zondag 11 oktober 2026

Hoe bevalt dat nou, zo'n electrische auto?

























In het geval van mijn vrouw en mij moet bovenstaande vraag zonder meer worden beantwoord met: "uitstekend". Want inderdaad: sinds ruim twee jaar hebben wij zo'n vehikel.

Net voordat ik in 1997 het huis kocht waar wij nog nog steeds wonen, kocht ik één van de eerste Peugeot Partners. Een bestelautootje van een toen geheel nieuw type. Tot dat moment werden bestelauto's van deze maat namelijk gebouwd op basis van een kleine middenklasse auto, waarop men een bakje bouwde. Zo had je de Volkswagen Caddy, die eigenlijk een Polo met twee stoelen en een bakje was. De Opel Combo was gebouwd op basis van de Corsa.
De Peugeot Partner en zijn evenknie van Citroen, de Berlingo, waren echter van meet af aan als bestelwagen ontworpen. De bestuurder zat wat hoger en zijn cabine vormde één geheel met de laadruimte achter hem.
Omdat ik verwachtte nogal veel met allerlei bouwmaterialen te moeten slepen, en ik zelden met meer dan twee personen reed, leek mij de aanschaf van zo'n voiture wel wat, temeer omdat je destijds, als particulier, zo'n auto nog op een grijs kenteken en goedkoop op diesel kon rijden.. Ik kocht een groene, waarmee ik vervolgens van 1997 tot 2014 ongeveer 300.000 km. reed.
Sindsdien ben ik verslingerd aan dit type auto, waarvan ook al snel een personenautoversie met vijf zitplaatsen verscheen. De groene bestelauto werd in 2014 opgevolgd door een rode Citroen Berlingo die wèl een achterbank had. Deze werd in 2024 vervangen door een electrische Peugeot Rifter (een nog vreemdere fantasienaam dan Berlingo, maar soit) in de verlengde versie, die in ons geval ook als kampeerauto dienstdoet. In dit bericht schreef ik al eerder over de aanschaf van dit laatste voertuig.

Dat reizen met een electrische auto het prettigst gaat als de manier van reizen enigszins wordt aanpast op het vehikel in kwestie heb ik in genoemd artikel ook al uitgelegd. 
Onze Rifter zou je inmiddels al een electrische auto van de vorige generatie kunnen noemen. De capaciteit van de accu is voor de huidige begrippen van bescheiden omvang, te weten 50 kW. Als je niet harder rijdt 80-90 km/u. kun je, als je start met een volle accu, ongeveer 280 km. rijden. 
Voor veel mensen is dit één van de redenen om géén volledig electrische auto te kopen, maar een hybride (dus een auto met twee motoren; één op benzine en een electromotor). 
Ik heb dat altijd een wat lullige oplossing gevonden. Het bereik bij electrisch rijden is vaak minder dan 100 km. Genoeg voor een paar ritjes in de stad, die ook met fiets zouden kunnen worden gedaan. De praktijk is dus meestal dat het overgrote deel van de ritten over langere afstand met de benzinemotor worden gemaakt.
Inmiddels zijn er volledig electrische auto's die veel verder op één acculading kunnen rijden dan die 280 km. van onze auto. Een actieradius van meer dan 400 km. is al vrij normaal.

Wat daarbij komt: omdat een electrische auto regenereert (bijlaadt) als je het gaspedaal loslaat en de auto op de motor laat remmen, is rijden op autosnelwegen niet per definitie de manier waarmee je het grootste bereik haalt. Rijdend op secundaire wegen zoals de D-wegen in Frankrijk kom je regelmatig een bebouwde kom tegen, waarbij je vaak moet remmen. Bij een electrische auto geeft dat, door die regeneratie veel minder energieverlies dan met een benzineauto.
Dat je reistijd bij rijden over tweebaanswegen langer wordt dan wanneer je over langere afstanden consequent kiest voor autosnelwegen is wèl een feit, maar daar staan andere voordelen tegenover. Rijden over D-wegen vind ik persoonlijk veel leuker en veel meer ontspannen dan rijden op de snelweg. Je ziet meer en je kunt onderweg véél lekkerder eten.

Is het rijden met een volledig electrische auto dan volledig probleemloos?
Hoe zit het bijvoorbeeld met die laadstress waarvan sommige electrisch rijdende chauffeurs last schijnen te hebben?
Ik zal niet ontkennen dat ik in het begin daar ook wel eens een beetje last van had. Tegen de tijd dat de auto aangeeft dat je nog voor 50 km. capaciteit over hebt en je op dat moment nog niet weet waar je kunt laden, kan dat zorgen voor enige onrust. Er zijn weliswaar allerlei apps die je laten zien waar in je omgeving laadplekken zijn, maar desondanks is het nog wel eens een beetje zoeken. Zeker bij laadplekken in de bebouwde kom. 
Van oudsher is het vinden van een tankstation nauwelijks een probleem. Behalve pompen staat er op zo'n plek namelijk ook altijd een gebouw van een zekere omvang, waarop strijk en zet de naam of het logo van de betreffende oliemaatschappij zichtbaar is; een pompstation is altijd al op honderden meters afstand als zodanig herkenbaar. 
Laadpalen in de bebouwde kom staan echter vaak op willekeurige plekken en steken bovendien slechts 1,5 m. boven het maaiveld uit. Het zicht erop wordt vaker wèl dan niet ontnomen door geparkeerde auto's. Vaak staat er wel een paaltje met een blauw-wit bordje bij dat aangeeft dat er een laadpaal aanwezig is, maar die zien er van 50 m. afstand hetzelfde uit als de bordjes die een invalidenparkeerplaats markeren. Van de bedrijven die laadpalen exploiteren is er kennelijk nog niemand op het idee gekomen om een laadpaal te voorzien van iets dat  een meter of drie hoog is en herkenbaar is als de unieke markering van een laadplek voor electrische auto's. Overigens zijn dergelijke alleenstaande laadpalen altijd wisselstroom-laders met een relatief laag vermogen; meestal iets tussen de 11 en 22 kW. Goed bruikbaar als je ergens vier of vijf uur blijft, of als je er vlakbij woont. Niet geschikt om even snel wat extra bereik in de auto te pompen als je onderweg bent.
Langs de snelweg is de situatie beter. Daar staan om te beginnen vaak snelladers die met gelijkstroom laden en soms vermogens hebben tot 400 kW. Zo'n lader brengt een accu die voor driekwart leeg is in een halfuurtje weer op meer dan driekwart vol. Bovendien zijn de meest snelladers langs de Nederlandse snelwegen van FastNed, een van de pioniers op dit gebied, en één van de weinige bedrijven in deze sector die het echt begrepen hebben, als het om herkenbaarheid gaat. De laadplekken van Fastned staan namelijk altijd nabij een normaal tankstation, maar de plek wordt gemarkeerd door een gele overkapping, die net als die van het pompstation al van honderden meters afstand zichtbaar is. Je staat er dus ook altijd droog en bovendien is de maatschappij zo attent om er bankjes bij te zetten, zodat je ook buiten de auto even kan zitten om even wat te eten of te drinken.
Een contrast met andere laadplekken die je soms op een pompstation aantreft en die door de oliemaatschappij die er benzine en diesel verkoopt worden geëxploiteerd of door een andere maatschappij, waarmee het benzinemerk een deal heeft gemaakt. Vaak staan die op hoekje achteraf en moet je er naar zoeken. Ook hier is niemand op het idee gekomen om zo'n laadplek met een van afstand zichtbaar iets te markeren. Heel vreemd eigenlijk; want de hoewel laadpalen enigszins wezensvreemd zijn aan een oliemaatschappij, zou je verwachten dat als die palen desondanks toch worden geplaatst, dat je dan ook wilt dat ze gebruikt worden..

Opvallend is ook dat de situatie is het buitenland soms weer nèt even anders is dan in Nederland.
Wij hebben inmiddels ruime ervaring met het laden in Frankrijk en Noorwegen.
Frankrijk kent, buiten de grote steden een winkel-infrastructuur waarbij bijvoorbeeld supermarkten, bouwmarkten en andere grootwinkelbedrijven op een groot terrein zijn samengebracht. Heel vaak zijn er nabij een grote supermarkt ook snelladers te vinden. Heel handig, want in het halve uur dat je in de supermarkt je boodschappen doet, is je auto ook weer van de nodige lading voorzien. 
In Nederland is men zo ver nog niet. Hier zijn ook wel plekken waar grote winkels en bouwmarkten samen op één terrein aan de rand van stad of dorp staan, maar vrijwel niemand is nog op het idee gekomen om daar snelladers te plaatsen. Raar, want wat is nu tijdsbesparender dan snelladers op plekken waar je toch een uur of een halfuur bent om iets aan te schaffen, terwijl je tegelijkertijd je auto oplaadt. Langs de Nederlandse snelwegen kun je hoogstens koffie gaan drinken in de shop van het tankstation, op je telefoon koekeloeren, of een boek lezen. 
In Noorwegen; het land waar tot nu toe het hoogste percentage electrische auto's rondrijdt, zijn er laadpalen te over. Het enige probleem daar is dat er nogal wat aanbieders zijn, die allemaal hun eigen pas of app hanteren. Eén en ander is ook een beetje regionaal verschillend. In Noorwegen is de laadpas van bijvoorbeeld de ANWB maar beperkt bruikbaar. Alleen wie linea recta naar de Noordkaap wil, heeft aan de ANWB-pas genoeg; langs de E6 werkt die bij vrijwel ieder laadstation.

Er worden inmiddels door allerlei instanties in Nederland onderzoeken gedaan naar de manier waarop er in Nederland electrisch wordt gereden. Wie waar laden is vrij nauwkeurig bekend. Waar ik veel minder over lees is hoe men de transitie vorm wil geven met betrekking tot openbare laadpalen binnen de bebouwde kommen van steden en dorpen. Lang niet iedereen heeft een woning met een eigen parkeerplaats, die de mogelijk biedt een eigen laadpaal te installeren.
Bij mij om de hoek, op 30 m. van mijn voordeur, is een openbare laadpaal, waar twee auto's tegelijkertijd kunnen laden. In het eerste jaar dat wij onze EV (Electric Vehicle) hadden, kon ik daar bijna altijd terecht; meestal was er tenminste één van de twee plekken niet bezet. Dat is inmiddels verleden tijd. Zeker aan het eind van de middag en de avond zijn de plekken vaak beiden bezet. Overdag lukt het meestal wel; het is nog geen echt probleem. 
Wat daarbij komt, is dat er in mijn omgeving, de Dordtse binnenstad, een algemeen gebrek aan parkeerplaatsen is. Derhalve komt het ook regelmatig voor dat ook niet-electrische auto's parkeren op één van de laadplekken, hoewel met een bordje is aangeven dat de plek exclusief bedoeld is voor het laden van electrische auto's. Niet sympathiek, wel begrijpelijk misschien, maar het roept wel de vraag op wat er gaat gebeuren als nog meer bewoners in mijn omgeving electrische auto's aanschaffen en uitbreiding van het aantal laadplekken noodzakelijk wordt. Omdat er binnen het gemeentelijk beleid voor de binnenstad eerder parkeerplekken afgaan dan dat ze erbij komen, zal uitbreiding van het aantal laadplekken nog meer ten koste gaan van het aantal normale parkeerplaatsen.
Hoe je in dit geval iedereen tevreden kan houden, is mij niet helemaal duidelijk.
Des te opvallender is het dat ik tot heden weinig verneem over ideeën die dit probleem kunnen oplossen. Moeten er in steden laadstations met meerdere verdiepingen komen, waar eigenaren van een EV die in een straal van een paar honderd meter rond zo'n station wonen hun auto kunnen opladen en daarmee de belasting op de normale parkeerplaatsen verlagen?

Vooralsnog groeit het aantal EV's in Nederland in een relatief bescheiden tempo. Op het moment van schrijven zitten we op ruim 8 % van het totaal.  
Het grotendeels afschaffen van de subsidieregelingen en de korting op de wegenbelasting hebben het aantal gegadigden voor een EV doen dalen. Daar staat tegenover dat de huidige benzineprijzen de belangstelling voor electrisch rijden weer doen toenemen. Op dit moment is electrisch rijden per km. zonder meer goedkoper dan rijden in een benzineauto uit dezelfde prijsklasse. Niet alleen vanwege de hoge brandstofprijzen; ook het onderhoud van een EV is goedkoper dan dat van een benzineauto. 

Los van alle bovenstaande overwegingen moet ik zeggen dat ik nooit een fijnere auto heb gehad. Als ik ooit nog aan een volgende auto toekom zal dat wéér een EV. Tenzij er tegen die tijd nòg betere (lees:  milieuvriendelijker) alternatieven zijn





vrijdag 9 oktober 2026

De krant en mijn humeur




















Het lezen van de krant is steeds minder bevorderlijk voor mijn humeur.
Nu kan dat mede veroorzaakt worden door het gegeven dat ik de Volkskrant lees. Rechtse mensen betichten die krant er steevast van "zuur" te zijn. Waarbij wel moet worden aangetekend dat dit "zuur" mensen aan de rechterkant voor in de mond bestorven ligt, zodra het om uitingen gaat die als 'links' kunnen worden aangemerkt. Wel een merkwaardig woord in deze context. Zodra iets door rechts als "zuur" wordt weggezet, gaat het meestal om een voor rechts onwelgevallige waarheid.  Het lijfblad van rechts, de Telegraaf, daarentegen, is niet zuur, maar neigt nogal 's naar een soort hysterie. Die door een deel van de rechterhelft van dit land wordt geïnterpreteerd als 'de waarheid'
Nou ja; hier laat je wat, daar vindt je wat, zei mijn moeder vaak. Of: geen koe zo bont of er is wel een vlekje aan.

Maar goed; wat las ik in de krant dat mijn goede humeur enigszins aantastte?
Een artikel in de krant van gisteren, dat handelde over het gegeven dat Nederlanders nogal actief zijn op de Spaanse woningmarkt. Het had zelfs de voorpagina gehaald. Nederlanders kopen niet alleen huizen in Spanje; ze bouwen ze ook. Het aantal Nederlanders dat in Spanje een huis koopt stijgt de laatste tijd sterk.
Al lezende in het artikel blijkt hoe de vork in de steel zit.
Veel van die Nederlanders zijn niet zozeer op zoek naar een vakantiehuisje. In veel gevallen ontvluchten ze Nederland. Niet omdat ze daar geen huis kunnen kopen (Nederland kent, net als Spanje een nogal overspannen woningmarkt) maar omdat ze "Nederland zat zijn". 
Een verschijnsel dat ik, sinds de documentaire-reeks 'Wakker in Paraguay', het Paraguay-effect zou willen noemen.
Nu was de groep die we naar dit Zuid-Amerikaanse land zagen verkassen vrij divers van samenstelling. Onder hen waren mensen die meenden dat we in Nederland werden vergiftigd door contrails, maar de groep kende ook de nodige opportunisten die moeite hadden met "regeltjes" en dachten in hun eigen gated community in Paraguay min of meer een klein staatje-in-de-staat te kunnen vestigen. Waar alleen hun eigen waarden en normen, voor zover ze die hadden, ertoe deden. Dat gold niet in het minst voor het duo dat deze exodus organiseerde, Jeroen Pols en Jan Engel. Voor hen was het, naast een project op basis van een vage ideologie, ook gewoon een verdienmodel, vermoed ik.

In het artikel in de Volkskrant kwam een Nederlandse projectontwikkelaar aan het woord voor wie ideologische motieven geen rol speelden; hij deed al tientallen jaren in Spaans vastgoed. Het was zijn business en meer niet. Maar omdat hij al zo lang op deze manier actief was, kon hij wel constateren dat er duidelijk sprake was van een flinke groei. Wat niet veranderd was: zijn klanten waren bijna zonder uitzondering Nederlanders.
Maar wat voor een deel wèl was veranderd: de motivatie van die Nederlanders om een huis in Spanje te kopen. Die huizen zijn niet altijd meer bedoeld voor een paar maanden per jaar, of om in Spanje te overwinteren. Veel kopers vinden er niks meer aan in Nederland en willen ons land verlaten.
Aan het woord komt onder andere snackbar-eigenaar Sander Bos, 33 jaar oud: "Ik was helemaal klaar met Nederland. Klaar met de huizenmarkt, klaar met het ondernemersklimaat en klaar met de regeltjes". Hij woont nog in een huurwoning, is geïnteresseerd in het kopen van een woning in Spanje en heeft in Alicante een snackbar geopend. "Probeer in Nederland maar eens zo'n zaak te openen, met uitzicht op zee. Vergeet het maar". De zaak lijkt niet heel erg goed te draaien, maar: "Ik kan altijd nog terug. Dat is dan wel weer het voordeel van Nederland". Om het laatste te illustreren houdt ie z'n hand op: "je kunt altijd nog zó doen".
Niks menselijks is Sander Bos vreemd: ook niet van twee walletjes eten, als het zo uitkomt.

