In mijn voorlaatste bericht schreef ik over het eerste deel van de biografie van Gerard Reve, door Nop Maas. Reve's leven was in zijn beginjaren van een dusdanige kommer en kwel dat ik het lezen van het tweede deel, getiteld 'De rampjaren' nog even wilde uitstellen.
Ik heb me niet aan dat voornemen gehouden.
Deel twee werd toch in huis gehaald (de lokale bibliotheek is er goed voor) en ik ben diagonaal lezend door het boek gegaan. Tot ik ongeveer op de helft was. Enigszins populair uitgedrukt geloofde ik het toen wel.
Inderdaad: rampjaren. Maar ook grenzeloos opportunisme, gecombineerd met een bepaalde vorm van godsdienstwaanzin, die met en zekere hang naar ophef en publiciteit wordt uitgespeeld en waarmee Reve zichzelf tot een soort instituut verheft. Een nuchtere denker zou specifiek dit 'instituut' ook de titel 'Dorpsidioot des Vaderlands' kunnen meegeven en iemand Willem Frederik Hermans heeft dit ook min of meer gedaan.
Wat overblijft is een beeld van tot literatuur verheven neurose, die weliswaar niet helemaal gespeend is van een zekere humor, maar in het algemeen, voor mij althans, toch te karikaturaal is om serieus te nemen. Of, om het iets sympathieker uit te drukken: niets oplevert dat van waarde is voor mijn eigen levensvisie.
Desondanks wordt Gerard Reve nog steeds tot de één van de grootste Nederlandse schrijvers gerekend.
Nu ik toch weer eens bezig was met de groten der Nederlandse literatuur en op zoek naar een dik boek om mee te nemen op vakantie, betrok ik, opnieuw uit de onvolprezen Dordtse bibliotheek, 'Een knipperend ogenblik, portret van Remco Campert', geschreven Mirjam van Hengel.
Ik moet bekennen dat ik Campert vooral kende als de helft van het duo CaMu dat tussen 1996 en 2006 op de voorpagina van de Volkskrant te vonden was; de ene dag Remco Campert; de andere dag Jan Mulder. Ik zal hem ook wel eens bij De Wereld Draait Door gezien hebben. mede omdat Jan Mulder daar ook met enige regelmaat aanschoof. En misschien heb ik heel lang geleden ooit eens 'Het leven is verrukkeluk' gelezen.
Eerlijk gezegd wilde ik zijn levensverhaal niet zozeer lezen omdat ik zo onder de indruk was van zijn literaire productie, maar meer omdat de persoon Campert, als ik hem wel eens hoorde of zag op radio of televisie, op mij overkwam als een buitengewoon rustige en evenwichtige man. Bijna iemand die, als ie al niet ècht volledig zen was, dit toch in aanzienlijke mate uitstraalde. Een sympathieke man, die rustig over de dingen nadacht voor ie iets zei en ook dan nog de indruk wekte dat ie dat slechts deed omdat hem iets gevraagd werd, Niet omdat hij zo nodig een mening wilde ventileren.
In dat opzicht leek hij de optimale tegenpool van Jan Mulder, die, hoewel van Groningse oorsprong, het hart veel meer op de tong had.
Zijn CaMu-stukjes, veelal nuchter observerend van aard, maar toch vaak enigszins poëtisch, leken die indruk te bevestigen.
Van Hengels boek heeft van mijn aanvankelijke beeld van Remco Campert jammer genoeg weinig heel gelaten.
Remco Campert leefde eigenlijk voor niks anders dan zijn schrijverschap en zelfs dat niet eens met volle overtuiging. Een aanzienlijk deel van zijn leven heeft Campert doorgebracht met niksdoen en feestvieren. Hij was vier keer getrouwd, en nam drie keer definitief afscheid van de vrouw waarmee hij getrouwd was en éék eer tijdelijk, waarbij hij het afscheid niet altijd even scrupuleus aanpakte. Hij zette ook twee kinderen op de wereld, maar bleek een belabberde vader. Hij vond kinderen eigenlijk vrij irritant. Nadat hij bevriend raakte met Kees van Kooten en hij eens met Van Kooten's gezin aan tafel zat, blafte hij Kim van Kooten, die uit verlegenheid een liedje begon te neuriën toe: "NIET neuriën!". Zijn eigen dochters kijken niet terug op een warme en beschermde jeugd. Hun ouders waren veel afwezig en lieten hen ook 's avonds vaak alleen om ergens feest te gaan vieren en onder kunstenaars te zijn.
Campert heeft in zijn leven ongelofelijk veel alcohol verstouwd en bij kans nog meer gerookt. Hij moet een ijzeren gestel hebben gehad, want hij werd desondanks twee-en-negentig.
Omdat hij deel uitmaakte van de groep literatoren die zich 'De Vijftigers' noemden, vertelt het boek van Van Hengel ook veel over de andere leden van dit gezelschap. Onder andere dat men met enige regelmaat vrouwen aan elkaar doorgaf. Promiscuïteit was aan de orde van de dag, waarbij het lijkt alsof beide seksen daar in gelijke mate van genoten. Toch vraag ik me af in hoeverre de levensstijl van de toenmalige artistieke kringen in de huidige tijd, en dan vooral door vrouwen, acceptabel zou worden gevonden. De vrouwen van de Vijftigers waren namelijk meestal zelf geen schrijver of anderszins kunstenaar. Alleen Fritzi ten Harmsen van Beek (de tweede vrouw van Campert) heeft als dichteres enige naam gemaakt.
Een en ander laat ook zien hoever de toenmalige kunstenaarskringen in de jaren vijftig en zestig buiten de normale maatschappij stonden. In de rest van Nederland was, vooral in de jaren vijftig, een stijve burgerlijkheid de norm.
Wat als verzachtende omstandigheid kan worden genoemd is het gegeven dat Remco Campert zelf ook niet bepaald een normale jeugd had. Zijn vader Jan Campert, die vooral tijdens de oorlog bekend werd als schrijver van het gedicht 'De achttien dooden', leefde al voor de oorlog als een bohemien en was sinds 1932 gescheiden van Remco's moeder, de actrice Joeki Broedelet. Deze liet de opvoeding van Remco grotendeel over aan zijn grootouders en in laatste instantie zelfs aan een pleeggezin, terwijl ze zelf aan het werk was als actrice.
Hoewel het lezen over de capriolen van de toenmalige beau monde een zekere amusementswaarde had, heb ik ook het boek van Van Hengel niet helemaal uitgelezen.
De schrijfster zit ook wat te dicht op haar onderwerp, wat mij betreft.
Het boek werd geschreven terwijl Campert nog in leven was en Van Hengel mag door Camperts archief scharrelen, terwijl hij er zelf vaak zit.
Ik zou niet willen beweren dat een biograaf bij het schrijven zijn onderwerp te allen tijde ook kritisch moet benaderen, maar de manier waarop dit boek tot stand is gekomen, maakte dit al bij voorbaat lastig.
Ja, De Kunst; het weet wat. Zestig jaar geleden moest in Campert's kringen alles ervoor wijken. Kunstenaars zweefden als God tussen hemel en aarde, ogenschijnlijk met een totaal gebrek aan maatschappelijke betrokkenheid.
Het is me niet duidelijk of dit beeld nu uniek is voor de jaren vijftig en zestig, of dat dit vooral gold voor de groep rond de vijftigers. Het universum van iemand als Reve komt maar zeer ten dele overeen met dat van de laatstgenoemde groep, maar staat op z'n eigen manier geheel buiten de maatschappelijke realiteit.
De periode dat kunstenaars zich verenigden onder een gezamenlijke noemer, of door de kritiek onder één noemer werden gebracht, lijkt achter ons te liggen. Hoewel ik me uit de jaren '80 en '90 nog de 'Maximalen' kan herinneren.
Maar Joost Zwagerman en René Stouten zijn ook al weer jaren dood.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten