maandag 16 februari 2026

Passanten 7: Rob




















Rob was een collega van Willem, de hoofdpersoon van Passanten 6. 
Wàs, want Rob ging al iets eerder dan ik met pensioen. Ook hij was plantoetser bij de Omgevingsdienst.
Maar Rob was veel meer dan dat. Eigenlijk had hij, nog meer dan Willem, het uiterlijk dat velen bij een ambtenaar vinden passen, maar in de praktijk was Rob veel kleurrijker dan Willem. Rob was ooit voorbestemd om een veel prominenter en belangwekkender leven te gaan leiden dan hij deed, toen ik hem ruim twintig jaar geleden tegenkwam. Hij was in Delft afgestudeerd als civiel ingenieur en zou normaal gesproken daarna aan een glansrijke carrière in het bedrijfsleven of bij de overheid zijn begonnen.
Wat er in de periode tussen zijn afstuderen en het moment dat wij kennismaakten precies is gebeurd, is mij nooit helemaal duidelijk geworden, maar Rob was niet te beroerd om zèlf een tipje van de sluier op te lichten. Hij draaide er niet omheen dat hij ooit alcoholist was. 
Voor hij bij Bouw- en Woningtoezicht in Dordrecht terechtkwam, had bij dezelfde gemeentelijke dienst in Delft gewerkt. Of hij ooit werk heeft gedaan dat meer op maat was voor de academicus die hij in feite was, weet ik niet. Wel dat Klaas in de periode dat ik hem kende min of meer de loner was die hij mogelijk zijn hele leven is geweest. Hij was niet getrouwd en had, voor zover ik heb kunnen nagaan ook geen vriendin. Of dat hij die ooit wèl had, weet ik niet.
In de omgang was Rob vormelijk, of misschien moet ik zeggen quasi-vormelijk. Hij wilde graag een gedistingeerde indruk wekken, maar soms kreeg ik de indruk dat er iets ironisch schuil ging in die opstelling.
Met Rob kon je over veel onderwerpen een boom opzetten; hij was op tal van terreinen goed geïnformeerd. Over de geschiedenis van Nederland kon je hem alles vragen. Zo wist hij me te vertellen dat het huidige koningshuis in het geheel niet afstamde van Willem de Zwijger. Er was ergens gefrauduleerd om de bloedverwantschap ogenschijnlijk te doen doorlopen.
 
Rob had echter ook een misantropische trekje: soms leek hij er genoegen in te scheppen aanvragers van een bouwvergunning tot wanhoop te drijven. Dit door een combinatie van archaïsche taal, waarvan sommige lager opgeleide aanvragers niets begrepen enerzijds, en anderzijds door een niet altijd even behulpzame opstelling in het algemeen. Binnen het toetsersteam kon hij ook nogal eens cynisch uit de hoek komen. De leiding van de Omgevingsdienst haalde opgelucht adem toen hij met pensioen ging

Het gespreksonderwerp dat Rob ècht deed opleven was klassieke muziek. 
Iets dat hem vermoedelijk al heel lang het nodige plezier in het leven bood. Misschien had ie het al van thuis meegekregen.
Zelf was ik in die tijd min of meer bezig klassieke muziek te ontdekken. Hoewel mijn moeder een groot deel van haar leven lid was geweest van een vrouwenkoor en daarbij de nodige klassieke stukken had gezongen, was mijn belangstelling voor het genre pas tot leven gekomen toen mijn toenmalige vriendin, nu mijn vrouw, een deeltijd-opleiding in de muziek volgde, die qua theorie min of meer tot conservatorium-niveau reikte. In het kader daarvan werden door haar ladingen klassieke CD's aangeschaft. Wat ik hoorde kon me vaak wel bekoren. Op zeker moment begon ik ook zelf klassieke CD's te kopen en gingen we ook regelmatig naar concerten en concertjes.
Toen Rob eenmaal van mijn nieuwe liefhebberij op de hoogte was, gingen onze gesprekken meestal over klassieke muziek. Hij zette me bijvoorbeeld op het spoor van de Duitse liederen. En dan niet alleen die op muziek van Schubert, maar ook de Vier letzte Lieder van Richard Strausz, die ietwat zwaarder op de maag liggen dan Schubert's verklankingen van de diverse romantische Duitse dichters.

Rob vergat ook niet dat hij in essentie een academicus was.
Hij was erachter gekomen dat de eerste dirigent van het Concertgebouworkest, Willem Kes, in Dordrecht was geboren en schreef een wetenschappelijk verantwoorde biografie over hem. Op zeker moment reisde hij zelfs naar Moskou, omdat Kes daar enkele jaren directeur van het conservatorium was geweest. 
Kes had bepaalde ideeën met betrekking tot de manier waarop van klassieke muziek moest worden genoten. Het publiek dat concerten van klassieke concerten bezocht, was tot vér in de 19e eeuw gewend om tijdens het concert de gesprekken, waaraan men voor de aanvang ervan was begonnen, gewoon voort te zetten. Kes schijnt op enig moment een concert te hebben stilgelegd, om vervolgens aan het publiek te vragen: "ik stoor toch niet, hoop ik?" Toen hij in 1895 bij het Concertgebouworkest vertrok, had hij het orkest internationaal op de kaart gezet en was de traditie dat het publiek zich tijdens concerten stil hield, en pas enkele seconden na de laatste noot applaudiseerde, gevestigd.
Toen Rob met pensioen ging, was zijn biografie nog niet af. 
In de laatste tijd dat wij samenwerkten, was hij op zoek naar een promotor, want hij wilde de biografie gebruiken als dissertatie en daarmee van ingenieur (ir.) alsnog tot doctor promoveren. 

