblokken die uit de leem zijn vrijgekomen. Pas verder naar het oosten, tussen Villers-sur-Mer en Deauville is er weer een zandstrand.
Dat laatste stuk kust heeft, net als plaatsen als Le Treport en Mers-les-Bains, de sfeer van een badplaats rond 1900. Veel, soms tamelijk extravagante villa's uit die periode, waarbij Viller-sur-Mer dorpser en eigenlijk leuker is dan Deauville.
In de laatstgenoemde plaats zijn, in de zone direct langs het strand, duidelijk de projectontwikkelaars aan de gang geweest. Naar de zee toe wordt het front van de stad beheerst door grote hotels en appartementencomplexen, die weliswaar een halfslachtige poging doen om een gelijkenis vertonen met de architectuur van het fin de siècle, maar te grootschalig zijn om daarin te slagen.
Wèl bezienswaardig is het badhokjescomplex aan de boardwalk langs het strand.
Het stamt uit 1924 en houdt qua architectuur het midden tussen Art Deco en modernisme á la Le Corbusier. De hokjes hebben de namen van Amerikaanse filmacteurs en -actrices. Dat doet vreemd aan in een land dat zelf een rijke filmcultuur heeft en over het algemeen, en terecht, nogal prat gaat op de eigen cultuur.
De reden voor deze ogenschijnlijke knieval is het gegeven dat Deauville jaarlijks het American Filmfestival organiseert. Dat bovendien de pretentie heeft dat het, na het filmfestival van Cannes, het grootste filmfestival van Frankrijk is.
Deauville is ook de plaats waar Coco Chanel in 1913 haar eerste winkeltje opende. Wat overigens een halve waarheid lijkt te zijn; volgens Wikipedia had ze al in 1908 een winkeltje in Parijs. We hebben de etalage van het winkeltje gezien, die overigens niets meer toont dan voorgaande mededeling en een aardige profieltekening van Coco, kennelijk gemaakt door Karl Lagerfeld.
Onze volgende overnachtingsplek was Merville aan de mond van de Orne, tegenover Ouistreham. Weer een riviermond met schorren en slikken. Aan de kant van Merville ligt een aardig natuurgebiedje met een (het is voorjaar) keur aan luidkeels zingende zangvogels, plus de nodige steltlopers en kleine zilverreigers; een mooie mengeling van een biotopen. We zagen er ook Regenwulpen. Ze zijn, tenzij je de twee soorten naast elkaar ziet, moeilijk te onderscheiden van de gewone Wulp. De snavel is wat krommer en er is een streep op de kop die je alleen ziet als de Regenwulp hèèl dichtbij is. Je herkent de Regenwulp in de praktijk aan zijn roep, een triller die totaal anders is dan het weemoedige ''koerlie" van Wulp. Regenwulpen zie je ook alleen maar tijdens de trek; ze broeden in het verre noorden.
Ondertussen zijn we de voormalige invasiestranden dicht genaderd. Net als in de omgeving van Verdun zal hier vermoedelijk ten eeuwige dage de herinnering aan oorlogsgeweld, maar in dit specifiek geval ook aan bevrijding, levend blijven.
Bij Merville staan de bunkers van de Batterie de Merville, inmiddels een soort openluchtmuseum, inclusief een son et lumière in een bunker. We komen er tijdens een wandeling langs.
Omdat de Britten geloofden dat de hier opgestelde Duitse artillerie Sword Beach, ten westen van Ouistreham, kon beschieten, werd door een Britse parachutisteneenheid een aparte operatie gepland om deze kanonnen uit te schakelen. Dat lukte, maar slechts ten koste van zware verliezen. Uiteindelijk bleek de aanwezige artillerie te bestaan uit verouderde kanonnen van een veel lichter kaliber dan de verwachte 15 cm. houwitsers. De dracht was onvoldoende om Sword Beach te kunnen beschieten.
Een soort charge of the light brigade, dus en een onnodig verlies aan mensenlevens.
Het land achter de duinen is hier vlak en ligt maar net boven zeeniveau.
Bij Ouistreham ligt de zogenaamde Pegasusbrug, die een belangrijke rol speelde op D-day. De naam komt van het wapenschild van de Britse parachutisteneenheid die de brug veroverde en die het gevleugelde mythische paard toont. Overigens dezelfde eenheid die de Batterij bij Merville aanviel. De verovering van deze brug was wèl een succes. Er is een museum, maar we zijn er, op weg naar het verste punt van onze reis, langs gereden.
Het vervolg leest u in een volgend bericht.
Labels: algemeen
architectuur,
cultuur,
film,
Frankrijk,
geschiedenis,
natuur,
oorlog,
vogels
Abonneren op:
Posts (Atom)






