In 1936, toen zo langzaamaan het ware karakter van de nieuwe Duitse werkelijkheid zichtbaar werd, schreef Ed Hoornik het gedicht 'Het is maar tien uur sporen naar Berlijn'. Hij leek toen al te voorzien dat deze Duitse werkelijkheid vroeg of laat ook in Nederland de status quo zou worden.
Toen wij in de week na Kerstmis naar Berlijn spoorden, heb ik nog wel een paar keer aan die tien uur van Hoornik gedacht. We reisden weliswaar grotendeels met een snelle Duitse trein, maar kwamen redelijk dichtbij een reistijd van tien uur. Op de heenweg hadden we ruim een uur vertraging op de terugweg bijna twee uur. Bij de laatste gelegenheid hadden we om 12.06 uur moeten vertrekken vanaf Berlin Hauptbahnhof. Dat werd een ruim een uur later, en tijdens de rit zelf wist de Deutsche Bundesbahn er nog eens bijna een uur extra vertraging aan toe te voegen. Inclusief de reistijd in Nederland, waar de NS ondanks het winterweer goed presteerde (de vertraging bleef beperkt tot enkele minuten), waren we van Berlijn tot Dordrecht bijna negen uur onderweg.
Berlijn is onder de wereldsteden nog steeds een unicum. Nergens drukt de geschiedenis zó zwaar op een stad als in Berlijn.
Al vele jaren geleden las ik de stukken die Armando, die in de jaren '80 een tijd in Berlijn woonde en werkte, over de stad schreef. De "grote hoop zand", waar de muur langs liep en waar ooit "het statige gebouw van de Gestapo" stond is er niet meer. Het "restant van het Reichsluftfahrtministerium" dat aan de andere kant van de muur stond "drüben, dus" is er nog, maar ik heb er niet naar gezocht..
Armando schreef zijn verhalen over Berlijn nog voor de Wende. Na het verdwijnen van de muur zijn veel sporen van het verleden die min of meer in het niemandsland tussen oost en west lagen waarschijnlijk in hoog tempo verdwenen. Overigens is niet de hele muur verdwenen; langs de Mühlenstrasze in de wijk Friedrichshain, die parallel loopt aan de Spree, is nog een flink stuk bewaard gebleven. Het is over de volle lengte voorzien van muurschilderingen, die moeten worden beschouwd als kunstwerken, geloof ik. De lokale autoriteit heeft bepaalde kunstenaars toestemming toestemming verleend voor het aanbrengen ervan, zo te zien. Zonder toestemming aangebracht 'wild' geklieder wordt zonder mankeren overgeschilderd met witte verf. Ook daar zagen we wat bewijzen van.
Normaal zijn er in dit deel van Berlijn weinig toeristen, maar hier liepen ze met drommen.
De meeste braakliggende stukken, erfenissen van de bombardementen en de slag om de stad in 1945, zijn ondertussen zo'n beetje verdwenen, maar toch kent de stad in de zone net buiten het echte centrum nog steeds veel lege plekken. of plekken die ooit leeg waren maar nu, al dan niet met goedkeuring van de overheid, zijn ingevuld met marginale bedrijfjes of kleine vrijstaatjes, die bewoond worden door mensen die met het nodige sloophout en golfplaten hun eigen woonomgeving hebben geschapen. Die overigens vaak door meer dan manshoge schuttingen is gescheiden van de openbare weg; reclame maken voor hun alternatieve mini-maatschappij vinden de bewoners kennelijk niet nodig, of men wil geen pottenkijkers. Daardoor doet het vaak wel een beetje unheimisch aan.
Heb je eenmaal het centrum bereikt, dan is elke vierkante meter ingericht. Vooral met grote, tamelijk anonieme gebouwen, die vaak tientallen verdiepingen de lucht in reiken. Ook op straatniveau is alles keurig ingericht, hoewel ook hier vaak stukken straat zijn opgebroken, omdat er weer voor het één of ander in de grond moeten worden gewroet. Hier wordt nog wel gewoond, maar in het beeld zijn de winkels en het zakenleven dominant. Het kapitalisme in één van zijn meest ultieme vormen grijnst je continue aan.
Ons hotel stond in voormalig Oost-Berlijn, vlak bij het S+U Bahnhof Frankfurter Allee. De directe omgeving was een rustige, nette woonomgeving, maar tussen de Frankfurter Allee en de Spree zijn de nodige rommelhoekjes van de hierboven genoemde soort te vinden. Een groot contrast met het centrum, waar de grond inmiddels heel duur is en het grote geld de broek aan heeft.
Vergeleken met Parijs ontbeert Berlijn veel charme en eerlijk gezegd vind ik Rotterdam (ook een stad die zijn Stunde 0 gekend heeft), in veel opzichten gemutlicher.
Was het bezoek aan de stad dan verloren moeite? Nee; integendeel.
Want hoe je het ook wendt of keert, de Duitse cultuur is, samen met de Franse, de Britse en de Italiaanse één van de grote steunpilaren van de cultuur van Europa als geheel. Duitsland als natie ontstond pas in de tweede helft van de 19e eeuw, maar de Duitse cultuur is veel ouder.
Het slot Charlottenburg, dat als gebouw, vergeleken met Versailles of de paleizen in Potsdam niet buitengewoon indrukwekkend is, herbergt wèl een interessante expositie over het Pruisische Huis van de Höhenzollern, dat z'n wortels heeft in de vroege middeleeuwen en dat in 1701 een koninkrijk stichtte, dat in feite de basis vormde van het latere Duitsland.
In Nederland heeft het Pruisische een slechte naam, maar in de praktijk traden de Pruisische koningen vaak op als mecenas ten gunste van allerlei vormen van wetenschap en kunst. Binnen die cultuur konden grote geesten als Goethe en dichters als Wilhelm Müller zich ontwikkelen.
Daarnaast bood een bezoek aan de Alte Nationalgalerie op het Museuminsel de gelegenheid om eindelijk eens wat schilderijen van Caspar David Friedrich in het echt te zien.
Sinds ik, lang geleden, een CD met Schubert's Winterreise kocht, heeft Friedrich me geïntrigeerd. Op de voorpagina van het boekje bij de CD stond namelijk een afbeelding van Friedrich's schilderij Winterlandschaft. Een desolaat beeld van een besneeuwd landschap met grotendeels dode bomen. Als je iets beter kijkt, zie je tussen de bomen ook nog een kromgebogen Wanderer.
Want dat is natuurlijk ook ontzettend Duits; de Romantiek als kunststroming in allerlei vormen.
De Alte Nationalgalerie is geheel gewijd aan de schilderkunst van de 19e eeuw en een groot deel van wat er te zien is valt zonder meer in de categorie Romantiek.
Winterlandschaft van Friedrich hangt er jammer genoeg niet, daarvoor moet je naar het Staatliches Museum te Schwerin, maar er zijn wel 16 andere Friedrichs te zien, waaronder Abtei im Eichwald en Eichbaum im Schnee. De eerstgenoemde heeft een sfeer van verlatenheid die de uitstraling van Winterlandschaft nog overtreft. En daar hebben we de eik ook weer; het Europese cultuursymbool bij uitstek. Friedrich laat deze ontbladerde bomen wanhopig naar de hemel grijpen, zoals alleen een eik dat kan.
En natuurlijk is er ook het Waldgefühl; landschappen waar de bomen nu eens geen eenling zijn. Ze zijn een bos, met hoge, dicht opeenstaande sparren. Vaak lopen er ook nog wel één of meer mensen rond. Maar de mens is hier klein ten opzichte van het bos. Een detail, niet belangrijker dan een vos of een ree.
Jammer genoeg kwamen we wat tijd te kort in de Alte Nationalgalerie, want we waren er op oudejaarsdag en het museum sloot al om 16.00 uur. Daardoor misten we een tijdelijke tentoonstelling met een particuliere collectie impressionistische schilderkunst.
Om dezelfde reden kreeg ik een ander schilderij dat in dit museum hangt, en dat voor mij een bijzondere betekenis heeft, niet te zien.
De oudste zus van mijn moeder had thuis een reproductie hangen van Die Toteninsel van Arnold Böcklin. Tante heeft me nooit verteld wat het voorstelde, maar die grote rots met cypressen en de in het wit geklede figuur in z'n bootje, die er naartoe vaart, was iets uit een andere wereld dan de mijne van dat moment. Het beeld van het schilderij heeft tientallen jaren in mijn geheugen gezeten voor ik er, minder dan tien jaar geleden, achter kwam dat het niet zomaar een niemanddalletje was, maar iets van kunsthistorische betekenis.
Tante Bets, want zo heette ze voor mij, liet zich er altijd wel een beetje op voorstaan dat ze binnen de familie (zeven zussen en vier broers) degene was met het meeste gevoel voor cultuur. Ze zong bij Kunst na Arbeid in Dordrecht, een aan de arbeidersbeweging gelieerd amateurkoor en werkte voor haar huwelijk bij de Co-Op, een winkel die uit dezelfde bron voortkwam.
Tante Bets had kennelijk zekere idealen, maar in laatste instantie heb ik het Toteninsel van Böcklin daarin niet kunnen plaatsen.
Ook erg Duits maar niet Berlijns is Potsdam. Je komt en vanuit centrum Berlijn in drie kwartier met de onvolprezen S-Bahn. Waarbij je overigens kilometers ver door de bossen rijdt, want Berlijn heeft een heel groene omgeving.
Eigenlijk is Potsdam het Duitse Versailles, de plaats waar de Pruisische vorsten hun paleizen bouwden. Die paleizen, Sanssouci, het Orangerieschlosz en het Neues Palais liggen aan de randen van een groot park. Bij de oostelijke ingang daarvan staat ook nog een mooie imitatie van een vroeg-christelijke Italiaanse basilica uit 1848, met zo'n typische campanile, zoals je ze ook in Siena kunt zien.
Ook bekeken we de Einsteinturm, een zonneobservatorium uit de jaren twintig. Hij staat in het eveneens naar Einstein vernoemde wetenschapspark net ten zuiden van het Hauptbahnhof van Potsdam. Je moet wel langs een slagboom om het park binnen te komen, maar de portier geeft je zeer bereidwillig een kaartje van het park waarop hij je de toren aanwijst.
De ontwerper van de Einsteinturm was Erich Mendelsohn. Hij tekende een ontwerp in een expressionistische stijl, die enige verwantschap vertoont met de Amsterdamse School. In de jaren dertig week Mendelsohn, die Joods was, uit. Eerst naar Engeland en in tweede instantie naar de Verenigde Staten. Daar ontwierp hij gebouwen die meer aansloten bij de stijl van het Bauhaus. Strakkere, zakelijke architectuur.
Van de meer bekende sights noem ik slechts de Gedachtniskirche, die we zagen staan vanuit de S-Bahn, toen we station Zooöligischen Garten binnenreden. In een impuls besloten we er even heen te lopen.
Van de oorspronkelijke kerk staat alleen de ingangspartij en de toren er nog. Het schip van de neo-gothische kerk werd in 1943 bij een bombardement verwoest. Ook de toren werd beschadigd en de gerafelde spits bleef behouden als Mahnmal.
Naast dit restant werd in 1954 een van buiten nogal sobere achthoekige kerk gebouwd, evenals een nieuwe klokkentoren. Van binnen werkt de nieuwe kerk echter heel goed. Het blauwe figuurglas, waaruit de gevels bestaan, gaat in het interieur pas spreken. Toen wij er waren zat er net een jonge pianist op een forte-piano Mozart te repeteren, waarschijnlijk voor een concert dat er op oudejaarsavond zou plaatsvinden.
We hebben een tijdje naar hem geluisterd en de sfeer op ons laten inwerken. We waren in Berlijn, maar de stad was eventjes ver weg.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten