dinsdag 17 september 2019

Zachte modder en harde tonnen


















(dit is deel 3 van het verhaal van mijn reis naar de Engelse oostkust; deel 2 vindt u hier en deel 1 hier.)

Op dinsdagochtend word ik, na weer een volledige nachtrust, tamelijk uitgerust wakker. Het bank-holiday weekend van de Engelsen is voorbij en de meeste andere boten waarmee ik hier gisteren nog geankerd lag zijn vertrokken. De omstandigheden zijn nog niet veel veranderd. Er zit nog steeds veel vocht in de lucht, waardoor het zicht nog net zo matig is als bij aankomst. Ook de wind laat het weer grotendeels afweten.

Hoewel de Walton Backwaters een verdere expeditie meer dan waard zijn, besluit ik in eerste instantie de Orwell, zo'n beetje het epicentrum van de watersport in deze contreien, te gaan verkennen.
Nu zal de lezer die meer vertrouwd is met Engelse literatuur dan met Engelse rivieren c.q. zee-armen, bij de naam Orwell als eerste denken aan de schrijver van 1984, George Orwell. Het mooie is dat er wel degelijk een link lijkt te zijn tussen de rivier en de man. George Orwell was namelijk een pseudoniem; de schrijver is geboren als Eric Blair. Blair woonde enige tijd in Southwold en kende de kust van Suffolk. Naar verluidt zou hij uit liefde voor de rivier zijn pseudoniem hebben gekozen.

De Orwell is een rivier met contrasten. De mond wordt gevormd door de samenvloeiing met een andere river (hoewel het meer een ondergelopen vallei is); de Stour. Aan de westkant van de mond ligt Harwich, aan de oostkant Felixstowe, dat wil zeggen de containerterminal van die stad.

















Veel meer dan één lange kade is die containerterminal niet, maar desondanks liggen er altijd wel vier tot vijf containerschepen van de maat zoals je ze ook op de Maasvlakte ziet. De kranen waarmee de containers worden gehesen hebben de bijbehorende maat. Behoorlijk groot, dus.
Harwich is als havenplaats een veel kleinere economische factor. Buiten de schepen van de veerdienst Harwich - Hoek van Holland en wat werkschepen die betrokken zijn bij de bouw van windfarms, leggen er weinig grote schepen aan. De boten van de veerdienst arriveren en vertrekken overigens te Parkeston Quay, dat aan de Stour ligt, pakweg anderhalve mijl ten westen van Harwich.

De Stour, waar ongetwijfeld ook veel moois te zien is, laat ik voor nu letterlijk links liggen.
Eenmaal voorbij de containerterminal verandert het karakter van de rivier. Aan stuurboord ligt Trimley Marsh, dat door een dijk wordt gescheiden van het water. Die dijk is echter ruim tien jaar geleden doorgestoken en sindsdien stroomt het water van de Orwell bij vloed het voormalige poldertje in en bij eb weer naar buiten. Het is nu een bird sanctuary. Ook de Engelsen geven hier en daar dus grond terug aan de natuur.

















Aan bakboord ontrolt zich al het lage heuvellandschap dat na Trimley Marsh ook aan stuurboord verschijnt. Glooiend cultuurland met hier en daar een stukje bos. Landelijkheid alom; Zuid Limburg aan zee.
Wat ook bij het landschap (of zeeschap, zo u wilt) hoort zijn de jachten aan hun moorings. Hoewel er langs de Orwell zeker vijf jachthavens zijn waar je je boot kunt afmeren aan een steiger of in een box, hangt een groot deel van de jachten die de Orwell als thuiswater hebben aan een meerboei. De eigenaar van het aan een meerboei hangende jacht moet er dus vanaf de vaste wal met een bijboot naar toe. Ik zie dan ook geregeld een meerboei waaraan alleen een klein bijbootje hangt; de eigenaar van het jacht dat normaal aan die boei hangt is ermee op pad en de bijboot wacht op zijn terugkeer.

















































De Orwell eindigt in Ipswich. Ook de haven van die stad heeft nog een zekere economische betekenis. Met een frequentie van ongeveer vier tot vijf per dag varen coasters en andere, relatief kleine zeegaande beroepsschepen de Orwell op of af.
Dit heeft ervoor gezorgd dat de rivier goed betond is. De jachten aan hun moorings liggen net buiten de betonning. Daardoor is de diepe geul altijd goed herkenbaar aan het gegeven dat er geen boten liggen. Omdat de rivier ook vrij bochtig is, zie je door de boten de tonnen niet altijd even goed.

















Overigens liggen de meeste moorings in een vrij smalle strook naast de tonnenlijn. Dichter naar de oevers wordt de rivier snel minder diep. Met laag water vallen grote delen tussen de betonde geul en de oevers droog.

Aldoor op de motor varend, kom ik al snel langs Levington. Hier moet ook ergens Levington  Creek liggen, waar wijlen Hans Vandersmissen* met zijn Drascombe wel eens droogviel. Vanaf het water is de ingang van de kreek echter nauwelijks te zien.
Aan bakboord doemt even later Pin Mill op. Waarschijnlijk is het de beroemdste plek aan de Engelse oostkust. De Butt&Oyster pub heeft aan die beroemdheid flink bijgedragen, maar ook zitten er al van oudsher diverse werfjes. Vroeger was het een plek waar veel Thames Barges (de Engelse variant van onze zeilende vrachtschepen zoals tjalken en klippers) aanlegden.
Voor ik het weet komt de grote verkeersbrug over de Orwell in beeld.

















Net voorbij Woolverstone ga ik voor anker om koffie te zetten en even van het uitzicht te genieten. Ik merk dat buiten de betonning en de moorings-zone de diepte inderdaad snel minder wordt.
Als ik een uurtje later de brug ben gepasseerd en bij Fox's marina, aan de rand van Ipswich, rechtsomkeert maak, is er wat wind vanuit het zuidwesten opgestoken.
Vanuit Ipswich komt mij een sleepboot achterop. Eén van de bemanningsleven roept mij toe dat ie graag met me mee zou varen. Waar naartoe wordt niet duidelijk, maar misschien is ie het Engeland van de Brexit moe; hij zal mijn Nederlandse vlag wel hebben gezien.
Vanuit zee nadert een coaster en terwijl de sleepboot op de coaster vastmaakt om hem op zijn ligplaats in de haven van Ipswich af te leveren, hijs ik de zeilen.
De stroom loopt ondertussen alweer richting zee. Daardoor kan ik, al slagen makend, met een mooie kruishoek de rivier weer afzakken.
Maar zo zeilend is er veel om op te letten voor een singlehanded zeiler. De boten aan hun moorings ontwijken, de weinige maar wel aanwezige andere varende boten uit de weg blijven, de schoten en het roer bedienen. Ik vergeet even dat er tussen de boten ook nog tonnen liggen. Ze zijn op de Orwell nog van staal. Die vergeetachtigheid levert een paar mooie halen in de gelcoat van de romp op. Met hier en daar ook wat groene verf. Een soort souvenir van de Orwell, zeg maar.
Ondanks het gegeven dat opkruisen de te varen afstand twee keer zo lang maakt, ben ik met hulp van de stroom, die ondertussen is gekenterd, al snel weer ter hoogte van Pin Mill. Daar kom ik bij een slag richting de noordoever erachter, dat NO van de groene ton no.5 een brede zone met redelijk diep water ligt. De zeilen worden gestreken en ik ga ongeveer 50 m.ten NO van de genoemde ton, met zicht op de Butt&Oyster, voor anker.

































Over driehonderdzestig graden rondkijkend kan er geen twijfel over bestaan: De Butt&Oyster op de ene oever en drie stately homes tussen de bomen op de andere oever. Dit alles in een parkachtig landschap met bomen die hier soms al honderden jaren staan. Dit is Engeland; dat kan niet missen.

































Terwijl de zon ondergaat, klinkt op één van de boatyards van Pin Mill nog het geluid van een hamer op staal.

De volgende ochtend wordt het tijd voor water tanken en provianderen. 's Avonds heb ik via internet en de website Visit my Harbour (er is hier overal 4G) uitgeknobbeld dat Fox's Marina me de kop niet gaat kosten en dat daar een kleine supermarkt op fietsafstand ligt.
Voor het eerst op deze trip valt er regent het een uurtje, gevolgd door opklaringen. Het zicht verbetert en het beloofd verder een prima dag te worden
De jachthaven, niet heel mooi gelegen in vergelijking met andere havens langs de Orwell, maar wel met prima douches en een grote chandlery (watersportwinkel), rekent me de voor Engelse begrippen zeer schappelijke prijs van 18 pond voor een overnachting.

















Op de steiger raak in in gesprek met een Engels echtpaar dat de thuishaven (Dordrecht) op de spiegel van mijn boot heeft gezien. Daar zijn zij, met hun boot, ook geweest: "beautiful town!". Ze komen uit Heybridge en ze vinden het hardstikke stoer dat ik in m'n eentje ben overgestoken. Zó stoer dat ze me een mok cadeau doen.

Als er water is getankt en de boodschappen gedaan zijn, loop ik 's middags van de haven naar Pin Mill. Als ik er niet met de bijboot (die lag nog half af in het onderhuis thuis) kan landen, dan loop ik er wel naartoe. Na 72 uur op een boot hangen kan een stevige wandeling geen kwaad. Goed tegen de constipatie. De tocht voert over public foothpaths langs de zuidoever van de Orwell en door een eeuwenoud landschap met weiden, bos en bouwland. Ik passeer Woolverstone Marina en de daarnaast gelegen Harwich Yacht Club, waarna het pad bijna tot het water afdaalt en Pin Mill in zicht komt.

Het is zonder meer een schilderachtige plek. De Butt&Oyster is oud en heeft een sfeervol interieur, maar de manier waarop de meisjes achter bar met het bier omgaan, deugt niet. De Real Ale wordt niet met een handpomp uit een vat in een koele kelder in het glas getapt. Waarschijnlijk bij gebrek aan een kelder. In plaats daarvan staan er  achter de bar vier kleine vaatjes in rekjes tegen de muur en tappen de dames daaruit, slechts met behulp van de zwaartekracht, het bier uit kraantjes op de vaatjes.
Een goede publican slaagt erin, ondanks het lage koolzuurgehalte van het bier, een blijvende schuimlaag met een dikte van een halve tot een hele centimeter op het bier te leggen. De dames lukt dit, met hun net iets te primitieve tapmethode, niet. Het resultaat is iets dat er uitziet als een halve liter cola. Voor een pub met de reputatie van de Butt&Oyster een aanfluiting.

Meteen na deze teleurstelling volgt een tweede. Het biljet van vijf pond, waarmee ik wil betalen (overgebleven van een andere reis naar Engeland, pakweg vijf jaar geleden), is niet meer geldig. "We've got these plasticky ones now" zegt het meisje achter de bar, terwijl ze mij een glimmend geplastificeerd bankbiljet laat zien. Dan maar betalen met een tien pondbiljet. Nee, die zijn eigenlijk ook niet meer geldig. Het barmeisje vindt het toch wel een beetje zielig voor me en overlegt even met haar collega. Nou vooruit; deze nemen ze dan nog aan. Als wisselgeld krijg ik onder meer zo'n nieuw "plasticky" vijf pondbiljet terug. Naar verluidt kunnen de niet meer geldige bankbiljetten bij een bank of het postkantoor nog worden omgewisseld voor geldige biljetten. Dat is mooi, want ik heb nog ruim 50 pond in briefjes van vijf en tien.
Na het bier maak ik nog wat foto's on the hard, want fotogeniek is de plek wel..

































's Avonds en 's nachts valt er opnieuw de nodige regen en bij het wakker worden is er weer geen wind, maar het is wel lekker fris weer met goed zicht. In eerste instantie vaar ik op de motor met afgaand water richting de mond van de Orwell. Na een uurtje komt er gelukkig wel wat wind. De laatste helft van de rivier kan ik zeilen. Ik wil naar het zuiden, richting de Blackwater.

Bij de mond van de Orwell aangekomen krijg ik te maken met een bijzonder verschijnsel. Ter hoogte van de 'Guard'-ton komt er vanuit de Stour zo'n sterke stroom, dwars op mijn koerslijn, dat de stuurautomaat er volledig van in de war raakt en piepend een x-track error meldt. In het water zijn grote bruine wolken te zien. De stroom uit de Stour jaagt de modder van de bodem omhoog. De stuurautomaat blijft piepen tot we 'naast' Harwich varen.
De wind is inmiddels volledig ingezakt.

































Omdat het nog steeds afgaand water is en doorvaren richting de Blackwater, als er wind zou zijn, opkruisen tegen de stroom in zou betekenen, duik ik in arren moede maar weer de Walton Backwaters in, maar nu de andere hoofdgeul, die richting Walton.
Rond een uur of vier valt het anker, met zicht op de Naze Tower, net ten oosten van Titchmarsh Marina.


.

















* Hans Vandersmissen was een journalist, schrijver en zeiler die met zijn artikelen in de Waterkampioen, medio jaren '70 van de vorige eeuw, de Nederlandse watersporters verloste van het idee dat een overtocht naar Engeland alleen kon worden gemaakt met een boot van tenminste 40 voet, met een ballastpercentage van tenminste 50%