maandag 23 december 2024

Mijn Nieuwjaarswens voor Nederland en de wereld

 

bron: someecards.com









Lezers die de titel van dit stukje vinden getuigen van misplaatste hoogmoed kan ik geruststellen; u mag die titel rustig beschouwen als een met ironie doordrenkte bon mot.

De inspiratie voor dit epistel borrelde op na het zien, gisteren, van het televisieprogramma BuitenhofDat zat deze keer, vond ik, vol met boeiende onderwerpen. 
Zo was er onder meer iemand die een Gedichtenapotheek had gepubliceerd. Als u wilt weten wat dat precies inhoudt, moet u maar maar even 'terugkijken' op uw interactieve televisie. Waarvan ik dan maar even aanneem dat u die heeft.

De echte inspiratie echter, kwam van Beatrice de Graaf, die onlangs de jaarlijkse Huizinga-lezing van de Universiteit Leiden voor haar rekening nam. 
In Buitenhof gaf ze, tijdens een interview door Pieter Jan Hagens, een soort samenvatting van die lezing. Het uitgangspunt was dat de visie van Johan Huizinga, eertijds hoogleraar in Leiden, met betrekking tot dingen als crisis, politieke mores en succesvol leiderschap nog steeds niet verouderd is.
De Graaf stak een gloedvol betoog af van een helderheid die tegenwoordig bij veel mensen die over ingewikkelde dingen praten nog wel eens ver te zoeken is. Ze produceerde niet alleen maar veel woorden, maar vooral woorden die iets betekenden en de visie van Huizinga glashelder over het voetlicht brachten.

Zo maakte ze onder andere duidelijk wat, volgens Huizinga, een politiek leider tot een succesvolle leider maakte. Daarbij ging het volgens hem in eerste instantie om deugden in de definitie van Aristoteles. Zo'n leider moest niet alleen slim zijn, maar vooral zó slim dat hij daarbij het hogere doel nooit uit het oog verloor, en dat op een zodanige manier dat er recht werd gedaan het belang van land en volk in de breedst mogelijke zin. Die deugden worden ook benoemd: beheersing, rechtvaardigheid, wijsheid en moed. De latere kerkvader Augustinus heeft daar nog geloof, hoop en liefde aan toegevoegd. Volgens Beatrice waren die zeven begrippen sinds de vroege middeleeuwen "het scharnierpunt" voor mensen die geacht werden te handelen in het publieke belang.

Pieter Jan Hagens trok vervolgens de vergelijking tussen de conflicten in het huidige kabinet, het gedrag van sommige kamerleden en deze deugden. Die waren, volgens hem, vaak niet bepaald in overeenstemming daarmee. Te vaak ging het om populistisch geschreeuw en electorale winst. 
Dat vond Beatrice ook; Huizinga zou één en ander hebben bestempeld als puerilisme. De term is door hem bedacht en werd voor het eerst gebruikt in zijn boek In de schaduwen van morgen. Kort gezegd laat het zich vertalen als 'kinderachtig gedrag'.

Huizinga schrijft in het genoemde boek onder meer: de gemakkelijk bevredigde maar nooit verzadigde behoefte aan banale verstrooiing, de zucht tot grove sensatie, de lust aan massavertoon. (...........) Een aantal eigenschappen, die psychologisch dieper geworteld liggen dan de genoemde, en die men eveneens het best onder den term puerilisme kan begrijpen, zijn het ontbreken van gevoel voor humor, het warmloopen op een woord, de verregaande engdenkendheid en onverdraagzaamheid tegenover nietgroepsgenooten, de matelooze overdrijving in lof en blaam, de toegankelijkheid voor elke illusie die de eigenliefde of het beroepsbesef vleit. 

De taal is misschien, evenals de genoemde deugden, een beetje archaïsch, maar het kan niet worden ontkend dat het hierboven beschreven gedrag ook vandaag weer volop aanwezig is in het publieke domein en zelfs in de tweede kamer en de regering opgang maakt.

Beatrice was van mening dat de deugden van Aristoteles, Augustinus en Huizinga bij veel van de huidige (wereld)leiders nogal op de achtergrond zijn geraakt. Dat valt ook niet te ontkennen, lijkt me. Mensen als Trump en Wilders zouden niet door de ballotage van het bovengenoemde drietal komen.

Het kwam er volgens de Graaf voor de leiders van nu op aan om hoop op vooruitgang te bieden. Dat houdt in dat leiders ook bereid moeten zijn om eerder gemaakte fouten te erkennen, en dat die erkenning eventueel tot een bijstelling van het beleid zal moeten leiden. Het 'benoemen' van problemen moet gepaard gaan met het bieden van perspectief. 
Van de bevolking mag worden gevraagd dat ze niet alleen maar vragen wat de leiding voor hen kan doen, maar ook of zij wat kunnen doen voor het land of de maatschappij.
De Graaf noemde ook het voorbeeld van Franklin D. Roosevelt, die in zijn jaren als president van de Verenigde Staten in staat bleek om het Amerikaanse volk een hart onder de riem te steken tijdens zijn zogenaamde fireside chats, waarin hij vrijelijk sprak over de problemen waar de VS voor stonden, maar zijn volk tevens voorhield hoe zij óók moed en wijsheid konden tonen. Zelf schiet me hier en nu Churchill te binnen, die er bij het begin van de Tweede Wereldoorlog er niet omheen draaide en meldde dat hij voorlopig niks anders te bieden had dan blood, sweat and tears, maar dat de wereld uiteindelijk zou moeten inzien dat this was their finest hour. 
Hij toonde de moed om de waarheid te vertellen, maar bood tegelijkertijd het perspectief dat er ook moet zijn om de burger het idee te geven dat zijn inzet nodig is.

Wat Beatrice de Graaf tenslotte nog zei over de grote conflicten van deze tijd vond ik ook behartigenswaardig. 
Ten aanzien van het Israëlische handelen in Gaza merkte ze op dat de Nederlandse regering de moed zou moeten opbrengen om, ondanks de steun die er van oudsher uit Nederland altijd was voor Israël, in dit geval toch zo langzamerhand eens wat kanttekeningen te plaatsen bij het handelen van Israël en daarbij niet te schromen om te spreken van oorlogsmisdaden. 
Dat neemt echter volgens haar niet weg dat de staat Israël een bestaande entiteit is, die eveneens perspectief nodig heeft. Het land zit feitelijk ook klem in de bestaande werkelijkheid. 
De Graaf pleitte ervoor dat, zeker nu er door de val van Assad in Syrië een nieuwe situatie is ontstaan, Europa, de Verenigde Staten en misschien ook Rusland de deugden beheersing, rechtvaardigheid, wijsheid, moed, geloof, hoop en liefde inzetten om in het Midden-Oosten iets te bewerkstelligen dat tot een verbetering van de algemene situatie zou kunnen leiden.

Maar ook wij, burgers onderling (en daar komt mijn nieuwjaarswens voor het komende jaar, en wat mij betreft voor vele jaren hierna) kunnen in het publieke debat en dat in de kennissenkring anders met elkaar omgaan dan we in dit tijdsgewricht nog wel eens doen, bewust of onbewust.
Zonder al te dogmatisch te hameren op bovenstaande zeven deugden, zou dat kunnen inhouden: minder prinzipienreiterei, de zaak eens van meerdere kanten bekijken, en vooral niet streven naar endgultige Endlösungen. Verbeteren en oplossen gaat vaak in kleine stapjes. 
Dat laatste hoeft geen bezwaar te zijn, als ermee wordt voorkomen dat een eenmaal ingeslagen weg toch niet begaanbaar blijkt, waardoor we vervolgens terug naar 'af' moeten.
Iets om over na te denken als u, al dan niet binnenkort, weer naar de stembus gaat.

