vrijdag 1 juni 2018

CABR


















In Den Haag staat, tussen het Centraal Station en de Koninklijke Bibliotheek, het Nationaal Archief.
In vergelijking met de Koninklijke Bibliotheek is het een bijna onopvallend gebouw. Gebouwd in de jaren '70, schat ik. Een tijdperk waarin, volgens een architect die ik ken, de slechtste architectuur uit de hele Nederlandse architectuurgeschiedenis is gemaakt. Desondanks laat ik de vraag of het gebouw van het Nationaal Archief een lelijk ding is, maar even in het midden. Als je eenmaal het Centraal Station hebt verlaten, hoef je er ook maar heel kort tegenaan te kijken, voor je er binnen bent.

Binnen is het gebouw overigens geen voorbeeld van functionaliteit en heldere routing. Op 17 april j.l. meld ik mezelf bij de receptie en noem de reden van mijn komst. Ik dien me te vervoegen bij een andere balie. Die ik, na het opgaan van een aantal treden en doorkruisen van een nogal ongedefinieerde ruimte, die in alle richtingen lijkt weg te lopen, bereik.
Omdat ik eerder via internet en email contact met het archief heb gehad, weet men wie ik ben. Ik heb een afspraak gemaakt voor deze dag en dit uur. Ik heb echter nog geen pasje, wat een vereiste is voor het betreden van de studiezaal, waar de door mij opgevraagde documenten mogen worden ingezien.
Het maken van dat pasje (compleet met foto, die door een webcam-achtige camera wordt gemaakt) gaat heel vlot en efficiënt.
Nu kan ik naar de functionaris die de toegang tot de studiezaal bewaakt. Er mag, buiten een blocnoot, een potlood (geen pen!) en/of een laptop, niets mee naar binnen. In de studiezaal is weer een balie, die duidelijk de bron van alle stukken is en waar ik aangeef voor welke documenten ik kom. Men gaat ernaar op zoek. Als het goed is, liggen ze voor me klaar. Ik mag gaan zitten.
Er zitten al veel mensen in de studiezaal. Ik moet even zoeken naar een vrije plaats. Desondanks is het er stil en dat is ook uitdrukkelijk de bedoeling. 
Een paar minuten later worden er twee grijsbruine dossiermappen bij me neergelegd.

In een andere blog, van een paar jaar geleden, schreef ik onder andere over de oorlogsgeschiedenis van de familie van mijn moeder. Die familie kreeg het verhoudingsgewijs nogal hard te verduren. De vader en een broer van mijn moeder verloren het leven en één van haar broers had een scheve schaats gereden, door in Duitse dienst te treden.
Eerlijk gezegd was dat laatste, toen ik het schreef, nog slechts een sterk vermoeden. 

De vermeende collaborateur was pas in mijn leven opgedoken toen ik al een jaar of tien was. Op het moment dat hij, ik schat halverwege de jaren '60, weer contact zocht met de familie, woonde hij in Duitsland en was hij getrouwd met een Duitse vrouw, die Frieda heette. Frieda bleek een oorlogsweduwe uit het Ruhrgebied. Ze woonden in Lünen.
Wat mijn ouders en andere familieleden vonden van de terugkeer van Ome Janus begreep ik maar half. Duidelijk was wel dat men die terugkeer, en de reden van zijn afwezigheid tot dan toe, niet erg verheffend vond. Desondanks werden Ome Janus en zijn vrouw, met enige reserve, weer in de familie opgenomen. 
Ik heb hem daarna nog vele keren gezien. Een relatief stille man, die vaak een wat gelaten, moedeloze indruk maakte. Zijn Nederlands was qua woordgebruik wat 'verduitst', evenals zijn dictie. Hij was een stevige roker. Toen ik hem leerde kennen was hij al geen toonbeeld van blakende gezondheid. Tegen het einde van zijn leven sloeg Parkinson toe en kon hij zijn kopje koffie niet meer aan de mond brengen zonder te morsen.
Ergens in de jaren '70 of vroege jaren '80 is hij overleden. Hoewel ik op zijn begrafenis (in Lünen) ben geweest, heb ik tot op heden zijn exacte sterfdatum niet kunnen achterhalen.

Een paar jaar terug kocht ik in de ramsj een boekje dat Bijzonder GewoonHet Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (1944-2010) en de ‘lichte gevallen’ als titel had. Het beschreef hoe de zogenaamde Bijzondere Rechtspleging na de oorlog was omgegaan met Nederlandse collaborateurs in het algemeen en meer in het bijzonder met hen die niet meteen in de categorie oorlogsmisdadigers vielen.  
In dat boekje werd ook aandacht besteed aan de mogelijkheid die het Nationaal Archief sinds enkele jaren aan derden biedt om de dossiers in te zien van hen, die deze bijzondere rechtspleging hebben ondergaan. Voorwaarde voor inzage is het gegeven dat de geboortedatum van de persoon in kwestie meer dan 100 jaar in het verleden ligt, of het feit dat persoon schriftelijke toestemming heeft gegeven voor inzage door de degene die daarom heeft gevraagd.

Toevallig had ik al een tijd geleden het Dordtse stadsarchief doorzocht op gegevens over de familie van Well en daarbij de geboortedata van alle broers en zussen van mijn moeder, 13 in getal, achterhaald.
Ik diende op 21 februari j.l. een verzoek in bij het Nationaal Archief met de vraag tot inzage van eventuele stukken betreffende Adrianus van Well, geboren 21 april 1911, te Dordrecht, voor zover die in het archief van het CABR aanwezig waren.
Op 6 april j.l. kreeg ik antwoord. Het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging bevatte twee dossiers over hem, genummerd CABR 89327 en CABR 109407. Ik maakte de afspraak die ik eerder noemde en ongeveer een week later sloeg ik de dossiermappen open. 

In een volgend bericht beschrijf ik wat ik vond en hoe dit onderzoekje zich verder ontwikkelde, want van het een komt het ander..

maandag 21 mei 2018

Cultuuroorlog
















Er zijn tegenwoordig momenten waarop het virtuele werkelijkheid wordt, of de werkelijkheid zich virtueel toont. Althans; bepaalde mensen ervaren dit zo. Wanneer het één en wanneer het ander het geval is, is niet altijd even duidelijk. Soms lijkt men zelf ook niet meer precies te weten wanneer er sprake is van een echte tegenstelling en wanneer we slechts kijken naar een woord-en-beeld-oorlog, waarbij men de realiteit allang uit het oog heeft verloren en men feitelijk vecht tegen windmolens.

Ik keek gisteren naar een aflevering van VPRO's Tegenlicht, die al een paar weken oud was. Ik had hem opgenomen en kwam er nu pas toe hem te bekijken. De uitzending staat nog steeds online. U kunt hem hier bekijken.

Sinds Pim Fortuyn opkwam heb ik al niet begrepen waar mensen het precies over hadden, als ze zich met veel aplomb en hevig verontwaardigd beklaagden over alles "wat niet gezegd mocht worden". Zelf was ik juist doordrongen van het gegeven dat sinds de jaren '60, met televisieprogramma's als Zo is het toevallig ook nog 's een keer, eigenlijk alles gezegd mocht worden. En ook gezegd werd.
Maar met de komst van Pim bleek er een hele bevolkingsgroep te bestaan, een soort zwijgende meerderheid, die sterk het gevoel had dat bepaalde zaken niet mochten worden uitgesproken. Dat je de pest had aan buitenlanders en immigranten, bijvoorbeeld. Of dat je de islam een gevaarlijke godsdienst vond. Diezelfde groep mensen muntte ook het begrip Linkse Kerk. Dat was namelijk de maatschappelijke macht die verordonneerde dat je dat soort dingen niet mocht zeggen.

Ik heb daar altijd een beetje om moeten lachen. Toen men veertig jaar eerder dingen riep die eigenlijk niet gezegd mochten worden, was dat nog voorbehouden aan het linkse deel van de samenleving. Destijds heb ik nooit iemand van die groep horen klagen dat men dat niet mocht. Men deed het gewoon. En zelfs toen al had het zelden of nooit tot gevolg dat de roeptoeters voor het gerecht werden gesleept of anderszins ter verantwoording werden geroepen.

De geschiedenis herhaalt zich nooit, zegt men. Toch dacht ik na het zien van die aflevering van Tegenlicht: "daar hebben we het weer.."

Zo'n vijftien jaar terug, toen ik me nog regelmatig in de krochten van Usenet en zijn  nieuwsgroepen begaf, kon je al merken dat de geest Pim Fortuyn op internet was doorgedrongen. Ik raakte nogal eens in discussie met mensen die rechtse praatjes verkochten, maar de kern van waar het volgens mij om ging volledig misten. Er was een onstuitbare drang om een zondebok aan te wijzen, waar men al z'n frustraties op kon uitleven en die de schuld moest dragen van alles wat er in de maatschappij was misgegaan. Daarbij ging men uit van het vreemde idee dat de macht in Nederland in de afgelopen veertig jaar in handen was geweest van de eerder genoemde Linkse Kerk. Eén blik op de parlementaire geschiedenis van Nederland sinds de jaren '70 is voldoende om te zien dat de macht in deze periode vooral is uitgeoefend door coalities van confessionelen en liberalen. Linkse partijen (in de praktijk de PvdA en in mindere mate D'66) kwamen er pas weer aan te pas met de paarse kabinetten, die halverwege de jaren negentig aantraden. Toen had de PvdA echter z'n ideologische veren al afgeschud. De partij deed enthousiast mee aan het neo-liberale beleid dat toen pas ècht vorm kreeg. Dus ook van die regeringen kan worden betwijfeld of ze links waren.
Dat derhalve en feitelijk centrum-rechts de bron van de frustratie van de Fortunisten was, ontging diezelfde groep volledig. Wat vreemd is, want de groep in kwestie bestond over het algemeen niet uit de bovenlaag van onze maatschappij; integendeel. De arbeidersklasse had zich bekeerd tot het Fortunisme and they were barking up the wrong tree, om het maar eens op z'n Engels te zeggen.

Ondertussen speelt zich op internet weer iets vergelijkbaars af. Waarvan ik zelf nog het meest frappant vind dat het me tot op heden grotendeels is ontgaan.
De documentaire die ik noemde, laat zien dat er een internetforum is dat 4chan heet. Vanuit dat forum is Kekistan ontstaan. Een virtueel land, met zelfs een heuse vlag (zie hierboven) waarvan de inwoners worden onderdrukt door de Normies. Wie zijn dan de Normies? Dat zijn de leden van de dominante, politiek correcte groep die de bepaalt wat wel en niet mag worden gezegd. Die Normies zitten volgens de Kekistani vooral in de linkerhoek van het politieke spectrum. Wordt er om een nadere specificatie gevraagd, dan worden genoemd: feministen, communisten en mensen die het individu proberen te corrumperen met hun "right and wrong"-denken. Zij stellen de normen, vandaar: Normies.
De Kekistani voelen zich vrijdenkers. Individuen, die geen ijzeren stelsel van normen en waarden opgelegd willen krijgen en vooral niet over één kam geschoren willen worden. Men is bijvoorbeeld tegen wat men identiteitspolitiek noemt; het in hokjes stoppen van mensen en die hokjes bestempelen met 'links' of  'rechts', 'racistisch' of 'fascistisch'.
Dat het verzet hiertegen juist de vorm aanneemt van het bedenken van een nieuwe groep, met een zekere identeit (je ben een Kekistani of niet, tenslotte), is al meteen de eerste tegenstrijdigheid in de opstelling van deze tegenstanders van identiteitspolitiek.

'Terence', die zich Kekistani noemt, zegt in de documentaire: "Normies zijn mensen die in de mainstream zitten, die niks van gamercultuur begrijpen, die eigenlijk niet kunnen internetten; die alles voor het eerst op Facebook zien".
Zo'n citaat maakt wat mij betreft al veel duidelijk. De Kekistani spelen vooral dat ze onderdrukt worden, maar in werkelijkheid voelen ze zich superieur aan de Normies, met hun achterlijke normen en waarden.
En ja; gamercultuur? Ik wil niet bestrijden dat dit een (sub)cultuur is, maar sinds wanneer is de cultuur van mensen, die een groot deel van hun tijd (want gamen doet men, zoveel is ook wel bekend, niet voor een halfuurtje per dag) doorbrengen in een virtuele droomwereld, van essentieel belang voor de gang van zaken in de echte wereld? Moeten we ons voor een goed begrip van de wereld daar ècht in verdiepen? En wanneer kun je niet internetten?  Joost mag het weten.

Wat zou gamercultuur en kunnen internetten betekenen in de wereld van de grote bedrijven, multinationals en het neo-liberalisme, waar vooralsnog de grootste macht in de wereld ligt? In sommige gevallen is die macht groter dan die van nationale regeringen. Helemaal niets, ben ik bang. Ja, gamers zijn mogelijk een doelgroep waaraan men zijn producten (games) wil slijten. Veel verder zal het niet gaan. Dat de macht in de maatschappij ligt bij Normies, komt mij dan ook als een schromelijke vergissing voor.

Nu gaat het de Kekistani vooral om de macht die via de media wordt uitgeoefend. Zo zou bijvoorbeeld de publieke omroep geheel in handen zijn van de Normies; het linkse geluid zou daar overheersen. Toch hebben we tegenwoordig omroepen als WNL en PowNed. Met name die laatste omroep, voortkomend uit GeenStijl, lijkt de verpersoonlijking van het gedachtengoed van de Kekistani; niet-politiek-correcte grappen maken. Toch worden de Kekistani kennelijk niet massaal lid van PowNed, want ondertussen is duidelijk geworden dat deze omroep een kwijnend bestaan lijdt en op het punt staat weer uit het medialandschap te verdwijnen. Of zijn er in de praktijk gewoon heel erg weinig Kekistani en vormen ze daarom geen macht van betekenis?

Het lijkt er dus veel op dat we hier te maken hebben met het schijn-probleem van een groep mensen die verward zijn geraakt in een vreemde virtuele werkelijkheid en die op internet een heroïsche strijd tegen windmolens voeren. Voor wat naar mijn idee de werkelijke  problemen in de wereld zijn (klimaatverandering en een rechtvaardige verdeling van de welvaart, om maar een paar dingen te noemen) heeft men in het geheel geen aandacht.
In plaats daarvan maakt men herrie binnen volledig in zichzelf gekeerde werelden als de internet-fora 4chan en Reddit, waar men lekker onder elkaar is en de meest gore grapjes kan maken zonder dat de Mainstream daar ook maar iets van merkt. Want hoewel ik zelf vind dat ik al teveel tijd op internet doorbreng, had ik tot het zien van bovengenoemde aflevering van Tegenlicht nog nooit van de heroïsche strijd van de Kekistani gehoord.

Terugkerend naar de vergelijking met de Fortunisten uit het eerste decennium van de 21e eeuw is er wel een duidelijk verschil tussen hen en de Kekistani. De harde kern van de Fortunisten kwam vooral voort uit gefrustreerde voormalige PvdA-stemmers, veelal arbeiders, modalen en beneden-modalen; als ik kijk naar Terence en andere Kekistani die in de documentaire aan het woord kwamen, dan dringt zich het idee op dat die groep bestaat uit hoog-opgeleide jongeren. Die bovendien een inkomen hebben waarvan ze zich een nieuwbouw-appartement in de Rotterdamse binnenstad kunnen veroorloven. Ik zie Terence tenminste van pakweg twintig hoog uitkijken over het centrum van die stad.
Misschien verklaart dat waarom het vermeende probleem van de Kekistani zo virtueel is. Materieel komen de dames en heren weinig te kort, zo te zien. Zou je jezelf dan van lieverlee en onvermijdelijk met schijnproblemen gaan bezighouden?





donderdag 15 maart 2018

Granada


Het Alhambra en Granada vanuit het Generalife
 
In dit tijdsgewricht is het nauwelijks voorstelbaar, maar ooit was er een tijd waarin islamieten een serieuze bijdrage leverden aan wat we de vooruitgang zouden kunnen noemen. De periode van 750 tot 1250 geldt volgens Wikipedia als het "Islamitische gouden tijdperk". We spreken dan vooral over wetenschap en techniek. Omdat de moslims destijds openstonden voor wat oudere beschavingen, zoals de Griekse, hadden voorgebracht en zij daarop voortbouwden, beleefden ze eigenlijk al vijfhonderd jaar vóór Europa hun renaissance. Bijzonder, want in Europa gelden de Middeleeuwen als tijd van stilstand of zelfs achteruitgang. Zoniet in de islamitische wereld. Wiskunde, geneeskunde en astronomie werden door de moslims op een hoger plan gebracht.
Dat alles nam echter niet weg dat de Islam ook een bekeringsdrang in zich had, die op haar beurt een zucht naar territorium met zich mee bracht. Aan het eind van het eerste millenium van de christelijke jaarteling beheerste de Islam geheel Noord-Afrika en het grootste deel van het Iberisch schiereiland.
Dat laatste gebied noemen we heden ten dage Spanje en Portugal. In het huidige Andalusië stichtten de uit Noord-Afrika afkomstige Moren dicht bij de Sierra Nevada een stad. Die uiteindelijk de residentie werd van opeenvolgende Moorse vorstenhuizen; het huidige Granada.

In samenhang daarmee ontstond, vanuit een vesting die uitkeek over de honderd meter lager geleden stad, van lieverlee het Alhambra, een paleizencomplex dat in de loop van enkele eeuwen door verschillende Islamitische vorsten is gebouwd en uitgebreid en dat zonder twijfel hèt hoogtepunt van Moorse bouwkunst in Europa is. Het is daarmee ook Granada's voornaamste claim to fame.

Van 26 februari tot 5 maart waren we in de stad. Vanzelfsprekend om het Alhambra te zien, maar ook om in de omgeving rond te kijken (we hadden een auto ter beschikking) en wat wandelingen te maken. De afstand tussen natuur en cultuur is in Granada namelijk niet heel groot.
Verhalen over het Alhambra zijn in reisgidsen en op internet in ruime mate te vinden. Daar zal ik de lezer dus niet verder mee vermoeien. Ik beperk me tot de mededeling dat een bezoek de moeite meer dan waard is. Een dag is eigenlijk te kort om alles goed te bekijken en zelfs zonder de paleizen binnen te gaan is het er, door de parkachtige setting en de weidse uitzichten, heel prettig vertoeven.

Gezicht op het Generalife vanuit de tuinen van het Alhambra


















In het paleis dat Karel de Vijfde (voor ons is ie een Duitse keizer, maar de Spanjaarden zien dat anders) pal naast de islamitische paleizen neerpootte, zitten enkele musea en was een mooie beeld- en geluidspresentatie over de taal die de ornamentering van het Alhambra spreekt. Onder het dak boven de galerij die uitkijkt op de binnenplaats van dit paleis, zaten ook nog Rotszwaluwen. Wat wil een mens nog meer?

De binnenplaats van het Palaccio Carlos V

















Wij vonden Granada een prettige stad. Het is er buitengewoon levendig; die typische hang naar gezelligheid buitenshuis, die je vrijwel overal in Zuid-Europa aantreft, is hier sfeerbepalend. Het beeld wordt desondanks niet volledig door toeristen beheerst. Dat zal mogelijk ook iets te maken hebben met het gegeven dat het een studentenstad is. De universiteit van Granada trekt veel buitenlandse studenten, die hier het Europese Erasmusprogramma volgen.
Er is een scala aan stadse biotopen; van de middeleeuwse Moorse wijk Albaicin, via de feitelijke binnenstad (grotendeels tijdens de renaissance gebouwd, vermoed ik), die een voetgangersparadijs is waar auto's ontbreken, tot de 20e eeuwse buitenrand, die wordt gedomineerd door woongebouwen van al snel zeven, acht verdiepingen hoog.
Het is geen dure stad. Betaalbaar buiten de deur eten is goed te doen, met een goede prijs-/kwaliteit-verhouding. Dronken worden is ook niet duur. Voor € 3,00 heb je een halve liter Spaanse pilsener.

Jammer genoeg viel het weer nogal tegen, terwijl wij er waren. We hadden eigenlijk maar één dag waarop het niet regende. De andere dagen varieeërden van buiig tot totaal verregend. Van het wandelen kwam minder dan we ons aanvankelijk hadden voorgenomen. We reden, tussen de buien door, om de Sierra Nevada heen. Langs de spectaculaire kustweg A-7 van Motril naar Almeria en via het binnenland, langs de woestijn van Tabernas (waar spaghettiwesterns zijn opgenomen), La Calohorra en Guadix weer terug. Ondanks het slechte weer waren de dreigende wolkenluchten, de landschappen en de uitzichten prachtig, maar als je nauwelijks de auto uit kan, blijft het een soort televisiekijken.

Almeria en zijn haven vanaf het Moorse fort

















Dus wat is er verder in de stad nog te beleven? Qua binnenactiviteiten, vooral!
Granada heeft in culturele zin nog twee dingen waar het op kan bogen.
Aan de zuidwestkant, ingeklemd tussen de randweg en de stad ligt het Parque Federico García Lorca. In dat parkje ligt het voormalige buitenhuis van de familie Lorca. De schrijver en dichter Garcia Lorca heeft er vele zomers doorgebracht. In het huis is nu een museum over hem ingericht.
Toen we (in de stromende regen) bij het huis arriveerden bleek het echter al sinds september vorig jaar gesloten vanwege een renovatie. Wat we overigens hadden kunnen weten, want het staat op de website.
Blijft over die andere culturele trekpleister. Nou ja; trekpleister is een wat groot woord voor dit huisje, dat vanaf Lorca's vakantiehuis hemelsbreed ongeveer 1,5 km. naar het oosten ligt. Je kan er voor kiezen om er zigzaggend door de binnenstad heen te lopen. Maar de route wordt wat overzichtelijker als je een tijdje langs de Rio Genil loopt, die aan de zuidkant het centrum begrenst. Wandelend door een langgerekt parkje, tot je een paviljoen tegenkomt dat uit het fin-de-siècle van honderd jaar geleden lijkt te stammen. Of in ieder geval die indruk wil wekken. 


Granada - het pavillioen naast de Rio Genil

En passant wordt je daar trouwens, als je blik de loop van de Rio Genil verder stroomopwaarts naar het zuidoosten volgt èn als het goed weer is, getrakteerd op de besneeuwde bergen van de Sierra Nevada. 

Granada - de Rio Genil, met de Sierra Nevada op de achtergrond

















Want daar komt het water dat nu, na de regen van de afgelopen dagen door de in beton gevatte rivierbedding kolkt, vandaan. Wie bereid is nog vierhonderd meter in oostelijke richting door te lopen kan nog even gaan kijken op de Placeta Joe Strummer. Joe (eertijds lid van de punkband The Clash) blijkt een band met Granada en Andalusië te hebben gehad. Mede vanwege het feit dat zijn vriendin er vandaan kwam. Het is een klein terrasje, gelegen in de lus van van een haarspeldbocht die zich hier boven kronkelt. De muren rondom zijn opgefleurd met sierlijke grafitti. Je kan er onder grote bomen lekker in de schaduw zitten. Als het zonnig is, hè.
Dat was het echter op onze dag niet. Wij lopen vanaf het paviljoen, zigzaggend door straten en steegjes ruwweg in noordoostelijke richting omhoog in de richting van het okerkleurige Alhambra Palace Hotel dat onder het Alhambra tegen de helling is gedrapeerd.
Net links daarvan ligt, aan een uitloper van de Calle Antequeruela Baja, het huisje waar Manuel de Falla van 1921 tot 1939 woonde. De deur naar de binnenplaats staat open. De kassajuffrouw, tevens gids, rondt snel haar telefoongesprek af. Omdat er verder geen belangstellenden zijn, krijgen we voor € 5,- per persoon een privé-rondleiding in het Engels. 
Het huisje is piepklein, maar in de drie kwartier die het bekijken in beslag neemt, krijgen we een prachtig verhaal over De Falla en zijn verblijf in Granada. 
Volgens onze gids was De Falla een hypochonder. Niet zozeer depressief, maar naar eigen zeggen wel vaak ziek, zwak en misselijk. De gids toont een stoeltje, met aan de poten wieltjes. Dat werd door De Falla als een soort rollator gebruikt. 

De Falla's 'rollator'



















We zien zijn huiskamer, waar hij ook componeerde en zijn slaapkamer, met tal van pillendoosjes op het nachtkastje.



















Aan het feit dat het huis heden-ten-dage weer is ingericht zoals het was in de tijd dat De Falla er woonde, is trouwens een bijzonder verhaal verbonden. In één van de andere kamers die we zien, hangt een reeks schetsen van het interieur van het huis, die zijn gemaakt voor de componist in 1939 naar Argentinië vertrok. 

 
Aan de muur de schetsen van het oorspronkelijke interieur

















Bij dat vertrek werd de inboedel van het huis verdeeld onder vrienden en kennissen van de Falla. In 1962 kocht de gemeente Granada het pand en kwamen bovendien de interieurschetsen weer tevoorschijn. Het grootste deel van de inboedel werd geretourneerd en aan de hand van de schetsen werd het huis opnieuw ingericht, maar nu als museum.
En passant vertelt de gids ook nog wat over de relatie tussen De Falla en Garcia Lorca.
Hoewel Lorca ruim twintig jaar jonger was dan de Falla, hadden ze een gezamelijke interesse: de flamenco-cultuur van de Spaanse zigeuners. Vanaf 1922 beijverden ze zich samen om het Concurso de Cante Jondo, een jaarlijks terugkerende wedstrijd in Granada, waar Flamencozangers en -dansers streden om de eer van de beste uitvoering, onder de aandacht te brengen Tot dat moment werd Flamenco in Spanje beschouwd als een niet serieus te nemen cultuuruiting. Mede onder invloed van Lorca en De Falla is dat geleidelijk veranderd. In  El sombrero de tres picos (The three cornered hat) van De Falla, uit 1919 is de Flamenco-invloed al merkbaar. Lorca zou later het gedicht Poema del cante jondo publiceren. Ongeveer tegelijktijd werkten Lorca en de Falla samen aan een muzikaal toneelstuk voor kinderen.
Hoe lang de vriendschap tussen Lorca en De Falla heeft geduurd, is niet duidelijk. In een aantal opzichten waren ze namelijk tegenpolen. De Falla was een vrome katholiek, waar Garcia Lorca, zeker in de tweede helft van de jaren '20, steeds meer een links georiënteerde modernist werd. Bovendien was hij homoseksueel, iets dat in het Spanje van die tijd formeel niet bestond en niet mocht bestaan.
Op mijn vraag aan de gids hoe De Falla's katholicisme en Lorca 's moderniteit combineerden, volgt een wat ontwijkend antwoord. Over dat soort verschillen werd en wordt in Spanje bij voorkeur niet gesproken. Picasso, ook niet bekend om zijn vroomheid, was eveneens een regelmatige gast in huize De Falla. De tweedeling links-rechts is in het huidige Spanje nog springlevend en bepaalt nog steeds heel sterk het politieke klimaat. In de privésfeer laat men deze tegenstelling echter het liefst voor wat ie is.
Lorca's modernisme en homoseksualiteit hebben hem in laatste instantie het leven gekost. Hij was in Granada, toen in juli 1936  de Spaanse burgeroorlog uitbrak en werd in augustus van dat jaar door een nationalistische militie opgepakt en waarschijnlijk in de omgeving van de stad vermoord.
De aanleiding voor de verhuizing van De Falla naar Argentinië in 1939 is niet helemaal duidelijk. Sommige bronnen suggereren dat dit te maken had met het gegeven dat Franco in dat jaar de strijd om de macht in Spanje in zijn voordeel besliste. De gids wist nog wel te vertellen dat een verzoek van de nationalistische Spaanse regering, tijdens De Falla's laatste jaren in Argentinië, om een muziekstuk te componeren voor een bepaalde officiële gelegenheid, door hem beleefd werd afgewezen. Hij had het te druk. De Falla heeft Spanje na 1939 nooit meer teruggezien, maar werd na zijn dood in 1946 wèl met veel eerbetoon in zijn geboorteplaats Cadiz begraven.

Buiten gekomen blijkt het droog te zijn. We besluiten nog even een middagje te gaan genieten van natuur en wandelen. Na een korte autorit lopen nog een paar uur de de kloof van Monachil. Het weer is bijna Nederlands te noemen. Na de verregende ochtend volgen er felle opklaringen en kunnen we nog even van de zon genieten in de foothills van de Sierra Nevada.








maandag 12 maart 2018

Jongkind en vrienden.

















Gisteren was het dan eindelijk zover. We deden wat we al maanden van plan waren. Steeds was er wat tussen gekomen.
In november en december moesten we een paar weken op twee hondjes passen, wat overigens op zich een genoegen is; mijn vrouw en ik zijn allebei dierenliefhebbers. Geen dier dat niet op onze sympathie kan rekenen. Van paard tot pimpelmees; we proberen ze alle ter wille te zijn en indien mogelijk te aaien, op het kopje te kriebelen, of geruststellend op de flank te kloppen. Maar hondjes kunnen slecht tegen alleen zijn (ook twee hondjes). En mèt hondjes ben je niet alleen bij de slager niet welkom.
Vervolgens kwamen de kerstdagen met in het kielzog oud- en nieuw. En de daarbij horende sociale aangelegenheden. Daarvoor en daarna had mijn vrouw, die nog werkt, het druk met allerlei beroepsmatige beslommeringen, die ook nogal eens een deel van het weekend opslorpten. Vorige week zaten we nog in Granada, waarover ik in een ander blog nog wat hoop te schrijven.

Maar vandaag zagen we ineens onze kans schoon: we liepen voor het eerst in meer dan een jaar de 150 meters die tussen onze voordeur en de ingang van het Dordrechts Museum liggen. In het museum is namelijk al sinds 29 oktober j.l. de tentoonstelling 'Jongkind en Vrienden' te zien.

We weten ondertussen eigenlijk allebei wel wat we het mooist vinden, als het om schilderkunst gaat: de periode vanaf het begin van de Romantiek tot en met het Impressionisme. Van Gogh kan nog best, natuurlijk. We zijn ook niet echt vies van Picasso of Bart van der Leck en zelfs niet van Karel Appel, maar omdat we allebei ook liefhebbers zijn van de natuur en karakteristieke landschappen, of vooruit: een mooi stadsgezicht, genieten we toch vooral van mooie plaatjes, waarin iets wordt gedaan met lichtval; schilderijen die een sfeer oproepen waarin we ons thuis voelen.

In de afgelopen jaren heb ik geleerd dat ik daarvoor met enige regelmaat volledig aan m'n trekken kan komen in het Dordrechts Museum. De vaste collectie biedt op dat front al het nodige en men is er ook sterk in om de aandacht te richten op minder bekende romantici en impressionisten, zelfs als die eigenlijk in hun eigen tijd al een anachronisme waren, zoals A.P. Schotel, over wie ik een paar jaar geleden schreef.

In dat kader stelde 'Jongkind en Vrienden' niet teleur.
Ook al omdat de vrienden van Jongkind, die het grootste deel van zijn schildersleven in Frankrijk doorbracht, niet de minsten waren. Monet, misschien wel de beroemdste onder de impressionisten (want indirect naamgever van de hele stroming), zei over hem: "Aan Jongkind dank ik de uiteindelijke ontwikkeling van mijn oog". Jongkind, eigenlijk net één generatie ouder dan Monet, leerde die laatste kijken. Van minder bekende schilders als Daubigny en Boudin is eveneens werk te zien van, wat mij betreft, hoge kwaliteit. Ook met hen was Jongkind bevriend en ook hen diende hij tot voorbeeld.
Door de expositie wandelend, wordt ook duidelijk waarom juist het Dordrechts Museum het initiatief heeft genomen voor deze combinatie van kunstenaars: niet alleen Jongkind heeft regelmatig Dordrecht geschilderd; de stad had tussen 1870 en 1890 een zekere aantrekkingskracht op Franse schilders. Zowel Daubigny als Boudin hebben er geschilderd. Corot, op zijn beurt weer ruim twintig jaar ouder dan Jongkind, bezocht Dordrecht trouwens al in 1854 .

Overigens is deze tentoonstelling niet eerste die dat constateert; sterker nog: de belangstelling van beeldend kunstenaars voor de stad Dordrecht bestond al eerder en en kwam in eerste instantie vooral uit Engelse hoek.  Al in 2005 presenteerde het Dordrechts Museum de tentoonstelling 'Dromen van Dordrecht', die liet zien dat Turner één van de eerste buitenlandse kunstenaars was die Dordrecht schilderden en tekenden. Hij bezocht de stad voor eerst in 1817. Hoewel op zijn schilderij The Dort packet-boat from Rotterdam becalmed uit 1819 slechts het silhouet van Dordrecht op de achtergrond te zien is.

J.M.W. Turner - The Dort packet-boat from Rotterdam becalmed - 1819

















Turner was een liefhebber van het werk van Aelbert Cuyp, Dordtenaar van geboorte, die Dordrecht al in de 17e eeuw schilderde. Turner was met name onder de indruk van Cuyp's vaardigheid in het weergeven van "een intense atmosfeer, één allesomvattende damp".  Hoewel Engeland ook destijds al z'n dampige dagen zal hebben gehad, vond Turner de inspiratie voor de stijl die hij zou gaan ontwikkelen en die zijn handelsmerk zou worden, dus eigenlijk in Nederland. Turner kwam in 1825 nog eens terug en werkte toen vooral in de stad. De schetsen die hij destijds maakte, bevinden zich nog steeds in de Tate Gallery in Londen. Later bezochten diverse Engelse en Amerikaanse prentkunstenaars de stad.

 In tegenstelling tot de puur romantische schilders uit de school van Barbizon, die zich vooral richtten op pastorale landschappen, schilderden de latere impressionisten de wereld in principe zoals ze hem aantroffen, dus ook de industriële maatschappij, die na 1850 het beeld steeds sterker ging beïnvloeden. Jongkind was eigenlijk een voorloper van de impressionisten, maar beperkte zich evenmin tot puur landelijke taferelen. Op diverse schilderijen zien we bijvoorbeeld het werk aan het nieuwe Parijs, dat halverwege de 19e eeuw door toedoen van Baron Haussmann vorm aannam. De middeleeuwse stad maakte plaats voor de nieuwe boulevards en Jongkind schilderde het zonder mededogen, zoals later Breitner later bouwplaatsen in Amsterdam zou schilderen.

Démolition pour le Nouveau Boulevard du Pont Royal - 1875
















De echte rode draad door het werk van Jongkind is echter het water, zeekusten en schepen. Ook hier behield hij echter een nuchtere blik. Hij toonde bijvoorbeeld ook schepen in aanbouw.

Chantier de construction navale, Honfleur - 1863

















Boudin, die van huis uit een nautische achtergrond had, werd eveneens vooral een zeeschilder. Hij maakte bovendien naam als schilder van wolkenluchten. Corot noemde hem op zeker moment 'Le roi des ciels'.

Eugène Boudin - La Meuse à Dordrecht - 1884

















Maar ook Boudin werd sterk door Jongkind beïnvloed en Jongkind schilderde niet alleen wolkenluchten, maar complete atmosferen. Hij verwierf tevens naam met scenes waarin niet de zon, maar de maan zijn onderwerp verlicht.

Notre Dame de Paris - 1864
















Het leven van Jongkind kende hoogte- en dieptepunten.
Tijdens zijn leven genoot hij meer waardering in Frankrijk dan in Nederland, hoewel hij in het begin van zijn carriëre, in 1846, een beurs van 'Kunstkoning' Willem II ontving, zodat hij in Parijs bij de romantische schilder Isabey kon gaan studeren. Isabey nam hem mee naar de Normandische kust, waar hij zijn eerste grote werken schilderde.
Jongkind hield echter ook van feestvieren en op meerdere momenten tijdens zijn leven dreigde hij ten onder te gaan aan drank en bandeloosheid. Na 1850 verwierf hij een zeker aanzien in Parijs, maakte de nodige vrienden, maar echt aansluiting bij de top vond hij niet. Dat leidde in de tweede helft van het decennium 1850-1860 tot zijn terugkeer naar Nederland, waar hij , hoewel hij bleef schilderen, langzaam wegkwijnde. In Nederland had niemand veel belangstelling voor hem. Jongkind maakte schulden en verviel tot armoede. Hij dronk teveel en was eenzaam, zoals hij later zelf ook toegaf.
Toch had hij bij zijn schilderende vrienden in Frankrijk en de Franse kunstliefhebbers zoveel krediet opgebouwd, dat deze, door eigen werk en kunstbezit te verkopen, genoeg geld verzamelden om zijn schulden af te lossen en hem vervolgens in 1860 terug naar Parijs te halen.

Jongkind pakte zijn Franse carriëre weer op. De periode na 1860 geldt als de tijd waarin Jongkind zijn beste en voor hem meest karakteristieke werk maakte. Hij ging opnieuw schilderen aan de Normandische kust en in Parijs. Daarnaast ontmoette en inspireerde hij opnieuw tal van jongere schilders, waaronder de al genoemde Monet. Zijn eigen werk wordt impressionistischer en tussen 1866 en 1869 bezoekt hij Dordrecht meerdere malen.

Le port de Dordrecht - 1869















Desondanks was hij ondertussen meer een Fransman dan een Hollander; na 1869 is hij niet meer in Nederland geweest.
Hij vond een vrouw (Joséphine Fesser-Borrhee) die hem min of meer onder haar hoede nam en de rest van zijn leven bij hem bleef, ondanks het gegeven dat Jongkind zich met enige regelmaat opnieuw te buiten ging aan drank. Het stel verhuisde in 1878 naar het zuiden van Frankrijk waar Jongkind werk van kwaliteit bleef maken.

Johan Barthold Jongkind, geboren in Lattrop (Twente) in 1819, overleed in La Côte-Saint-André in 1891.

We hebben in 2018 qua cultuur al wat mooie dingen gezien, maar wat mij betreft was deze tentoonstelling tot nu toe het hoogtepunt. Hij maakt ondubbelzinnig duidelijk wat een rijke periode de 19e eeuw voor de schilderkunst is geweest.

Alle in deze blog getoonde schilderijen, met uitzondering van dat van Turner, zijn op de tentoonstelling  'Jongkind en Vrienden' te zien. Schilderijen waarbij geen naam is vermeld zijn van Jongkind.

zondag 25 februari 2018

Anderhalf uur die de rest van de dag deden verbleken

Dit stukje had twee jaar geleden al geschreven kunnen worden. Het bezoek van Jan Hendriks aan Het Ondermaanse eerder deze week, en het gegeven dat ik van de weeromstuit even op zijn site ben gaan kijken, zorgden voor de inspiratie om het nu alsnog te doen. Die site van Jan is overigens het bezoeken waard, zelfs als vogels u slechts zijdelings interesseren.


Terwijl mijn vriendin gitaar speelt op een landgoed vijf kilometer ten noorden van Châtellerault, rijd ik over de D725 op mijn dooie akkertje naar het oosten. Het is 28 juli 2015, een uur of elf, de zon schijnt en de dag ligt voor me open.
Alleen al het ritje van Châtellerault naar Saint-Michel-en-Brenne is moeite waard.
Eerst steek je de Vienne over en ongeveer vijfentwintig kilometer verder kruis je bij La Roche-Posay, een kneuterig stadje aan een rivier, de Creuse. Al die tijd rijdt je door een vriendelijk golvend landschap. Cultuurland met kleine, soms wat grotere stukken bos. Preuilly-sur-Claise; nog zo'n scheet van een stadje, waar je weer een riviertje oversteekt. U raadt het al: de Claise.

Naarmate je verder naar het oosten komt, wordt het golven wat minder. Na Azay-le-Ferron verlaat je de D725, die ondertussen (ander departement) van naam is veranderd en nu ineens de D925 heet. Via de D14 rijd je door steeds vlakker terrein naar Saint-Michel-en-Brenne. Nog steeds een afwisseling van cultuurland en bos, maar hoogteverschillen zijn er vrijwel niet meer.
Op de viersprong in Saint-Michel is het even opletten. Je moet de D44 hebben, die vanuit het hart van het dorp naar het zuidoosten loopt. Na anderhalve kilometer ligt er links een kleine parkeerplaats.
Er staan al een paar auto's; je bent niet de eerste. Geen verrassing, want vanaf deze parkeerplaats leidt een pad naar een vogelkijkhut. Geen gewone hut; deze heeft in zijn relatief korte bestaan een zekere faam verworven. Ik ben er al eerder geweest en ook ik moet toegeven: deze is van alle vogelkijkhutten in de Brenne degene waar ik de mooiste herinneringen aan bewaar.




















Dat wil wat zeggen, want eigenlijk houd ik niet zo van vogelkijkhutten. Het heeft  iets kunstmatigs, dat geloer vanuit zo'n donker hol. Zit je er met andere vogelaars, dan heerst er vaak een wat gespannen stilte. Nou heb ik geen bezwaar tegen stilte, in tegendeel zelfs, maar de stilte in een vogelkijkhut vind ik altijd wat ongemakkelijk.
Anderzijds: wil je bepaalde, wat minder algemene en relatief schuwe soorten zien, dan ontkom je er vaak niet aan. Zo ook hier; ik kom hier niet zozeer voor de Koe- en Purperreigers en ook niet voor de in de Brenne alomtegenwoordige Witwangsterns. Ik kom hier voor een soort waar ik tot nu slechts één keer eerder een glimp van heb opgevangen. Gek genoeg was dat dicht bij huis; in Kinderdijk, vlak bij de molens.

Op het moment dat ik de hut binnenstap, weet ik dat ik met m'n neus in de boter ben gevallen.
Van een gespannen stilte is geen sprake, we kunnen dit rustig buitensporige opwinding noemen. Voor vogelhutbegrippen dan, hè. Pakweg vier, vijf fotografen staan, met de grote toeters van hun tele-objectieven steil naar beneden gericht door de luiken van de hut, iets te  fotograferen. De spiegels van de spiegelreflexcamera's ratelen als mitrailleurs. Ik haast me naar een vrije plek aan één van de luiken.

Daar hangt het in het riet: het dier waarvoor ik eigenlijk naar deze hut ben gekomen.
Een juveniele Woudaap doet zijn naam eer aan en klautert door het riet, af en toe pauzerend om in het water naar prooi te speuren. Het dier zit op minder dan drie meter voor de hut, schat ik. Geen verrekijker, laat staan een telescoop, nodig dus. Dat kan allemaal nog even in de rugzak blijven.
De camera hebben we nodig; mijn kleine systeemcameraatje z'n bescheiden telezoom-objectief. En snel een beetje!
Ik geef toe: het kostte enige moeite om dat zaakje rustig bedrijfsklaar te maken, maar ondanks de klepperende camera's en het onvermijdelijke gestommel van de fotografen, blijft de Woudaap onverstoorbaar z'n gang gaan; hij paradeert wel twintig minuten vlak voor en naast de hut. Hij moet ons gehoord hebben, maar hij gunt het ons.

















































Zo lukt het me niet alleen voor de eerste (en tot nu laatste) keer in mijn vogelaarsleven een Woudaap in alle detail te zien; ik kan hem voor mijn doen ook nog goed fotograferen. Het zou zomaar zo kunnen zijn dat ik dat nooit meer ga meemaken. Wat een bijna Nesciaans gevoel oplevert. Dat er ondertussen een Waterral op een drafje bijna onder hut doorscharrelt, waardoor ik hem slechts onscherp op de foto krijg, mag de pret niet drukken. Ook zo'n beest heb ik nog niet eerder in levende lijve gezien (ik hoorde ze vooral), maar het doet nauwelijks meer terzake. De dag kan niet meer kapot.


















Ik blijf nog anderhalf uur hangen in de hut. In die tijd komt de dezelfde Woudaap doodgemoedereerd nog een keer terug en zie ik allerlei andere vogels, die ik ook aardig op de foto kan zetten. Daarna rij ik wat rond in het gebied en bezoek nog een paar andere hotspots. Nu; twee jaar later, weet ik eigenlijk niet meer waar ik verder nog geweest ben en wat ik daar zag. Allemaal verbleekt in het schitterende licht van die ene ervaring.

Het weer ging langzaam achteruit, geloof ik. De bewolking nam toe en ik meen me te herinneren  dat er, toen ik weer richting Châtellerault reed, af en toe wat motregen viel.

woensdag 7 februari 2018

Wilde gist
























Om redenen die ik zelf niet helemaal kan traceren, ben ik de laatste weken nogal bezig met bier.

Of.. eigenlijk kan ik dat wel. Het begon met die zoektocht naar nieuw bier die ik in m'n vorige bericht beschreef en waaruit ondermeer de kennismaking met de trappist Westvleteren voortkwam.

Gisteren reed ik, na een bezoekje aan de boot, die in Zeeland rustig ligt te wachten op het voorjaar, opnieuw naar het Bierparadijs in Meer. Ik heb een krat Bootjesbier en krat Duvel Triple Hop meegenomen.
Bij een korte rondgang langs de afdeling 'losse flesjes' (daar komen er steeds meer van in het Bierparadijs, terwijl het aantal bieren dat per krat wordt verkocht lijkt af te nemen; een bedenkelijke ontwikkeling), stuitte ik op (zie foto) Wild Jo. Een product van de van oudsher bekende brouwerij De Koninck uit Antwerpen. Dertig tot veertig jaar geleden vooral bekend omdat zij destijds zo'n beetje het laatste bier van hoge gisting brouwden, dat nog als tapbier te koop was.
Hoewel veel De Koninck-bier geen gist op de fles heeft en alleen daarom al minder interessant is, nam ik een flesje mee.

Volgens De Koninck is Wild Jo een bier voor "stadsduiven". Het is duidelijk: ook De Koninck wil inhaken bij de trend die probeert, sinds bier iets voor metro-mensen en hipsters is geworden, met quasi-nonchalante praatjesmakerij bij de doelgroep in de smaak te vallen. Zie ook mijn kritische beschouwing van de marketinguitingen van brouwerij Het Uiltje. Brouwerij Moortgat zit eveneens op die toer: Vedett Extraordinay IPA wordt verkocht onder de slagzin IPA, but not really from India and not really a Pale Ale. Marketing-flauwiteit kent geen tijd, zullen we maar zeggen.
Overigens schijnt De Koninck ondertussen eigendom van Moortgat te zijn; grote kans dus dat hetzelfde marketingbureau zowel de blabla voor Vedett, als die voor De Koninck bedenkt.

Evenals de IPA van Moortgat, is Wild Jo een bier met een bescheiden alcoholpercentage (5,8 %). 
Nu is Vedett Extraordinary IPA, hoewel niet onaardig, geen hoogvlieger als het om IPA's gaat. Omdat Wild Jo ook met zo'n verkooppraatje was opgezadeld, ontstond er in mijn brein ongewild een analogie met het bovengenoemde Moortgat-bier. Het zou ook wel niet zoveel bijzonders zijn.

Dat bleek een vergissing.
De indruk na de eerste slok was: dit lijkt wel een beetje op Orval! Behalve een beschaafde bitterheid ook wat zuur en verder een zekere 'bloemigheid'. Tamelijk weinig afdronk; slechts de bitterheid blijft nog even hangen. Desondanks een fraai zomerbier.

Dat vleugje Orval in de smaak bleef intrigeren.
Ik had al eens eerder een vergelijkbare ervaring gehad. Toen ik een paar jaar geleden weer eens Orval proefde, na het een tijd niet meer te hebben gedronken, dacht ik: er zit iets van de smaak van echte gueuze in dit bier. Op dat moment had ik overigens ook al in geen jaren een gueuze gedronken, maar sommige dingen vergeet je niet.
Het kenmerk van gueuze is de spontane vergisting, die traditioneel ontstaat doordat men het wort in open bakken laat afkoelen, terwijl de buitenlucht er overheen speelt. De buitenlucht in de Senne-vallei bevat wilde gisten en die brengen het vergistingsproces op gang.
Nog maar kort geleden las ik in een blog van een Alkmaarse bierkenner, dat "Orval wordt gebotteld met een getemd wild gist". Juist, ja; nooit geweten, maar voor wat betreft de smaakgelijkenis met gueuze viel het kwartje. Tot op zekere hoogte is het ook wel fijn dat die wilde gist kennelijk enigszins getemd is, want het resultaat van de echte spontane gisting was bij traditionele gueuze dusdanig onvoorspelbaar, dat het resulterende bier niet altijd optimaal drinkbaar was, om het eufemistisch uit te drukken.
Ik keek nog eens wat beter op het etiket van Wild Jo; bij de vergisting blijkt "wilde Brett-gist" te zijn gebruik. Er viel nogmaals een kwartje; De Koninck had het trucje van Orval toegepast. Het wilde van Jo had z'n verklaring. Rest de vraag: wie is Jo? De naamgeving blijkt een eerbetoon aan de man die de brouwerij na de eerste wereldoorlog (die voor veel Belgische brouwerijen een doodsklap was) weer oprichtte: Joseph van den Bogaert. Of hij zelf ook wild was, vermeldt de historie niet. Voor wat betreft de kwaliteit van het naar hem genoemde bier hoeft hij zich niet om te draaien in z'n graf, in ieder geval.

Het lijkt erop dat de toepassing van getemde wilde gist van de soort Brettanomyces bij het brouwen van bier een ontwikkeling is die flink om zich heen grijpt. Deze 'wilde' gistculturen zijn tegenwoordig gewoon te koop. Zelfs hobby-brouwers schijnen er mee te werken.
Van mij mogen ze; dat typisch smaakelement brengt gelukkige herinneringen boven aan de tijd toen ik nog maar net was begonnen met het ontdekken van de Belgische biercultuur. Het drinken van mijn eerste echte gueuze was niks minder dan een openbaring.
We  haalden het bij Timmermans in Itterbeek, in kratten waarin de flessen van een kalkstreep waren voorzien, zodat je bij het uitschenken de kant waarop het depot was neergeslagen onder kon houden. Ik vraag me af of het spul nog in een dergelijke vorm te koop is.

Ja, das war einmal..




Rechts klikken op de links opent ze in een eigen venster.

donderdag 18 januari 2018

Bier uit Westvleteren

















Begin jaren '70 bestond de Nederlandse biermarkt vrijwel volledig uit pils. Speciaalbieren waren mondjesmaat te koop; eigenlijk alleen bij sommige slijters. Over wat er er in de Dordtse café's te koop was heb ik al eens eerder geschreven. Wat de slijters aan speciaalbier verkochten, beperkte zich hoofdzakelijk tot de bekendste Belgische speciaalbieren. Dat waren vooral de toen bestaande trappistenbieren.
Trappistenbier wordt vanouds gebrouwen door monniken van de orde der Trappisten, in hun eigen abdij. Alleen dit bier mag de titel trappistenbier dragen. Vooral in België bestaan nog tientallen andere bieren waarvan de naam wordt geassocieerd met een, al dan niet nog bestaande, abdij. In feite worden deze echter door normale 'wereldse' brouwerijen gemaakt. Dergelijke bieren worden meestal abdijbieren genoemd.
Dat men zo graag bier brouwt met 'abdij-connecties' is niet voor niks. De Trappistenbieren hebben stuk voor stuk een goede reputatie onder liefhebbers. Het is altijd bier dat op de fles nagist en dus ongepasteuriseerd is. Dit laatste geldt overigens lang niet voor alle abdijbieren.

 In België en Nederland bestonden rond 1975 zes echte trappistenbrouwerijen.
In Tilburg stond en staat de Abdij Koningshoeven, die nog steeds het bekende La Trappe brouwt. België kende de trappistenbrouwerijen van Westmalle, Westvleteren, Chimay, Orval en Rochefort. Jarenlang is dit zo gebleven. Vanaf de jaren '70 groeide de belangstelling voor  speciaalbier slechts langzaam. Ook in Nederland verschenen, naast La Trappe, andere brouwerijen die bier van hoge gisting maakten. Een paar van de oudsten zijn Hertog Jan en Brouwerij Het IJ.
Na 2000 ging het hard.  De craftbeer-rage waaide over vanuit Amerika en het marktaandeel van speciaalbier serieus begon te stijgen. In het kielzog daarvan ontstonden er ook nieuwe trappistenbrouwerijen. Volgens Wikipedia zijn er inmiddels wereldwijd dertien. Voornamelijk in Nederland en België. Oostenrijk telt er één.

Eén van de genoemde trappistenbieren heeft in de loop der jaren een legendarische status verworven. Het bier van de Sint Sixtusabdij in Westvleteren staat bekend als het ne plus ultra der trappistenbieren. In 1977 kocht ik de eerste bieratlas van Michael Jackson, die toen in het het Nederlandse vertaald op de markt kwam als de Spectrum Bieratlas. Daarin wordt het bier van Westvleteren de hemel in geprezen. Volgens Jackson, die later op de BBC furore zou maken met zijn programma 'The Beerhunter' (nog steeds op YouTube te vinden), is Westvleteren het ultieme trappistenbier.

Een week of wat terug was ik weer eens in het Bierparadijs te Meer (België).  Het doel was dit keer het verzamelen van een aantal aldaar verkrijgbare bieren die ik nog niet kende, om na het proeven daarvan bij een volgend bezoek een gerichte keus te kunnen maken bij het aanschaffen van een paar kratten.
Het smakenpalet binnen de speciaalbiermarkt is de laatste jaren uitgebreid met een flink aantal stevig gehopte bieren. Veelal gaan die door het leven onder de soortnaam IPA (India Pale Ale). De Belgen hebben niet zo'n sterke traditie in bieren met een flinke bitterheid. De meeste craftbeer-brouwers lusten er echter wel pap van en ik moet zeggen dat ik een dergelijke smaak zelf ook behoorlijk ben gaan waarderen. Sommige hopsoorten voegen namelijk niet alleen bitterheid toe, maar ook zekere aroma's. Veel van de nieuwe speciaalbieren hebben bijvoorbeeld een fruitig (citrus-) aroma.
De craftbeer-brouwers (ook de Nederlandse) weten echter wel van rekenen. Een paar uitzonderingen daargelaten, koop je onder de 2 Euro per flesje helemaal niks en aan verkopen per krat (en dan met een zekere quantumkorting) doet men niet.
Brouwerij Moortgat (bekend van het merk Duvel) heeft ondertussen een goed gehopte Duvel Triple Hop op de markt gebracht, die heerlijk is, maar ook meteen 30 % duurder dan de normale Duvel en bovendien met een alcoholpercentage van 9,5 %. Meer dan één flesje van het spul wordt dan al meteen een beetje veel van het goede, voor een door-de-weekse avond.

Wat ik wilde was een IPA-achtig bier met gist op de fles voor een prijs tussen € 1,50 en 1,70 per flesje en met niet meer dan 8 % alcohol. Gedegen speurwerk tussen de opgestapelde kratten in het bierparadijs leverde inderdaad het één en ander op; misschien schrijf ik daar later nog een keer over.

Wat ik, tot mijn verbazing, ook aantrof, waren een paar kratjes Westvleteren
Tot mijn verbazing, want bij wat ik hiervoor schreef over dit trappistenbier heb ik de bijzondere manier waarop de monniken hun product uitventen, achterwege gelaten. Westvleteren wordt namelijk alleen verkocht aan de kloosterpoort van de abdij. Dat was altijd al het geval, maar sinds Michael Jackson de loftrompet stak over het spul heeft de roem van Westvleteren dusdanige proporties aangenomen, dat van zonder meer naar de abdij gaan en een paar kratten bier aanschaffen geen sprake meer kan zijn. Men moet (via het internet; zover opgestoten in de vaart der volkeren is de abdij wel) van tevoren een afspraak maken voor dag en tijd dat men het bier op kan halen. Daarbij komt nog dat niet op alle dagen alle drie varianten (6, 8 en 10 procent alcohol) beschikbaar zijn. Voorts stellen de monniken op hun website expliciet dat alleen voor eigen gebruik mag worden gekocht. Doorverkopen mag niet. Tenminste; van de monniken. Zelf begrijpen ze ook wel dat tegen eventuele doorverkoop betrekkelijk weinig valt te beginnen. Daarom dreigen de broeders dat hij, van wie bekend wordt dat hij heeft doorverkocht, het recht om bier te kopen in Westvleteren zal worden ontnomen. Het lijkt erop dat niemand zich daar wat van aantrekt. Een beetje rondneuzen op internet leert dat zelfs daar Westvleteren per flesje wordt aangeboden. Dit laatste tegen exorbitante prijzen van € 7,50 en meer per flesje.

Vanzelfsprekend was de Westvleteren bij het Bierparadijs niet veel goedkoper; iets waar ik overigens pas achter kwam bij de kassa, want waar de kratten stonden had men tactisch geen prijs vermeldt.
Maar goed; het kopen van drie flesjes Westvleteren paste wel bij mijn zoektocht naar nooit eerder geproefd bier en zo'n legendarisch bier als dit wilde ik, als liefhebber, toch een keer gedronken hebben.

Het lichte bier (zowel qua alcoholpercentage als wat kleur betreft, zie de kroonkurk bovenaan dit bericht) heb ik reeds gedegusteerd en dat leverde al meteen een verrassing op: het paste wonderwel op mijn vraag naar een goed gehopt, niet te zwaar alcoholisch bier. Het heeft een aangename moutsmaak, een stevige bitterheid en prachtig dik schuim, dat mooi blijft staan. Opvallend is het mondgevoel; alsof je een stevige bruine boterham eet. Volgens Wikipedia heeft het een bitterheid van 41 EBU (European Bitterness Unit). Daarmee komt het in de buurt van een gemiddelde IPA. De eerder genoemde Duvel Triple Hop heeft een bitterheid van 40 EBU.
De twee zwaardere bieren zitten nog in de fles, maar via Wikipedia (daar kun je inmiddels werkelijk alles opzoeken..) weet ik al dat de 8 en de 10 procents varianten een EBU van respectievelijk 35 en 38 hebben. Voor dergelijke sterke bieren relatief bitter. Ooit was hop namelijk vooral bedoeld als conserveringsmiddel en hoe meer alcohol, hoe houdbaarder het bier.




Kortom; als ik er vanuit mag gaan dat de bieren van Abdij Westvleteren al tientallen jaren deze smaken hebben, dan waren de heren monniken de craftbrewers van de jaren 2000 al zeker veertig jaar vóór, met hun voorkeur voor een zekere bitterheid. Waarmee Westvleteren tegelijk ook de uitzondering is onder de Trappistenbieren, want de meesten zijn eerder zoet dan bitter.
Met uitzondering misschien van Orval, het trappistenbier uit de Ardennen. Ook dat bier smaakt, naar de huidige maatstaven, modern bitter, hoewel het op sommige momenten ook aan echte gueuze doet denken. Misschien is die vermeende moderniteit de reden dat ook Orval de laatste tijd enorm in trek blijkt te zijn bij de speciaalbierkoper. In het Bierparadijs hangt bij de kratten Orval al een paar jaar een bordje waarop staat dat elke klant slechts één krat mag afnemen..
Ooit heb ik het bier gedronken in de abdij zelf. Men heeft voor dat doel een prachtig proeflokaal, met veel eikenhout. Orval is eigenlijk een verhaal op zich, dat ik misschien later nog eens vertel.

Eerst moet ik aanvullende redenen bedenken om een keer naar de Westhoek van Vlaanderen te rijden. Nadat ik met de monniken een afspraak heb gemaakt, vanzelfsprekend.


Naschrift: 
Inmiddels heb ik ook de twee andere Westvleterens gedronken. De conclusie moet zijn dat de variant van met 6% alcohol (blond, 5,8 % volgens de kroonkurk) toch de meest verrassende van het trio is. Een echte ale, die als uitzondering op de regel binnen de trappistenbieren te vergelijken is met Orval.
Het bier van 8 % procent is een rustige, uitgeblanceerde, donkerbruine trappist met zoet en beschaafd bitter. Bier van hoge kwaliteit, maar niet uniek. Hetzelfde geldt eigenlijk voor de 10,5 % versie, waarvan wat mij betreft het meest bijzondere het alcoholpercentage is. Dit bier zou een EBU van 38 moeten hebben, maar eerlijk gezegd vind ik dat twijfelachtig; het lijkt minder bitter dan de 8% versie. Feitelijk vond ik de smaak voor een dergelijk zwaar bier nogal vlak. De smaaknuances waren minder rijk dan die van de Westvleteren 8.
Desondanks zal de reis naar Westvleteren vroeg of laat gemaakt worden. Al was het alleen maar voor de Westvleteren Blond..

woensdag 10 januari 2018

Het werkende leven - deel 4 - de finale.




Deel 3 van het Werkende leven eindigde met de tip dat er in Dordrecht een vacature voor een secretaris van de Welstandscommissie was.

Welstandscommissie. Het woord riep gemengde gevoelens op. Ik wist wat het was; ik kende de procesgang die leidt tot een bouwvergunning en die bestaat uit de drie-eenheid bestemmingsplantoets, bouwbesluittoets en de toets aan redelijke eisen van welstand. Ik was zelfs al eens bij de Delftse Welstandscommissie op bezoek geweest, in het kader van een bouwaanvraag, waarbij ik, indirect, min of meer belanghebbende was. Een akkoord van de Welstandscommissie was een onontbeerlijke ingrediënt voor het verkrijgen van een bouwvergunning. Ik wist ook dat er, om het eufemistisch uit te drukken, nogal verschillend werd werd gedacht over het fenomeen.

Desondanks had ik  niet veel aanmoediging nodig om de gemeente Dordrecht te bellen en te informeren naar de vacature die men daar had. Het reizen tussen Dordrecht en Delft, na mijn verhuizing vier jaar eerder, was ik ondertussen wel beu en nog één keer een significante carriëreswitch maken, voor ik daar te oud voor was (ik was op dat moment 48) sprak me wel aan, zeker met het zicht op de toekomstige ontwikkelingen op de Faculteit Bouwkunde.
Het gegeven dat ik nogal eens zou moeten optreden als de brenger van slecht nieuws, leek me niet altijd een feest maar wel een uitdaging. Mijn zelfvertrouwen was na drie-en-twintig jaar Bouwkunde van een dusdanig niveau, dat ik één en ander wel dacht aan te kunnen.

Voor wat betreft de sollicitatie kwam ik in een gespreid bedje.
De in deel 3 genoemde gastdocent, die tevens de nieuwe voorzitter van de Dordtse Welstandscommissie was, had al met het hoofd van Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente over mijn persoontje  gesproken en gezegd dat hij mij zou vragen te solliciteren. Daardoor kon ik, toen ik belde, zonder ook maar een brief te schrijven, langskomen voor een gesprek met de belanghebbende functionarissen. De vacature was namelijk nogal onverwacht ontstaan en men had haast met het invullen.
Dat snelle invullen van de vacature viel in laatste instantie overigens behoorlijk tegen.
Toen de zaak aan de Dordtse kant in kannen en kruiken was en ik aan de Faculteit Bouwkunde meldde dat ik ontslag wenste te nemen, werd mij te verstaan gegeven dat daarbij, gezien het grote aantal dienstjaren bij Bouwkunde en mijn verwevenheid met de organisatie, een termijn van 3 maanden in acht diende te worden genomen. In die drie maanden werd ik geacht mijn werkzaamheden aan iemand over te dragen. In de praktijk was dat iemand die al een tijdje daarvoor in naam de oorspronkelijke blokcoördinator van Blok 2 was opgevolgd, maar het feitelijke coördineren tot op dat moment aan mij had overgelaten, wat overigens geheel volgens de afspraak was die wij onderling hadden gemaakt. Ik draaide nog één keer een nieuwe ronde van Blok 2 en probeerde hem tegelijkertijd zoveel mogelijk in te werken.

Zo kwam het dat ik pas op 1 november 2001 mijn werk als secretaris van de Welstands- en Monumentencommisse van de gemeente Dordrecht kon beginnen.
Daarbij bleek al meteen dat ik zelf ook min of meer het secretariaats-wiel opnieuw moest uitvinden. De vorige secretaris was als gevolg van een conflict met zijn eigen commissie met slaande deuren vertrokken en had bij dat vertrek de tactiek van de verschroeide aarde toegepast. Van een archief van enigerlei soort was geen sprake en van een duidelijke systematiek en procesgang evenmin. De normale gang van zaken distilleerde ik min of meer uit gesprekken met de mensen die de vertrokken secretaris in de periode tussen zijn vertrek en mijn komst hadden vervangen. Iets wat zij, vanzelfsprekend, ook maar hadden gedaan op een manier waarop het kon. Hoe het precies moest; dat wisten zij eigenlijk ook niet.

De afdeling Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente, die de toetsing van bouwaanvragen deed en aansluitend de vergunningen verzorgde, was al wel geautomatiseerd in de zin dat men deze zaken deed met behulp van een computersysteem voorzien van op die taken gerichte software. De module waarmee binnen die software ook het welstandsgebeuren kon worden geautomatiseerd, was echter nooit ingericht en in gebruik genomen, omdat de vertrokken secretaris daar niet aan mee wilde werken. Hij had de zaken steeds (in de computer, weliswaar) handmatig bijgehouden. In laatste instantie was daar echter niets meer van terug te vinden. Ik kon gelukkig wel beschikken over de verslagen van hen die hem, tussen zijn vertrek en mijn aankomst, hadden vervangen. Enig idee van de lopende zaken had ik daardoor wel.
Mijn aantreden als secretaris viel dus zo'n beetje samen met een soort Stunde 0, waar het het welstandswerk bij de gemeente Dordrecht betrof.

Tegelijkertijd was ergens achter de horizon (in Den Haag, om precies te zijn) besloten dat de gemeenten die na 1 juli 2004 nog welstandtoezicht wilden uitoefenen, per die datum in het bezit dienden te zijn van een door de gemeenteraad vastgestelde Welstandsnota. Het was de tweede kamer en de regering namelijk gebleken dat er sprake was van een zekere willekeur bij de beoordeling van bouwplannen door de diverse welstandscommissies in den lande. De regering vond dat er, per gemeente, min of meer objectiveerbare criteria moesten komen, aan de hand waarvan commissies hun oordeel zouden moeten vellen.
Ik had het welstandssecretariaat nog maar net enigszins gaande, toen mij werd gevraagd tevens secretaris te worden van nog een club; de werkgroep die de Dordtse Welstandsnota in elkaar moest gaan zetten.
Waar veel gemeenten het maken van die nota uitbesteedden aan externe adviesbureau's deed Dordt de productie in eigen huis. Weliswaar onder leiding van een externe voorzitter, maar de andere leden van de werkgroep waren ambtenaren van stedenbouw en monumentenzorg.

Eigenlijk was het werk aan die nota tegelijkertijd een mooie manier om meer inzicht te verwerven in de materie en bovendien, en niet in de laatste plaats, mensen te leren kennen die binnen de gemeente met die materie bezig waren.
Ik wist wel wat van architectuur, maar veel minder van stedenbouw en de wisselwerking tussen die twee. Vooral wat betreft stedenbouw heb ik in Dordt veel (bij)geleerd. Ik ben zelfs tot de overtuiging gekomen dat stedenbouw, in de verhouding tussen dit vakgebied en de architectuur, de belangrijkste discipline is. De leefbaarheid van een buurt of stad wordt in eerste instantie bepaald door de kwaliteit van het stedenbouwkundig plan. Het plan invullen met passende (ik schrijf met opzet niet "goede") architectuur, maakt het stadsbeeld compleet, maar kan een slecht stedenbouwkundig plan niet compenseren. Omgekeerd kun je slechte architectuur in het stedenbouwkundig plan maskeren door lekker veel bomen in het straatprofiel op te nemen..

Over architectuur en welstand en hoe die zaken combineren, heb ik op een andere plekken (hier en hier) al uitgebreid geschreven. Kortheidshalve wijd ik daar dus niet teveel over uit.
Uit die eerdere epistels blijkt al dat de welstandscommissie niet direct een wondermiddel is, dat altijd tot goede resultaten leidt. Ik moet bekennen dat ik het het instituut, naarmate ik langer secretaris was, steeds meer als een noodzakelijk kwaad ben gaan beschouwen.

Het zwakke punt van elke welstandscommissie is dat het te allen tijde mensenwerk blijft. Dus ook voor de welstandscommissie geldt dat niets menselijks is haar vreemd is. Het gegeven dat zo'n commissie uit meerdere leden (in de Dordtse situatie zes) bestaat, bevordert wel een zekere balans, maar wat ik bij veel commissies merkte is dat men zich zichzelf, onder het mom van 'onafhankelijkheid' toch onwillekeurig isoleert van de organisatie voor wie men werkt. Er is bij welstandscommissies niet altijd begrip voor de manier waarop planprocessen verlopen èn er is een sterke neiging het onderste uit de kan te willen hebben. Nu bestaat een welstandscommissie voor het grootste deel uit architecten en stedenbouwkundigen, waardoor het laatste misschien ook wel een compensatie is voor sub-optimale resultaten die men in de eigen beroepspraktijk heeft bereikt.
Een ander probleem is dat architectuur geen wetenschap, maar een geloof is.
Net als bij de grote wereldreligies is er ook binnen de architectuur niet maar één God. In dit specifieke gebied van de geloofsbeleving onderscheiden we onder andere de modernistische god, de post-moderne god en last but not least, de historiserende god. Daarnaast zijn er dan ook nog architecten die van meerdere walletjes eten en al naar gelang het uitkomt een eclectische mix van het één en het ander produceren. Wie dit laatste kan (zelfverloochening kan een noodzakelijke eigenschap zijn  om zo te kunnen ontwerpen), behoort vaker wel dan niet tot de groep architecten die ook wel worden ingedeeld bij de slippendragers van het kapitaal. Want zo werkt het vaak ook nog 's een keer: wie betaalt, bepaalt.
Een architect, ook als ie geen deel uitmaakt van een welstandscommissie, laat geen gelegenheid voorbij gaan om het werk van een andere architecten te beoordelen. Waarbij men eerst en vooral de gebreken in dat werk benoemd. Op de excursies die ik, tijdens mijn periode op de Faculteit Bouwkunde, maakte en waarbij we het werk van soms wereldberoemde ontwerpers  in heel Europa bekeken, was men niks te beroerd om even de details aan te wijzen waar het mis ging, voor men het product als geheel van een al dan niet positief oordeel voorzag.
Veel architecten weten altijd wel een betere manier om een bepaald ontwerpprobleem op te lossen, dan de manier waarop een andere architect het heeft getekend.

In de jaren dat ik secretaris van de Dordtse welstandscommissie was heb ik van de laatste (on)hebbelijkheid nogal wat voorbeelden gezien. Ook en vooral bij diverse commissieleden, wel te verstaan. Het vervelendste is dat zo'n mening toch vaak als enige juiste oplossing werd gezien en niet als één van meerdere opties.
Het feit dat de commissie vanaf 2004 haar oordeel moest baseren op de welstandsnota heeft daar betrekkelijk weinig aan veranderd. Die welstandsnota werd sowieso, ook door de ontwerpers wiens werk door de de commissie werd beoordeeld, niet echt serieus genomen. Want de nota bevatte criteria die, voor architecten die over het vak hadden nagedacht, min of meer gesneden koek waren. Dat is te zeggen: voor architecten die gewend waren te ontwerpen met respect voor de context waarbinnen hun schepping een plaats moest vinden. "Inpassen" is een woord dat veel architecten voorin de mond bestorven ligt.
Toch lieten de beoordeelden vaak mogelijkheden om de commissie van repliek de dienen liggen, juist omdat ze geen gebruik maakten van argumenten die de Welstandsnota hen bood. De beroepstrots zat ertussen, waarschijnlijk.
Er kwamen ook mensen bij de commissie langs die een plan hadden ingediend, maar geen architect waren. Hoewel hun plannen dat laatste ook vaak lieten zien, kon de commissie op haar beurt niet altijd de politesse opbrengen om zich te onthouden van een badinerende, of zelfs kleinerende toon. Tijdens de vergadering gebeurde dit vaak nog op een enigszins verhulde manier. Was de klant eenmaal vertrokken, dan sloeg de stemming soms om in regelrecht leedvermaak.

Zoals ik al schreef: leden van een Welstandscommissie zijn net mensen.
Toch, na in de loop van bijna 15 jaar diverse commissies te hebben zien komen en gaan (een welstandslid wordt aangesteld voor 3 jaar en kan daarna nog éénmaal van 3 jaar worden herbenoemd) ging het gedoe me tegenstaan. Temeer omdat het gedoe bij de laatste commissie die ik meemaakte nogal uit de hand begon te lopen.
Dat had enerzijds te maken met een commissievoorzitter die onafhankelijkheid en zijn eigen mening belangrijker vond dan redelijke eisen van welstand en een soepele procesgang. Anderzijds door een wethouder die concludeerde dat de welstandscommisse een adviesorgaan was en geen gremium wiens adviezen te allen tijde gevolgd moesten worden. Wat grosso modo ook zo is. Met deze opstelling had ik dus wat minder moeite dan met die van de voorzitter.

De ironie wilde dat, op het moment dat ik het besluit had genomen vervroegd met pensioen te gaan, en dit ook bij de gemeente had kenbaar gemaakt, de voorzitter de eer aan zichzelf hield en opstapte. Overigens nadat hem door de wethouder te verstaan was gegeven dat hij de keus had tussen opstappen en formeel ontslag.

Kort daarna vroeg mijn leidinggevende mij lachend of het vertrek van de voorzitter voor mij niet toch aanleiding was om secretaris van de commissie te willen blijven. Dat was niet het geval. De situatie was eigenlijk vergelijkbaar met die ten tijde van mijn vertrek bij Bouwkunde in Delft. Het winkeltje liep weliswaar niet op z'n eind, maar ik had alle aspecten ervan wel gezien en doorleefd. Nóg een serieuze carriërestap op je 62-ste leek me een brug te ver. Leuk voor politici en bestuurders, maar niet voor mij. Het was mooi geweest.
 Nou ja; eigenlijk beschouwde ik de overgang van een betaalde baan naar een daginvulling met andere, niet minder interessante bezigheden, ook als een carriërestap.

Zo heb ik het in laatste instantie ook ervaren. Het leven gaat gewoon door. Allerlei dingen vragen de aandacht. Eigenlijk kom ik nog steeds tijd tekort.