In de periode daarna kwam ik hem nog af en toe tegen in de stad. Het werk vorderde gestaag, zo vertelde hij bij die gelegenheden. De laatste keer dat ik hem sprak ligt alweer jaren in het verleden.
Wèl merkte ik een paar jaar terug dat zijn biografie van Willem Kes in 2017 in druk was verschenen. De officiële presentatie ervan blijkt een groot evenement te zijn geweest. 
Voor het schrijven van dit stukje heb ik zijn naam gegoogeld.
Ik vond het bericht van zijn overlijden, in 2024, in een artikel waarin ook de door hem geschreven biografie wordt genoemd, plus de opmerking dat de beoogde promotie nooit heeft plaatsgevonden. Mogelijk lagen zijn oorspronkelijke vakgebied |(civiele techniek) en de muziekwetenschap te ver uiteen om een promotor zo ver te krijgen hem als promovendus aan te nemen.

Rob was hoe dan ook iemand die niet snel uit mijn geheugen zal verdwijnen en zonder meer één van de witte raven onder de passanten in mijn leven.


zondag 8 februari 2026

Roeien
















In mijn vorige bericht schreef ik dat ik nu toch min of meer een oude man ben geworden. 
Er zijn een aantal verschijnselen die daarop wijzen. Er is een mentale of psychologische component: aan bepaalde dingen merk ik dat ik niet meer zo pas bij deze tijd. Of de tijd past niet meer bij mij. Er zit weinig anders op dan dit maar min of meer te accepteren; de tijd doet wat de mensheid wil. Zolang ik nog een beetje m'n eigen gangen en tempo kan bepalen en al te veel hysterie kan ontlopen, kom ik de tijd die mij nog rest wel prettig door.
Maar de laatste tijd is er bij mij ook wel degelijk het gevoel dat het lichamelijk minder wordt. Tot  voorbij m'n zestigste merkte ik daar nog niet zoveel van, maar ondertussen moet ik vaststellen dat mijn uithoudingvermogen en spierkracht afnemen. 
Ik heb nooit veel aan sport gedaan, behalve dat ik zo nu en dan eens een paar maanden achter elkaar twee of drie keer in de week een paar kilometer ging hardlopen. Nou ja.. hardlopen..; veel harder dan pakweg 10 kilometer per uur ging het niet, en vier tot zes kilometer ver was de laatste jaren wel het maximum. Wat daarbij kwam: eigenlijk is hardlopen op de verharde weg in een aantal opzichten ook een aanslag op je gestel. Het doet wat voor je conditie, maar het is tamelijk belastend voor je knieën. En mijn linkerknie begon ik al een beetje te voelen.

Toch wilde ik m'n conditie op peil brengen en tegelijkertijd wat spierkracht terugwinnen.
In eerste instantie denk je dan aan de sportschool. 
Ik heb altijd een aanzienlijke weerstand gevoeld tegen het instituut. Het is iets moderns, om niet te zeggen modieus. Sporten in de sportschool heeft iets machinaals. Iedereen in een sportschool is als individu bezig op zijn of haar hoogstpersoonlijke martelwerktuig. Samen met anderen in één ruimte met jezelf bezig zijn; ik vind het, ondanks het gegeven dat ik in essentie een individualist ben, een beetje ongemakkelijk. Bovendien is het altijd binnen en ik wilde graag buiten sporten.
Een sportschool-abonnement is trouwens ook niet goedkoop. Het kost, als je een beetje regelmatig wil trainen, al gauw iets van vier tientjes in de maand en dus zo'n € 500,- per jaar.

Toen ik me dit laatste realiseerde, herinnerde ik me dat ik enkele jaren geleden ook al eens had gekeken naar roeien bij de Koninklijke. 
'De Koninklijke'; dat is hier in Dordt de Koninklijke Dordtse Roei- en Zeilvereniging. Roeien is een sport waarbij je bijna alle spieren in je lichaam gebruikt en als je een beetje door roeit, bouw je ook conditie op.  En roeien doe je in de open lucht, en als je dat wilt, samen met anderen.
Destijds had ik óók gezien dat de jaarlijkse contributie wèl wat hoger was dan van de gemiddelde voetbalclub: zo'n € 400,- per jaar. Dat vond ik in eerste instantie teveel.
Maar nu ik deze optie vergeleek met de sportschool, leek het ineens wèl een te overwegen mogelijkheid.
Ik ging nog eens kijken op de website van de KDR&ZV en zag dat je kon komen kennismaken èn twee keer gratis een proefles (want roeien moet je leren, daarover later) kon krijgen. Er was dus een mogelijkheid om de sfeer in de vereniging te proeven en te zien of roeien iets voor je was.

Die sfeer was voor mij wel een dingetje.
De KDR&ZV bestaat uit twee delen. Het roeideel heeft z'n plek aan het Wantij. Van daaruit wordt geroeid en daar liggen ook alle boten waarmee men dat doet. Het andere deel is het 'zeildeel'. Dat heeft z'n basis in de Nieuwe Haven in de binnenstad. In essentie is dat een jachthaven, met heden-ten-dage vooral motorboten. De sfeer in die haven kende ik al enigszins; mijn Wadloper overwintert er de laatste jaren nogal eens. 
Maar toch; 'Koninklijke' roept bij een patjepeeër als ik, in combinatie met 'vereniging' al snel een sfeer op van blauwe blazers en een kakkineus ledenbestand. In de jachthaven van de Koninklijke had ik er nooit veel van gemerkt, maar ik heb er, buiten de havenmeester, ook nooit veel mensen gesproken. Daarnaast heeft 'roeien' als sport ook sterke associaties met studenten en het corps. Hoe kakkineus zou de sfeer bij de roei-poot van de Koninklijke zijn?
Het bleek in de praktijk erg mee te vallen. Tijdens de kennismaking en de proeflessen voelde ik me al snel op m'n gemak. Het gevoel en de proeflessen waren overtuigend genoeg om zonder mankeren lid te worden. 

Ondertussen ben ik al genoeg aardige mensen, maar niet één èchte kakker tegengekomen , en ook de roeilessen bevallen.
Lessen, inderdaad, want roeien volgens de KDR&ZV doe je met een bepaalde techniek. Een in eerste oogopslag zelfs vrij ingewikkeld geheel van houdingen, spiergebruik (inderdaad; maar weinig spieren blijven ongebruik), en bewegingen met de riemen ('roeispanen' voor niet-ingewijden). Het begint al met hoe je in en uit de boot stapt. Er hoort ook een bepaald jargon bij. Je leert 'rondmaken', 'strijken', 'clippen' en nog een aantal dingen, die je uiteindelijk tot een volleerd roeier moeten maken.
Ondertussen ben ik in opleiding voor het diploma 'Scullen 1'. Dat komt er op neer dat je kunt roeien met een zogenaamde 'wherry', het eenvoudigste type waarover men bij de KDR&ZV beschikt; u ziet er één linksboven op het plaatje bij dit blog. Eind februari is de eerstvolgende gelegenheid om 'af te roeien' voor dat diploma. Of ik aan dat examen mee doe staat nog te bezien, want aan mijn manier van 'clippen' mankeert nog het één en ander.

Dat laatste is overigens niet iets waar ik me zorgen over maak. Voorlopig vind ik roeien in de wherry heerlijk, en het buiten zijn in combinatie met de lichaamsbeweging blijkt precies waarnaar ik op zoek was. Wat ook fijn is, is het gegeven dat de vereniging beschikt over een overdekte oefenruimte waar de nodige roeimachines staan, zodat ik ook buiten het echte roeien op het water (1x per week, tot nu toe), nog wat meer kan doen aan conditie en spieren. Eerder had ik de aanschaf van zo'n roeimachine overwogen; iets waar mijn vrouw mordicus tegen was, want "waar moet zo'n ding staan?" Dat ik het geld ervoor in m'n zak heb gehouden en veel beter heb besteed door lid te worden van de Koninklijke is een meevaller.

Kortom: uw correspondent werkt onder de meest prettige omstandigheden denkbaar aan zijn lichamelijke welzijn. Mogelijk zal dit, voor wat betreft dit blog, leiden tot vrolijker en meer levenslustige stukjes. Waarbij ik de realiteit wel onder ogen wil blijven zien. Het volgende stukje zou zomaar 's 'Ondermaans ongenoegen 3' als titel kunnen hebben. 
U bent gewaarschuwd!

vrijdag 6 februari 2026

Your hometown



















Niet zo lang geleden was ik op een crematie. Het betrof één van mijn neven; een zoon van een zus van mijn vader. Geboren in Zwijndrecht, had hij vanaf zijn huwelijk gewoond en gewerkt in Ridderkerk. Desondanks vond de uitvaart plaats in Zwijndrecht, waar aan de rand van het dorp al jaren een relatief nieuwe begraafplaats met crematorium is. 
De ceremonie startte met 'My hometown' van Bruce Springsteen. 
Ik moet bekennen dat ik even vol schoot. Dat gebeurt me vaker bij dit soort gelegenheden, als de muziek op de één of andere manier zó passend is bij de persoon en zijn leven, dat ze sterke emoties oproept. Een paar jaar geleden had ik hetzelfde bij de crematie van de man die ooit mijn zwager was, en die ik in de laatste maanden van zijn leven nog beter had leren kennen dan in de dertig jaar daarvoor al het geval was geweest. Toen was het 'Wild Horses' van de Rolling Stones. Het had in zijn geval niks anders kunnen zijn, en ik zal het nummer nooit meer kunnen horen zonder aan hem te denken. Het lied op zich is er alleen maar mooier op geworden, wat mij betreft.