Ik wens u allen plezierige dagen van ontspanning en bezinning, benevens een goede start van 2025

Keep calm and carry on.


zondag 15 december 2024

Het hart van Frankrijk

 


















Frankrijk is een regelmatig terugkerend thema op dit blog.

Ook deze zomer werd het land door de redactie van Het Ondermaanse weer bezocht en misschien verval ik in herhaling, maar de liefde voor dit op twee na grootste land van Europa blijft groeien. Met de aantekening dat je jezelf kunt afvragen in hoeverre de nummers 1 en 2, qua grootte, tot Europa kunnen worden gerekend. Nummer 1, Rusland, ligt voor het grootste deel in Azië en Oekraïne mag van Rusland niet bij Europa horen.
Frankrijk is ook zo'n land waarvan veel mensen het silhouet, dat de buitengrenzen vormen, wel herkennen. Als je het bij de grote lijnen houdt, kun je constateren dat dit silhouet zes hoeken heeft, reden waarom de Fransen zichzelf wel Les Hexagones noemden. 


























Die bijnaam is vooral bij oudere Fransen nog bekend, denk ik.
 
De Franse cultuur in zijn algemeenheid is wat aan slijtage onderhevig. 
Door een speling van het lot kwamen we in zes weken tijd één keer in een Nederlandse en wel twee keer in een Franse vestiging van MacDonalds terecht, waar we konden constateren dat aan het interieur en de manier waarop je tegenwoordig bij deze keten geacht wordt je bestelling te plaatsen (via een groot touchscreen) niet was te zien in welk land je was. Het interieur in Nederland en Frankrijk is exact gelijk. De taal waarin de etenswaar op het scherm werd gepresenteerd was weliswaar nog die van het land in kwestie, maar het is waarschijnlijk een kwestie van tijd voor in elke MacDonalds, waar ook ter wereld, Engels de voertaal wordt. 

Gelukkig verkeren wij in Frankrijk meestal à la campagne
Bijna schreef ik: 'platteland', maar dit woord is in deze zeshoek zelden op z'n plaats. Hoe dan ook; in dit al dan niet golvende, of zelfs regelrecht bergachtige buitengebied zijn tendenzen als de bovengenoemde nog nauwelijks merkbaar.
Gelukkig niet, want waarom zou je genoegen nemen met de prijs/kwaliteitverhouding van MacDonalds, als je rond het middaguur in het eerste dorpsrestaurant dat je tegenkomt een menu kunt eten  voor iets tussen de vijftien en twintig euro, waarna je 's avonds aan een stuk stokbrood en een kop soep voldoende hebt? 
De Franse arbeiders hebben dat al heel lang door. Bij MacDonalds zie je ze niet, maar in die dorps-restaurants, vaak gevestigd op de kruising van twee D-wegen en in een dorp waar, buiten een bakker, meestal geen enkele winkel meer te vinden is, wèl. Een broodtrommeltje van thuis meenemen doen ze niet. 
En omdat een exotisch spreekwoord luidt: Sī fuerīs Rōmae, Rōmānō vīvitō mōre; sī fuerīs alibī, vīvitō sīcut ibī, wat je meestal ziet in de Engelse uitvoering als: When in Rome, do as the Romans do, is voor ons de keus niet moeilijk. Het is niet alleen eten, maar ook sfeer snuiven.
In Frankrijk kun je eten met een prijs/kwaliteitsverhouding die je doet beseffen dat de Nederlandse restauranthouders voornamelijk mensen zijn die snel rijk willen worden, en dat proberen klaar te spelen door een minimum aan kwaliteit te leveren voor veel geld. 
Sinds we daarachter zijn laten wij ons in het land van de zeshoekigen graag het één en ander voorzetten.

We waren dit jaar achtereenvolgens in de Savoie (Saint-Jean-de-Sixt, om precies te zijn), De Doubs (Saint-Hippolyte), de Berry (Vesdun en La Minat, de plek waar onze katten geboren zijn) en de Brenne (Rosnay). Eén en ander gespreid over één keer twee weken en na een paar weken thuis nogmaals een week..
Tijdens de eerste reis waren we eigenlijk al na België achter ons te hebben gelaten in de campagne
Vanaf Charleville-Mèzieres lieten we de snelwegen voor wat ze waren en hebben we, zowel heen als terug de Franse D-wegen, en de enkele Routes Nationales die er nog zijn, gevolgd. Dat schiet vanzelfsprekend minder snel op dan de pèage, maar je bent al ècht in Frankrijk, je ziet veel meer, èn je komt die dorpsrestaurants tegen, waar ik het hiervoor over had. Langs de pèage heb je die niet.

Ooit schreef ik over het dorp Neung-sur-Beuvron en zijn omgeving dat het Franser dan Frans is en dat ik meende het hart van Frankrijk te hebben gevonden. Maar als je het puur meetkundig en geografisch gaat bekijken, ligt het echte hart, zoals dat is bepaald door het Institute Geographipque National, pakweg 120 km. verder naar het zuid-zuidoosten. 
De plek is te beschouwen als het punt waaraan je de zeshoek , waarvan hiervoor sprake was, kan optillen, terwijl die horizontaal en keurig in evenwicht blijft hangen.
Net gearriveerd op de camping te Vesdun keek ik op de 1 : 25.000 kaart van het gebied en daar stond het, ongeveer 2,5 km. ten noordwesten van het dorp; een vierkantje, omgeven door een rode ster: Centre de la France continentale.


























Vanzelfsprekend zijn we op de plek gaan kijken. 
Alsof God zelf het zo heeft bedacht, ligt het middelpunt op de top van een laag heuveltje, de Peu de Vesdun. Naderend vanuit het zuiden stelt het niet veel voor. Het is aan de zuidkant bebost, maar naar het noorden ligt een lange, flauwe helling. In die richting heb je tientallen km's vrij uitzicht.


















Op de heuvel aangekomen denk je even dat het middelpunt in het terrein geen markering heeft gekregen, maar als je even wat verder doorloopt blijkt die er wel degelijk te staan. Half verscholen in een bosrandje staat een uit houten balken en planken samengestelde piramide op een betonnen voetstuk. Het monumentale ding, dat pakweg een meter of zes hoog is, ontbeert verder elke aanduiding van wat het markeert, maar de kaart op de telefoon, die ook onze positie laat zien, maakt het zonneklaar dat we hier bij het middelpunt van Frankrijk zijn aangekomen.

























Dat die ontbrekende verklaring van wat die piramide voorstelt heel merkwaardig is, wordt mede geïllustreerd door het feit dat diverse dorpen in de directe omgeving claimen dat het middelpunt van Frankrijk in hun gemeente ligt. Vesdun, bijvoorbeeld, heeft z'n eigen monumentje waarvan het beweert dat dit het hart van Frankijk markeert.

Maar er is meer dat dit gebied, in Frankrijk bekend als de Berry, heel erg Frans maakt, namelijk het feit dat één van de beroemdste romans uit de Franse literatuur er voor een groot deel speelt. 
In Nederland kennen waarschijnlijk alleen universitaire studenten Frans het boek nog, maar in Frankrijk weet iedereen met een klein beetje gevoel voor cultuur, en dat zijn er in Frankrijk aanzienlijk meer dan in Nederland volgens mij, welk boek ik bedoel.
Het heet Le Grand Meaulnes en vooral het eerste deel van het boek is min of meer een verbeelding van een jeugd op Franse platteland rond 1900. 
Wat overigens ook in niet geringe mate heeft bijgedragen aan de status van het boek is het jong sneuvelen van de schrijver, Henri Alain-Fournier. Hij kwam al bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, in augustus 1914, om het leven. Het boek verscheen een jaar eerder, in 1913.
Zelf heb ik het, door mijn nog immer niet verholpen gebrekkige beheersing van de Franse taal, gelezen in Nederlandse vertaling. Het is, behalve die sfeerbeschrijving van een adolescentie in de Berry anno 1900, een tamelijk wanhopige beschrijving van een gevonden en weer verloren liefde, die zich soms in een droom lijkt af te spelen. Ondanks het feit dat andere literaire grootheden het boek hebben geprezen, vond ik het uiteindelijk niet heel erg boeiend. 

In het dorp waar Alain-Fournier zijn jeugd doorbracht, Epineuil le Fleuriel, vijfentwintig km. ten noorden van Montluçon en 15 km. ten oosten van Vesdun, staat het schooltje waar hij lezen en schrijven heeft geleerd. Tegenwoordig is het een museum, waar van alles rond de schrijver van Le Grande Meaulnes te vinden is: foto's, brieven, en andere documenten. Het interieur is ook min of meer teruggebracht in de staat waarin het rond 1900 verkeerde en toont dus een Franse basisschool op het platteland uit die periode. We hebben de school bezocht en voelt als een soort tijdmachine. Het geheel ademt weemoedige nostalgie.

Frankrijk heeft, veel sterker dan in Nederland het geval was, in de afgelopen eeuw een trek van het platteland naar de stad  meegemaakt. Het werd steeds minder een land van boeren, en steeds meer een natie van industrie-arbeiders en bureau-werkers.
Sindsdien is echter ook een ander fenomeen zichtbaar geworden: veel Franse stedelingen zien het platteland als een verloren Arcadië. 
Misschien hebben ze een opa of oma, die er nog steeds woont en die soms, als de afstand niet te groot is, op een zomerse zondag wordt opgezocht. Maar ook als dat niet het geval is kennen veel stadsbewoners dat gevoel van een verloren paradijs. Hun voorouders woonden een eeuw geleden in veel gevallen nog in een klein dorp of op een boerderij. 
Zonder er zelf ooit gewoond te hebben, ervaren ze een vage heimwee naar de kleinschalige eenvoud van la campagne.

Ik vermoed zo maar, dat de bekendheid en de nog immer voortdurende populariteit van Le Grande Meaulnes een uiting is van die heimwee.



donderdag 12 december 2024

Normaal?

















In de jaren zeventig en tachtig hingen her en der zilverkleurige posters met de tekst "ooit een normaal mens ontmoet? en..., beviel het?"

Ik werkte toen net op de faculteit Bouwkunde in Delft en had daar juist in korte tijd een flink aantal mensen ontmoet die mij niet helemaal normaal leken. Dat had alles te maken met het gegeven dat ik, als Zwijndrechtse provinciaal, ineens in een universum terecht was gekomen waarvan ik, tot dat moment, het bestaan niet had vermoed.
In het vaag gereformeerde milieu waar ik uit voortkwam, was iedereen wèl normaal. Zeker als we dat begrip uitleggen als: 'voldoen aan de norm'. Aan vaders kant was in de hele familie geen buitenbeentje te bekennen. Of het moest ome Wim zijn, die op zeker moment Nederland had verlaten en in Wallonië in de staalindustrie was gaan werken. Moeders kant kende wat meer vrijgevochten types. Wat wilder dan ik zelf was, zal ik maar zeggen. Enkele van de neven Van Well lazen de Aloha, bijvoorbeeld. Ook vond ik op hun kamer wel eens een Chick. Waarmee ik geen lekkere meid, maar een ander blaadje bedoel, waar overigens wèl lekkere meiden in stonden. Of wat daarvoor door moest gaan. 
Later is het met die neven Van Well helemaal goedgekomen, trouwens. Ze zijn netjes getrouwd en hebben een gezin gesticht. Met vervolgens weliswaar een echtscheiding hier en daar, maar tóch tamelijk normaal, dus.

Ook op Bouwkunde hing zo'n zilverkleurige poster en terugkijkend rijst het vermoeden dat dit niet helemaal toevallig was. Het instituut was, binnen het scala aan faculteiten dat samen de Technische Hogeschool vormde, een soort enclave waar alles, dat op die andere faculteiten nog abnormaal werd gevonden, een geaccepteerd verschijnsel was.
Ik kwam op Bouwkunde voor het eerst homoseksuelen tegen. Dat wil zeggen: mannen die er niet omheen draaiden dat ze dat waren. Er liepen merkwaardige individuen rond, die in een geheel eigen universum leken te leven. Alexander Mustert, bijvoorbeeld, directeur van zijn eigen Sprookjesmuseum. Nooit afgestudeerd, is hij desondanks een beroemde Delftenaar geworden. Googelt u maar eens. Of Joop Hardy, die colleges kunstgeschiedenis gaf, en bij een afbeelding van een schilderij uit de renaissance, waarop een bepaalde seksuele symboliek werd uitgebeeld, opmerkte: "jaa.. ze zegt het niet hardop, maar dat vrouwtje lust er wel pap van, hoor.."
Bouwkunde heeft op alle mogelijke fronten mijn blik verruimd. Ook waar het gaat over de relativiteit van het begrip 'normaal'.

Zelf ben ik ook niet normaal, geloof ik. Mijn vrouw is van mening dat ik licht-autistisch ben. Zelf hou ik het erop dat ik een hekel heb aan geklets over niks, dat ik nogal selectief ben in wat ik wèl en niet interessant vind, en ik haat de neiging van de zogenaamde vooruitgang tot het steeds ingewikkelder maken van allerlei zaken die ooit heel eenvoudig waren. En bleef het nou maar bij ingewikkeld maken; de werkelijkheid is helaas nog veel schadelijker
 
Internet; dat was in de jaren negentig van de vorige eeuw het schoolvoorbeeld van vooruitgang. 
Inmiddels is het een veelkoppig monster geworden dat constant om wachtwoorden vraagt en een niet aflatende stroom bagger produceert.
Ik moet in dat verband regelmatig denken aan een lied dat in 1973 door Frank Zappa op single werd uitgebracht: I'm the slimeDe tekst van lied kan ik bijna geheel uit m'n hoofd reciteren (geen idee waarom; het is zo). Ze handelt over wat de televisie in de Verenigde Staten op dat moment te bieden had en de manipulatieve bedreigingen die daar vanuit gingen.
Terzijde: dat meidenkoortje in I'm the slime; dat zijn Tina Turner en de Ikettes.
Projecteer de tekst van het lied op het huidige internet, en je kunt constateren dat de angst van Zappa voor de Amerikaanse televisie-dictatuur klein bier was vergeleken bij wat er heden-ten-dage uit de krochten van internet opborrelt. Internet is, vergeleken met de Amerikaanse radio en televisie uit de jaren '70, eveneens een schoolvoorbeeld. Ditmaal van het gegeven dat het altijd nóg veel erger kan.

Onder noemer 'normaal' vielen in het verleden ook vormen van fatsoen, zoals niet discrimineren, gelijkheid voor de wet, niet liegen, het eerbiedigen van de grondwet en daarmee het ondersteunen van de democratie, die we in de afgelopen 80 jaar als iets vanzelfsprekends zijn gaan beschouwen.
Maar zelfs in Nederland is ondertussen sprake van een nieuw normaal, waarvan de laatste uiting een motie in de tweede kamer is, die voorstelt een soort gedachtenpolitie á la Orwell's 1984 in te voeren. Een motie die doodleuk een meerderheid kreeg.
En zoals ik al zei: het kan altijd nog erger. Want dat nieuwe normaal schiet niet alleen in Nederland wortel; dat gebeurt ook in de Verenigde Staten, Italië, Hongarije, Frankrijk en België. In andere landen, zoals Duitsland en Roemenië is het, al dan niet gestuurd vanuit een land dat eigenlijk nooit normaal is geweest, aan een opmars bezig. 

Veel van de genoemde landen maken deel uit van de Europese Unie, die, zoals ik hier al lang geleden heb betoogd, en ondanks alle gebreken die dit fenomeen nog kent, één van de beste ideeën blijft die in de 20e eeuw zijn bedacht. 
Maar het blijkt dat de exponenten van het nieuwe normaal ongelofelijk de schurft hebben aan de EU. Die EU moet ten gronde worden gericht, want gaat ten koste van de eigen identiteit, de eigen cultuur en de ook eigen achterlijkheid. De EU vindt bijvoorbeeld dat er met allerlei dingen, zoals de natuur, maar ook asielzoekers, min of meer fatsoenlijk moet worden omgegaan. En dat klimaatverandering moet worden bestreden door de CO2-uitstoot te verminderen. In de ogen van de nieuwe normalen allemaal hobbies van linkse gekkies
Het gekke is dat al die nieuwe normalen elkaar wel opzoeken en allianties smeden. 
Het nep-blonde opperhoofd van de ene nationale nieuw-normalenclub feliciteert het opperhoofd van een andere, veel grotere club nationale nieuw-normalen, die ook min of meer blond is, maar volgens mij een toupetje draagt, met zijn herwonnen presidentschap. Hetzelfde nep-blonde opperhoofd bezoekt ook bijeenkomsten van nieuw-normale baasjes. Want eigenlijk willen al die dictatortjes-in-de-dop (een paar zijn het gewoon al) hetzelfde. Terug naar hoe het was, klaar met allerlei vormen van emancipatie, stoppen met die klimaat-onzin, en nog een paar nieuw-normale dogma's.

Daarom moet de EU kapot en weg. 
Een merkwaardig gegeven, gezien het feit dat al die nieuw-normale baasjes min of meer hetzelfde willen. Wat is er dan logischer dan een unie vormen? Toch wil men vooral normaal zijn binnen de eigen landsgrenzen.
"Samen voor ons Eige", om met Jacobse en Van Es te spreken. Waarom mag Joost weten. Misschien om na het slopen van de EU weer lekker onderling oorlog te kunnen voeren? Al is het maar een handelsoorlog? Of zonder politiek correct gezeur de dikste vrienden met Vladimir Poetin te kunnen zijn?
Eigenlijk vrij raadselachtig allemaal. Welk voordeel zou er te behalen zijn met strict je eigen naadje naaien, met je rug naar de rest van de wereld te gaan staan, maar toch vriendjes te zijn met Poetin? 

Een breed gedragen definitie van 'normaal' doet ook vermoeden dat achter dat normaal iets van rationaliteit schuil gaat. Bij het 'nieuwe normaal' heb ik daar ernstige twijfels over. 
Het is eerder een soort misplaatst gevoel voor romantiek. Heimwee naar een wereld die voorbij is. Eentje met tevreden burgers, die hun plaats kennen, en wonen in hun gezellige dorpjes, waar de huisjes brievenbussen hebben waar een touwtje uit hangt, en waar Henk en Ingrid de zolder van opa opruimen, iets tegenkomen dat ze niet begrijpen, en vervolgens vragen "is dit kunst, of kan het weg?" 
Een sprookjeswereld waar alles weer goed is en alle kwalijke invloeden veilig zijn opgeborgen in takkietakkie-land of een ander ver buitengewest
Misschien loopt Roodkapje ook nog wel ergens in die wereld rond. 
Maar wat nu als dan ineens (niemand zag dat aankomen) de grote boze wolf zich manifesteert? En dan bedoel ik ècht groot. Hij vind al die eigenheimerige nationale identiteitjes maar onzin en hij lust, bij wijze van spreken, wel een heel leger van Roodkapjes en Henk en Ingrid erbij. 
Wat dan?






maandag 2 december 2024

T.E. Lawrence




Een paar dagen geleden had ik de gelegenheid om de film Lawrence of Arabia van David Lean te bekijken. 
Opgenomen van televisiekanaal ONS, dat naar eigen zeggen grossiert in "De mooiste nostalgische programma's". En inderdaad; het kanaal presenteert nogal eens films uit een tamelijk ver verleden.
Lawrence of Arabia werd uitgebracht in 1962 en wordt heden ten dage nog steeds beschouwd als een klassieke film. Een andere film van David Lean, Doctor. Zhivago (1965) is misschien nog beroemder, maar iedereen die in de jaren zestig zijn tienerjaren beleefde, heeft ooit van Lawrence of Arabia gehoord.
Zelf was ik nog maar negen jaar oud toen de film in roulatie kwam. Op die leeftijd kwam ik nog niet in bioscopen. Hij zal vast eerder op de televisie zijn geweest, maar ik kan me zo'n gelegenheid niet herinneren. Voor m'n gevoel zag ik de film voor de eerste keer. 
Desondanks was ik wel min of meer op de hoogte van wie T.E. Lawrence was, en welke rol in de geschiedenis hij had gespeeld.

Lawrence of Arabia is, bijna twee-en-zestig jaar na zijn premiére, wat mij betreft nog steeds een genoegen om naar te kijken. De film doet niet gedateerd aan.
Los van het avonturen- en oorlogsverhaal, wat de film ook is, en de spectaculaire, massale actie-scènes, kent hij ook een zekere gelaagdheid. Het personage Lawrence krijgt diepte. Zijn mentale toestand lijkt in de loop van de film heen-en-weer te slingeren tussen risicovolle dadendrang en depressieve hopeloosheid. Niet direct het gedrag van de archetypische Action Hero
Lawrence had al de nodige tijd in de Arabische wereld doorgebracht voor de Eerste Wereldoorlog begon, het tijdsgewricht waarin de film zich afspeelt. 
Als kind had hij al een grote belangstelling voor geschiedenis en dan met name de middeleeuwen. Via een studie van de kruistochten raakte hij ook steeds meer geboeid door het Midden-Oosten en de Arabische cultuur. Na een academische studie werkte hij, net voor het uitbreken van de eerste wereldoorlog, als archeoloog in Syrië en Irak.
De eerste volledige biografie van Lawrence moet ik nog lezen, maar op het Engelstalige Wikipedia is al een uitgebreide beschrijving van de man en zijn leven te vinden. De complexiteit van zijn karakter komt in de film goed tot uiting. Het is één van de dingen die de film, zoveel jaar na dato, nog steeds de moeite waard maken. 

Zo is er bijvoorbeeld de dubbelzinnige verhouding met geweld, die de hoofdpersoon op diverse momenten in de film laat zien. Enerzijds verafschuwd Lawrence het doden van mensen, maar op het moment dat een dreigende vete tussen twee Arabische stammen moet worden bezworen, schiet hij, na enige aarzeling, de aanstichter van die vete, die een moord op zijn geweten heeft, zonder meer dood en voldoet daarmee aan de Arabische mores. Later in de film komt die daad weer ter sprake en bekent Lawrence dat het doden van de moordenaar hem genoegen deed. 
Later in de film stuit zijn Arabische guerilla-strijdmacht op een door de Turken uitgemoord Arabisch dorp. Zijn leger, dat zich op paarden en kamelen snel kan verplaatsen, zet de achtervolging in op de verantwoordelijke Turkse colonne. Als die is achterhaald, is er weer die aarzeling, maar als één van de Arabieren zijn ongeduld niet langer kan bedwingen, in zijn eentje te paard en met geheven kromzwaard op de Turken afstormt, en door hen wordt neergeschoten, gaat ook bij Lawrence de knop om en doet hij naar hartelust, zo lijkt het, mee aan het afslachten van de Turken.
Op zeker moment waagt Lawrence zich, met slechts één medestrijder, in de door Turken bezette stad Dehra. Hij wordt door de Turken opgepakt en door hen gemarteld en verkracht. Dat laatste wordt in de film niet expliciet getoond, maar de suggestie is er wel. Daarna gooien de Turken hem weer op straat, maar hij is onmiskenbaar geknakt door de vernedering
en zinkt, zij het tijdelijk, weg in een zwaar depressieve stemming.

Dat alles neemt niet weg dat Lawrence zich op het Arabische sub-continent als een vis in het water voelt. Hij begrijpt de Arabieren en hun cultuur en vindt in de woestijn een geestelijke rust die bijna boeddhistisch aandoet. Als hem in de film door een op sensatie beluste Amerikaanse journalist wordt gevraagd wat hem aantrekt in het leven in de woestijn, antwoordt hij: "omdat zij schoon is".

De gelaagdheid, waarover ik eerder sprak, gaat nog wat verder dan de wisselende stemmingen van de hoofdpersoon en zijn liefde voor Arabië en de Arabieren. 
Ook wie de film met hedendaagse ogen bekijkt, zal opmerken dat Lawrence in de film, in zijn uiterlijk en gedrag androgyne eigenschappen vertoont. Hij heeft, zoals hij door Peter O'Toole wordt gespeeld, zekere vrouwelijke trekjes. 
Voor de hoofdrolspeler  was Lawrence of Arabia de rol waarmee hij internationele bekend verwierf. O'Tool had hemelsblauwe ogen en blond haar en vergeleken met foto's van de echte Lawrence kan een zekere overeenkomst in uiterlijk niet worden ontkend.
In andere rollen was O'Toole een archetypische 'mannelijke' man, zoals hij bijvoorbeeld liet zien in de film Beckett uit 1964, waarin hij en Richard Burton de hoofdrollen vervulden.
Dat vrouwelijke van Lawrence in de film was dus gespeelde vrouwelijkheid; iets dat regisseur en acteur bewust deel van de persoonlijkheid van Lawrence wilden maken.
Dat idee kwam niet uit de lucht vallen. 
Het Wikipedia-lemma over T.E. Lawrence spreekt er niet over, maar wie verder zoekt op internet, komt erachter dat diverse biografen in de loop der jaren het vermoeden hebben geuit dat Lawrence homoseksueel was. De film suggereert iets dergelijks door de manier waarop de hoofdpersoon over het voetlicht wordt gebracht.. 
Wat voor een film uit 1962 opmerkelijk mag worden genoemd. Homoseksualiteit was in het Engeland van dat jaar nog strafbaar.
Uit de diverse biografieën blijkt overigens ook dat Lawrence nooit een liefdesrelatie van betekenis heeft gehad met een man, noch met een vrouw. 
Het idee van zijn afwijkende sexualiteit gaat echter nog wat verder dan alleen het vermoeden dat Lawrence gay was
Er is niet alleen veel òver Lawrence geschreven; hij schreef zelf ook. Zijn bekendste boek is The Seven Pillars of Wisdom. Daaruit komt het volgende  citaat:

"The Arab was by nature continent; and the use of universal marriage had nearly abolished irregular courses in his tribes. The public women of the rare settlement we encountered in our months of wandering would have been nothing to our numbers, even had their raddled meat been palatable to a man of healthy parts. In horror of such sordid commerce our youths began indifferently to slake one another’s few needs in their own clean bodies — a cold convenience that, by comparison, seemed sexless and even pure. Later, some began to justify this sterile process, and swore that friends quivering together in the yielding sand with intimate hot limbs in supreme embrace, found there hidden in the darkness a sensual co-efficient of the mental passion which was welding our souls and spirits in one flaming effort. Several, thirsting to punish appetites they could not wholly prevent, took a savage pride in degrading the body, and offered themselves fiercely in any habit which promised physical pain or filth.

De tekst bevat niet alleen de suggestie van homoseksualiteit, maar bevat ook een hint naar sado-masochisme. En ook voor dat laatste hebben de biografen aanwijzingen gevonden.

Hoewel de film de bovenstaande suggesties doet, draait de kern van het verhaal om een heel andere geschiedenis.
T.E. Lawrence kreeg, op grond van zijn kennis van de Arabische cultuur, de opdracht een Arabische opstand tegen de Turken te organiseren en te leiden. Dat gebeurde onder de belofte aan de Arabieren dat zij, na het verdrijven van de Turken, die een groot deel van het Midden-Oosten hadden gekoloniseerd, een eigen Arabische staat zouden krijgen.
Toen uiteindelijk de eerste wereldoorlog op z'n eind liep en de Turken inderdaad waren verslagen, werd deze belofte door de nieuwe koloniale machten Engeland en Frankrijk geschonden. Frankrijk kreeg Libanon en Syrië; Engeland kreeg Palestina, en wat nu Jordanië en Irak is.
Officieel werden dit protectoraten, maar in essentie hadden de genoemde westerse landen de macht en bepaalden zij wat wèl en niet kon in deze gebieden. Jordanië en Irak kregen een koning, maar Palestina kwam rechtstreeks onder Brits bestuur..Uit dit gegeven kwam ook de zogenaamde Balfour Declaration uit 1917 voort, waarin de Britten aangaven dat Palesitna deels bestemd was om als 'thuisland' te gaan dienen voor de Joden. De verklaring gaf het Zionisme (het streven naar een Joodse staat), dat al sinds het eind van de 19e eeuw bestond, een grote impuls. Al voor de tweede wereldoorlog trokken Joden, vooral uit Oost-Europa en Rusland, waar pogroms een regelmatig optredend verschijnsel waren, naar Palestina.
De mensen die al voor 1917 in Palestina woonden en die voor het merendeel moslims en voor een kleiner deel christenen waren, konden de Balfour-verklaring niet waarderen. 
Direct na de Holocaust nam de trek van Joden naar Palestina dusdanige vormen aan, dat zelfs de Britten zich zorgen gingen maken. Het Midden Oosten bestond inmiddels uit onafhankelijk staten en de Britten waren zéér afhankelijk van Arabische olie. Het oorspronkelijke Britse idee over een thuisland voor de Joden werd in tweede instantie een blok aan hun been, omdat de volledige Arabische wereld tegen zo'n Joods thuisland was.
De Britten probeerden, in reactie daarop, de Joodse immigratie in Palestina een halt toe te roepen maar het hek bleek van de dam. Het Verenigd Koninkrijk vroeg de Verenigde naties een plan op te stellen voor de verdeling van Palestina tussen Arabieren en Joden. Op 14 mei 1948 werd de staat Israël uitgeroepen.

De rest is, zoals het gevleugelde woord luidt, geschiedenis.
Maar voor wie zich afvraagt waar de Arabisch-Islamitische weerzin tegen het Westen zijn wortels heeft, kan dit verhaal misschien een deel van het antwoord zijn.


Hoe het afliep met de vasculitis, of de defintieve toetreding tot het gilde der oude mannen






















Anderhalf jaar geleden plaatste ik hier een stukje met de kop De diagnose.
Vanochtend, toen ik weer eens genoeglijk in mijn oude stukjes zat te grasduinen, om inspiratie op te doen voor een nieuw stukje, stuitte ik op het bewuste epistel. Ik realiseerde me dat ik mijzelf op dit blog niet meer heb uitgelaten over het verdere verloop van de behandeling van mijn aandoening. 
Goed, voor ik overga tot het schrijven van een ander fijn, lichtvoetig stukje, teneinde wat licht te doen schijnen in dit in alle opzichten droevige tijdsgewricht, eerst dan maar de toestand van mijn gestel.

De diagnose eindigde min of meer met de melding dat ik Prednison moest slikken en dat waarschijnlijk over een periode van twee jaar of langer. 
Waar die voorspelling van de internist precies op gebaseerd was, weet ik niet, maar uiteindelijk is het erg meegevallen.
Na iets meer dan een jaar was de dosering van 60 mg per dag, in eerst relatief grote en daarna kleinere stappen, teruggebracht tot 0 mg. Voorafgaand aan elke reductie werd mijn bloed weer onderzocht en aan de hand van de gemeten waarden werd bepaald of de dosering omlaag kon en met hoeveel.
De koorts en het nachtelijk zweten waren na een paar dagen al verdwenen en daarna heb ik Prednison geslikt, terwijl ik eigenlijk al geen fysieke klachten meer had. Maar de behandeling had ook ten doel het immuunsysteem, dat de ontsteking in de aderen had veroorzaakt, te resetten. Dat langzame afbouwen is kennelijk een aspect van het weer in de goede stand zetten van het afweersysteem.
Het reduceren van de dosering verliep in een heel regelmatig tempo. 
Ook dat viel mee, want de internist had ook gezegd dat, na een volgend bloedonderzoek, de conclusie zou kunnen zijn dat verdere reductie even 'in de wacht' moest worden gezet, of dat zelfs de omgekeerde actie zou moeten volgen, te weten opnieuw een hogere dosering.
Maar stagnatie of terugval was geen enkele keer aan de orde en zo zat ik in mei van dit jaar op de minimale dosering van 2,5 mg.; in de praktijk de helft van een 5 mg.-tabletje.
De internist vond dat ik er helemaal mee kon stoppen, maar we spraken nog wel een laatste consult, met een voorafgaand bloedonderzoek af. Ook dat pakte goed uit en vanaf dat moment werd ik 'genezen' verklaard.
Op mijn vraag, of mijn immuunsysteem nu inderdaad weer normaal z'n werk deed, kwam geen spijkerharde verzekering dat dit inderdaad het geval was. Men neemt aan dat dit zo is. Maar ook in dit geval zijn eerder behaalde resultaten geen garantie voor de toekomst.

Terugkijkend moet ik zeggen dat de hele geschiedenis me tenminste één opvallende ervaring heeft opgeleverd. 
Het gebruik van Prednison in een flinke dosering kan allerlei vervelende bijwerkingen hebben, zeker als het om langdurig gebruik gaat. Maar vooral in de eerste weken, toen de dosering nog tamelijk hoog was, heb ik ervaren dat het ook als pepmiddel werkt. Ik was duidelijk veel energieker dan ik in de weken voor het eerste gebruik was geweest. Regelmatig zei ik, met de nodige ironie, tegen vrienden en bekenden dat ik iedereen het gebruik van Prednison kon aanbevelen. 
Van aanhoudende negatieve bijwerkingen heb ik weinig gemerkt. 
In de eerste weken had ik de indruk dat ik minder goed sliep, maar dat effect ebde weg naarmate de dosering lager werd. Dat gold overigens ook voor de toename in daadkracht en energie. In de laatste maanden voor het eind van de behandeling maakt die energieke gesteldheid zelfs langzaam plaats voor licht depressieve gevoelens.Het leek wel of ik aan het afkicken was.

Helemaal ontsnapt uit de medische molen ben ik nog niet. Bij de reeks van onderzoeken die aan de diagnose vooraf gingen werd nog een bijvangst gedaan. 
Ik blijk, net boven mijn lies, aan de linkerkant, een vergrote slagader te hebben. Het ding is momenteel al ruim 3 cm. in doorsnede. Zoiets heet in medische termen een aneurysma
Dat werd geconstateerd in het voorjaar van 2023. De betrokken vaatchirurg besloot dat het nog te vroeg was om actie te ondernemen. Als de ader in omvang blijft toenemen kan een scheur of breuk in de ader ontstaan, en omdat het om een slagader gaat heeft dat serieuze consequenties. Het is zonder meer levensbedreigend. Desondanks legt de medische wetenschap de kritische grens voor operatief ingrijpen bij zo'n verwijding bij 5 cm. 
Bij een controle in januari van dit jaar bleek de ader niet tot nauwelijks gegroeid. Volgend jaar wordt er opnieuw gecontroleerd.

En dan zijn we er nog steeds niet, als het om mijn medische toestand gaat.
Afgelopen zomer voelde ik voor het eerst wat pijn in mijn rechterlies. Die kwam en ging. Soms voelde ik dagenlang niks, soms was er een uurtje een vervelende, maar niet ondragelijke pijn. Naarmate de tijd verstreek trad het verschijnsel vaker op en was de pijn soms aanzienlijk. Op die momenten zag en voelde ik ook een zwelling op de pijnlijke plek.
Ik besloot mijn huisarts opnieuw met een bezoek te vereren. Waarbij hij overigens opnieuw opmerkte dat hij mij niet al te vaak zag. Een constatering die ik meende van een kanttekening te moeten voorzien. Ik was ruim anderhalf jaar geleden nog bij hem geweest. Noem het, samen met de nasleep van dat bezoek, maar niks.
De huisarts vroeg me op mijn arm te blazen en betastte daarbij de bewuste plek in mijn lies. Hij was er snel uit: een liesbreuk. Hij schreef opnieuw een verwijzing voor specialistisch behandeling uit; ditmaal voor chirurgie.

Op zo'n moment begint de medische molen opnieuw te draaien en wel in verhoogd tempo. 
De diagnose is bekend; er moet nog slechts worden bepaald hoe de verder behandeling in z'n werk moet gaan. De patiënt wordt bestookt met 'keuzehulpen' en vragenlijsten. 
Bij de afspraak met de chirurg waren hij en ik het snel eens over inschatting van de situatie. Niks doen en afwachten, wat volgens de keuzehulp een optie is, leek mij uitstel van executie. Zo'n liesbreuk groeit niet uit zichzelf weer dicht en eigenlijk kan het probleem alleen maar groter worden.
Er werd besloten dat opereren en het aanbrengen van een 'matje' dat de breuk afdicht, de meest voor de hand liggende actie was,
Daarop volgden nog meer vragenlijsten, er werd een hartfilmpje gemaakt en tevens moest ik mij een paar dagen later melden bij de anesthesist, die doodleuk nog maar eens dingen vroeg die ik al op de eerdere vragenlijsten had ingevuld. 
Het wordt mij zo langzamerhand ook duidelijk waarom de zorgkosten zo uit hand lopen in Nederland. Er is sprake van een aanzienlijke administratieve rompslomp, waarmee eigenlijk ook nog slordig wordt omgegaan.
De uitkomst van het gesprek was dat er bij de operatie een volledige narcose zal worden toegepast. Geen ruggenprik, wat in dit geval ook een mogelijkheid was. Zo'n ruggenprik heb ik, ruim twintig jaar geleden, eens gehad voor een operatie aan een gebroken enkel. Ik had echter geen behoefte om min of meer aanwezig te zijn bij gewroet in mijn eigen buikwand.
De operatie wordt voor medio januari of februari ingepland.

Het eigen risico van mijn ziektekostenverzekering, dat ik in voor 2023 had verlaagd naar de minimale hoogte, staat daar nog steeds. Dat laat ik ook voor 2025 maar even zo.




zaterdag 25 mei 2024

Richard Rorty en Philip Larkin

foto: Sohu.com
foto: Faye Godwin


Na het schrijven van mijn vorige stukje, over het wereldbeeld dat een mens bewust of onbewust ontwikkelt, schoten me ineens twee andere namen te binnen die het één en ander aan mijn wereldbeeld hebben bijgedragen.

Lang geleden, nog in de tijd dat ik bezig was met filosofen als Nietzsche en Wittgenstein, las ik een boek van Richard Rorty. Ik heb de titel moeten terugzoeken; waarschijnlijk was het 'Contingentie, ironie en solidariteit'
Nu ik in tweede instantie wat hedendaagse teksten over Rorty  lees, zie ik dat hij tegenwoordig wordt beschouwd als de godfather of postmodernism. 
Over het algemeen moet ik niet veel hebben van postmodernistische filosofie; het komt mij te vaak neer op zo goed als onleesbare teksten, die geen ander doel lijken hebben dan aantonen dat de waarheid niet bestaat en, erger nog, dat elke moraliteit ook maar een tijd- en plaatsbepaalde constructie is, en als zodanig eigenlijk niet ter zake doet. Rorty, daarentegen, schreef in vrij begrijpelijke taal dingen die wèl bij mij aankwamen als te overwegen inzichten. 

Eén van de zaken die Rorty handen en voeten gaf op individueel en daarnaast op gemeenschappelijk niveau, was het begrip contingentie, het idee dat iets waar kan zijn, maar niet noodzakelijkerwijs waar. Ook het toeval en de context spelen een rol. Rorty vertaalt "contextl"  hier als persoonlijk en cultureel bepaald. Absolute waarheid is in praktische zin en in het dagelijkse leven volgens hem een onbruikbaar iets. 
Het lemma 'Contingentie' op Wikipedia legt Rorty's visie op het begrip min of meer uit zoals ik het me herinner uit het boek. Om het mezelf niet te moeilijk te maken citeer ik het hier onverkort:

De Amerikaanse postmodernistische en pragmatische filosoof Richard Rorty voert deze tendens tot de uiterste consequentie door in zijn filosofie: volgens hem zou de filosofie zich überhaupt niet langer moeten bekommeren om de vraag of iets een universele waarheid is of contingent. Alle ideeën zijn immers contingent en cultureel bepaald; de filosofie kan zich bijgevolg beter bezighouden met de interpretatie van ideeën als cultureel product en ondergeschikt zijn aan de morele praxis: het is beter gewoon goed te handelen in plaats van zich druk te maken over de universele gelding van de algemene norm die aan dat handelen ten grondslag zou liggen. Ook zijn eigen opvatting is volgens Rorty slechts contingent waar: het is een levensleer waarmee hijzelf praktisch leven kan en die hij slechts wil suggereren aan de lezer. Enige pretentie een noodzakelijke waarheid te verkondigen, zou ontbreken.

De oplettende lezer ziet hier meteen de relatie met de begrippen bubble en wereldbeeld, waar mijn vorige stukje over ging, en ook met de laatste zin van dat stukje: het gegeven dat het uiteindelijk een persoonlijke keuze is waar de grens tussen goed en kwaad wordt gelegd. Of, om het nog iets meer in de geest van Rorty uit te drukken, waar het grijze gebied tussen goed en kwaad onmiskenbaar overgaat in zwart.
Want wat is dat "goed handelen", waar in de Wikipedia-tekst sprake van is?

Van het één komt het ander.
Rorty laat in het bovengenoemde boek zien dat hij in de dichter Philip Larkin een geestverwant heeft gevonden; hij gebruikt diens gedicht 'Continuing to live' als motto.
Ik had tot ik Rorty's boek las nog nooit van Larkin gehoord, maar het bewuste gedicht trof me als weinig andere gedichten tot nu hebben gedaan. Later heb ik meer van Larkin gelezen en ook óver hem. Jonathan Raban, op dit blog al eerder  genoemd, schilderde in het ook al eerder genoemde 'Coasting' een prachtig portret van hem. 
Omdat het gedicht zo mooi aansluit bij gedachten over het fenomeen wereldbeeld, citeer in ook dat maar onverkort:

Continuing To Live


Continuing to live — that is, repeat

A habit formed to get necessaries —

Is nearly always losing, or going without.

   It varies.


This loss of interest, hair, and enterprise —

Ah, if the game were poker, yes,

You might discard them, draw a full house!

   But it's chess.


And once you have walked the length of your mind, what

You command is clear as a lading-list.

Anything else must not, for you, be thought

   To exist.


And what's the profit? Only that, in time,

We half-identify the blind impress

All our behavings bear, may trace it home.

   But to confess,


On that green evening when our death begins,

Just what it was, is hardly satisfying,

Since it applied only to one man once,

   And that one dying.



woensdag 22 mei 2024

Wereldbeeld





I












In februari van dit jaar overleed Dries van Agt.
Voor veel millennials betekende zijn naam op dat moment weinig tot niets, waarschijnlijk, maar in mijn wat jongere jaren was Van Agt wèl iemand, en dat in aanzienlijke mate. 
Hoewel ik toen, wat betreft gedachtengoed, veel minder links was dan tegenwoordig, had ik destijds een hekel aan de man. Voor mij was ie een oerconservatief, die niets van de moderne tijd begreep en ze bovendien (zoals we dat in die tijd noemden) 'behoorlijk achter de ellebogen had'.

Met de kennis van nu denk ik daar inmiddels toch wat anders over.
Uit de vele woorden die na zijn overlijden in de media aan Van Agt werden gewijd, komt een beeld naar voren dat onwillekeurig leidde tot een ruimere blik op wat men 'het wereldbeeld' van een mens zou kunnen noemen. 

Eén van de wapenfeiten van Van Agt was de slinkse manier waarop hij Joop den Uyl in 1977 zijn tweede kabinet onthield. In de vier jaar daarvoor was Van Agt minister van Justitie en vicepremier geweest in het eerste kabinet Den Uyl. 
Dat kabinet zat nèt niet de volle vier jaar uit, maar maakte in die periode wel een reeks moeilijke momenten door. De verkiezingen die daarop volgden werden met ruime cijfers door de PvdA gewonnen. Den Uyl zat op dat moment op het toppunt van zijn populariteit en links was nog ècht links, in die zin dat sociale rechtvaardigheid bij de PvdA op nummer één stond. 
De kiezer was dik tevreden met wat het eerste kabinet Den Uyl voor elkaar had gekregen, hoewel Dries van Agt in dat kabinet geen glansrol had gespeeld, om het eufemistisch uit te drukken.
Het linkse deel van het kabinet leek vooral bezig met de eerder genoemde sociale rechtvaardigheid; Van Agt leek een obsessie te hebben met normen en waarden.. Op zich niet vreemd. In de jaren '70 van de vorige eeuw verschoven normen en waarden snel en Van Agt moet zich vaak een roepende in de woestijn hebben gevoeld.
Van Agt was katholiek tot in zijn haarvaten en dat niet alleen; hij kwam uit de katholieke elite. Zijn vader was textielfabrikant. Hij was, om het klassenbewust uit te drukken, met een gouden lepel in zijn mond geboren. Een gezegde dat tegenwoordig niet veel meer wordt gebruikt, maar nog steeds op veel rijkeluiskinderen van toepassing is. 
Het heeft Van Agt in zijn jeugd, in ieder geval in materiële zin, aan niks ontbroken. Met minder goed bedeelden heeft hij hoogstwaarschijnlijk in zijn vormende jaren weinig te maken gehad.
Vanuit dat perspectief vond Van Agt de nadruk die het kabinet Den Uyl legde op de positie van de Nederlandse arbeidersklasse, die toen nog echt bestond, niet de hoogste prioriteit. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig waren ook jaren waarin een nieuw Sodom en Gomorra zich leek aan te dienen. Daar maakte Van Agt zich veel meer zorgen over.

Dit stukje heeft 'Wereldbeeld' als titel. Een woord dat de huidige millennial misschien eveneens maar moeilijk in iets tastbaars kan vertalen. 
Bubble is een woord dat je tegenwoordig veel vaker hoort. Hoewel het een Engels woord is, hoef je aan moderne mensen die een krant lezen meestal niet uit te leggen wat een bubble is. 
Hoewel het niet exact hetzelfde dekt als 'wereldbeeld', zijn er duidelijke overlappen. 
Bij een wereldbeeld hoort, zou je kunnen zeggen, de aanname dat dit is gevormd door een combinatie van verworven kennis van geschiedenis en maatschappij en de eigen interpretatie daarvan. Je neemt van alles tot je en in combinatie met je eigen normen en waarden vormt zich je wereldbeeld.
Van een bubble wordt aangenomen dat deze wordt gevormd door je directe omgeving en de meningen die daar worden gehuldigd. Je familie, je vrienden en de andere mensen die je kent, vinden iets van de maatschappij en de wereld. De stemmen die daarin de meerderheid vormen, vormen ook jouw mening over van alles en nog wat.
De vergelijking maakt ook duidelijk wat het manco is van een bubble; je vormt jezelf geen onafhankelijke mening. Het wereldbeeld dat eruit voortkomt is niet dat van jezelf, maar dat van je omgeving. Daarom wordt een bubble een bubble genoemd; het is je eigen vissenkom, zeg maar.

We kunnen constateren dat het wereldbeeld van Van Agt in de jaren '70 eigenlijk vooral was gevormd door de bubble waar hij uit kwam.
Toch is Van Agts wereldbeeld op een zeker moment aan het schuiven gegaan. 
Vrijwel de volledige tweede kamer en ook de publieke opinie stond in de jaren '70 als één man achter Israel. In Nederlandse ogen was het land de David die Goliath wist te weerstaan, maar desondanks permanent in zijn voortbestaan werd bedreigd. Ook Van Agt was destijds die mening toegedaan.
Over het lot van de Palestijnen, voor wie de staat Israel iets was waar ze niet om hadden gevraagd en dat zonder hen iets te vragen in het leven was geroepen, maakten nog maar weinig mensen zich zorgen.
Ook dat gegeven is in de loop de jaren gaan schuiven. 

Nadat hij de politiek achter zich had gelaten, maakte Van Agt in 1999 een reis naar het 'Heilige Land'. 
Hij zag daar met eigen ogen hoe er door Israel met de Palestijnen werd omgegaan en "hoeveel onheiligs er gebeurde in het Heilige Land".
Van Agt ontwikkelde zich tot een voorvechter van de Palestijnse belangen. 
Dat ging zo ver, dat hij uiteindelijk vervreemdde van het CDA. In 2017 maakte hij openbaar dat hij niet op die partij zou stemmen bij de verkiezing voor de Tweede Kamer van dat jaar. Omdat het CDA de voortgaande Israëlische kolonisatie van de Westelijke Jordaanoever niet wilde veroordelen, zei hij in 2021 zijn lidmaatschap van de partij op. Dat ging niet van harte; "ik zeg u vaarwel in treurnis", aldus Van Agt. Maar hij kon "de onbarmhartigheid van het CDA jegens het Palestijnse volk niet langer verdragen".

Zelf heb ik ook een verschuiving van inzichten doorgemaakt, hoewel dat zich veel eerder in mijn leven voltrok dan bij Van Agt.
Tot in de eerste helft van de jaren '70 was ik er nog van overtuigd dat de Amerikanen in Vietnam terecht streden tegen het communisme, dat in die tijd als de grote bedreiger van de westerse democratie werd gezien. Hoewel ik uit een milieu kwam waar het geld niet bepaald tegen de plinten op klotste, had ik van begrippen als klassenstrijd en sociale rechtvaardigheid nog geen kaas gegeten..
Waarschijnlijk kwam dat voornamelijk  door de bubble waarin ik toen verkeerde. Mijn vader was weliswaar lid van een vakbond (het CNV) maar stemde consequent op de ARP. Een partij met veel meer gevoel voor sociale rechtvaardigheid dan het het latere CDA, waarin de partij uiteindelijk op ging, maar toch vooral een Christelijke partij, die elke drang tot ingrijpende veranderingen vreemd was; de afkorting stond voor Anti Revolutionaire Partij. Mijn vader had bovendien de oorlog meegemaakt en de Amerikanen konden in zijn ogen geen kwaad doen.
Zelf had ik een regelrechte hekel aan de toen vaak modieuze linkse praatjes, waarmee ik destijds in mijn stamcafé een buitenbeentje was.

In latere jaren is dat wereldbeeld langzaam veranderd in een tamelijk linkse visie op de wereld en de maatschappij.
Ondanks het feit dat er bij mij thuis nooit ècht gebrek werd geleden, realiseerde ik mezelf dat ik ook niet bepaald met een gouden lepel in mijn mond was geboren. Integendeel. Pas toen ik tien jaar oud was ging ik voor eerst een weekje op vakantie. Een auto heeft mijn vader nooit gehad en zelf kwam ik (hoewel dat grotendeels een eigen keuze was) uit eindelijk na LTS, MTS en de avond-HTS op HBO-niveau. Tegen de tijd dat ik veertig was had ik ook het inkomen dat daar zo ongeveer bij hoorde. 
Vanaf het moment dat ik bij de TU-Delft werkte, kreeg ik steeds meer inzicht in de klassen waarin onze maatschappij nog steeds verdeeld is. Ook internationaal. Ik begon te begrijpen waarom Che Guevara de held van revolutionair Zuid Amerika werd en waarom de Chinezen in meerderheid voor Mao Zedong kozen en niet voor Chiang Kai-sjek.

Maar ik zag ook hoe links zich soms verloor in richtingenstrijd en stijfheid in de leer.
Mijn belangstelling voor de tweede wereldoorlog zorgde ervoor dat ik de aard en de drijfveren van het fascisme leerde kennen, maar ook hoe de excessen van fascisme en communisme niet voor elkaar onderdeden. Hitler, Stalin en Mao waren allen gesels der mensheid, hoewel de Endlösung van Hitler en consorten in omvang en gruwelijkheid tot op heden door niets is overtroffen.
Meer recent toonden vier kabinetten Rutte aan hoe je als bewindsman namens de VVD in een bubble kunt zitten die je, al dan niet onbewust, het zicht ontneemt op het feit dat er in je "toffe landje" een toeslagenaffaire gaande is.

Ik ben er zonder meer van overtuigd dat een partij als de VVD niet uit in-en-in slechte mensen bestaat. Maar de gemiddelde VVD-er en ook de VVD-stemmer heeft het goed en komt niks te kort. Waarbij ik me nog enigszins eufemistisch uitdruk, waarschijnlijk.
Toch lijkt het erop dat veel VVD-ers geen zelf ontwikkeld wereldbeeld hebben. Ze zitten vooral in de bubble die door hun eigen sociale klasse wordt gevormd. Dat een aanzienlijk deel van de Nederlanders het wat minder hebben, ontgaat hen volledig, of, als het wèl wordt opgemerkt, gooit men er het in die kringen populaire gezegde "succes is een keuze" tegenaan.

Wereldbeeld en bubble
Twee dingen die wel iets met elkaar te maken hebben, maar waar het één hopelijk is gevormd is door het eigen streven naar kennis en inzicht, is het andere toch vooral het meedrijven op de meningen van je directe omgeving. 
Wat daar nog bijkomt: wie zich zèlf een wereldbeeld tracht te vormen, en daarbij zijn kennis en inzichten voornamelijk zoekt op internet, zal merken dat, zodra de algoritmes doorkrijgen dat je voor wat betreft je interesse overhelt naar de een of andere richting, je vooral steeds meer links naar die visie gepresenteerd krijgt. Internet schept, als je niet uitkijkt, je eigen hoogstpersoonlijke bubble, waar jouw mening consequent wordt bevestigd als de juiste.

En dat, terwijl de futuroloog Alwin Toffler in de jaren '80 nog dacht dat internet tot een enorme democratisering van de maatschappij zou leiden. Het zou alle informatie voor elke burger ontsluiten. Niets zou meer verborgen blijven; er zou een open samenleving ontstaan zoals we die tot dat moment nog niet kenden.
Dat idee mogen we ondertussen wel als achterhaald beschouwen. Internet draait inmiddels vooral om grootschalig informatie verzamelen en daarmee macht verwerven, gecombineerd met zakkenvullen. Ook als bron van informatie is het niet betrouwbaar, speciaal als het om maatschappelijke kwesties gaat.

Eigenlijk blijft een wereldbeeld dat is gevormd door het lezen van kranten en boeken aangevuld met selectief gebruik van internet nog het meest objectieve wereldbeeld. 
Voor zover dit laatste bestaat, want het wordt in laatste instantie altijd bepaald door de morele waarden van de persoon in kwestie. 
Tussen goed en kwaad zit een grijs gebied, maar waar het individu zijn streep trekt, blijft een persoonlijke zaak.