Mijn vader was geen prater. En àls hij praatte was er vaak een negatieve ondertoon. Hij maakt zich drukker over dingen die hem dwarszaten, dan dat hij de lof zong van iets dat hem plezier deed. Wat ik er uiteindelijk aan heb overgehouden, was de indruk dat het leven hem in laatste instantie lelijk is tegengevallen.
Slechts zelden vertelde hij verhalen over wat hij zoal had meegemaakt. Over zijn jeugd, die zich voor een groot deel moet hebben afgespeeld op de tuinderij van zijn vader, sprak hij nooit. En over zijn vier broers evenmin. Soms ontviel hem wat over één van zijn zussen, maar altijd als die hem op de één of andere manier irriteerden.
Mijn vader had, zoals iedereen van zijn generatie, de oorlog meegemaakt.
Er wordt wel eens beweerd dat die generatie daar een soort collectief wantrouwen tegenover de medemens aan heeft overgehouden. Niet direct regelrechte misantropie, maar voetstoots aannemen dat ieder mens van nature geneigd is tot het goede zat er niet meer in. In het geval van mijn vader heeft zijn na-oorlogse werk bij de politie daar waarschijnlijk ook geen goed aan gedaan.
Over wat de familie van mijn moeder tijdens de oorlog heeft meegemaakt en doorstaan, heb ik hier al vaker geschreven. In dat kader deze keer een verhaal van de andere kant van mijn familie; die van mijn vader. Nog sterker: een verhaal over hemzelf, dat ik in eerste instantie uit zijn eigen mond vernam. Naar aanleiding waarvan hij ermee op de proppen kwam, weet ik niet meer; het moet meer dan vijftig jaar geleden zijn. Het was een uniek voorval; een verklaring voor het feit dat ik het al die jaren onthouden heb.
Dat het, nog maar een paar jaar terug, een hele nieuwe laag kreeg, die zijn mondeling geventileerde herinnering zwart op wit bevestigde en deze promoveerde van een indrukwekkend, maar mogelijk apocrief verhaal, tot een klein stukje waar gebeurde geschiedenis, was voor mij aanleiding om toch maar even op te schrijven.
Mijn vader, geboren in 1918, was al twee jaar voor de oorlog, in 1938, "opgekomen voor zijn nummer", zoals dat, in de tijd dat de dienstplicht nog bestond, werd genoemd.
In 1938 was de wereldwijde economische crisis van de jaren dertig in Nederland nog steeds niet achter de rug. Ondanks de oorlogsdreiging, die rond die tijd ook al opspeelde, en in het licht van de nog altijd hoge werkloosheid, ging mijn vader, toen hij afzwaaide als dienstplichtig soldaat, in op een aanbod om voor bepaalde tijd vrijwillig bij het leger dienst te nemen als 'hulp-marechaussee'. Als zodanig werd hij gelegerd in Millingen aan de Rijn; pal aan de Duitse grens.
Op 10 mei 1940 werd in Millingen aan de Rijn geen schot gelost. De twee belangrijkste aanvalsrichtingen van de Wehrmacht liepen in de richting van de Grebbeberg, ten noorden van de Rijn en via Noord-Limburg en Noord-Brabant naar de Moerdijkbruggen en verder. Later tijdens de meidagen bleken de Duitsers echter wel degelijk ook via de Betuwe en het land van Maas en Waal naar het westen op te dringen, maar de Marechaussee-troepen te Millingen merkten daar op de vroege morgen van 10 mei nog niks van.
Mijn vader vertelde dat ze per direct het bevel kregen om Millingen te verlaten en in westelijke richting terug te trekken. Bij Beneden-Leeuwen stak men met de pont de Waal over, waarna de terugtocht door de Betuwe verder ging.
Onderweg had mijn vader gezien hoe een vliegtuig door luchtafweer brandend werd neergeschoten. Dat had al grote indruk op hem gemaakt. Maar wat daarop volgde had zich nog dieper in zijn geheugen genesteld..
Hij vertelde hoe zijn troep ergens werd opgevangen door een Nederlandse officier, die wilde dat zij zich zouden aansluiten bij een groep, die onder zijn bevel zou optrekken naar de spoorbrug van Culemborg. Die brug was nog intact en de officier vond dat ie moest worden opgeblazen.
Tijdens de tocht naar de brug kwam deze groep echter onder artillerievuur te liggen. Volgens mijn vader had ie een tijdlang plat op z'n buik gelegen, terwijl om hem heen de granaten ontploften. Van het opblazen van de brug was niks meer gekomen.
Heel veel woorden besteedde hij niet aan de ervaring, maar dat het geen pretje was geweest leed geen twijfel. De angst van toen voelde hij tientallen jaren later nog steeds.
Het verhaal zat jaren in mijn achterhoofd, totdat ik, een paar jaar geleden, stuitte op een boek dat de titel 'De geschiedenis van het Wapen de Koninklijke Marechaussee' droeg. Het voorwoord van de schrijver, mr. W. van den Hoek, is gedateerd: mei 1963. Ik herinnerde me wat mijn vader me had verteld en begon te bladeren. Tot mijn niet geringe verbazing trof ik vanaf pagina 399 het verhaal van mijn vader, maar nu in z'n volledige context en met veel meer details.
Een en ander bleek zich te hebben afgespeeld op 14 mei 1940. Het initiatief voor de actie kwam van een officier van brigade B, een legereenheid die aanvankelijk een stelling in het Land van Maas en Waal bezet had gehouden, maar zich op 14 mei al had teruggetrokken in Vreeswijk. Een kapitein van deze brigade B had binnen de Marechaussee-eenheid van mijn vader, die zich op dat moment kennelijk ook al in Vreeswijk bevond, vrijwilligers geronseld voor het innemen van de brug bij Culemborg, waaronder 14 "zogenaamde hulpmarechaussees". Daarna vervolgt het verhaal van de operatie, inclusief het gegeven dat er tijdens de artilleriebeschieting enige gewonden vielen. Voor het bereiken van de brug werd de terugtocht aanvaard, omdat vanuit de richting van de brug Duitsers op motorfietsen met zijspan, met daarop een mitrailleur naderden, die de Nederlandse soldaten onder vuur namen.
Ik wist uit eerder onderzoek naar andere onderwerpen dat het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) zo ongeveer alle beschikbare gevechtsrapporten van het Nederlandse leger uit de meidagen van 1940 heeft gedigitaliseerd. Je kunt ze gewoon thuis, achter je computer, doornemen.
Ik vond zonder veel moeite het rapport dat Kapitein Luchsinger van Brigade B op 19 mei 1940 schreef, en dat de actie in zo mogelijk nog meer detail beschrijft.
Op 14 mei bevond Brigade B zich inderdaad in Vreeswijk. Luchsinger beschrijft hoe zijn eigen eenheid daar in de nacht van 13 op 14 mei was gearriveerd. Die troepen waren als gevolg daarvan "alle zeer vermoeid en bovendien geheel incompleet (sic)". Rond de middag van 14 mei werd van de commandant van het Tweede Legerkorps bevel ontvangen om "met een compagnie de spoorbrug van Culemborg, die door parachutisten was bezet, te hernemen en daarna te doen opblazen."
Kennelijk achtte Luchsinger de manschappen van zijn Brigade B daar niet toe in staat. Hij wendde zich tot een groep "marechaussees van de brigades Groesbeek, Nijmegen en Millingen", waarmee een detachement van 25 man werd samengesteld, dat met twee vrachtwagens naar fort Honswijk werd gebracht. Dit fort ligt ongeveer 7 km. ten zuidoosten van Vreeswijk, aan de Lek. Het maakte destijds deel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Na het ineenstorten van de Nederlandse weerstand op de Grebbeberg op 13 mei, was het Nederlandse leger begonnen aan een tamelijk wanordelijke terugtrekking op deze waterlinie. Men hoopte van daaruit de strijd nog enig tijd te kunnen volhouden. Onderweg naar het fort kwam men derhalve al veel, in Luchsingers woorden "groote ongeordende afdeelingen artillerie en infanterie" tegen en ook bij het fort bevonden zich Nederlandse troepen die zich uit het terrein tussen Honswijk en de brug hadden teruggetrokken, nadat, naar eigen zeggen, een deel van hun onderdeel door de Duitsers krijgsgevangen was gemaakt. Deze ontmoetingen deden het moreel van Luchsingers troep geen goed.
| Restand van een loopgraaf, ongeveer halverwege Fort Honswijk en de Spoorbrug Culemborg. |
Vanaf Fort Honswijk ging het detachement te voet verder in de richting van de Culemborgse brug, die pakweg 4 km. verder naar het oosten ligt. Onderweg ontstond in de groep enig gemor; Luchsinger schrijft: "Er waren marechaussees die openlijk verklaarden dat het toch waanzin was om met enkele menschen voorwaarts te trekken, terwijl er duizenden wegliepen".
Als men de brug tot iets meer dan een kilometer is genaderd beginnen er in de nabijheid van de groep granaten te vallen. "Het resultaat dezer verschillende factoren was, dat, niettegenstaande herhaaldelijk halt gehouden werd om de menschen aan te sporen niet achter te blijven, bij het passeren van Hp.159 aan den Lekdijk nog slechts de volgende militairen zich bij mij bevonden:", waarop Luchsinger zeven namen noemt. Mijn vader is daar niet bij.
Enkele minuten daarna arriveren de eerder genoemde Duitsers op motorfietsen met zijspan. De troep van Luchsinger trekt zich terug in een boomgaard en levert van daaruit nog enige weerstand, maar omdat de granaten blijven vallen en de Duitsers over mitrailleurs en machinepistolen beschikken, trekt de troep zich onder voortdurend vuur terug.
Uiteindelijk vallen er drie zwaar gewonden, waarvan er één, de marechaussee P.C. Teekens, wordt achtergelaten. Hij kreeg waarschijnlijk medische hulp van Duitse zijde.
Op het moment dat de hierboven beschreven gebeurtenissen plaatsvonden was Rotterdam al gebombardeerd en in de loop van dezelfde middag nam generaal Winkelman het besluit tot capitulatie. Kapitein Luchsinger en mijn vader waren daarvan niet op de hoogte; pas 's avonds, even na half zeven meldde de radio dat Nederland had gecapituleerd. Daarmee werd in tweede instantie duidelijk dat de actie tegen de Culemborgse brug, ook als ie was geslaagd, totaal zinloos was.
Mijn vader maakte tijdens zijn latere leven ook nog wel een paar gevaarlijke situaties mee; hij schijnt als politieagent ooit een baksteen tegen zijn hoofd te hebben gekregen. Maar vermoedelijk kwam hij nooit dichter bij een voortijdig levenseinde dan op de middag van 14 mei 1940.
Ik heb ook nooit de indruk gekregen dat hij erg heeft geleden onder het gegeven dat hij zijn kans om een oorlogsheld te worden glansrijk heeft gemist.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten