zondag 11 januari 2026

Passanten 6: Willem

























Net als Gerrit was Willem min of meer een collega. Eentje uit de laatste periode van mijn werkzame leven.
Hij werkte bij Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Dordrecht. Ik was vanaf november 2001 min of meer bij die dienst ingehuisd, omdat ik secretaris va de Welstandscommissie was. Tussen mij en de plantoetsers van die dienst was regelmatig overleg over ingediende bouwaanvragen. 'Redelijke eisen van welstand' was tenslotte een onderdeel van de 'heilige drie-eenheid' bestemmingsplan - bouwbesluit - redelijke eisen van welstand, waaraan een bouwplan moet voldoen om een bouwvergunning te krijgen. 
Bouw- en Woningtoezicht als zodanig bestaat inmiddels niet meer; een kleine twintig jaar geleden werd deze diensten landelijk samengevoegd met de milieudiensten en de daaruit resulterende dienst heet sindsdien 'Omgevingsdienst'.
In deze context was Willem gedurende veertien jaar mijn collega.

Bouw- en woningtoezicht van de gemeente Dordrecht maakte in de periode vóór de vorming van de Omgevingsdienst deel uit van de dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Dordrecht. Dit destijds vrij omvangrijke gezelschap was van een bonte pluimage. Zowel Monumentenzorg (Dordt heeft meer dan 1000 monumentale panden) als Stedenbouw maakten er deel van uit, evenals Vastgoedbeheer en Grondzaken.
Stadsontwikkeling had bovendien, binnen het gemeentelijke apparaat als geheel, ook een reputatie als zijnde een verzameling feestnummers en bonte honden. 
Dat gold in zekere mate ook voor het toenmalige Bouw- en Woningtoezicht. De dienst had een hoofd, maar een deel van de werknemers vulde de hun toegewezen taken geheel naar eigen inzicht in en maakte het zichzelf daarbij niet moeilijker dan strikt nodig was. Bij de dienst leerde ik bijvoorbeeld het begrip 'artikel 5' kennen. De toepassing daarvan kwam neer op het door de vingers zien van allerlei zaken die enerzijds niet helemaal in overstemming waren met de voorschriften, maar anderzijds niet zó schadelijk werden geacht dat er 'moeilijk' over moest worden gedaan.

Dit laatste is meteen een mooi aanknopingspunt om wat meer te vertellen over passant Willem.
Voor Willem bestond 'artikel 5' namelijk niet. Hij deed alles volgens het boekje. Een standaard ambtenaar zoals die leeft in de voorstelling van de gemiddelde niet-ambtenaar. Binnen het gezelschap van plantoetsers was hij één van de hoger opgeleiden; als ik me niet vergis had hij de HTS voltooid. Willem was een peuteraar, niet alleen in zijn werk, maar, zoals  bleek toen ik hem wat beter leerde kennen, ook op andere fronten.
Dat hij van wijn bleek te houden zou wat mij betreft weer in zijn voordeel kunnen spreken. Kennelijk was hij in bepaalde opzichten toch een levensgenieter. Maar dat hij regelmatig wijn dronk werd pas duidelijk toen hij me op een onbewaakt ogenblik vertelde dat hij de bezitter was van een klimaatkast voor zijn wijnvoorraad. Ook hier had de hang naar perfectie toegeslagen. 
Van lieverlee werd duidelijk dat Willem ook door zijn directe collega's als een wat wereldvreemd buitenbeentje werd beschouwd. Toen Bouw- en woningtoezicht eenmaal was opgegaan in de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid en we waren verhuisd naar een ander gebouw in de stad, leidde deze verandering tot aanzienlijke problemen met zijn werkplek. Willem maakte melding van lichamelijk ongemak dat hij weet aan straling die volgens hem uit het plafond kwam. De bron zou, dacht hij, leidingwerk zijn dat electro-magnetische golven uitzond. Tot welke lichamelijke klachten dit bij hem leidde, is mij nooit helemaal duidelijk geworden. 
Zijn klachten werden door de leiding in zoverre serieus genomen dat er binnen de grote ruimte waar de plantoetsers zaten, met zijn persoonlijke werkplek werd geschoven. Uiteindelijk werd er een plek gevonden waar hij minder last had van de door hem ervaren negatieve effecten, maar helemaal tevreden is hij na de transitie van de dienst nooit meer geworden, geloof ik.
Cynisme kreeg bij Willem de overhand.  
Toen, al vrij kort na de vorming van de Omgevingsdienst, de Tweede Kamer besloot dat plantoetsing en bouwtoezicht op termijn bij marktpartijen zouden worden ondergebracht en plantoetsers en inspecteurs een mogelijk ontslag zagen opdoemen, was Willem steevast degene die het meest zwarte scenario schilderde. 

