zaterdag 22 maart 2025

Stukje varen



















Een van de dingen die ik graag doe, als de boot voor de winter in Dordrecht ligt en de mast is gestreken: op een mooie na- of voorjaarsdag naar achteren varen. "Naar achteren" is in dit geval een vaartochtje over het Wantij naar het achterland van Dordrecht. Een gebiedje dat ook wel bekend staat als de Merwelanden of de Sliedrechtse Biesbosch.

Wantij is van oudsher de naam waarmee een plek wordt aangeduid, die de opkomende vloed vanuit twee verschillende richting nadert. De bekendste voorbeelden in Nederland zijn de wantijen achter de Waddeneilanden. Elk eiland grenst aan twee kanten aan een zeegat en het opkomende getij stroomt door beide zeegaten de Waddenzee in. Achter elk eiland ligt een plek waar de getijdenstromen vanuit deze zeegaten elkaar tegenkomen.
Op het Eiland van Dordrecht is 'Wantij' echter de naam van een complete waterloop. Inmiddels staat het Dordtse Wantij alleen aan de westzijde in open verbinding met het getijdenwater. Aan de oostkant is het door midden van een schutsluis gescheiden van de Nieuwe Merwede.
Maar in de eerste helft van de 19e eeuw was die schutsluis er nog niet. 
Op een topografische kaart van rond 1850 komt de naam Wantij voor het eerst voor. Op die kaart is er nog sprake van een open verbinding met de kreken van de Biesbosch, want de Nieuwe Merwede ontstond pas ná 1861 toen Rijkswaterstaat met het graven van die rivier begon. Feitelijk verbreedde men enkele bestaande kreken en verbond me ze met elkaar. Voor 1850 bestond de situatie dat de vloed van twee kanten het Wantij binnenkwam dus nog wèl. Waarmee de herkomst van de naam is verklaard.























Het getij is echter nooit uit het Wantij verdwenen. 
Als ik op donderdag 18 maart 2025 op het gemak, met 1500 toeren op de motor, vanaf de driesprong Oude Maas - Beneden Merwede - Noord het Wantij op vaar, is het afgaand water. Ik heb een dikke knoop (bijna 2 km/u.) stroom tegen. Geen punt, want het is prachtig weer en dan kan zo'n ritje eigenlijk niet lang genoeg duren. 

Dit stroompje kent een heel geleidelijk verlopende overgang van stedelijkheid naar natuur. Vanaf de nieuwe wijk Stadswerven, in de afgelopen jaren gebouwd op grond die vroeger door industrie, waaronder de scheepswerf de Biesbosch, werd bezet, komen we achtereenvolgens langs de voor-oorlogse bebouwing van De Staart (de naam van de stadswijk land ten noorden van het Wantij) aan bakboord, het Wantijpark aan stuurboord en de na-oorlogse bebouwing van De Staart aan bakboord. 
Het geeft me altijd een tevreden gevoel dat het grootste deel van die woningen is neergezet als sociale woningbouw. Dordt was tijdens de bouw ervan nog een echte arbeidersstad. Zouden oevers van het Wantij nu moeten worden bebouwd, dan zouden er vast hele dure koopwoningen komen, want de oevers van het Wantij zijn het huidige tijdsgewricht A1-locaties voor projectontwikkelaars.
Na het passeren van de brug waar de N3, de Dordtse ringweg (die geen èchte ring is, maar vooruit, het klinkt super-grootstedelijk) overheen gaat de bebouwing aan bakboord nog even door, maar aan de stuurboordskant heeft het groen al het primaat. De bebouwing van de wijk Stadspolders, die in de jaren '90 van de vorige eeuw is gebouwd, gaat grotendeels schuil achter wilgen en een dijk.
We komen nog langs het zogenaamde Vissertje, waar een voormalig gemaal staat, dat inmiddels een restaurant huisvest. Dat, onvermijdelijk, de naam  'het Gemaal' draagt. Direct daar tegenover, op de andere oever, staat Natuurvriendenhuis 'De Kleine Rug'.




















Natuurvriendenhuizen en de organisatie waaruit ze voortkomen, het Nederlands Instituut voor Volksontwikkeling en Natuurvriendenwerk (NIVON), zijn een verhaal apart. Een laatste relict van de eertijds florerende Sociaal Democratie in Nederland, dat in de praktijk nog springlevend is, hoewel enigszins losgezongen van de vroegere linkse banden. De Natuurvrienden zijn overigens op veel plaatsen in Europa actief. In Duitsland is de club bijvoorbeeld nog heel groot, maar veel minder gelieerd aan politieke organisaties.
Je kunt op de Kleine Rug tegen een bescheiden bedrag overnachten en het heeft de charme dat het alleen per boot bereikbaar is; men komt je, na aankomst bij het Vissetje, met een bootje ophalen.

Daarmee hebben we de laatste bewoonde plekken voorlopig achter ons gelaten.
Er volgen nog twee bruggen; één is de spoorbrug waarover de trein naar Geldermalsen rijdt en de ander is een voetgangers- en fietsersbruggetje. 
Na de laatste brug gaan we bakboord uit (we slaan linksaf) het Moldiep in. Voor het volgende kwartier varen we door een jungle, die Coppola ook had kunnen benutten voor zijn epos Apocalypse Now (u weet wel; het deel waar kapitein Willard met zijn snelboot richting het domein van Kolonel Kurtz vaart). 
Ooit waren deze grienden (een naam voor wilgenbos in zoetwatergetijden-gebied) in cultuur en werden ze om de drie jaar gehakt. Dat is echter voor de meeste grienden al heel lang verleden tijd. De wilgen zijn hoog opgeschoten, maar zijn het geen bomen die eeuwen oud kunnen worden. Als ze eenmaal een hoogte van 15 m. of meer bereiken, vallen ze vaak spontaan om. In het vaarwater liggen links en rechts dan ook regelmatig wilgen of delen daarvan. Enige oplettendheid is geboden.
Na dat kwartiertje volgen nog een paar blijken van menselijke aanwezigheid aan de bakboordskant: de Stayokay (Een jeugdherberg met kampeerterrein) en het bezoekerscentrum Hollandsche Biesbosch, dat inmiddels (volgens Google) 'Biesboschcentrum Dordrecht' blijkt te heten.
We laten de jungle achter ons; het laatste stuk van het Moldiep loopt tussen de Hel- en Zuilespolder aan bakboord en de Otterpolder aan stuurboord. Beiden zijn al halverwege de 19e eeuw in cultuur gebracht als graslandpolders. Ik zie dat de Otterpolder ondertussen al weer min of meer aan de natuur is teruggegeven. Hij staat, zoals dat wordt genoemd, plas-dras. 



















De boer die er tot voor enkele jaren nog vee hield op een boerderij die nog steeds op de uiterste zuidpunt van de polder staat, is in 2020 vertrokken en sindsdien is de polder in beheer van Staatsbosbeheer. Er waren ooit plannen om ook in deze boerderij een soort uitspanning te vestigen, maar inmiddels heeft Staatsbosbeheer besloten om de polder "alleen vanaf het water beleefbaar" te houden



















Aan het eind van het Moldiep gaan we opnieuw bakboord uit de Helsloot (De Biesbosch stikt van de angstwekkende namen) in.
Na een klein stukje ligt er aan stuurboord een drijvend steigertje, waar we aanleggen. Van het steigertje kom je op de kade die de Huiswaard en de Oude Kat omringt: je kunt een keurig rondje van een kilometer of drie lopen. Omdat ook deze plek alleen over water te bereiken is, is het er nooit druk. Meestal kom je, buiten de nodige vogels, geen levende ziel tegen.

Maar we hebben, jammer genoeg, buiten Staatsbosbeheer gerekend. Langs het Katse Gat, waar de kade van Huiswaard ook langs loopt is een broedgeval van de Zeearend geconstateerd en dat stuk van de kade is voorlopig off limits waardoor het rondje lopen niet meer mogelijk is.




















Nou ja; dan lopen we de kade in de andere richting maar een stukje af, waarbij we  op twee plekken 'beverpaden' aantreffen; plekken waar bevers met enige regelmaat de kade passeren om van het rietgors langs de Helsloot in de Huiswaard te komen. 










































Feitelijk was de Huiswaard ooit een populierenbos. Al tientallen jaren geleden is het gebied ook min of mee aan de natuur overgelaten. Net als wilgen hebben populieren maar een beperkte levensduur. Als ze een bepaalde hoogte bereiken worden ze vaak instabiel. De meeste populieren in de Huiswaard zijn omgewaaid, of er zijn stukken afgebroken. Dat geeft een wat desolate aanblik, maar spechten en andere insecteneters zijn er blij mee. Evenals paddenstoelen en zwammen.






































Aan de overkant, in de Helpolder, blijkt een paartje Ooievaars te broeden; door hun geklepper zie ik het nest dat ik anders gemist zou hebben.



















Hoewel de vogelgeluiden het soundscape vormen tijdens het wandelingetje krijg ik maar weinig vogels te zien, buiten wat mezen en een enkele buizerd. Maar de rust vergoed veel en het licht is prachtig.



















De laatste brugopening van de Engelenburgerbrug, die toegang geeft tot de Nieuwe Haven, tot 1 april mijn ligplaats, is om 16.30 u. Rond een uur of drie varen we weer, nu richting de Ottersluis.



















Daarna komen we weer op het Wantij. 
Op weg naar de eerder genoemde bruggen, komen we nog langs een stukje griend dat in cultuur wordt gehouden, met daarnaast nog een originele griendkeet, een klein huisje dat, toen de griendcultuur nog een serieuze bedrijfstak was, diende als nachtelijk onderkomen voor de griendwerkers, die meestal de hele week in griend bleven en alleen voor de zondag naar huis gingen.




















Even voor vier uur zijn we bij de Engelenburgerbrug. Op het remmingwerk waar we tijdelijk aanleggen zit een meldknop, waarmee we om een brugopening kunnen vragen.


















Om kwart over vier ligt de Wadloper weer in zijn box.