Een andere categorie van Nederlandse huizenkopers koopt de huizen als belegging. Ze ontvluchten de strengere regels voor huurwoningen in Nederland: "Je moet in Nederland meer belasting betalen, terwijl je minder rendement kunt verwachten". Dat die rendementen in de jaren hiervoor schandalig hoog waren komt niet aan de orde. Geld verdienen met vastgoed is tegenwoordig kennelijk een ratrace. Het moet snel heel veel geld opleveren, anders is het niet interessant. 

In Torrevieja staat café Het Elfde Gebot, dat vol zit met Nederlanders die Nederland ook "helemaal zat" zijn. Als kapitaalkrachtige vluchteling fulmineert men hier tegen de asielzoekers in Nederland. Er is desondanks een vaag besef dat men zelf in Spanje ook een buitenstaander is: "Ik voel me soms zelf een gelukszoeker. Door hier een huis te kopen, sluit ik een Spanjaard buiten die het misschien ook had willen hebben". Het blijkt een praatje voor de vaak: "Maar ja, ik kan niet de hele wereld op mijn rug nemen". Inderdaad: je hebt het geld ervoor, of je hebt het niet en in dat geval heb je gewoon pech gehad.

Wat is er toch net de Nederlander gebeurd in de afgelopen veertig jaar?
Ieder gevoel voor collectiviteit is verdwenen. De heersende instelling lijkt 'ieder voor zich en God voor ons allen' te zijn geworden. Een bepaalde klasse Nederlanders heeft geleerd om goed voor zichzelf te zorgen. De welvaart is een zaak van het individu geworden. Collectieve voorzieningen? De Nederlander wil geen sinterklaas meer zijn van de klasse zonder geld. De voorzieningen die hij nodig heeft, koopt ie zelf wel in. Wie daar geen geld voor heeft, heeft het gewoon slecht met zichzelf getroffen. Omdat ik aan de hand van het kenteken redelijk kan inschatten hoe oud een auto is, kan ik, rondrijdend in Nederland, zien dat het merendeel van de auto's niet ouder is dan een jaar of twee, drie. En het zijn vaak geen kleine auto's.
In Nederland zit heel veel geld bij het individu, terwijl de collectieve voorzieningen kapot worden bezuinigd
 
Maar ook in de wijken waar de modalen en beneden-modalen wonen heeft men zich op zichzelf teruggetrokken. 
Nog bij mijn ouders heb ik in een huurhuis gewoond dat in de jaren vijftig is gebouwd. Bouwgrond was toen nog wat goedkoper en deze huizen hebben voor de huidige begrippen heel royale achtertuinen. Ze staan er nog steeds, en een paar jaar geleden ben ik er nog eens langsgegaan, waarbij ik ook de brandgangen achter de huizen bewandelde.
In de tijd dat ik er woonde, bestonden de erfscheidingen overal uit ligusterheggen. Bijna alle bewoners hielden die heggen op een hoogte van een ruime meter. Als ik bij ons thuis achter in de tuin stond, reikte de blik tot de begane grond van de huizen achter ons, maar ook tot die van de huizen het andere einde van het blok, op ruim 200 m. afstand.
Bij mijn laatste bezoek bleek dit niet meer het geval. Iedereen had de ligusterheggen vervangen door meer dan manshoge schuttingen. De brandgang die tussen de twee blokken huizen doorloopt, was een kloof geworden met steile wanden van 2,5 m. hoog.
Zelfs de mensen zónder een ton op de bank hebben een muur opgetrokken om de buitenwereld buiten te sluiten..

Welke conclusie kan ik uit één en ander trekken?
Voornamelijk dat ik inmiddels te oud ben om zelf mijn hielen te lichten uit dit aan zichzelf overgeleverde land, om vervolgens permanent mijn heil te zoeken in een klein Frans dorp of de Scandinavische natuur. Nederland schiet er ook helemaal niks mee op, als ik vertrek. Ook de hoop dat Nederland opknapt als iedereen die het land "helemaal zat is" ophoepelt, lijkt me ijdel. 
Het enige wat erop zit is door te gaan met ademhalen en vooral mezelf zo sociaal mogelijk op te stellen, denk ik. En een beetje hoop blijven koesteren.
De hoop dat ik nog een kantelpunt ga meemaken. 
Het moment waarop de meerderheid inziet dat we samen een maatschappij vormen en dat een maatschappij staat of valt bij een sociale opstelling, empathie en gevoel voor collectiviteit. En dat de Nederlanders daadwerkelijk gevolg geven aan dat inzicht.

Amen.




vrijdag 4 september 2026

Kunst waarvoor alles moet wijken

























In mijn voorlaatste bericht schreef ik over het eerste deel van de biografie van Gerard Reve, door Nop Maas. Reve's leven was in zijn beginjaren van een dusdanige kommer en kwel dat ik het lezen van het tweede deel, getiteld 'De rampjaren' nog even wilde uitstellen. 
Ik heb me niet aan dat voornemen gehouden. 
Deel twee werd toch in huis gehaald (de lokale bibliotheek is er goed voor) en ik ben diagonaal lezend door het boek gegaan. Tot ik ongeveer op de helft was. Enigszins populair uitgedrukt geloofde ik het toen wel.
Inderdaad: rampjaren. Maar ook grenzeloos opportunisme, gecombineerd met een bepaalde vorm van godsdienstwaanzin, die met en zekere hang naar ophef en publiciteit wordt uitgespeeld  en waarmee Reve zichzelf tot een soort instituut verheft. Een nuchtere denker zou specifiek dit  'instituut' ook de titel 'Dorpsidioot des Vaderlands' kunnen meegeven en iemand Willem Frederik Hermans heeft dit ook min of meer gedaan.
Wat overblijft is een beeld van tot literatuur verheven neurose, die weliswaar niet helemaal gespeend is van een zekere humor, maar in het algemeen, voor mij althans, toch te karikaturaal is om serieus te nemen. Of, om het iets sympathieker uit te drukken: niets toevoegt aan mijn eigen levensvisie.
Desondanks wordt Gerard Reve nog steeds tot de één van de grootste Nederlandse schrijvers gerekend.

Nu ik toch weer eens bezig was met de groten der Nederlandse literatuur en op zoek naar een dik boek om mee te nemen op vakantie, betrok ik, opnieuw uit de onvolprezen Dordtse bibliotheek, 'Een knipperend ogenblik, portret van Remco Campert', geschreven Mirjam van Hengel. 
Ik moet bekennen dat ik Campert vooral kende als de helft van het duo CaMu dat tussen 1996 en 2006 op de voorpagina van de Volkskrant te vonden was; de ene dag Remco Campert; de andere dag Jan Mulder. Ik zal hem ook wel eens bij De Wereld Draait Door gezien hebben. mede omdat Jan Mulder daar ook met enige regelmaat aanschoof. En misschien heb ik heel lang geleden ooit eens 'Het leven is verrukkeluk' gelezen. 
Eerlijk gezegd wilde ik zijn levensverhaal niet zozeer lezen omdat ik zo onder de indruk was van zijn literaire productie, maar meer omdat de persoon Campert, als ik hem wel eens hoorde of zag op radio of televisie, op mij overkwam als een buitengewoon rustige en evenwichtige man. Bijna iemand die, als ie al niet ècht volledig zen was, dit toch in aanzienlijke mate uitstraalde. Een sympathieke man, die rustig over de dingen nadacht voor ie iets zei en ook dan nog de indruk wekte dat ie dat slechts deed omdat hem iets gevraagd werd, Niet omdat hij zo nodig een mening wilde ventileren. 
In dat opzicht leek hij de optimale tegenpool van Jan Mulder, die, hoewel van Groningse oorsprong, het hart veel meer op de tong had.
Zijn CaMu-stukjes, veelal nuchter observerend van aard, maar toch vaak enigszins poëtisch, leken die indruk te bevestigen.

Van Hengel's boek heeft van mijn aanvankelijke beeld van Remco Campert jammer genoeg weinig heel gelaten. 
Remco Campert leefde eigenlijk voor niks anders dan zijn schrijverschap en zelfs dat niet eens met volle overtuiging. Een aanzienlijk deel van zijn leven heeft Campert doorgebracht met niksdoen en feestvieren. Hij was vier keer getrouwd, en nam drie keer definitief afscheid van de vrouw waarmee hij getrouwd was en één keer tijdelijk, waarbij hij het afscheid niet altijd even scrupuleus aanpakte. Hij zette ook twee kinderen op de wereld, maar bleek een belabberde vader. Hij vond kinderen eigenlijk vrij irritant. Nadat hij bevriend raakte met Kees van Kooten en hij eens met Van Kooten's gezin aan tafel zat, blafte hij Kim van Kooten, die uit verlegenheid een liedje begon te neuriën toe: "NIET neuriën!". Zijn eigen dochters kijken niet terug op een warme en beschermde jeugd. Hun ouders waren veel afwezig en lieten hen ook 's avonds vaak alleen om ergens feest te gaan vieren en onder kunstenaars te zijn.
Campert heeft in zijn leven ongelofelijk veel alcohol verstouwd en bij kans nog meer gerookt. Hij moet een ijzeren gestel hebben gehad, want hij werd desondanks twee-en-negentig.

Omdat hij deel uitmaakte van de groep literatoren die zich 'De Vijftigers' noemden, vertelt het boek van Van Hengel ook veel over de andere leden van dit gezelschap. Onder andere dat men met enige regelmaat vrouwen aan elkaar doorgaf. Promiscuïteit was aan de orde van de dag, waarbij het lijkt alsof beide seksen daar in gelijke mate van genoten. Toch vraag ik me af in hoeverre de levensstijl van de toenmalige artistieke kringen in de huidige tijd, en dan vooral door vrouwen, acceptabel zou worden gevonden. De vrouwen van de Vijftigers waren namelijk meestal zelf geen schrijver of anderszins kunstenaar. Aan de gelijkwaardigheid van beide partners in al die relaties kan worden getwijfeld. Alleen Fritzi ten Harmsen van Beek (de tweede vrouw van Campert) heeft als dichteres enige naam gemaakt.
Eén en ander laat ook zien hoever de toenmalige kunstenaarskringen in de jaren vijftig en zestig buiten de normale maatschappij stonden. In de rest van Nederland was, vooral in de jaren vijftig, stijve burgerlijkheid de norm.
Wat als verzachtende omstandigheid kan worden genoemd is het gegeven dat Remco Campert zelf ook niet bepaald een normale jeugd had. Zijn vader Jan Campert, die vooral tijdens de oorlog bekend werd als schrijver van het gedicht 'De achttien dooden', leefde al voor de oorlog als een bohemien en was sinds 1932 gescheiden van Remco's moeder, de actrice Joeki Broedelet. Deze liet de opvoeding van Remco grotendeels over aan zijn grootouders en in laatste instantie zelfs aan een pleeggezin, terwijl ze zelf aan het werk was als actrice.

Hoewel het lezen over de capriolen van de toenmalige artistieke beau monde een zekere amusementswaarde heeft, heb ik ook het boek van Van Hengel niet helemaal uitgelezen. 
De schrijfster zit ook wat te dicht op haar onderwerp, wat mij betreft. 
Het boek werd geschreven terwijl Campert nog in leven was en Van Hengel mag door Camperts archief scharrelen, terwijl hij er zelf vaak bij zit. 
Ik zou niet willen beweren dat een biograaf bij het schrijven zijn onderwerp te allen tijde ook kritisch moet benaderen, maar de manier waarop dit boek tot stand is gekomen, maakte dit al bij voorbaat lastig.

Ja, De Kunst; het weet wat. Zestig jaar geleden moest in Campert's kringen alles ervoor wijken. Kunstenaars  zweefden als God tussen hemel en aarde, ogenschijnlijk met een totaal gebrek aan maatschappelijke betrokkenheid.
Het is me niet duidelijk of dit beeld nu uniek is voor de jaren vijftig en zestig, of dat dit vooral gold voor de groep rond de vijftigers. Het universum van iemand als Reve komt maar zeer ten dele overeen met dat van de laatstgenoemde groep, maar staat op z'n eigen manier geheel buiten de maatschappelijke realiteit.
De periode dat kunstenaars zich verenigden onder een gezamenlijke noemer, of door de kritiek onder één noemer werden gebracht, lijkt achter ons te liggen. Hoewel ik me uit de jaren '80 en '90 nog de 'Maximalen' kan herinneren.
Maar Joost Zwagerman en René Stouten zijn ook al weer jaren dood.





dinsdag 14 juli 2026

Geen oorlogsheld


Het zicht in oostelijke richting vanaf Fort Honswijk. In de verte
de spoorbrug van Culemborg.























Mijn vader was geen prater. En àls hij praatte was er vaak een negatieve ondertoon. Hij maakt zich drukker over dingen die hem dwarszaten, dan dat hij de lof zong van iets dat hem plezier deed. Wat ik er uiteindelijk aan heb overgehouden, was de indruk dat het leven hem in laatste instantie lelijk is tegengevallen. 
Slechts zelden vertelde hij verhalen over wat hij zoal had meegemaakt. Over zijn jeugd, die zich voor een groot deel moet hebben afgespeeld op de tuinderij van zijn vader, sprak hij nooit. En over zijn vier broers evenmin. Soms ontviel hem wat over één van zijn zussen, maar altijd als die hem op de één of andere manier irriteerden.
Mijn vader had, zoals iedereen van zijn generatie, de oorlog meegemaakt. 
Er wordt wel eens beweerd dat die generatie daar een soort collectief wantrouwen tegenover de medemens aan heeft overgehouden. Niet direct regelrechte misantropie, maar voetstoots aannemen dat ieder mens van nature geneigd is tot het goede zat er niet meer in. In het geval van mijn vader heeft  zijn na-oorlogse werk bij de politie daar waarschijnlijk ook geen goed aan gedaan.

Over wat de familie van mijn moeder tijdens de oorlog heeft meegemaakt en doorstaan, heb ik hier al vaker geschreven. In dat kader deze keer een verhaal van de andere kant van mijn familie; die van mijn vader. Nog sterker: een verhaal over hemzelf, dat ik in eerste instantie uit zijn eigen mond vernam. Naar aanleiding waarvan hij ermee op de proppen kwam, weet ik niet meer; het moet meer dan vijftig jaar geleden zijn. Het was een uniek voorval; een verklaring voor het feit dat ik het al die jaren onthouden heb.
Dat het, nog maar een paar jaar terug, een hele nieuwe laag kreeg, die zijn mondeling geventileerde herinnering zwart op wit bevestigde en deze promoveerde van een indrukwekkend, maar mogelijk apocrief verhaal, tot een klein stukje waar gebeurde geschiedenis, was voor mij aanleiding om toch maar even op te schrijven.

Mijn vader, geboren in 1918, was al twee jaar voor de oorlog, in 1938, "opgekomen voor zijn nummer", zoals dat, in de tijd dat de dienstplicht nog bestond, werd genoemd. 
In 1938 was de wereldwijde economische crisis van de jaren dertig in Nederland nog steeds niet achter de rug. Ondanks de oorlogsdreiging, die rond die tijd ook al opspeelde, en in het licht van de nog altijd hoge werkloosheid, ging mijn vader, toen hij afzwaaide als dienstplichtig soldaat, in op een aanbod om voor bepaalde tijd vrijwillig bij het leger dienst te nemen als 'hulp-marechaussee'. Als zodanig werd hij gelegerd in Millingen aan de Rijn; pal aan de Duitse grens.

Op 10 mei 1940 werd in Millingen aan de Rijn geen schot gelost. De twee belangrijkste aanvalsrichtingen van de Wehrmacht liepen in de richting van de Grebbeberg, ten noorden van de Rijn en via Noord-Limburg en Noord-Brabant naar de Moerdijkbruggen en verder. Later tijdens de meidagen bleken de Duitsers echter wel degelijk ook via de Betuwe en het land van Maas en Waal naar het westen op te dringen, maar de Marechaussee-troepen te Millingen merkten daar op de vroege morgen van 10 mei nog niks van.
Mijn vader vertelde dat ze per direct het bevel kregen om Millingen te verlaten en in westelijke richting terug te trekken. Bij Beneden-Leeuwen stak men met de pont de Waal over, waarna de terugtocht door de Betuwe verder ging. 
Onderweg  had mijn vader gezien hoe een vliegtuig door luchtafweer brandend werd neergeschoten. Dat had al grote indruk op hem gemaakt. Maar wat daarop volgde had zich nog dieper in zijn geheugen genesteld.. 
Hij vertelde hoe zijn troep ergens werd opgevangen door een Nederlandse officier, die wilde dat zij zich zouden aansluiten bij een groep, die onder zijn bevel zou optrekken naar de spoorbrug van Culemborg. Die brug was nog intact en de officier vond dat ie moest worden opgeblazen.
Tijdens de tocht naar de brug kwam deze groep echter onder artillerievuur te liggen. Volgens mijn vader had ie een tijdlang plat op z'n buik gelegen, terwijl om hem heen de granaten ontploften. Van het opblazen van de brug was niks meer gekomen. 
Heel veel woorden besteedde hij niet aan de ervaring, maar dat het geen pretje was geweest leed geen twijfel. De angst van toen voelde hij tientallen jaren later nog steeds.

Het verhaal zat jaren in mijn achterhoofd, totdat ik, een paar jaar geleden, stuitte op een boek dat de titel 'De geschiedenis van het Wapen de Koninklijke Marechaussee' droeg.  Het voorwoord van de schrijver, mr. W. van den Hoek, is gedateerd: mei 1963. Ik herinnerde me wat mijn vader me had verteld en begon te bladeren. Tot mijn niet geringe verbazing trof ik vanaf pagina 399 het verhaal van mijn vader, maar nu in z'n volledige context en met veel meer details.
Een en ander bleek zich te hebben afgespeeld op 14 mei 1940. Het initiatief voor de actie kwam van een officier van brigade B, een legereenheid die aanvankelijk een stelling in het Land van Maas en Waal bezet had gehouden, maar zich op 14 mei al had teruggetrokken in Vreeswijk. Een kapitein van deze brigade B had binnen de Marechaussee-eenheid van mijn vader, die zich op dat moment kennelijk ook al in Vreeswijk bevond, vrijwilligers geronseld voor het innemen van de brug bij Culemborg, waaronder 14 "zogenaamde hulpmarechaussees". Daarna vervolgt het verhaal van de operatie, inclusief het gegeven dat er tijdens de artilleriebeschieting enige gewonden vielen. Voor het bereiken van de brug werd de terugtocht aanvaard, omdat vanuit de richting van de brug Duitsers op motorfietsen met zijspan, met daarop een mitrailleur naderden, die de Nederlandse soldaten onder vuur namen.

Ik wist uit eerder onderzoek naar andere onderwerpen dat het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) zo ongeveer alle beschikbare gevechtsrapporten van het Nederlandse leger uit de meidagen van 1940 heeft gedigitaliseerd. Je kunt ze gewoon thuis, achter je computer, doornemen.
Ik vond zonder veel moeite het rapport dat Kapitein Luchsinger van Brigade B op 19 mei 1940 schreef, en dat de actie in zo mogelijk nog meer detail beschrijft.

Op 14 mei bevond Brigade B zich inderdaad in Vreeswijk. Luchsinger beschrijft hoe zijn eigen eenheid daar in de nacht van 13 op 14 mei was gearriveerd. Die troepen waren als gevolg daarvan "alle zeer vermoeid en bovendien geheel incompleet (sic)". Rond de middag van 14 mei werd van de commandant van het Tweede Legerkorps bevel ontvangen om "met een compagnie de spoorbrug van Culemborg, die door parachutisten was bezet, te hernemen en daarna te doen opblazen." 
Kennelijk achtte Luchsinger de manschappen van zijn Brigade B daar niet toe in staat. Hij wendde zich tot een groep "marechaussees van de brigades Groesbeek, Nijmegen en Millingen", waarmee een detachement van 25 man werd samengesteld, dat met twee vrachtwagens naar fort Honswijk werd gebracht. Dit fort ligt ongeveer 7 km. ten zuidoosten van Vreeswijk, aan de Lek. Het maakte destijds deel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Na het ineenstorten van de Nederlandse weerstand op de Grebbeberg op 13 mei, was het Nederlandse leger begonnen aan een tamelijk wanordelijke terugtrekking op deze waterlinie. Men hoopte van daaruit de strijd nog enig tijd te kunnen volhouden. Onderweg naar het fort kwam men derhalve al veel, in Luchsingers woorden "groote ongeordende afdeelingen artillerie en infanterie" tegen en ook bij het fort bevonden zich Nederlandse troepen die zich uit het terrein tussen Honswijk en de brug hadden teruggetrokken, nadat, naar eigen zeggen, een deel van hun onderdeel door de Duitsers krijgsgevangen was gemaakt. Deze ontmoetingen deden het moreel van Luchsingers troep geen goed.
















Restand van een loopgraaf, ongeveer halverwege Fort Honswijk
en de Spoorbrug Culemborg.






















Vanaf Fort Honswijk ging het detachement te voet verder in de richting van de Culemborgse brug, die pakweg 4 km. verder naar het oosten ligt. Onderweg ontstond in de groep enig gemor; Luchsinger schrijft: "Er waren marechaussees die openlijk verklaarden dat het toch waanzin was om met enkele menschen voorwaarts te trekken, terwijl er duizenden wegliepen".
Als men de brug tot iets meer dan een kilometer is genaderd beginnen er in de nabijheid van de groep granaten te vallen. "Het resultaat dezer verschillende factoren was, dat, niettegenstaande herhaaldelijk halt gehouden werd om de menschen aan te sporen niet achter te blijven, bij het passeren van Hp.159 aan den Lekdijk nog slechts de volgende militairen zich bij mij bevonden:", waarop Luchsinger zeven namen noemt. Mijn vader is daar niet bij.
Enkele minuten daarna arriveren de eerder genoemde Duitsers op motorfietsen met zijspan. De troep van Luchsinger trekt zich terug in een boomgaard en levert van daaruit nog enige weerstand, maar omdat de granaten blijven vallen en de Duitsers over mitrailleurs en machinepistolen beschikken, trekt de troep zich onder voortdurend vuur terug. 
Uiteindelijk vallen er drie zwaar gewonden, waarvan er één, de marechaussee P.C. Teekens, wordt achtergelaten. Hij kreeg waarschijnlijk medische hulp van Duitse zijde.

Op het moment dat de hierboven beschreven gebeurtenissen plaatsvonden was Rotterdam al gebombardeerd en in de loop van dezelfde middag nam generaal Winkelman het besluit tot capitulatie. Kapitein Luchsinger en mijn vader waren daarvan niet op de hoogte; pas 's avonds, even na half zeven meldde de radio dat Nederland had gecapituleerd. Daarmee werd in tweede instantie duidelijk dat de actie tegen de Culemborgse brug, ook als ie was geslaagd, totaal zinloos was. 

Mijn vader maakte tijdens zijn latere leven ook nog wel een paar gevaarlijke situaties mee; hij schijnt als politieagent ooit een baksteen tegen zijn hoofd te hebben gekregen. Maar vermoedelijk kwam hij nooit dichter bij een voortijdig levenseinde dan op de middag van 14 mei 1940.
Ik heb ook nooit de indruk gekregen dat hij erg heeft geleden onder het gegeven dat hij zijn kans om een oorlogsheld te worden glansrijk heeft gemist.







dinsdag 30 juni 2026

Je leest weer 's een boek, of: op weg naar het einde

























Herstellende van een operatie, waarover ik voor dit moment even niet in detail wil treden, heb ik ongeveer zes weken in depressief makende inertie doorgebracht. Ook met dat laatste zal ik de lezer niet teveel vermoeien, maar één en ander nam, onder andere, de vorm aan van veel nutteloze uren op internet. Vooral die zogenaamde 'shorts' van YouTube zijn, ondanks het vaak volslagen debiele gehalte van de filmpjes, zonder meer verslavend. Je blijft klikken tot er weer een halve dag is verstrekken, om vervolgens te constateren dat het werkelijk niets anders heeft opgeleverd dan verbeuzelde tijd. En als je, om met Reve te spreken, op weg bent naar het einde, is dat een tamelijke sneue constatering. De laatste fase van het leven moet met iets beters te vullen zijn. 
Voor  u nu van alles gaat denken: ik ben niet méér of sneller op weg naar het einde dan elk willekeurig ander mens, maar soms is het besef dat vroeg of laat de koek op is wat sterker aanwezig dan op andere momenten.
Een weekje geleden had ik qua YouTube-verslaving kennelijk mijn tax bereikt; ik besloot naar de bibliotheek te wandelen om een paar boeken te lenen. Geen romans, natuurlijk. Ik heb hier al vaker betoogd dat als ik lees, ik liever over èchte levens lees. 

Over Hermans en Mulisch heb ik op dit blog al eens geschreven, Aan Reve, volgens de canon eveneens behorend tot de zogenaamde 'grote drie' van de Nederlandse literatuur uit de tweede helft van 20e eeuw, heb ik tot nu toe nooit veel woorden besteed. 
Vanzelfsprekend heb ik in de loop der jaren wel het nodige meegekregen over zijn kleurrijke levensloop. En ik heb een paar boeken van hem gelezen. Ook was ik mezelf ervan bewust dat geen enkele andere Nederlandse schrijver een fanbase had, en heeft, die vergelijkbaar is met die van Reve. De 'reviaan' is een bestaand type mens, en ik vermoed dat de revianen er tot in lengte van jaren voor zullen zorgen dat Reve voorlopig niet vergeten wordt.

Derhalve was één van de boeken waarmee ik thuiskwam het eerste deel van de Reve-biografie van Nop Maas 'De vroege jaren 1923 - 1962'.
Snel samengevat was het lezen daarvan een tamelijk bevredigende ervaring, hoewel Maas als schrijver zelf ook wat merkwaardige trekjes vertoont. Zo hecht hij eraan om 'kloeg' te schrijven als hij 'klaagde' bedoelt. Deze schrijf- en zegswijze schijnt hier en daar in Vlaanderen nog voor te komen, maar is in Nederland nauwelijks bekend c.q. uitgestorven. Ook is er bij de biograaf een zekere voorkeur voor het gebruik van moeilijke woorden, ook als er een voor iedereen te begrijpen Nederlands equivalent voor bestaat. Maas schrijft 'irenisch' als hij 'vredelievend' bedoelt, bijvoorbeeld. 
Gelukkig worden de noten direct onderaan de betreffende pagina weergegeven. Ze zijn, om het eufemistisch uit te drukken, nogal talrijk. Steeds naar het eind van het hoofdstuk, of achterin het boek bladeren zou het leesplezier behoorlijk hebben bedorven.
De mate van detail leidde er soms wel toe dat ik regelmatig een paar bladzijden diagonaal las, tot mijn oog weer bleef hangen aan een naam of een zinsnede die mijn aandacht trok.

Wat betreft Reve's eerste veertig levensjaren zijn er twee dingen die er wat mij betreft uitspringen.
Ten eerste is daar het gegeven dat de schrijver, na het succes van zijn eerste boeken ('De avonden' en 'Werther Nieland/ De ondergang van de familie Boslowits') meer dan tien jaar op zoek is geweest naar zichzelf en naar de literaire vorm waarmee hij uiteindelijk pas ècht deel van de eerder genoemde 'grote drie' werd. 
Hoewel Maas het verhaal van deze periode doorspekt met lachwekkende anekdotes, is de algemene indruk van Reve in deze periode toch die van een getormenteerd mens, die bovendien vaker wel dan niet een plaag is voor zijn omgeving. Hij is weinig productief en zijn leven wordt vooral door anderen bekostigd. 'Parasitair is een woord dat opkomt.
Dat parasitaire, en dat is het tweede dat nogal op de voorgrond treedt, geldt vooral voor zijn huwelijk met Hanny Michaelis. Zij heeft nogal wat van Reve moeten verduren en heeft voor de steun die ze hem, gedurende de elf jaar dat ze met hem getrouwd was, gaf betrekkelijk weinig teruggekregen. 
Men kan zich afvragen wat er gebeurd zou zijn als Reve zich eerder had verzoend met zijn homoseksualiteit, en hij de relatie met Michaelis nooit was aangegaan. Er waren dan, naar mijn idee, twee opties geweest: één: Reve had eerder zijn vorm gevonden en was al in een veel eerder stadium een groot schrijver geworden, of twéé: hij was volledig vastgelopen in zijn neuroses, financiële problemen en algemene onaangepastheid, en was daar al ver voor zijn veertigste levensjaar aan ten onder gegaan.

Hoe dan ook, ondanks het gegeven dat het boek uitstekend leesbaar is, is het geen lectuur waar je van opknapt, als je eigen levensvreugde even wat minder is..
Deel 2 van de biografie heeft als ondertitel 'De rampjaren' Ik denk dat ik het lezen daarvan nog maar even uitstel. Het kan, in het geval van Reve, kennelijk allemaal nóg erger.

Van de weeromstuit ging ik aansluitend even op zoek naar wat ik zelf van Reve had staan en het eerste dat ik vond was 'Oud en eenzaam'. 
Daarin komt onder andere de bouw van zijn geheime kasteel 'Notre Reine' op een "platte, 749 m. hoge berg" aan de orde. Reve noemt ook het dorp La Paillette, dat er vlakbij ligt. Mijn fascinatie voor plekken waar iets gebeurd is, al dan niet schuldige landschappen zo u wilt, bracht me ertoe om via GoogleMaps en internet te achterhalen waar 'Notre Reine' precies lag.
Die zoektocht leidde me onder andere naar het blog Keesjemaduraatje. 
De maker van het blog had Reve's Franse stulpje, ondanks het feit dat hij een zelfbenoemd reviaan is, nooit ècht bereikt, maar in de reacties gaf iemand de coördinaten in lengte- en breedtegraden en zo weet ik nu precies waar het ligt; 5 km. ten zuiden van Vesc, in de Drôme, Frankrijk.

Uit de kop van het blog ("0ver Palestijnen, terrorisme, islam, Israël misstanden en persoonlijke belevenissen") bleek echter dat het reviaanse verhaal een uitzondering op de regel was. De schrijver, die in het echt ook Kees heet, put zich al sinds december 2005 voornamelijk uit in agitprop tegen de Palestijnse zaak en de Islam, en vóór Israël. Zeker in de eerste jaren scheef hij honderden berichten per jaar. Na het lezen van een paar van die berichten kom je tot de conclusie dat het woord 'rabiaat' hier op z'n plaats is; elke nuance ontbreekt. Kees ziet slechts één kant van de zaak; de tienduizenden doden in Gaza spelen in zijn overwegingen geen enkele rol.
Eén en ander was dusdanig intrigerend, dat ik nog even verder zocht op 'keesjemaduraatje'. Uiteindelijk vind je dan dat Kees ook actief was in de krakersbeweging van de jaren tachtig.

Het kan verkeren.
 
Ooit stuitte ik op de theorie dat links en rechts extremisme, naarmate ze extremistischer worden, zich soms in een soort tegenstelde cirkelbeweging bewegen, waardoor ze uiteindelijk elkaar naderden en links-extremisme bij individuen soms vrij abrupt kan omslaan in rechts-extremisme.  
Hoewel het misschien te ver gaat om Pim Fortuyn een extremist te noemen, zijn er wel mensen geweest die zijn omslag van radicaal links naar radicaal rechts op deze manier hebben verklaard. Ook Reve maakte een dergelijke omwenteling in denken door en om bij mezelf te blijven: zonder dat ik het toen in de gaten had was ik lang geleden zelf ook 'rechts', waarna ik van lieverlee steeds 'linkser' ben geworden. Maar ik geloof dat ik er redelijk in ben geslaagd om weg te blijven van extremisme.

Hoe een vrij onschuldige obsessie met 'plekken', na het lezen van een biografie waarin verloren tijd een grote rol speelt, uiteindelijk leidt tot het opduikelen van nòg iemand die zijn tijd en energie op grote schaal verspilt met bezigheden die uiteindelijk tot niets positiefs leiden.

Ook Kees, die waarschijnlijk niet veel jonger is dan ik, is op weg naar einde.  
Soms probeer ik me wel eens een voorstelling te maken van waar je aan zou kunnen denken als je laatste uur geslagen heeft. Dat je dan hopelijk het idee hebt dat je, ondanks alles, je leven niet verspild hebt, bijvoorbeeld
In de biografie van Reve komt ergens, eind jaren vijftig, ook nog een brief van W.F. Hermans aan Reve aan de orde, waarin hij aangeeft ten aanzien van laatstgenoemde "agressief medelijden" te voelen. Hij was  het geklaag en de vruchteloze pogingen van Reve om een  Engelstalige schrijver te worden een beetje zat, en zei om die reden de aanvankelijke vriendschap min of meer op.
Zelf ben ik het totaal niet eens met de politieke stellingname van Keesjemaduraatje, maar meer nog ben ik ontdaan door de zinloosheid van zijn al twintig jaar voortdurende fanatisme. Naast wrevel met betrekking tot zijn politieke standpunt, voel ik een zekere medelijden. Ik heb, bij wijze van spreken, met hem te doen.
Agressief medelijden; ik begrijp nu pas goed wat Hermans daarmee bedoelde, denk ik.

zondag 14 juni 2026

There's something in the water!





















Afgelopen vrijdagavond, rond half negen, werden de inwoners van Dordrecht, Zwijndrecht en Hendrik-Ido-Ambacht verrast met een mailtje van Evides, het lokale waterleidingbedrijf. De E-coli bacterie was aangetroffen in het drinkwater en Evides adviseerde voor de eerstkomende 72 uur het water voor consumptie 3 minuten te koken.
Ongeveer twee uur volgde een NL-Alert van dezelfde strekking, via de telefoon. Toch goed dat de vanouds vertrouwde luchtalarm-sirenes voorlopig niet door het NL-alert worden vervangen, dacht ik.
Nu had mijn vrouw, die altijd wat gevoeliger is voor de mogelijkheid van allerlei calamiteiten, al paar 2-liter pakken bronwater klaar staan; nog niet zo lang geleden aangeschaft toen de burgers van Nederland werd aangeraden een noodpakket in huis te nemen. Bovendien kookte ze meteen het nodige water en vulde daarmee een verzameling doppers en thermosflessen die uit alle hoeken en gaten werden verzameld.
In de loop van de volgende dag bleken we daar als dagvoorraad ruim voldoende aan te hebben. Extra bronwater werd dus niet aangeschaft en de pakken die we wel hadden bleven voorlopig dicht.
Gisterenavond (zaterdag) kwam er om kwart voor acht een nieuw mailtje met de boodschap dat het eerdere kookadvies was opgeheven. Nadere onderzoeken hadden uitgewezen dat er van besmet leidingwater geen sprake was. Een vals alarm dus waarschijnlijk. NL-Alert was dit keer wat meer bij de tijd; enkele minuten na de mail gaf dat dezelfde melding.

Vanmorgen keek ik even bij AD-De Dordtenaar, waar ik, voornamelijk om ook enigszins op de hoogte blijven van het lokale nieuws, een digitaal abonnementje heb lopen.
Vanzelfsprekend was ook het afgegeven en weer snel ingetrokken kookadvies nieuws waaraan de krant niet voorbij kon gaan. 
‘Valse’ melding van poepbacterie in drinkwater, hoe kon dat gebeuren? luidde één de koppen. Want gewoontegetrouw moet er een schuldige worden gevonden voor het leed dat de burger is aangedaan.
Het voornaamste leed deden burgers echter zichzelf aan.
Onder de kop Massale run op waterflessen na besmet drinkwater in Drechtsteden: ‘Mensen denken alleen aan zichzelf’ berichtte AD-De Dordtenaar over de taferelen die zich bij de Dordtse supermarkten hadden afgespeeld. Het hamsteren had tamelijk hysterische vormen aangenomen; sommige klanten namen in één keer bijna100 liter bronwater mee. Bij de Jumbo in Sterrenburg liep het hamsteren vrijdagavond zó uit de hand dat de politie eraan te pas moest komen.
Aangezien de meeste supermarkten op vrijdag om 21.00 u. sluiten en het nieuws om ongeveer 20.30 u. bekend werd, zijn hele volksstammen dus in het laatste halfuurtje dat de supermarkten open waren direct in actie gekomen, om toch maar vooral niks tekort te komen. Of zouden er andere motieven aan de orde zijn geweest, zoals speculeren op een langdurig tekort en zwarthandel? Of was het een combinatie van het één en het ander?

Ik vraag me af hoe snel de vlam in de pan gaat, als zich in de nabije toekomst een ècht serieus probleem voordoet. Het lijkt er wel eens op dat er in meer dan één opzicht sprake is van something in the water.
Het menselijk tekort was hier en daar weer eens vrij onontkoombaar aanwezig.








zondag 24 mei 2026

Nagelknipper uit Kirkenes















Sinds ongeveer vier weken heb ik een nieuwe nagelknipper. Ik kreeg er een keurig houdertje bij; je kunt hem desgewenst  aan de muur hangen. 
In het verleden zat er altijd één in mijn toilettas, maar ze hebben de neiging om op zeker moment daaruit te verdwijnen, en dan ben ik gedwongen mijn heil te zoeken bij de nagelknipper voor thuisgebruik, die in een kastje in de badkamer ligt. 
Maar ik was niet thuis, toen ik het ding vier weken geleden nodig had. Ik was in Kirkenes.

Voor we daar arriveerden, hadden we al een reeks van havens en haventjes langs de Noorse kust aangedaan. De genius loci varieerde van plaats tot plaats. Trondheim en Tromsø, bijvoorbeeld, zijn serieuze steden. Torvik is waarschijnlijk het kleinste gehucht waar werd aangelegd. 
Torvik bestaat uit een paar huizen en een goederenloods met kade, korter dan het schip zelf. Evengoed wordt vanuit de flank van het schip een klep neergelaten. Een heftruck rijdt een paar keer in en uit met een paar pakketten en één auto gaat van boord. Een kwartier nadat het schip, de Nordkapp in ons geval, heeft aangelegd, is het weer onderweg.
























































Samenvattend: we hebben gevaren wat de scheepvaartmaatschappij Hurtigruten de 'klassieke kustreis' noemt: in 12 dagen van Bergen naar Kirkenes en weer terug.
De maatschappij vaart al sinds 1893 een vaste route langs de Noorse kust. Aanvankelijk van Trondheim naar Tromsø en Hammerfest. Men vervoert van oudsher een combinatie van passagiers en vracht, maar de schoonheid van de Noorse kust heeft er in de loop der jaren toe geleid dat het toeristische aspect de overhand heeft gekregen.

Het laatste stuk van de route voor het keerpunt Kirkenes is, landschappelijk gesproken, niet het meest spectaculaire deel, maar Kirkenes zelf is de ultieme buitenpost van Noorwegen. 
De plek waar de Nordkapp aanlegt, ligt hemelsbreed iets meer dan 7 km. van de grens met Rusland. Misschien heeft dat gegeven invloed op de manier waarop het dorp (Kirkenes heeft 4000 inwoners) wordt ervaren. 
Wij liepen er op zaterdagmorgen een paar uur rond en constateerden dat er een soort oostblok-sfeer hing, totaal afwijkend van andere Noorse dorpen van vergelijkbare grootte. Alles leek grauwer en doodser. Alle winkels waren gesloten en buiten onze mede-passagiers vertoonde zich vrijwel niemand op straat.
Tijdens de tweede wereldoorlog werd Kirkenes in oktober 1944 bevrijd door het Russische leger. Na de oorlog was er, ondanks de koude oorlog en zeker na het beëindigen daarvan, toch het één en ander aan verkeer over de grens. Hoewel Noorwegen in de jaren '80 en '90 van de vorige eeuw nog niet zo rijk was als tegenwoordig, was er van alles te koop waar men in Moermansk, hemelsbreed 100 km. van Kirkenes, best in geïnteresseerd was. En omdat er derhalve regelmatig Russen in Kirkenes kwamen, waren de Noren zo vriendelijk om de belangrijkste straten in het dorp van tweetalige straatnaamborden te voorzien: Noors en Russisch.



















Sinds de Russische inval in Oekraïne zijn de verhoudingen opnieuw bekoeld.
Wandelend van het schip naar het centrum van het dorp, kwamen we toevallig langs het monument dat de bevrijding van Kirkenes door de Russen gedenkt. Vermoedelijk is het door de Russen zelf neergezet; het spreekt helemaal de stalinistische beeldtaal die Russische oorlogsmonumenten steevast aankleeft. Een Russische soldaat die met zijn wapen in de aanslag moedig voorwaarts gaat.
De Noren hebben er inmiddels een contrapunt naast gezet in de vorm van een blauw-geel gespoten busje met de tekst "STOP WAR STOP PUTIN".



















Op de terugweg uit het centrum passeerden we nòg een herinnering aan de tweede wereldoorlog; een Duitse bunker die uitziet over de fjord die Kirkenes verbindt met de zee.  Een pragmatisch ingestelde Noor vond het na de oorlog een goede fundering voor zijn houten huis, dat hij pontificaal bovenop de bunker bouwde. Mogelijk is het de oostelijkse bunker van de Atlantic Wall. Niet de noordelijkste, want enkele uren later, niet ver van Värdø, zag ik een Blockhaus,  dat in noordelijke richting uitkeek richting de Noordpool, en Vardø ligt noordelijker dan Kirkenes. Het huis lijkt ondertussen alweer leeg te staan; de geschiedenis gaat voort.



















Vlakbij de aanlegplaats van de Nordkapp, eigenlijk buiten het dorp, was de supermarkt waar ik de nagelknipper kocht. Eén van de weinige faciliteiten in Kirkenes die wèl open was.

De hele reis beschrijven is ondoenlijk. Om dat woorden soms tekortschieten, zou het uitmonden in vrij krachteloos proza.
We raakten wèl steeds meer in de ban van het noorden. 
Waar we vorig jaar de Lofoten nog èrg noordelijk vonden en twijfelden of we met ons mini-campertje ooit nog verder naar het noorden zouden rijden, zijn er inmiddels toch plannen in die richting ontstaan, op grond van wat we op deze reis hebben gezien.
Ik zou graag bijvoorbeeld nog eens naar het eerder genoemde Vardø gaan. 
Niet vanwege dat Blockhaus, maar vanwege de nabijheid van het eilandje Hornøya. 
Tijdens het uurtje dat we in Vardø mochten rondlopen, kwamen we erachter dat er in het voorjaar en de zomer een bootje naar Hornøya vaart. Hornøya is één van de belangrijkste broedplaatsen van zeevogels in Noorwegen.



















Tijdens het aanlopen van Vardø zagen we net ten zuiden van Hornøya enorme groepen zeevogels op het water. Maar zoals die dingen gaan: te ver weg om soorten goed te kunnen onderscheiden.

Hornøya, gezien van de verkeerde kant..



















Tijdens het wandelingetje op Vardø; een Papegaaiduiker van
héél dichtbij, maar helaas alleen de kop..




















Ik heb me dus voorgenomen om daar in de goeie tijd van het jaar nog eens terug te keren, als we de tijd aan ons zelf hebben.

We zagen een Zeearend van heel dichtbij bij de ingang van de Trollfjord op de Lofoten, en mijn vrouw spotte nabij Stamsund in een flits de rugvinnen van een groep Orca's, terwijl ik nèt aan de verkeerde kant van het schip stond..















Een ander moment dat ik nooit meer vergeet was de stop in Risøyhamn. 
Dat dorp is weer zo'n onaanzienlijk gehucht, waar de boot slechts voor korte tijd aanlegt. Het ligt op het eiland Andøya en telt volgens Wikipedia 222 inwoners. Een bijzonderheid is dat de zeestraat, die het dorp en het eiland Andøya scheidt van de rest van Noorwegen, heel ondiep is. Er liggen zandbanken en op veel plaatsen staat minder een meter water. Pas toen er ongeveer 100 jaar geleden vanuit het noorden een lange geul werd gebaggerd, werd de kade van Risøyhamn bereikbaar voor de schepen van de Hurtigruten. 

In de verte rechts Risøyhamn














We naderden de plaats rond half tien in de morgen, nadat we de nodige zware sneeuwbuien over ons heen hadden gekregen. Hier en daar lag een paar centimeter sneeuw aan dek. Terwijl we door het genoemde geultje voeren, klaarde het op en eenmaal voor de wal was het vrijwel windstil en zonnig. Het water werd als een spiegel, en dat is het moment dat je ook alles wat op het water zit ziet bewegen. Naast Eidereenden ook IJseenden, Zeekoeten en Zwarte Zeekoeten. Die laatste soort had ik nooit eerder gezien. Het water weerspiegelde de besneeuwde bergen in de omgeving, die soms nog werden omgeven door de restanten van sneeuwbuien.
De rest van de dag kon niet meer stuk.




Vertrek uit Risøyhamn (links); achteruit onder de brug door.




Honningsvåg. Over de weg 50 km van de Noordkaap







De Lofoten





















Een Sieidi; een voor de Sami heilige rotsformatie.


















































Stokvis in Svolvær




























Na terugkeer in Bergen zijn we daar nog twee dagen gebleven. 
De stad is even oud als Oslo, en telt 300.000 inwoners, die erg verspreid wonen; de stad kent uitbreide buitenwijken. Het historische centrum is prima te belopen en aangenaam kleinschalig. De stad staat bekend om het gegeven dat het er nogal vaak regent, maar wij troffen het: we hadden twee dagen stralend weer.
Een mooie groene plek is Nordnessparken, op de kop van het schiereiland waarop het grootste deel van het centrum ligt. Je wandelt er op enkele tientallen meters boven het water tussen oude loofbomen, langs een openluchtzwembad dat in de fjord ligt, de gebouwen van de Universiteit en een oud fort.

Bij het openluchtzwembad van Bergen.















In het centrum, niet ver van het station, ligt het Lille Lungegårdsvannet, een grote vijver in het vlakste deel van de stad. Aan de zuidwestkant ervan liggen de kunstmusea die de stad rijk is. Wij bekeken er de Rasmus Meyer-collectie. Zoals de naam al doet vermoeden een verzameling kunst, die door de verzamelaar van die naam aan de stad Bergen is geschonken. Er hangen veel 19e eeuwse romantische schilderijen, maar ook wel wat expressionistischer werk en een flink aantal schilderijen van Edvard Munch.















Ondanks al die cultuur is de natuur in Bergen niet ver weg
We gingen vanuit het centrum ruim 300 m. omhoog met de Fløybanen een tandradbaantje dat eindigt op de berg Fløyen bij een uitspanning vanwaar je een prachtig uitzicht over de stad en de fjord hebt. Er is het nodige te doen voor kinderen, inclusief het aaien van een aantal geiten, die bij de inventaris horen. 
Vanaf dit punt kun je nog een flink eind verder wandelen. Uiteindelijk kwamen wij tot ongeveer 500 m. boven zeeniveau in een landschap dat sterk doet denken aan de Hardangervida. Echte wildernis. Niet voor Noorse begrippen, natuurlijk, maar toch; de beschaving leek er, op hemelsbreed 3 km. van het centrum van Bergen, vér weg.















In een vorig epistel over Noorwegen heb ik me wel eens lichtelijk negatief uitgelaten over de Noren zelf. Na onze reis van vorig jaar en helemaal na deze reis, moet ik bekennen dat ik daarmee te voorbarig was.
Hoewel de Hurtigruten een commerciële organisatie is, was de sfeer aan boord van de boot aangenaam informeel en ontspannen. Het personeel moet, met name tijdens de maaltijden, hard werken, maar doet dat heel joyeus en heeft daarbij vaak nog tijd voor praatje. Ook in Bergen troffen we dezelfde sfeer. Eén behulpzame Bergenaar liep zelfs enkele honderden meters met ons mee, om ons bij het busstation de halte van de bus naar vliegveld te tonen.
Want, ja; we hebben wel weer 2x anderhalf uur gevlogen dit jaar.

We zijn niet voor de laatste keer in Noorwegen geweest, als het aan mij ligt.