In 2016 ging ik met pensioen. De Omgevingsdienst huisde inmiddels in het oude (en eigenlijke ook meteen het laatste) postkantoor van Dordrecht, dat op loopafstand van mijn huis ligt. Sommige jongens van de Omgevingsdienst liepen bij mooi weer en rond lunchtijd graag een rondje door de binnenstad, terwijl ze ondertussen de meegebrachte boterhammen oppeuzelden. Zo kwam ik Willem, meestal in het gezelschap van één of meerdere anderen, nog diverse keren tegen.
De laatste keer dat dit gebeurde moet in de periode 2020 - 2022 zijn geweest. Het was Corona-tijd. Willem was alleen en misschien was dat de reden dat we even de tijd namen voor een praatje.
Als ik het me goed herinner was het ergste van de Corona-epidemie al achter de rug; in ieder geval werd er bij Omgevingsdienst weer op kantoor gewerkt. Vanzelfsprekend was de achterliggende periode vrijwel direct onderwerp van gesprek. Al heel snel bleek hoe Willem daar naar keek; Corona was een complot. Het was niet gewoon een epidemie van een tot dan toe onbekend virus. Er waren duistere krachten de gang geweest en ze waren nog lang niet klaar met ons, onwetende burgers.
In een poging om het gesprek in andere vaarwater te leiden, probeerde ik van onderwerp te veranderen en begon ik over een ander maatschappelijk fenomeen. Wat dat precies was weet ik niet meer, maar ook hier zag Willem allerlei geheime manipulaties van de overheid of andere machten.
Eén en ander leidde tot een versneld afscheid. Daarna heb ik Willem niet meer gezien.

De hele traditie van het rondje rond het middaguur schijnt sowieso te zijn afgeschaft, want ook de andere collega's kom ik tegenwoordig nooit meer tegen. 

maandag 5 januari 2026

Sporen naar Berlijn

























In 1936, toen zo langzaamaan het ware karakter van de nieuwe Duitse werkelijkheid zichtbaar werd, schreef Ed Hoornik het gedicht 'Het is maar tien uur sporen naar Berlijn'. Hij leek toen al te voorzien dat deze Duitse werkelijkheid vroeg of laat ook in Nederland de status quo zou worden.
Toen wij in de week na Kerstmis naar Berlijn spoorden, heb ik nog wel een paar keer aan die tien uur van Hoornik gedacht. We reisden weliswaar grotendeels met een snelle Duitse trein, maar kwamen redelijk dichtbij een reistijd van tien uur. Op de heenweg hadden we ruim een uur vertraging op de terugweg bijna twee uur. Bij de laatste gelegenheid hadden we om 12.06 uur moeten vertrekken vanaf Berlin Hauptbahnhof. Dat werd een ruim een uur later, en tijdens de rit zelf wist de Deutsche Bundesbahn er nog eens bijna een uur extra vertraging aan toe te voegen. Inclusief de reistijd in Nederland, waar de NS ondanks het winterweer goed presteerde (de vertraging bleef beperkt tot enkele minuten), waren we van Berlijn tot Dordrecht bijna negen uur onderweg.

Berlijn is onder de wereldsteden nog steeds een unicum. Nergens drukt de geschiedenis zó zwaar op een stad als in Berlijn. 
Al vele jaren geleden las ik de stukken die Armando, die in de jaren '80 een tijd in Berlijn woonde en werkte, over de stad schreef. De "grote hoop zand", waar de muur langs liep en waar ooit "het statige gebouw van de Gestapo" stond is er niet meer. Het "restant van het Reichsluftfahrtministerium" dat aan de andere kant van de muur stond "drüben, dus" is er nog, maar ik heb er niet naar gezocht.. 
Armando schreef zijn verhalen over Berlijn nog voor de Wende. Na het verdwijnen van de muur zijn veel sporen van het verleden die min of meer in het niemandsland tussen oost en west lagen waarschijnlijk in hoog tempo verdwenen. Overigens is niet de hele muur verdwenen; langs de Mühlenstrasze in de wijk Friedrichshain, die parallel loopt aan de Spree, is nog een flink stuk bewaard gebleven. Het is over de volle lengte voorzien van muurschilderingen, die moeten worden beschouwd als kunstwerken, geloof ik. De lokale autoriteit heeft bepaalde kunstenaars toestemming toestemming verleend voor het aanbrengen ervan, zo te zien. Zonder toestemming aangebracht 'wild' geklieder wordt zonder mankeren overgeschilderd met witte verf. Ook daar zagen we wat bewijzen van.
Normaal zijn er in dit deel van Berlijn weinig toeristen, maar hier liepen ze met drommen.


















De meeste braakliggende stukken, erfenissen van de bombardementen en de slag om de stad in 1945, zijn ondertussen zo'n beetje verdwenen, maar toch kent de stad in de zone net buiten het echte centrum nog steeds veel lege plekken. of plekken die ooit leeg waren maar nu, al dan niet met goedkeuring van de overheid, zijn ingevuld met marginale bedrijfjes of kleine vrijstaatjes, die bewoond worden door mensen die met het nodige sloophout en golfplaten hun eigen woonomgeving hebben geschapen. Die overigens vaak door meer dan manshoge schuttingen is gescheiden van de openbare weg; reclame maken voor hun alternatieve mini-maatschappij vinden de bewoners kennelijk niet nodig, of men wil geen pottenkijkers. Daardoor doet het vaak wel een beetje unheimisch aan.
Heb je eenmaal het centrum bereikt, dan is elke vierkante meter ingericht. Vooral met grote, tamelijk anonieme gebouwen, die vaak tientallen verdiepingen de lucht in reiken. Ook op straatniveau is alles keurig ingericht, hoewel ook hier vaak stukken straat zijn opgebroken, omdat er weer voor het één of ander in de grond moeten worden gewroet. Hier wordt nog wel gewoond, maar in het beeld zijn de winkels en het zakenleven dominant. Het kapitalisme in één van zijn meest ultieme vormen grijnst je continue aan.
Ons hotel stond in voormalig Oost-Berlijn, vlak bij het S+U Bahnhof Frankfurter Allee. De directe omgeving was een rustige, nette woonomgeving, maar tussen de Frankfurter Allee en de Spree zijn de nodige rommelhoekjes van de hierboven genoemde soort te vinden. Een groot contrast met het centrum, waar de grond inmiddels heel duur is en het grote geld de broek aan heeft.
Vergeleken met Parijs ontbeert Berlijn veel charme en eerlijk gezegd vind ik Rotterdam (ook een stad die zijn Stunde 0 gekend heeft), in veel opzichten gemutlicher.

Was het bezoek aan de stad dan verloren moeite? Nee; integendeel. 
Want hoe je het ook wendt of keert, de Duitse cultuur is, samen met de Franse, de Britse en de Italiaanse één van de grote steunpilaren van de cultuur van Europa als geheel. Duitsland als natie ontstond pas in de tweede helft van de 19e eeuw, maar de Duitse cultuur is veel ouder.
Het slot Charlottenburg, dat als gebouw, vergeleken met Versailles of de paleizen in Potsdam niet buitengewoon indrukwekkend is, herbergt wèl een interessante expositie over het Pruisische Huis van de Höhenzollern, dat z'n wortels heeft in de vroege middeleeuwen en dat in 1701 een koninkrijk stichtte, dat in feite de basis vormde van het latere Duitsland.
In Nederland heeft het Pruisische een slechte naam, maar in de praktijk traden de Pruisische koningen vaak op als mecenas ten gunste van allerlei vormen van wetenschap en kunst. Binnen die cultuur konden grote geesten als Goethe en dichters als Wilhelm Müller zich ontwikkelen.

































Daarnaast bood een bezoek aan de Alte Nationalgalerie op het Museuminsel de gelegenheid om eindelijk eens wat schilderijen van Caspar David Friedrich in het echt te zien. 
Sinds ik, lang geleden, een CD met Schubert's Winterreise kocht, heeft Friedrich me geïntrigeerd. Op de voorpagina van het boekje bij de CD stond namelijk een afbeelding van Friedrich's schilderij Winterlandschaft. Een desolaat beeld van een besneeuwd landschap met grotendeels dode bomen. Als je iets beter kijkt, zie je tussen de bomen ook nog een kromgebogen Wanderer. 
Want dat is natuurlijk ook ontzettend Duits; de Romantiek als kunststroming in allerlei vormen.
De Alte Nationalgalerie is geheel gewijd aan de schilderkunst van de 19e eeuw en een groot deel van wat er te zien is valt zonder meer in de categorie Romantiek. 
Winterlandschaft van Friedrich hangt er jammer genoeg niet, daarvoor moet je naar het Staatliches Museum te Schwerin, maar er zijn wel 16 andere Friedrichs te zien, waaronder  Abtei im Eichwald en Eichbaum im Schnee. De eerstgenoemde heeft een sfeer van verlatenheid die de uitstraling van Winterlandschaft nog overtreft. En daar hebben we de eik ook weer; het Europese cultuursymbool bij uitstek. Friedrich laat deze ontbladerde bomen wanhopig naar de hemel grijpen, zoals alleen een eik dat kan.
















En natuurlijk is er ook het Waldgefühl; landschappen waar de bomen nu eens geen eenling zijn. Ze zijn een bos, met hoge, dicht opeenstaande sparren. Vaak lopen er ook nog wel één of meer mensen rond. Maar de mens is hier klein ten opzichte van het bos. Een detail, niet belangrijker dan een vos of een ree.

























Jammer genoeg kwamen we wat tijd te kort in de Alte Nationalgalerie, want we waren er op oudejaarsdag en het museum sloot al om 16.00 uur. Daardoor misten we een tijdelijke tentoonstelling met een particuliere collectie impressionistische schilderkunst.
Om dezelfde reden kreeg ik een ander schilderij dat in dit museum hangt, en dat voor mij een bijzondere betekenis heeft, niet te zien. 
De oudste zus van mijn moeder had thuis een reproductie hangen van Die Toteninsel van Arnold Böcklin. Tante heeft me nooit verteld wat het voorstelde, maar die grote rots met cypressen en de in het wit geklede figuur in z'n bootje, die er naartoe vaart, was iets uit een andere wereld dan de mijne van dat moment. Het beeld van het schilderij heeft tientallen jaren in mijn geheugen gezeten voor ik er, minder dan tien jaar geleden, achter kwam dat het niet zomaar een niemanddalletje was, maar iets van kunsthistorische betekenis.
















Tante Bets, want zo heette ze voor mij, liet zich er altijd wel een beetje op voorstaan dat ze binnen de familie (zeven zussen en vier broers) degene was met het meeste gevoel voor cultuur. Ze zong bij Kunst na Arbeid in Dordrecht, een aan de arbeidersbeweging gelieerd amateurkoor en werkte voor haar huwelijk bij de Co-Op, een winkel die uit dezelfde bron voortkwam.
Tante Bets had kennelijk zekere idealen, maar in laatste instantie heb ik het Toteninsel van Böcklin daarin niet kunnen plaatsen. 

Ook erg Duits maar niet Berlijns is Potsdam. Je komt en vanuit centrum Berlijn in drie kwartier met de onvolprezen S-Bahn. Waarbij je overigens kilometers ver door de bossen rijdt, want Berlijn heeft een heel groene omgeving.
Eigenlijk is Potsdam het Duitse Versailles, de plaats waar de Pruisische vorsten hun paleizen bouwden. Die paleizen, Sanssouci, het Orangerieschlosz en het Neues Palais liggen aan de randen van een groot park. Bij de oostelijke ingang daarvan staat ook nog een mooie imitatie van een vroeg-christelijke Italiaanse basilica uit 1848, met zo'n typische campanile, zoals je ze ook in Siena kunt zien.

















Ook bekeken we de Einsteinturm, een zonneobservatorium uit de jaren twintig. Hij staat in het eveneens naar Einstein vernoemde wetenschapspark net ten zuiden van het Hauptbahnhof van Potsdam. Je moet wel langs een slagboom om het park binnen te komen, maar de portier geeft je zeer bereidwillig een kaartje van het park waarop hij je de toren aanwijst.
De ontwerper van de Einsteinturm was Erich Mendelsohn. Hij tekende een ontwerp in een expressionistische stijl, die enige verwantschap vertoont met de Amsterdamse School. In de jaren dertig week Mendelsohn, die Joods was, uit. Eerst naar Engeland en in tweede instantie naar de Verenigde Staten. Daar ontwierp hij gebouwen die meer aansloten bij de stijl van het Bauhaus. Strakkere, zakelijke architectuur.

















Van de meer bekende sights noem ik slechts de Gedachtniskirche, die we zagen staan vanuit de S-Bahn, toen we station Zooöligischen Garten binnenreden. In een impuls besloten we er even heen te lopen. 
Van de oorspronkelijke kerk staat alleen de ingangspartij en de toren er nog. Het schip van de neo-gothische kerk werd in 1943 bij een bombardement verwoest. Ook de toren werd beschadigd en de gerafelde spits bleef behouden als Mahnmal.
Naast dit restant werd in 1954 een van buiten nogal sobere achthoekige kerk gebouwd, evenals een nieuwe klokkentoren. Van binnen werkt de nieuwe kerk echter heel goed. Het blauwe figuurglas, waaruit de gevels bestaan, gaat in het interieur pas spreken. Toen wij er waren zat er net een jonge pianist op een forte-piano Mozart te repeteren, waarschijnlijk voor een concert dat er op oudejaarsavond zou plaatsvinden.





 











We hebben een tijdje naar hem geluisterd en de sfeer op ons laten inwerken. We waren in Berlijn, maar de stad was eventjes ver weg.