Mijn neef was dus oorspronkelijk een Zwijndrechter, net als ik. Maar hij was veel meer Zwijndrechter dan ik ooit geweest ben. Dat komt mede door het gegeven dat ik nooit erg ben opgenomen in de Zwijndrechtse gemeenschap. Behalve het lidmaatschap van gymnastiekvereniging O & O (Oefening en Ontspanning), dat mij min of meer werd opgedrongen omdat gymnastiek heilzaam zou zijn tegen de bronchitus, waaraan ik in mijn jeugd leed, ben ik nooit lid geweest van een vereniging die toegang gaf tot het sociale leven in Zwijndrecht. Mijn lidmaatschap van de lokale bibliotheek, waar ik wèl de deur platliep, leverde in sociale zin weinig tot op. De vriendjes van de lagere school verloor ik na het verlaten daarvan al snel uit het oog. Bijna niemand ging naar de L.T.S., en de paar die er wèl naar toe gingen waren op de lagere school al geen vriendjes. Na de L.T.S. volgde de M.T.S., maar die stond in Dordt en gek genoeg kwam een aanzienlijk deel van mijn klasgenoten daar uit de Alblasserwaard. Na schooltijd zag ik de jongens uit mijn klas niet. Eén klasgenoot van de L.T.S, deed ook toelatingsexamen, maar hij zakte. Ik slaagde wel, hoewel ik dacht dat ik gezakt was. Een voor die tijd significant detail. 

Na de militaire dienst ging ik al vrij snel op kamers in Dordt. En hoewel ik begin jaren '80 nog even in een flatje 'op Zwijndrecht' woonde (hoewel Zwijndrecht toen al zo'n 30.000 inwoners moet hebben gehad, woonden autochtone Zwijndrechters nog steeds 'op Zwijndrecht'), vertrok ik rond 1986 naar Delft. Voor het werk en de liefde. Ik had definitief afscheid genomen van mijn geboortedorp. Ik kwam er eigenlijk alleen nog om mijn moeder en mijn goede vriend T. op te zoeken. Maar dat was dan ook de enige vriend die ik aan Zwijndrecht had overgehouden.

Mijn neef heeft de banden met zijn geboortedorp echter nooit ècht doorgesneden. 
Hij was een toegewijd voetballer en voetbalde hij het grootste deel van zijn voetballende leven bij VVGZ (Voetbalvereniging Geluksvogels Zwijndrecht). Daar voetbalde ook een andere neef van me die wèl Valk heette, en sowieso was VVGZ de thuisbasis van alle voetbalminnende Valken. Ook mijn vader is het grootste deel van zijn leven lid geweest; hij was het nog toen hij in 1983 op 64-jarige leeftijd overleed. De eerstgenoemde neef bleef, ook toen hij al jaren in Ridderkerk woonde en werkte, contact onderhouden met de Zwijndrechtse vrienden uit zijn jeugd en de tijd bij VVGZ. In essentie was hij een Zwijndrechter gebleven.
Mijn vader, nog een generatie ouder dan ik en mijn neef, was bij wijze van spreken 'wereldberoemd in Zwijndrecht'. Dat kwam mede doordat hij vanaf 1945 deel uitmaakte van de Zwijndrechtse gemeentepolitie. Maar zijn vader, mijn opa, had nog een tuinderij, en omdat Zwijndrecht van oorsprong een dorp van tuinders is, kun je rustig zeggen hij dat Zwijndrechtser dan Zwijndrecht was. In mijn jeugd werd mij, als een autochtone Zwijndrechter hoorde dat ik 'Valk' heette, regelmatig gevraagd of ik "er één van Janus Valk was" (iemand die door zijn ouders was getooid met de naam 'Adrianus' werd in Zwijndrecht automatisch 'Janus'), Inderdaad, dat was ik; ik was zelfs de enigste 'van Janus'.
Hoe bekend hij was in Zwijndrecht merkte ik pas toen hij was overleden. In het condoleance-register stonden uiteindelijk meer dan vierhonderd namen..

In Delft integreerde ik evenmin. Van mijn directe collega's op de TU woonde slechts een enkeling in Delft en die verloor ik na een paar jaar weer uit het oog, omdat ik bij een andere hoogleraar en een ander werkverband terecht kwam. Mijn kennissen in Delft waren de kennissen van mijn vriendin, die al langer in Delft woonde. Ik ontleende niets aan de stad dat enigszins op een identiteit leek. Sterker nog: ik vond de Delftenaren lichtelijk irritant. Waaraan ze het precies ontleenden is mij nooit volledig duidelijk geworden, maar in het plaatselijke sufferdje, feitelijk niet meer dan een advertentie blaadje, stond zelden of nooit ook maar één negatief woord over de stad of zijn bewoners. Delft was dit en Delft was dat; Delft was geweldig. Zelf vond ik Delft een tikkeltje benauwd. De binnenstad heeft een zekere kwaliteit, maar is eigenlijk maar piepklein en daarbuiten beginnen, na wat dertiger jaren-architectuur, al snel de eenvormige buitenwijken, die in iedere Nederlandse stad precies hetzelfde zijn.

Eigenlijk is dat laatste één van de universele Nederlandse drama's.
Zwijndrecht had, in de tijd dat ik een jochie was nog de Ringdijk, met z'n bebouwing die plaatselijk al honderden jaren oud was. Die bebouwing heeft men begin jaren '70 vakkundig verwijderd. Het was nodig voor een dijkverhoging. Zei men. Het gevolg is, dat Zwijndrecht op wat panden langs de Rotterdamseweg na, nauwelijks nog bebouwing heeft die ouder is dan honderd jaar. Hoewel er al voor de tweede wereldoorlog de nodige industrie in Zwijndrecht was, is het oorspronkelijke karakter van een tuindersdorp al heel lang verleden tijd. Zwijndrecht verschilt in allerlei opzichten eigenlijk niet meer van volledig identiteitsloze oorden als Alphen aan den Rijn en Zoetermeer.

Nu ik min of meer een oud mannetje ben geworden, en ondanks het feit dat ik mijn identiteit nooit erg heb laten bepalen door mijn afkomst, betrap ik mezelf soms op een vage melancholie. Het gevoel dat ik eigenlijk nergens meer ècht thuis ben. Dat ik feitelijk nergens meer wortels heb. Hoewel ik er in mijn jongere jaren nooit over nadacht, zou ik er heden ten dage veel voor over hebben om eens een kijkje te kunnen nemen op de tuinderij van opa Valk. Een tuinderij waar mijn vader en zijn broers nog hebben gewerkt en die eigendom was van een man die ik nooit heb gekend.  Dat alles is verdwenen in de nevelen van het verleden. Niet alleen de mensen, maar ook de tuinderij, die al kort na de oorlog is overspoeld door het uitbreidende Zwijndrecht. Dat gebeurde al voor ik geboren was, waarschijnlijk.
Zelfs het Zwijndrecht dat ik nog heb gekend, bestaat niet meer. Evenals het Eiland IJsselmonde van mijn jeugd.

Ondertussen woon ik al bijna dertig jaar in Dordrecht. En dat al dertig jaar in hetzelfde huis. Dat huis is in de eerste twintig jaar dat ik er woonde helemaal door m'n handen gegaan, om het beeldend uit te drukken. Eigenlijk is dàt wel deel van mijn identiteit geworden. Dat het in Dordrecht staat is mooi meegenomen; het is van alle steden in het westen van Nederland één van aardigste, hoewel de buitenwijken precies dezelfde bloedarmoede hebben als in Delft en Alphen aan den Rijn. De binnenstad ligt aan de rivier; dat maakt ook veel goed. 
Toch zal ik nooit een Dordtenaar worden zoals de broers en zusters van mijn moeder dat waren. Ondanks het gegeven dat ik soms Zwijndrechters (meestal mensen die er ook niet zijn geboren) pest met de opmerking: "het mooiste in Zwijndrecht is het gezicht op Dordt".

My hometown.. Is dat de plaats waar ik ben geboren? Ooit, heel lang geleden, was dat zo. De herinnering kwam even boven op die crematie, door toedoen van Bruce Springsteen.




zondag 11 januari 2026

Passanten 6: Willem

























Net als Gerrit was Willem min of meer een collega. Eentje uit de laatste periode van mijn werkzame leven.
Hij werkte bij Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Dordrecht. Ik was vanaf november 2001 min of meer bij die dienst ingehuisd, omdat ik secretaris va de Welstandscommissie was. Tussen mij en de plantoetsers van die dienst was regelmatig overleg over ingediende bouwaanvragen. 'Redelijke eisen van welstand' was tenslotte een onderdeel van de 'heilige drie-eenheid' bestemmingsplan - bouwbesluit - redelijke eisen van welstand, waaraan een bouwplan moet voldoen om een bouwvergunning te krijgen. 
Bouw- en Woningtoezicht als zodanig bestaat inmiddels niet meer; een kleine twintig jaar geleden werd deze diensten landelijk samengevoegd met de milieudiensten en de daaruit resulterende dienst heet sindsdien 'Omgevingsdienst'.
In deze context was Willem gedurende veertien jaar mijn collega.

Bouw- en woningtoezicht van de gemeente Dordrecht maakte in de periode vóór de vorming van de Omgevingsdienst deel uit van de dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Dordrecht. Dit destijds vrij omvangrijke gezelschap was van een bonte pluimage. Zowel Monumentenzorg (Dordt heeft meer dan 1000 monumentale panden) als Stedenbouw maakten er deel van uit, evenals Vastgoedbeheer en Grondzaken.
Stadsontwikkeling had bovendien, binnen het gemeentelijke apparaat als geheel, ook een reputatie als zijnde een verzameling feestnummers en bonte honden. 
Dat gold in zekere mate ook voor het toenmalige Bouw- en Woningtoezicht. De dienst had een hoofd, maar een deel van de werknemers vulde de hun toegewezen taken geheel naar eigen inzicht in en maakte het zichzelf daarbij niet moeilijker dan strikt nodig was. Bij de dienst leerde ik bijvoorbeeld het begrip 'artikel 5' kennen. De toepassing daarvan kwam neer op het door de vingers zien van allerlei zaken die enerzijds niet helemaal in overstemming waren met de voorschriften, maar anderzijds niet zó schadelijk werden geacht dat er 'moeilijk' over moest worden gedaan.

Dit laatste is meteen een mooi aanknopingspunt om wat meer te vertellen over passant Willem.
Voor Willem bestond 'artikel 5' namelijk niet. Hij deed alles volgens het boekje. Een standaard ambtenaar zoals die leeft in de voorstelling van de gemiddelde niet-ambtenaar. Binnen het gezelschap van plantoetsers was hij één van de hoger opgeleiden; als ik me niet vergis had hij de HTS voltooid. Willem was een peuteraar, niet alleen in zijn werk, maar, zoals  bleek toen ik hem wat beter leerde kennen, ook op andere fronten.
Dat hij van wijn bleek te houden zou wat mij betreft weer in zijn voordeel kunnen spreken. Kennelijk was hij in bepaalde opzichten toch een levensgenieter. Maar dat hij regelmatig wijn dronk werd pas duidelijk toen hij me op een onbewaakt ogenblik vertelde dat hij de bezitter was van een klimaatkast voor zijn wijnvoorraad. Ook hier had de hang naar perfectie toegeslagen. 
Van lieverlee werd duidelijk dat Willem ook door zijn directe collega's als een wat wereldvreemd buitenbeentje werd beschouwd. Toen Bouw- en woningtoezicht eenmaal was opgegaan in de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid en we waren verhuisd naar een ander gebouw in de stad, leidde deze verandering tot aanzienlijke problemen met zijn werkplek. Willem maakte melding van lichamelijk ongemak dat hij weet aan straling die volgens hem uit het plafond kwam. De bron zou, dacht hij, leidingwerk zijn dat electro-magnetische golven uitzond. Tot welke lichamelijke klachten dit bij hem leidde, is mij nooit helemaal duidelijk geworden. 
Zijn klachten werden door de leiding in zoverre serieus genomen dat er binnen de grote ruimte waar de plantoetsers zaten, met zijn persoonlijke werkplek werd geschoven. Uiteindelijk werd er een plek gevonden waar hij minder last had van de door hem ervaren negatieve effecten, maar helemaal tevreden is hij na de transitie van de dienst nooit meer geworden, geloof ik.
Cynisme kreeg bij Willem de overhand.  
Toen, al vrij kort na de vorming van de Omgevingsdienst, de Tweede Kamer besloot dat plantoetsing en bouwtoezicht op termijn bij marktpartijen zouden worden ondergebracht en plantoetsers en inspecteurs een mogelijk ontslag zagen opdoemen, was Willem steevast degene die het meest zwarte scenario schilderde. 

In 2016 ging ik met pensioen. De Omgevingsdienst huisde inmiddels in het oude (en eigenlijke ook meteen het laatste) postkantoor van Dordrecht, dat op loopafstand van mijn huis ligt. Sommige jongens van de Omgevingsdienst liepen bij mooi weer en rond lunchtijd graag een rondje door de binnenstad, terwijl ze ondertussen de meegebrachte boterhammen oppeuzelden. Zo kwam ik Willem, meestal in het gezelschap van één of meerdere anderen, nog diverse keren tegen.
De laatste keer dat dit gebeurde moet in de periode 2020 - 2022 zijn geweest. Het was Corona-tijd. Willem was alleen en misschien was dat de reden dat we even de tijd namen voor een praatje.
Als ik het me goed herinner was het ergste van de Corona-epidemie al achter de rug; in ieder geval werd er bij Omgevingsdienst weer op kantoor gewerkt. Vanzelfsprekend was de achterliggende periode vrijwel direct onderwerp van gesprek. Al heel snel bleek hoe Willem daar naar keek; Corona was een complot. Het was niet gewoon een epidemie van een tot dan toe onbekend virus. Er waren duistere krachten de gang geweest en ze waren nog lang niet klaar met ons, onwetende burgers.
In een poging om het gesprek in andere vaarwater te leiden, probeerde ik van onderwerp te veranderen en begon ik over een ander maatschappelijk fenomeen. Wat dat precies was weet ik niet meer, maar ook hier zag Willem allerlei geheime manipulaties van de overheid of andere machten.
Eén en ander leidde tot een versneld afscheid. Daarna heb ik Willem niet meer gezien.

De hele traditie van het rondje rond het middaguur schijnt sowieso te zijn afgeschaft, want ook de andere collega's kom ik tegenwoordig nooit meer tegen. 

maandag 5 januari 2026

Sporen naar Berlijn

























In 1936, toen zo langzaamaan het ware karakter van de nieuwe Duitse werkelijkheid zichtbaar werd, schreef Ed Hoornik het gedicht 'Het is maar tien uur sporen naar Berlijn'. Hij leek toen al te voorzien dat deze Duitse werkelijkheid vroeg of laat ook in Nederland de status quo zou worden.
Toen wij in de week na Kerstmis naar Berlijn spoorden, heb ik nog wel een paar keer aan die tien uur van Hoornik gedacht. We reisden weliswaar grotendeels met een snelle Duitse trein, maar kwamen redelijk dichtbij een reistijd van tien uur. Op de heenweg hadden we ruim een uur vertraging op de terugweg bijna twee uur. Bij de laatste gelegenheid hadden we om 12.06 uur moeten vertrekken vanaf Berlin Hauptbahnhof. Dat werd een ruim een uur later, en tijdens de rit zelf wist de Deutsche Bundesbahn er nog eens bijna een uur extra vertraging aan toe te voegen. Inclusief de reistijd in Nederland, waar de NS ondanks het winterweer goed presteerde (de vertraging bleef beperkt tot enkele minuten), waren we van Berlijn tot Dordrecht bijna negen uur onderweg.

Berlijn is onder de wereldsteden nog steeds een unicum. Nergens drukt de geschiedenis zó zwaar op een stad als in Berlijn. 
Al vele jaren geleden las ik de stukken die Armando, die in de jaren '80 een tijd in Berlijn woonde en werkte, over de stad schreef. De "grote hoop zand", waar de muur langs liep en waar ooit "het statige gebouw van de Gestapo" stond is er niet meer. Het "restant van het Reichsluftfahrtministerium" dat aan de andere kant van de muur stond "drüben, dus" is er nog, maar ik heb er niet naar gezocht.. 
Armando schreef zijn verhalen over Berlijn nog voor de Wende. Na het verdwijnen van de muur zijn veel sporen van het verleden die min of meer in het niemandsland tussen oost en west lagen waarschijnlijk in hoog tempo verdwenen. Overigens is niet de hele muur verdwenen; langs de Mühlenstrasze in de wijk Friedrichshain, die parallel loopt aan de Spree, is nog een flink stuk bewaard gebleven. Het is over de volle lengte voorzien van muurschilderingen, die moeten worden beschouwd als kunstwerken, geloof ik. De lokale autoriteit heeft bepaalde kunstenaars toestemming toestemming verleend voor het aanbrengen ervan, zo te zien. Zonder toestemming aangebracht 'wild' geklieder wordt zonder mankeren overgeschilderd met witte verf. Ook daar zagen we wat bewijzen van.
Normaal zijn er in dit deel van Berlijn weinig toeristen, maar hier liepen ze met drommen.


















De meeste braakliggende stukken, erfenissen van de bombardementen en de slag om de stad in 1945, zijn ondertussen zo'n beetje verdwenen, maar toch kent de stad in de zone net buiten het echte centrum nog steeds veel lege plekken. of plekken die ooit leeg waren maar nu, al dan niet met goedkeuring van de overheid, zijn ingevuld met marginale bedrijfjes of kleine vrijstaatjes, die bewoond worden door mensen die met het nodige sloophout en golfplaten hun eigen woonomgeving hebben geschapen. Die overigens vaak door meer dan manshoge schuttingen is gescheiden van de openbare weg; reclame maken voor hun alternatieve mini-maatschappij vinden de bewoners kennelijk niet nodig, of men wil geen pottenkijkers. Daardoor doet het vaak wel een beetje unheimisch aan.
Heb je eenmaal het centrum bereikt, dan is elke vierkante meter ingericht. Vooral met grote, tamelijk anonieme gebouwen, die vaak tientallen verdiepingen de lucht in reiken. Ook op straatniveau is alles keurig ingericht, hoewel ook hier vaak stukken straat zijn opgebroken, omdat er weer voor het één of ander in de grond moeten worden gewroet. Hier wordt nog wel gewoond, maar in het beeld zijn de winkels en het zakenleven dominant. Het kapitalisme in één van zijn meest ultieme vormen grijnst je continue aan.
Ons hotel stond in voormalig Oost-Berlijn, vlak bij het S+U Bahnhof Frankfurter Allee. De directe omgeving was een rustige, nette woonomgeving, maar tussen de Frankfurter Allee en de Spree zijn de nodige rommelhoekjes van de hierboven genoemde soort te vinden. Een groot contrast met het centrum, waar de grond inmiddels heel duur is en het grote geld de broek aan heeft.
Vergeleken met Parijs ontbeert Berlijn veel charme en eerlijk gezegd vind ik Rotterdam (ook een stad die zijn Stunde 0 gekend heeft), in veel opzichten gemutlicher.

Was het bezoek aan de stad dan verloren moeite? Nee; integendeel. 
Want hoe je het ook wendt of keert, de Duitse cultuur is, samen met de Franse, de Britse en de Italiaanse één van de grote steunpilaren van de cultuur van Europa als geheel. Duitsland als natie ontstond pas in de tweede helft van de 19e eeuw, maar de Duitse cultuur is veel ouder.
Het slot Charlottenburg, dat als gebouw, vergeleken met Versailles of de paleizen in Potsdam niet buitengewoon indrukwekkend is, herbergt wèl een interessante expositie over het Pruisische Huis van de Höhenzollern, dat z'n wortels heeft in de vroege middeleeuwen en dat in 1701 een koninkrijk stichtte, dat in feite de basis vormde van het latere Duitsland.
In Nederland heeft het Pruisische een slechte naam, maar in de praktijk traden de Pruisische koningen vaak op als mecenas ten gunste van allerlei vormen van wetenschap en kunst. Binnen die cultuur konden grote geesten als Goethe en dichters als Wilhelm Müller zich ontwikkelen.

































Daarnaast bood een bezoek aan de Alte Nationalgalerie op het Museuminsel de gelegenheid om eindelijk eens wat schilderijen van Caspar David Friedrich in het echt te zien. 
Sinds ik, lang geleden, een CD met Schubert's Winterreise kocht, heeft Friedrich me geïntrigeerd. Op de voorpagina van het boekje bij de CD stond namelijk een afbeelding van Friedrich's schilderij Winterlandschaft. Een desolaat beeld van een besneeuwd landschap met grotendeels dode bomen. Als je iets beter kijkt, zie je tussen de bomen ook nog een kromgebogen Wanderer. 
Want dat is natuurlijk ook ontzettend Duits; de Romantiek als kunststroming in allerlei vormen.
De Alte Nationalgalerie is geheel gewijd aan de schilderkunst van de 19e eeuw en een groot deel van wat er te zien is valt zonder meer in de categorie Romantiek. 
Winterlandschaft van Friedrich hangt er jammer genoeg niet, daarvoor moet je naar het Staatliches Museum te Schwerin, maar er zijn wel 16 andere Friedrichs te zien, waaronder  Abtei im Eichwald en Eichbaum im Schnee. De eerstgenoemde heeft een sfeer van verlatenheid die de uitstraling van Winterlandschaft nog overtreft. En daar hebben we de eik ook weer; het Europese cultuursymbool bij uitstek. Friedrich laat deze ontbladerde bomen wanhopig naar de hemel grijpen, zoals alleen een eik dat kan.
















En natuurlijk is er ook het Waldgefühl; landschappen waar de bomen nu eens geen eenling zijn. Ze zijn een bos, met hoge, dicht opeenstaande sparren. Vaak lopen er ook nog wel één of meer mensen rond. Maar de mens is hier klein ten opzichte van het bos. Een detail, niet belangrijker dan een vos of een ree.

























Jammer genoeg kwamen we wat tijd te kort in de Alte Nationalgalerie, want we waren er op oudejaarsdag en het museum sloot al om 16.00 uur. Daardoor misten we een tijdelijke tentoonstelling met een particuliere collectie impressionistische schilderkunst.
Om dezelfde reden kreeg ik een ander schilderij dat in dit museum hangt, en dat voor mij een bijzondere betekenis heeft, niet te zien. 
De oudste zus van mijn moeder had thuis een reproductie hangen van Die Toteninsel van Arnold Böcklin. Tante heeft me nooit verteld wat het voorstelde, maar die grote rots met cypressen en de in het wit geklede figuur in z'n bootje, die er naartoe vaart, was iets uit een andere wereld dan de mijne van dat moment. Het beeld van het schilderij heeft tientallen jaren in mijn geheugen gezeten voor ik er, minder dan tien jaar geleden, achter kwam dat het niet zomaar een niemanddalletje was, maar iets van kunsthistorische betekenis.
















Tante Bets, want zo heette ze voor mij, liet zich er altijd wel een beetje op voorstaan dat ze binnen de familie (zeven zussen en vier broers) degene was met het meeste gevoel voor cultuur. Ze zong bij Kunst na Arbeid in Dordrecht, een aan de arbeidersbeweging gelieerd amateurkoor en werkte voor haar huwelijk bij de Co-Op, een winkel die uit dezelfde bron voortkwam.
Tante Bets had kennelijk zekere idealen, maar in laatste instantie heb ik het Toteninsel van Böcklin daarin niet kunnen plaatsen. 

Ook erg Duits maar niet Berlijns is Potsdam. Je komt en vanuit centrum Berlijn in drie kwartier met de onvolprezen S-Bahn. Waarbij je overigens kilometers ver door de bossen rijdt, want Berlijn heeft een heel groene omgeving.
Eigenlijk is Potsdam het Duitse Versailles, de plaats waar de Pruisische vorsten hun paleizen bouwden. Die paleizen, Sanssouci, het Orangerieschlosz en het Neues Palais liggen aan de randen van een groot park. Bij de oostelijke ingang daarvan staat ook nog een mooie imitatie van een vroeg-christelijke Italiaanse basilica uit 1848, met zo'n typische campanile, zoals je ze ook in Siena kunt zien.

















Ook bekeken we de Einsteinturm, een zonneobservatorium uit de jaren twintig. Hij staat in het eveneens naar Einstein vernoemde wetenschapspark net ten zuiden van het Hauptbahnhof van Potsdam. Je moet wel langs een slagboom om het park binnen te komen, maar de portier geeft je zeer bereidwillig een kaartje van het park waarop hij je de toren aanwijst.
De ontwerper van de Einsteinturm was Erich Mendelsohn. Hij tekende een ontwerp in een expressionistische stijl, die enige verwantschap vertoont met de Amsterdamse School. In de jaren dertig week Mendelsohn, die Joods was, uit. Eerst naar Engeland en in tweede instantie naar de Verenigde Staten. Daar ontwierp hij gebouwen die meer aansloten bij de stijl van het Bauhaus. Strakkere, zakelijke architectuur.

















Van de meer bekende sights noem ik slechts de Gedachtniskirche, die we zagen staan vanuit de S-Bahn, toen we station Zooöligischen Garten binnenreden. In een impuls besloten we er even heen te lopen. 
Van de oorspronkelijke kerk staat alleen de ingangspartij en de toren er nog. Het schip van de neo-gothische kerk werd in 1943 bij een bombardement verwoest. Ook de toren werd beschadigd en de gerafelde spits bleef behouden als Mahnmal.
Naast dit restant werd in 1954 een van buiten nogal sobere achthoekige kerk gebouwd, evenals een nieuwe klokkentoren. Van binnen werkt de nieuwe kerk echter heel goed. Het blauwe figuurglas, waaruit de gevels bestaan, gaat in het interieur pas spreken. Toen wij er waren zat er net een jonge pianist op een forte-piano Mozart te repeteren, waarschijnlijk voor een concert dat er op oudejaarsavond zou plaatsvinden.





 











We hebben een tijdje naar hem geluisterd en de sfeer op ons laten inwerken. We waren in Berlijn, maar de stad was eventjes ver weg.